| A - B - C - D - E - G - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - V - W - Z A Aanlandingslocatie Een aanlandingslocatie is een plaats waar groepen slachtoffers van ongevallen op zee of op groot open water, aan land kunnen worden gebracht. Deze locaties worden aangewezen ter voorbereiding op het ramptype ‘Ongeval op water'. Als aanlandingslocatie wordt bij voorkeur een haven gebruikt. Aanlandingslocaties zijn belangrijk als aansluitpunt voor de verdere hulpverlening aan de slachtoffers. Aanvalsplan Een aanvalsplan is bedoeld voor de brandweer. Met een aanvalsplan zijn bij een brand of een ongeval direct de belangrijkste gegevens bij de hand. Een aanvalsplan geeft informatie over de plaats van gevaarlijke stoffen en installaties, over vluchtwegen en toegangen, over brandscheidingen e.d.. In aanvalsplannen wordt meestal gebruik gemaakt van plattegronden; soms kan worden volstaan met een eenvoudig kaartje (bereikbaarheidskaart). Op grond van de Arbowet moeten bepaalde bedrijven zelf ook over een bedrijfsnoodplan beschikken. In sommige gevallen zijn aanvalsplannen en bedrijfsnoodplannen niet voldoende en moet er volgens de Wet Rampen en zware ongevallen, een rampbestrijdingsplan worden gemaakt. Aardbeving Een aardbeving uit zich in het schudden, golven, trillen en/of plotseling verzakken van de aardkorst. Beperkte aardbevingen zijn in Nederland mogelijk. Afhankelijk van de sterkte van de aardbeving variëren de effecten van ‘niet gevoeld' tot ‘vernielend'. De mogelijke effecten worden op de risicokaart weergegeven volgens de schaal van Mercalli, die loopt van I tot en met XII. Zie verder bij aardbevingsrisico (V t/m VIII). Zie ook bij breuklijn. Aardbevingsrisico De mogelijke effecten van een aardbeving worden op de risicokaart aangegeven volgens de schaal van Mercalli. Deze schaal loopt van I (niet gevoeld) tot XII (catastrofale schade). Bij de sterkte van aardbevingen denkt men meestal aan de schaal van Richter. Die meet echter alleen de ondergrondse kracht van de beving bij de bron, die diep en ver weg kan liggen (‘het epicentrum lag bij ...'). De schaal van Mercalli meet de schaal op een specifieke plaats, vandaar dat wij voor deze kaart ‘Mercalli' gebruiken. In Nederland kan een eventuele aardbeving naar verwachting uitkomen op V à VIII op de schaal van Mercalli: V.vrij sterk: algemeen gevoeld, opgehangen voorwerpen slingeren, klokken blijven stilstaan; VI.sterk: schrikreacties, voorwerpen in huis vallen om, bomen bewegen, weinig solide huizen worden beschadigd; VII.zeer sterk: schade aan vele gebouwen, schoorstenen breken af, golven in vijvers, kerkklokken geven geluid; VIII.vernielend: algemene schade aan gebouwen, zwakke bouwwerken gedeeltelijk vernield. ABC zones Voor de externe veiligheid bij Defensie-inrichtingen worden drie zones onderscheiden. De A zone ligt direct rondom de munitieopslag. Hierin mag zag zich geen bebouwing, openbare wegen, enz bevinden. In de B zone is geen bebouwing toegestaan waarin zich regelmatig mensen bevinden. Wegen met beperkt verkeer zijn toegestaan. In de C zone gelden restricties voor gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en gebouwen met een zeer grote glasoppervlakte waarin zich regelmatig mensen bevinden. De grootte van de zone is afhankelijk van de gevarenklasse van de munitie, de opgeslagen hoeveelheid en de constructie van het opslagmagazijn. Ammoniak Ammoniak is een giftig en brandbaar gas met een sterk prikkelende geur. Het kan een schadelijke uitwerking hebben op de slijmvliezen, vooral op de longen, de luchtwegen en de ogen. In het huishouden en bij het schilderen wordt soms ammonia gebruikt. Dat is water waarin een beetje ammoniakgas is opgelost. Pure ammoniak wordt hoofdzakelijk toegepast als koelmiddel in grote koelinstallaties. Ammoniak is een vanouds bekend koelmiddel dat tegenwoordig vaak wordt gebruikt omdat het weinig schadelijk is voor de ozonlaag. Het is echter wel een giftig gas. Als ammoniak uit de installatie ontsnapt ontstaat een gifwolk, die door de wind wordt meegenomen en zich op die manier in de omgeving verspreidt. Zie verder bij Wat zijn de risico's van een ammoniakkoelinstallatie? Ammoniakkoelinstallatie In ammoniakkoel- en vriesinstallaties wordt ammoniak als koelmiddel gebruikt. Het gaat hierbij om bedrijfsmatige installaties, bijvoorbeeld koel- en vriescellen in de voedingsmiddelenindustrie en bij sommige veilingen. Ook in de vriesinstallatie van de meeste kunstijsbanen wordt ammoniak als koelmiddel gebruikt. Als er meer dan 400 kg ammoniak in een installatie voorkomt, moet deze geregistreerd worden in het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (categorie D). Wat zijn de risico's van een ammoniakkoelinstallatie? Andere inrichting (registratieplicht) Inrichtingen (bedrijven) met gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld in categorieën. Conform het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke stoffen.Enkele speciale categorieën hebben een eigen kaartsymbool. De rest wordt allemaal met het symbool voor ‘Andere inrichtingen' op de kaart gezet. Als u op de kaart op dit symbool klikt, ziet u om welk soort inrichting het gaat. Dat kan een van de volgende soorten zijn: - CPR-inrichting (categorie C);
- Inrichtingen met een grote ammoniakkoel- of vriesinstallatie (cat. D);
- Emplacement (categorie E);
- Vervoersgebonden inrichting (categorie F);
- Mijnbouwinrichting (categorie I);
- AVR-inrichting (categorie J);
- Inrichting met ontplofbare stoffen (categorie L),
- Overige inrichtingen (categorie M) waarvan het plaatsgebonden risico op de grens van de inrichting hoger is dan 10-6 per jaar;
- Andere inrichting (categorie N) waarvan het bevoegd gezag vindt dat vermelding in het register en op de risicokaart relevant is (vrijwillige registratie).
Op de risicokaart zelf kunt u het symbool voor deze inrichtingen aanklikken. U krijgt dan te zien waar het precies om gaat. De volgende inrichtingen hebben een eigen kaartsymbool gekregen: Ten eerste inrichtingen met een mogelijk bijzonder risico, namelijk BRZO-bedrijven, nucleaire inrichtingen en defensie-inrichtingen. Verder hebben juist sommige veel voorkomende inrichtingen een eigen kaartsymbool gekregen, namelijk LPG-tankstations, propaanopslagen en vuurwerkbedrijven. De overige inrichtingen worden op de risicokaart allemaal met het kaartsymbool ‘Andere inrichting' weergegeven. Het Registerbesluit bepaalt wanneer een bedrijf moet worden geregistreerd (verplichte registratie). Daarnaast zijn er bedrijven die vrijwillig door het bevoegd gezag in het Register kunnen worden gezet (zie bij Andere inrichting, vrijwillige registratie). Andere inrichting (vrijwillige registratie) Het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke stoffen (RRGS) bepaalt wanneer een inrichting (bedrijf) verplicht moet worden geregistreerd. Er is echter ook een categorie ‘Andere inrichtingen', die vrijwillig in het register kan worden opgenomen.. Dit wordt gedaan als er een kans is dat bij een ongeval gewonden kunnen vallen buiten de inrichting. Het bevoegd gezag (hier meestal de gemeente) mag aangeven voor welke situaties dat geldt. Het gaat vooral om de categorie N uit het Registratiebesluit. Op de risicokaart zelf kunt u het symbool van zo'n inrichting aanklikken. Zie bij ‘Andere inrichtingen verplichte registratie' voor een compleet overzicht van de categorieën. Ook voor de ‘vrijwillige categorie' geeft het Registratiebesluit aanwijzingen. Autosnelwegen Autosnelwegen staan op de risicokaart omdat ze ‘gevoelig' zijn voor kettingbotsingen. Om dezelfde reden worden enkele bijzonder drukke en mistgevoelige autowegen op de kaart vermeld. Over deze autowegen kan ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Als dat minstens tweemaal per week het geval is en het lokaal bestuur een vermelding noodzakelijk acht, staat dat op provinciale en gemeentelijke risicokaarten. Bij het Register Risicosituaties gevaarlijke stoffen worden alleen de transportwegen getoond die een plaatsgebonden risico van 10-6 hebben. Dat gebeurt alleen als er veel vervoer van gevaarlijk stoffen is. AVR-bedrijven AVR-bedrijven zijn conform de Arbowet verplicht een ArbeidsVeiligheidsRapport (AVR) op te stellen. Het gaat om bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. In een AVR worden de veiligheidsaspecten voor de werknemers en bezoekers van het bedrijf beschreven. AVR-bedrijven staan op de risicokaart omdat de gevaarlijke stoffen soms ook buiten het bedrijf een risico opleveren. De AVR-bedrijven moeten daarom volgens het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen worden geregistreerd (categorie J van dat besluit). Als dat een zwaar risico is, vallen de bedrijven echter in de categorie van BRZO-inrichtingen of in een andere specifieke risicocategorie. B Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. Meestal zijn de gemeente of de provincie het bevoegd gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving: ervoor zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels. Blootgesteld Met ‘blootgestelden' worden de personen bedoeld die zich op een plaats bevinden waar ze in aanraking (kunnen) komen met effecten van een ramp bij een risicobron. De risicokaart ‘kijkt' vooral naar de acute gevolgen daarvan (verwonding of overlijden). Bij een ongeval of ramp met radioactieve stoffen, worden de maatregelen in aanmerking genomen om de effecten op lange termijn te beperken. Brand Brand brengt verschillende gevaren met zich mee. Door vonken en warmtestraling kan een brand zich snel verspreiden. In de open lucht is de warmtestraling een direct gevaar en kunnen er brandwonden ontstaan als men te dicht in de buurt is. Verder is de rook gevaarlijk. Voor mensen die zich binnen een brandend gebouw bevinden, is rook een gevaar dat meestal sneller om zich heen grijpt dan het vuur zelf. Maar ook buiten is rook gevaarlijk, omdat er vaak schadelijke stoffen (verbrandingsproducten) in voorkomen, bijvoorbeeld het zeer giftige koolmonoxide. Overtollig bluswater kan door de verbrandingsproducten eveneens giftig worden. Brandbaar natuurgebied Het gevaar van brand in een natuurgebied (bos, duin en heide) is afhankelijk van het weer en het terrein. Naaldbos is heel brandbaar; een brand kan daar zeer snel uitbreiden. Bij gemengd bos geldt dat minder, voor loofbos nog minder. Bij droogte kan in elk bos een grote brand voorkomen, mede door de lage begroeiing die sneller droog is. Branden in natuurgebieden ontstaan meestal door menselijke activiteiten, zoals het weggooien van een brandende sigaret. Breuklijn Aardbevingen komen niet zomaar ergens voor, maar zijn vaak verbonden met breuklijnen die in de ondergrond lopen. De gebieden aan weerszijden van breuklijnen kunnen langzaam ten opzichte van elkaar verschuiven. Dat verloopt soms schoksgewijs, zodat zich een aardbeving voordoet. Belangrijke breuklijnen worden met een lijnsymbool op de kaart getoond. Hetzelfde lijnteken wordt gebruikt om plaatsen aan te duiden waar eventueel een schoksgewijze bodemdaling kan plaatsvinden door aardgas- of zoutwinning. Dit is aangegeven met een rondlopende lijn. BRZO In het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria die aangeven welke inrichtingen (bedrijven) een risico hebben op zware ongevallen. Dit hangt samen met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bedrijven die aan de gestelde gevarencriteria voldoen, noemt men BRZO-bedrijven. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO-bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel PBZO (preventiebeleid zware ongevallen) -bedrijven genoemd, omdat ze een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem (VBS). Voor bedrijven van de zware categorie geldt dit ook, maar deze moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport (VR) opstellen. Die bedrijven worden daarom ook wel VR(plichtige)-bedrijven genoemd. Alle BRZO-bedrijven moeten volgens het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen worden geregistreerd (categorie A van dat besluit). Het BRZO is overigens niet van toepassing op inrichtingen van Defensie, kerncentrales en mijnbouwbedrijven, want daarvoor gelden specifieke wetten of regels. Hetzelfde is bijvoorbeeld het geval voor vuurwerkbedrijven. Buisleiding Transport van gevaarlijke stoffen kan ook plaatsvinden door buisleidingen (pijpleidingen). Deze staan op de risicokaart. Voorbeelden zijn: hoge- en middendrukaardgasleidingen (regionale en (inter)nationale aardgasleidingen) en leidingen voor transport van chemische - soms ook giftige - vloeistoffen of gassen. Meestal gaat het om ondergrondse leidingen, maar bovengrondse komen ook voor. C Caverne Een ondergrondse ruimte die is ontstaan door de winning van delfstoffen. In de praktijk gaat het om onder andere ondergrondse zoutwinning. Bij gaswinning ontstaan namelijk geen cavernes. Cavernes worden alleen op de risicokaart gezet als ze bovengronds merkbare aardschokken zouden kunnen veroorzaken. Zie ook bij aardbeving. Chloortransport Chloor is een zeer giftig en reactief gas. Het wordt in vloeibare vorm per spoor vervoerd in tankwagons: ‘spoorketelwagens' van 50.000 kg per stuk. Chloor wordt gebruikt bij de productie van allerlei kunststoffen. Als chloor vrijkomt, werkt het sterk bijtend op ogen, huid en luchtwegen. Het kan al bij beperkte concentraties ernstig letsel veroorzaken. ‘De' chloortrein' rijdt van Hengelo en Delfzijl naar het Botlekgebied in Rotterdam, ongeveer drie of vier keer per week. Het vervoer van chloor wordt niet gecombineerd met vervoer van andere (gevaarlijke) stoffen. Om het risico verder te verkleinen rijdt de chloortrein alleen 's nachts en met lage snelheid: meestal tot 60 km/u in het buitengebied, soms 40 km/u in stedelijk gebied. Coördinatieplan Een coördinatieplan wordt gebruikt als er geen rampbestrijdingsplan nodig is, zoals bij autosnelwegen. Een coördinatieplan regelt hoe verschillende diensten of overheden samenwerken bij de bestrijding van ongevallen. In ingewikkelde situaties kan een coördinatieplan tevens een zinvolle aanvulling zijn op de plannen van afzonderlijke gemeenten of diensten. CPR CPR is een afkorting voor de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen. Deze commissie is destijds ingesteld door vier ministeries (SZ&W, BZK, VROM en V&W) om te adviseren over maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen met gevaarlijke stoffen. De CPR heeft diverse richtlijnen uitgegeven. Een daarvan is ‘CPR-15' voor opslagkasten en -loodsen voor gevaarlijke stoffen. De commissie zelf wordt opgeheven. Opvolger wordt de AGS, de Adviesraad Gevaarlijke stoffen. CPR-inrichtingen Sommige inrichtingen (bedrijven) zijn een risicobron omdat ze gevaarlijke stoffen opslaan. Bij CPR-inrichtingen gaat het om de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking (stukgoed). De opslagloodsen moeten voldoen aan de eisen van CPR-richtlijn 15-2 of 15-3. Het kan onder andere gaan om opslag van gewasbeschermingsmiddelen, bepaalde lijmen en harsen en andere chemicaliën in vaten. Deze inrichtingen vallen in categorie C van het Registratiebesluit Risicosituaties gevaarlijke stoffen. D Defensie-inrichtingen Defensie-inrichtingen zijn kazernes, munitieopslagen, militaire vliegvelden en schiet- en oefenterreinen. In het Register Risicosituaties Gevaarlijke stoffen worden alleen de Defensie-inrichtingen geregistreerd waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik. Dit wordt dan aangegeven met veiligheidszones; zie zone A, B of C. Vanwege de kans op vliegtuigongevallen bijvoorbeeld, kunnen op provinciale risicokaarten ook militaire vliegvelden worden vermeld en oefenterreinen waar geregeld vliegtuigen worden gebruikt. E Effect De effecten waar de risicokaart het over heeft zijn: - explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling. De kaart geeft daarvan globaal het direct gevaarlijke gebied aan. Zie verder bij effectafstand explosie;
- brand, waarbij de kaart het gevaarsgebied van warmtestraling aangeeft. Zie verder bij effectafstand brand;
- toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen.
Ook hiervan geeft de kaart een indicatie van gevaarsafstanden. Zie verder bij effectafstand toxisch. Het gaat hierbij vooral om effecten met een directe en acute uitwerking op de mens. Zie verder effectafstand gewond en effectafstand letaal. Hiernaast bestaat het effect van radioactieve straling, bijvoorbeeld als gevolg van een ramp met een kerncentrale. Zulke rampen geven buiten het terrein van de centrale vrijwel geen acute gezondheidsklachten, maar de mogelijke gevolgen op lange termijn zijn zorgwekkend. Daarom zijn bijzondere maatregelen nodig. Hiervoor worden zogenoemde maatregelenzones aangegeven. Zie verder bij Maatregelenzone. Effectafstand De effectafstand 1% letaliteit, zoals deze op de kaart wordt getoond bij installaties en inrichtingen, wordt weergegeven in cirkels. 1%-letaliteit betekent, dat indien zich een ramp voordoet op de rand van de cirkel 1% van de mensen die zich daar bevinden de kans lopen te overlijden. Dit percentage loopt op naarmate men zich meer in de richting van het middelpunt van de cirkel zal bevinden. Effectgebied Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De kans dàt er een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren. Zie verder bij effect of bij risicocontour. Emplacement Zie Rangeerterrein Evacuatieafstand Afstand waarbinnen de bevolking moet worden geëvacueerd bij een kernongeval. Voor de kerncentrale Borssele is deze afstand 4.000m. Voor andere kerncentrales is geen evacuatieafstand vastgelegd. Een evacuatie dient om te voorkomen dat mensen aan gevaar worden blootgesteld. Mensen in de evacuatiezone dienen dit gebied te verlaten. Bij kerncentrales is van tevoren bepaald welk gebied eventueel moet worden geëvacueerd. Er zijn ook andere maatregelen denkbaar; zie verder bij maatregelzone. Evacuatiezone Zie Evacuatieafstand. Explosie Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling. Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken, zoals glasscherven die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken. Explosies kunnen optreden bij: - brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG;
- sommige vluchtige vloeistoffen;
- patronen en andere munitie;
- professioneel- en consumentenvuurwerk;
- sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest;
- stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of houtstof.
Externe veiligheid De routes en bedrijven op de risicokaart geven een risico (meestal met gevaarlijke stoffen) in het bedrijf. Bij gevaar buiten het bedrijf of buiten de (spoor/water)weg, zijn aanvullende veiligheidsregels nodig, voor de ‘externe veiligheid'. De regels voor de externe veiligheid hebben effect op het bedrijf of het vervoer zelf. Bovendien schrijven ze een minimale afstand voor tussen gevaarbronnen en kwetsbare objecten in de omgeving. Ook kan een beperking worden gesteld aan het aantal woningen en grote gebouwen die in een gebied mogen worden gebouwd. G Gebruiksvergunning De gemeente kan bedrijven en instellingen verplichten een gebruiksvergunning aan te vragen als het voor de veiligheid van belang is extra regels te stellen aan het gebruik van hun gebouw. In een gebruiksvergunning kunnen eisen worden gesteld aan brandblusmiddelen, brandmeldinstallaties en andere veiligheidsvoorzieningen. Ook kan het gebruik worden beperkt tot een bepaald aantal mensen, of, in opslagruimtes, tot een bepaalde hoeveelheid brandbaar materiaal. De gemeenten bepalen zelf voor welke soorten gebouwen gebruiksvergunning verplicht is. De hoogste prioriteit daarbij krijgen gebouwen waarin niet-zelfredzame mensen verblijven of waarin grote groepen mensen aanwezig kunnen zijn. Gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan gebruik, transport of opslag risico's met zich meebrengen. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn bijvoorbeeld brandstoffen, grondstoffen voor medicijnen, kunststoffen en kunstmest, of hulpstoffen voor koelen, reinigen of conserveren. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat een hele groep personen overlijdt door een ongeval. In het groepsrisico wordt rekening gehouden met het aantal mensen dat in de buurt van een ongeval aanwezig kan zijn. Voor het groepsrisico geldt geen harde wettelijke grens, maar een zogenoemde oriënterende waarde. Die geeft aan in hoeverre het groepsrisico toelaatbaar is in de omgeving van inrichtingen (bedrijven) of langs transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De ‘oriënterende waarde' betekent dat het bevoegd gezag - meestal de gemeente of de provincie - een overschrijding ervan mag toestaan. Daarvoor moet dan wel een specifieke verklaring worden gegeven. De oriënterende waarde wordt strenger naarmate er grotere groepen tegelijkertijd het slachtoffer van een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen worden. Daarom worden soms beperkingen gesteld aan het aantal mensen die in de omgeving van een gevaarsbron aanwezig mogen zijn. Zie ook: toegestane populatiedichtheid. A - B - C - D - E - G - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - V - W - Z I Inrichting Het woord ‘inrichting' komt onder andere uit de Wet milieubeheer. Een inrichting moet een milieuvergunning hebben. Op de risicokaart staan alleen de risicovolle inrichtingen: bedrijven en andere ‘inrichtingen' die door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, een risico voor de omgeving vormen. Installatie Onder een installatie wordt verstaan een risicovol object dat deel uit kan maken van een inrichting. Per installatie wordt een risicocirkel gedefinieerd. Indien een inrichting meerdere installaties bevat, kan er ook een samengesteld risicocontour worden bepaald in de vorm van een polygoon. Er worden 2 soorten installaties onderscheiden: procesinstallaties en opslaginstallaties. Een procesinstallatie kan bestaan uit meerdere tanks, pijpen etc. een opslaginstallatie, zoals een opslagtank is altijd een afzonderlijke installatie. Vaak is een opslaginstallatie uitgerust met apparatuur als circulatiesystemen en warmtewisselaars om de juiste opslagconditie te waarborgen. Ook dan spreekt men nog steeds van een opslaginstallatie. Instelling Op de risicokaart is het woord ‘instelling' gereserveerd voor organisaties die kwetsbare objecten beheren, bijvoorbeeld ziekenhuizen, scholen, verzorgingshuizen en dergelijke. Zie ook (beperkte) kwetsbare objecten. J Jodiumprofylaxe Jodiumprofylaxe is het uitdelen (en innemen) van jodiumpilletjes. Hiermee kan worden voorkomen dat een schadelijk soort jodium in het lichaam wordt opgenomen. Bij een ernstig ongeval met een kerncentrale kunnen radioactieve stoffen vrijkomen, vooral veel radioactief jodium. De menselijke schildklier is daar gevoelig voor omdat deze jodium gebruikt voor het maken van schildklierhormonen. Door jodiumtabletten in te nemen kan worden voorkomen dat er radioactieve jodium in de schildklier komt en daar blijvend schade aanricht. Dit is voor iedereen van belang, speciaal voor kinderen. In het rampbestrijdingsplan van kerncentrales is een gebied aangegeven voor de voorzorgsmaatregel met jodiumtabletten (de jodiumprofylaxe). Dit is een van de maatregelzones die aan de orde kan zijn bij een ernstig ongeval in de kerncentrale. K Kaart ondergrond De kaart ondergrond is, zeg maar, de ‘plattegrond' waarop risicobronnen en kwetsbare objecten worden getoond. Bij elkaar ontstaat de Risicokaart. De kaart ondergrond zorgt ervoor dat u herkenningspunten zoals wegen, wateren en huizen(blokken) in de kaart ziet zodat u weet welk gebied de kaart toont. Voor het maken van de kaart ondergrond wordt informatie gebruikt afkomstig van verschillende leveranciers: Gemeentenamen, plaatsnamen en dergelijke: Provincies Straatnamen: Rijkswaterstaat, Adviesdienst Verkeer en Vervoer Overige topografie: Topografische Dienst Kadaster Voor de kaart ondergrond geldt dat deze voortdurend geactualiseerd wordt door de ontvangen wijzigingen te verwerken. De gegevens van de Topografische Dienst Kadaster worden echter slechts eens in de vier jaar opnieuw ingemeten. Het is dus mogelijk dat nieuwe wijken of andere wijzigingen in het landschap nog niet verwerkt zijn en dus niet op de kaart zichtbaar zijn. Kans Op de risicokaart is bij veel bedrijven en transportroutes van gevaarlijke stoffen, met lijnen aangegeven wat de kans is dat iemand overlijdt door een ongeval met die stoffen (als hij ten minste een jaar lang permanent op die plaats zou verblijven). Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour. Kerninrichting zie Nucleaire inrichting Kettingbotsing In een kettingbotsing zijn veel auto's en vrachtauto's die in principe dezelfde rijrichting hadden, op elkaar gebotst. Bij dichte mist neemt de kans op een kettingbotsing toe. Kettingbotsingen vinden vooral plaats op autosnelwegen plaats. Er kunnen veel slachtoffers bij vallen. Omdat op de risicokaart de plaatsen staan waar grote ongevallen kunnen gebeuren, staan ook de autosnelwegen erop. Als er ook gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is dat met een extra rode lijn aangegeven. L Letaal Dodelijk LPG LPG is een brandbaar gas dat onder andere wordt gebruikt als brandstof voor auto's. LPG is onder hoge druk samengeperst tot een vloeistof (Liquid Petroleum Gas). Als LPG vrijkomt, vormt zich een gaswolk die door een vonk of een andere ontstekingsbron kan worden ontstoken en dan explosief kan ontbranden. LPG-stations Een LPG-tankstation is een tankstation waar auto's LPG kunnen tanken. Opslagtanks voor LPG zijn het veiligst als ze afgedekt zijn met een laag aarde. Bovengrondse opslagtanks van LPG en de LPG-tankauto's waarmee de LPG wordt afgeleverd, zijn de belangrijkste risicobronnen bij een LPG-tankstation. LPG is een brandbaar gas. Het gevaar ontstaat als het gas vrijkomt en door open vuur of een vonk wordt ontstoken. Daardoor kan een zware explosie plaatsvinden. Daarom moeten LPG-stations volgens het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen worden geregistreerd (categorie B van dat besluit). Luchtvaart In heel Nederland kan een vliegtuig neerstorten. De meeste luchtvaartongevallen gebeuren echter op of in de directe omgeving van een vliegveld. Daarom staan vliegvelden op de risicokaart. In het Register Risicosituaties gevaarlijke stoffen wordt dit overigens niet meegenomen. Het gebied waar een ongeval het meest waarschijnlijk is, ligt in het verlengde van de startbaan (startbanen) en rond de startbaan zelf, en is afhankelijk van de aanvliegrichtingen en -routes. Zone-1 is het gebied waar ongeveer 75 procent van de mogelijke neerstortingen plaatsvindt. Voor enkele luchthavens zijn daarnaast specifieke risicocontouren berekend LVL -categorie (grootste vliegtuig) LVL is een afkorting voor Leidraad Vliegtuigongevallenbestrijding op Luchtvaartterreinen. Vliegvelden worden daar ingedeeld naar de grootste vliegtuigen die er mogen komen. Dit geeft een indicatie van de mogelijke omvang van een vliegtuigongeval op of nabij zo'n vliegveld. M Maatregelzones Maatregelzones worden gebruikt bij (de voorbereiding op) nucleaire rampen. Het zijn gebieden waarin bepaalde voorzorgsmaatregelen zijn gepland om de gevolgen van een ramp met een kerncentrale te beperken. Deze maatregelen zijn (in oplopende omvang van het gebied rond de installatie): - evacueren;
- het uitreiken van jodiumtabletten (jodiumprofylaxe);
- schuilen.
Er zijn nog andere maatregelen, zoals een begrazingsverbod, maar de risicokaart toont alleen de directe maatregelen voor mensen. Minimum hoeveelheid / ondergrens Risicosituaties met gevaarlijke stoffen worden alleen op de risicokaart opgenomen als er een bepaalde minimumhoeveelheid gevaarlijke stof aanwezig kan zijn. Voor inrichtingen (bedrijven e.d.) zijn de ondergrenzen aangegeven in het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Het plaatselijk bestuur kan overigens meer risicosituaties op de risicokaart zetten, bijvoorbeeld routes waarover minstens twee wagens gevaarlijke stof per week rijden. Mijnbouwinrichting Installaties voor het winnen van olie en aardgas kunnen voor de risicokaart van belang zijn. Tot de mijnbouwinrichtingen worden ook sommige compressorstations en de gasbehandelstations gerekend. Ook de tijdelijke opslag van gas in ondergrondse steenlagen valt onder de ‘mijnbouwinrichtingen'. Mijnbouwinrichtingen moeten volgens het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen in elk geval worden geregistreerd als er buiten het hek een risiconiveau is van 10-6 (zie plaatsgebonden risico 10-6). Het betreft mijnbouwinrichtingen op land (categorie I van het Registratiebesluit). Platforms op zee die dicht langs de kust liggen kunnen door het bevoegd gezag op een plaatselijke risicokaart worden geplaatst. N Natuurbrand Heidebrand, duinbrand en bosbrand zijn voorbeelden van natuurbranden. Ook in Nederland kunnen grote bos- en heidebranden ontstaan. De risicokaart geeft aan waar dat eventueel aan de orde is. Woningen, dorpen en vakantieparken die in die gebieden liggen, kunnen door de brand worden bedreigd. Nucleaire inrichting Nucleaire inrichtingen zijn onder andere kerncentrales, (onderzoeks)reactoren en enkele bedrijven waar radioactief materiaal wordt geproduceerd. Het gaat om enkele locaties in Nederland, waaronder de kerncentrale van Borssele en de gesloten kerncentrale in Dodewaard. Er zijn ook enkele buitenlandse kerncentrales die niet ver van onze grens liggen en die op plaatselijke risicokaarten worden meegenomen. Het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen geeft onder categorie H aan welke nucleaire inrichtingen in elk geval moeten worden geregistreerd. Op de risicokaart kunnen voor kerncentrales zogenoemde maatregelzones worden weergegeven. Een ramp met een kerncentrale heeft buiten het terrein van de centrale weinig directe gezondheidseffecten, maar de mogelijke gevolgen of langere termijn zijn zorgwekkend (directe, acute gezondheidseffecten zijn bij een ongeluk vooral mogelijk bij de werknemers en de hulpverleners die dicht bij de reactor moeten optreden). Radioactieve stoffen die bij een nucleaire ramp in de omgeving komen, kunnen bij vele mensen na verloop van tijd (soms jaren later nog) ernstige en langdurige effecten hebben. Daarom zijn bijzondere maatregelen nodig om de gevolgen van zo'n ramp te beperken. Zie verder bij maatregelenzone. A - B - C - D - E - G - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - V - W - Z O Ongeval op water In het ramptype ‘Ongeval op water' gaat het om eventuele grote ongevallen met: - passagiersschepen en veerponten, op zee of op binnenwater (brand, aanvaring, zinken of kapseizen);
- watersportgebieden met grote aantallen zeilers, surfers en andere watersporters die door een windhoos of plotselinge storm massaal in problemen kunnen komen;
- wadlooproutes waarmee een oversteek wordt gemaakt en die intensief worden gebruikt.
Routes en gebieden waar dit aan de orde kan zijn, worden op de kaart weergegeven. Ook op hun aanlegplaats kunnen passagiersschepen in brand raken. Jachthavens komen op de risicokaart als er zich minstens 250 personen kunnen bevinden. Ze worden als kwetsbaar object beschouwd, niet direct bij ‘ongeval op water'. - Ook het neerstorten van een vliegtuig in zee of groot open water wordt gerekend tot dit ramptype. Dit kan vooraf echter niet voldoende specifiek op een kaart worden aangegeven.
Ontplofbare stof Bij ontplofbare stoffen gaat het onder andere om springstoffen en munitie. Er horen ook stoffen toe die toevallig explosief zijn, bijvoorbeeld sterk geconcentreerde kunstmest. Ontplofbare stoffen vallen in categorie L van het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Inrichtingen met zulke stoffen moeten worden geregistreerd. Vuurwerk valt in een aparte categorie (categorie G, zie vuurwerkinrichtingen). Gassen die kunnen exploderen, zoals LPG en propaan, zijn ingedeeld in andere categorieën, onder andere omdat hierbij zuurstof uit de lucht nodig is voor een explosie. Ontruimingsplan Een ontruimingsplan geeft aan hoe een ontruiming van een gebouw of een terrein moet plaatsvinden. De overheid eist in bepaalde gevallen een ontruimingsplan van bedrijven. Opslagen van verpakte gevaarlijke stoffen Sommige bedrijven (‘inrichtingen') zijn een risicobron omdat ze gevaarlijke stoffen opslaan. De inrichtingen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen worden ook wel CPR-inrichtingen genoemd. De opslagloodsen moeten voldoen aan de eisen die zijn vermeld in de ‘CPR-richtlijnen' (CPR-15-2 en 15-3). Het gaat hier om categorie C in het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Het kan onder andere gaan om opslagen van gewasbeschermingsmiddelen, kunstmest, lijmen en harsen en chemicaliën in vaten. CPR is een afkorting voor de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen. Deze commissie is destijds ingesteld door vier ministeries (SZ&W, BZK, VROM en V&W) om te adviseren over maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen met gevaarlijke stoffen. De CPR heeft diverse richtlijnen uitgegeven. Een daarvan is ‘CPR-15' voor opslagkasten en -loodsen voor gevaarlijke stoffen. Overige risico's De risicokaart toont niet alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen, maar ook andere risico's. De overige risico's zijn ingedeeld in de volgende ramptypen: - luchtvaartongevallen;
- ongeval op water;
- verkeersongevallen op land;
- tunnelongevallen;
- brand in (grote) gebouwen (zie bij Kwetsbare objecten);
- instorting van gebouwen (zie bij Kwetsbare objecten);
- verstoring van de openbare orde;
- paniek in menigte;
- overstroming; en
- natuurbranden.
Overstroming De risicokaart spreekt van een overstroming als een gebied onder water loopt en hierbij in het algemeen een waterstand (diepte) van ten minste 1 meter ontstaat. Mogelijke overstromingsgebieden op de risicokaart hebben een kans van 1 op 4000 om onder te lopen. Ook staan er gebieden op die in 1993 of 1995 overstroomden of werden bedreigd. Zie ook overstromingsscenario. Overstromingsscenario Hoe een overstroming precies verloopt, hangt van allerlei factoren af. Voor veel gebieden zijn computersimulaties gemaakt om te laten zien hoe een overstroming zou kunnen verlopen. Bij een simulatie worden aannamen gedaan over de plaats van een dijkdoorbraak of de waterstanden op de rivier of op zee. Dan kan worden berekend hoe snel het gebied bij dat scenario kan onderlopen en welke waterhoogte er bijvoorbeeld na een uur of een dag kan zijn. Dit wordt weergegeven op kaartjes waar een kleurcode de berekende waterhoogte aangeeft. P Paniek in menigte Bij grote evenementen kan paniek in de menigte ontstaan. Dat leidt tot verschillende risico's, zoals verdrukking, onder de voet lopen en verstikking. Onder ‘evenementen' worden verstaan: festivals, grote bijeenkomsten in bijvoorbeeld voetbalstadions, luchtshows, enzovoorts. Op de risicokaart kunnen evenementen worden opgenomen met 5000 of meer personen in een beperkt gebied. PBZO-bedrijf In het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria waarmee wordt bepaald welke bedrijven een risico met zich meebrengen op zware ongevallen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen BRZO-bedrijven van de zware en de lichte categorie. Deze lichte categorie wordt ook wel ‘PBZO-bedrijven' genoemd. Bedrijven van de lichte categorie moeten onder andere een ‘preventiebeleid zware ongevallen' hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Zie verder bij BRZO-bedrijf. Pijpleiding Zie buisleiding. Plaatsgebonden risico's Het ‘plaatsgebonden risico' is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de beslissing of een risicovolle activiteit al of niet op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan mag worden gebouwd. De geldende regels zijn vastgelegd in: -het Besluit milieukwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen; -de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het plaatsgebonden risico zijn twee kansen verwerkt: ·de kans dat een ramp plaatsvindt; ·de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg daarvan. Ook voor vliegvelden kan een plaatsgebonden risico worden berekend: de kans dat een vliegtuig neerstort en dat personen op de grond hierdoor dodelijk worden getroffen. Populatiedichtheid (maximale) Het aantal mensen die per hectare in de directe omgeving van een risicobron mogen wonen / werken, wordt de ‘maximale populatiedichtheid' genoemd. Het Besluit milieukwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen geeft aan voor welke risicobronnen een beperking wordt gesteld aan de populatiedichtheid. Propaantank Propaan is net als LPG een explosief-brandbaar gas. Het gevaar ontstaat als het gas vrijkomt en door open vuur of een vonk wordt ontstoken. Een zware explosie kan daarvan het gevolg zijn. Propaantanks moeten in elk geval als risicosituatie worden geregistreerd als ze 13 m2 of groter zijn. Bij sommige installaties kan registratie al verplicht zijn voor tanks van 2 m2; dat hangt af van het plaatsgebonden risico dat ze veroorzaken. De hier bedoelde propaantanks vallen in categorie K van het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Provinciale weg Provinciale autowegen (100 km/uur) staan op de risicokaart als er een kans is op een zwaar verkeersongeval, bijvoorbeeld met een bus. Over deze autowegen kan ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Op provinciale en gemeentelijke risicokaarten wordt dat weergegeven als er minstens tweemaal per week een gevaarlijk transport is en het lokaal bestuur een vermelding noodzakelijk vindt. R Ramp Volgens de wet is een ramp een ernstige verstoring van de algemene veiligheid waarbij het leven en de gezondheid van vele personen wordt bedreigd of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of geschaad. Een tweede kenmerk van rampen is dat een gecoördineerde inzet van verschillende diensten en organisaties nodig is om de dreiging weg te nemen of de gevolgen te beperken. Rampen vallen uiteen in verschillende ramptypen en kunnen voortkomen uit betrekkelijk gewone ongevallen. Rampenbestrijdingsplan In een rampbestrijdingsplan legt een gemeente vast welke voorbereidingen zijn getroffen voor de bestrijding van een specifieke soort ramp. In het rampenplan is een opsomming gegeven van de specifieke soorten rampen. Er moet een rampbestrijdingsplan zijn voor rampen en zware ongevallen waarvan plaats, aard en de gevolgen voorzienbaar zijn. Voor sommige risicosituaties is een rampbestrijdingsplan direct wettelijk verplicht. Een rampbestrijdingsplan moet zijn afgestemd op dat van aangrenzende gemeenten en gebieden in buurlanden. Rampenplan Elke gemeente moet een rampenplan hebben. Het rampenplan somt op wat er in een gemeente voor de rampenbestrijding in het algemeen geregeld moet zijn. Het is het ‘masterplan' voor de gemeentelijke rampenbestrijding. In het rampenplan moet in elk geval het volgende staan: a.een overzicht van de soorten rampen en zware ongevallen die de gemeente kunnen bedreigen; b.een overzicht van diensten, instanties, organisaties en individuele personen die bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen kunnen worden betrokken; c.een schema van de leiding over en de gecoördineerde inzet van diensten en organisaties bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen; d.een intern en extern verbindings- en alarmeringsschema; e.een voorlichtingsplan; f.een plan om de bevolking te waarschuwen; g. een plan voor maatregelen bij een verplaatsing van de bevolking; h.een plan voor de geneeskundige organisatie op het terrein waar een ramp of een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden; i.een plan voor de opvang en verzorging van slachtoffers; j.een plan voor de voedselvoorziening van de bevolking; k.een plan om de diensten en organisaties te bevoorraden die met de rampbestrijding bezig zijn; l.een plan om de schadelijke gevolgen te beperken; m.regels om schadegegevens vast te leggen; n.regels over de organisatie en inrichting van een centraal registratie- en inlichtingenbureau; o.regels over de verslaglegging; p.een verzendlijst. Het rampenplan moet zijn afgestemd op dat van aangrenzende gemeenten en gebieden in buurlanden. Ramptypen Elke ramp is weer anders. Om de voorbereiding zo concreet mogelijk te maken, worden in de rampenbestrijding 18 verschillende ramptypen onderscheiden. Bij een ramp kunnen overigens meer ramptypen tegelijkertijd aan de orde zijn. Ramptypen kunnen alleen op een kaart worden getoond als vooraf duidelijk is waar ze zich speciaal kunnen voordoen en waar ze dan effect hebben. Om die reden worden niet alle ramptypen op de risicokaart gepresenteerd. De 18 ramptypen zijn ( [ *= niet op de risicokaart): - Luchtvaartongeval;
- Ongeval op water;
- Verkeersongevallen op land;
- Ongeval met brandbare / explosieve stof;
- Ongeval met giftige stof;
- Kernongeval;
- Bedreiging volksgezondheid *;
- Ziektegolf *;
- Ongevallen in tunnels;
- Branden in grote gebouwen;
- Instortingen van grote gebouwen;
- Paniek in menigten;
- Grootschalige ordeverstoringen;
- Overstroming;
- Natuurbranden;
- Extreme weersomstandigheden *;
- Uitval nutsvoorzieningen *;
- Ramp op afstand *.
Rangeerterrein Een rangeerterrein of emplacement wordt gebruikt voor het samenstellen of splitsen van treinen. Rangeerterreinen staan op de risicokaart als er goederenwagons met gevaarlijke stoffen worden gerangeerd. Registratie van deze rangeerterreinen is verplicht, omdat ze in categorie E van het Registratiebesluit Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen vallen. Risicobron De plaatsen waar risico's vandaan (kunnen) komen, worden risicobronnen genoemd. Op de risicokaart worden onder andere de volgende situaties als risicobron beschouwd: -bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden gemaakt, gebruikt of opgeslagen; -routes en pijpleidingen waar gevaarlijke stoffen langs en doorheen worden getransporteerd. Ook gebouwen en bouwwerken zoals tunnels, kunnen op zichzelf een risicobron zijn voor de aanwezigen, bijvoorbeeld bij brand. Risicocontour Een risicocontour geeft aan hoe hoog in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Risicokaart Een risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen waardoor mensen direct letsel kunnen oplopen, bijvoorbeeld door gevaarlijke stoffen. In totaal kunnen de risico's van 13 ramptypen op de kaart worden getoond. Maar er zijn ook risicokaarten waarop alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen staan. De basis van een risicokaart is een plattegrond met de locaties van risico's en kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen en scholen. Aan de achtergrondkaart is te zien of er gebouwen in een risico- of schadecirkel vallen en of daar ook bijzondere kwetsbare objecten bij betrokken zijn. Op deze manier kan worden ingeschat wat het effect van een onverhoopte calamiteit bij een risicobron is. Dat zijn indicaties, omdat het niet exact is aan te geven. Voor eventuele rechtshandelingen moet men altijd de oorspronkelijke vergunningen en andere documenten raadplegen. De risicokaart is gemaakt met openbare gegevens uit verschillende bronnen, onder andere uit (milieu-)vergunningen. Uiteraard moet worden gekozen wat wel en niet op de risicokaart wordt gezet. Daarbij is gekeken naar ongevallen en risico's waarbij mogelijk meer slachtoffers ineens vallen, of waar sprake is van effecten op 50 meter en meer. ‘Gevaarlijke' kruispunten en ‘sociaal onveilige' situaties staan niet op deze risicokaart. Risicosituaties gevaarlijke stoffen Risicosituaties gevaarlijke stoffen zijn plaatsen waar gevaarlijke stoffen voorkomen waardoor de mensen in de omgeving bij een ongeval letsel kunnen oplopen. Samengevat gaat het hier om bedrijven en andere ‘inrichtingen' met behoorlijke hoeveelheden gevaarlijke stof, evenals om wegen, spoorwegen, waterwegen en pijpleidingen waar gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Route gevaarlijke stoffen Gemeenten zijn bevoegd om routes vast te stellen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op de risicokaart staan alleen routes waarover minstens twee keer per week gevaarlijke stoffen per week worden vervoerd. Op de kaart van het landelijke register staan alleen de routes waarover zoveel wordt vervoerd dat er een plaatsgebonden risico van 10-6 of hoger bestaat. RRGS Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) is een centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties rond gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze gegevens worden beheerd door het RIVM en via internet op een risicokaart gepresenteerd. Daarnaast worden deze gegevens gebruikt in plaatselijke risicokaarten die ook andere risicosituaties tonen. In het Register Risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) zijn inrichtingen met gevaarlijke stoffen onderverdeeld in categorieën A tot en met O. Deze categorieën zijn: a.BRZO-bedrijven; b.LPG-tankstations; c.CPR-inrichtingen; d.(Inrichtingen met) Ammoniakkoel- en vriesinstallaties; e.Emplacementen (bestemd voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen); f.Vervoersgebonden inrichtingen; g.Vuurwerkinrichtingen; h.Kerninrichtingen (waarvoor artikel 15b, van de Kernenergiewet geldt); i.Mijnbouwinrichtingen; j.AVR-inrichtingen; k.Propaanopslagen l.Inrichtingen met ontplofbare stoffen; m.Inrichtingen anders dan bedoeld onder A tot en met M, waarvan het plaatsgebonden risico op de grens van de inrichting hoger is dan 10-6 per jaar; n.Andere inrichtingen dan bedoeld onder A tot en met N, die het bevoegd gezag wil opnemen in het register. De redenen daarvan kunnen zijn: omdat er buiten de inrichting dodelijke slachtoffers kunnen vallen; er dusdanige schade aan de lichamelijke gezondheid kan optreden dat binnen 24 uur een ziekenhuisopname nodig is voor behandeling of observatie; of omdat het groepsrisico hoger is dan de oriënterende waarde voor inrichtingen. Daarnaast kent het RRGS: - Defensie-inrichtingen;
- routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, spoor, water);
- buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Ruimtelijke ordening Door middel van ruimtelijke ordening verdeelt de overheid de beschikbare ruimte en geeft daaraan bestemmingen. Geprobeerd wordt om zoveel mogelijk de risicobronnen te scheiden van bevolkingsconcentraties en andere kwetsbare objecten. In de praktijk is dat niet altijd mogelijk. Het is ook niet altijd gewenst voor het functioneren van de maatschappij. Op de risicokaart wordt aangegeven waar sprake is van risico's en wat zich in de omgeving bevindt. In de regels voor de externe veiligheid die in de ruimtelijke ordening worden gehanteerd, wordt in de eerste plaats getoetst of zich kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de risicocontour van een plaatsgebonden risico van 10-6. Als dat in orde is, speelt een eventueel grotere effectafstand in de ruimtelijke ordening geen doorslaggevende rol. S Scenario Als er een ernstig ongeval plaatsvindt, kan dit volgens verschillende scenario's aflopen. Bij het onderzoek naar de risico's worden daarom diverse scenario's verwerkt. In de scenario's wordt ook rekening gehouden met weersomstandigheden die van invloed kunnen zijn, bijvoorbeeld de wind. De aangegeven effectafstand geldt slechts voor één relatief ongunstig scenario. Het is echter mogelijk (maar onwaarschijnlijk) dat de effecten van een ongeval groter zijn dan met de effectafstand is aangegeven. Schuilzone Bij een ongeval in een kerncentrale waarbij radioactief materiaal naar buiten komt, kan het nodig zijn om enige tijd te schuilen, d.w.z. binnenshuis te blijven. De zone waar dat zou moeten, staat in het rampbestrijdingsplan. (Er zijn ook andere maatregelzones.) Bij een dreigende ramp kan de bevolking in de schuilzone worden geadviseerd om enige uren (minder dan een dag) binnen te blijven. Dit beperkt het besmettingsgevaar door straling. De aangegeven schuilzone is een indicatie. In een werkelijk geval kan de schuilzone anders zijn. T Terreingrens De terreingrens is de buitenste rand om een (groep) inrichting(en). Deze wordt als polygoon getoond op de Risicokaart. Omdat er zich meerdere risicocirkels en -contouren binnen dit polygoon kunnen bevinden, zal er in overleg met de exploitant en het bevoegd gezag een risicocontour bepaald kunnen worden. Toxisch Giftig Transportroute Transport van gevaarlijke stoffen vindt vooral plaats over de weg en het water, per spoor en door buisleidingen. Deze transportroutes staan op de risicokaart, vervoer door de lucht niet. Treinongeval Bij een zwaar ongeval met één of twee reizigerstreinen kunnen veel slachtoffers vallen. De risicokaart gaat ervan uit dat de kans hierop vooral bestaat bij spoorlijnen met intercityverkeer en op hogesnelheidslijnen Grote treinongevallen worden gerekend tot het ramptype ‘Verkeersongevallen op land'. Ongevallen met goederentreinen die gevaarlijke stoffen vervoeren, worden beschouwd als een apart ramptype. Tunnel De risicokaart noemt een locatie een tunnel als trein-, tram- of autoverkeer minstens 250 meter door een volledige overkapping heen gaat. Het kan gaan om tunnels voor treinen, autoverkeer, tram of metro, en ondergrondse stations. Ongevallen in tunnels worden beschouwd als een apart ramptype, omdat de rampbestrijding hier bijzondere kenmerken heeft. Een tunnelongeval is gevaarlijker dan een ongeval in de open lucht. In tunnels waardoor vracht- en goederenvervoer plaatsvindt, heeft men bovendien te maken met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels met reizigersverkeer is aan banden gelegd. Verkeerstunnels zijn daartoe ingedeeld in tunnelcategorie I of II. Tunnelcategorie Aan het vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels voor autoverkeer zijn beperkingen gesteld. Welke beperkingen gelden, is te zien aan de tunnelcategorie: categorie I of II. Voor tunnels van categorie I gelden minder beperkingen dan voor tunnels van categorie II. Tankwagens met benzine bijvoorbeeld, mogen alleen door tunnels van categorie I en niet door categorie II. LPG-tankwagens mogen door geen van beide; tankwagens met dieselolie mogen wel door beide. Alle grote verkeerstunnels in Nederland hebben categorie I of II: Categorie I:Beneluxtunnel, Coentunnel, Drechttunnel, Noordtunnel, Vlaketunnel, Westerscheldetunnel, Wijkertunnel, Zeeburgertunnel; Categorie II: Botlektunnel, Heinenoordtunnel, IJtunnel, Kiltunnel, Maastunnel, Piet Heintunnel, Velsertunnel. Tunnelongeval Ongevallen in tunnels zijn gevaarlijker dan in de buitenlucht, vooral als er brand ontstaat. Daarom wordt er in tunnels extra aandacht aan veiligheidsvoorzieningen besteed. Toch kunnen er bij een ongelukkige samenloop van omstandigheden nog veel slachtoffers vallen in tunnels waar reizigersverkeer plaatsvindt per trein, metro of auto. Grote tunnelongevallen worden beschouwd als een apart ramptype, omdat de rampbestrijding hier bijzondere kenmerken heeft. In het ramptype ‘tunnelongevallen' wordt alleen naar de effecten binnen de tunnel gekeken. Vervoer van gevaarlijke stoffen door tunnels met reizigersverkeer is aan banden gelegd. Een ongeval met gevaarlijke stoffen in een tunnel, kan echter ook buiten de tunnel gevolgen hebben. Die gevolgen komen aan de orde bij de ramptypen ‘ongeval met giftige stof' en ‘ongeval met brandbare / explosieve stof'. A - B - C - D - E - G - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - V - W - Z V Vaarroutes Vaarroutes waarover minstens 50 maal per jaar grote passagiersschepen gaan, worden op de risicokaart gemarkeerd. Zulke vaarroutes worden beschouwd als mogelijke locatie voor een groot ongeval met een passagiersschip; een onderdeel van het ramptype ‘Ongeval op water'. Het is mogelijk dat over dezelfde vaarweg ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dat wordt dan eveneens op de kaart aangegeven. Ongevallen met gevaarlijke stoffen worden echter beschouwd als aparte ramptypen. Veiligheidsafstand Het begrip veiligheidsafstand wordt gebuikt om de risicozone bij vuurwerk aan te duiden. Hierin wordt er onderscheid gemaakt tussen professioneel vuurwerk en consumenten vuurwerk. Voor veiligheidsafstand professioneel vuurwerk geldt: Dit is de afstand tussen de bewaarplek en de dichtstbijzijnde woning of ander kwetsbaar object. Volgens het huidige Vuurwerkbesluit geldt een veiligheidsafstand van 800m. Deze veiligheidsafstand wordt beschouwd als 1% letale effectafstand. Voor veiligheidsafstand consumenten vuurwerk geldt: De afstand tussen de bewaarplek en de dichtstbijzijnde woning of ander kwetsbaar object. Voor inrichtingen met meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk geldt een veiligheidsafstand van 20m. Deze veiligheidsafstand is een richtingafhankelijke effectafstand en is bepaald op de warmtestralingsintensiteit van 10kW/m2. Dit komt bij benadering overeen met de 1% letaliteitsafstand bij een blootstellingsduur van 20 seconden. Veiligheidsrapport De gevaarlijkste bedrijven die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO'99), moeten een veiligheidsrapport opstellen. In het veiligheidsrapport moet onder andere worden aangetoond dat: - een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem zijn ingevoerd;
- gevaren zijn geïdentificeerd en doeltreffende maatregelen zijn genomen;
- de installatie en de bedrijfsvoering voldoende veilig en betrouwbaar zijn.
Een veiligheidsrapport moet worden opgesteld als de hoeveelheid gevaarlijke stof boven de grenswaarden ligt die in bijlage I van BRZO'99 zijn vastgelegd. De overheid controleert de veiligheidsrapporten en inspecteert de bedrijven. Verkeersongeval Grote verkeersongevallen worden ook vaak als ramp betiteld, bijvoorbeeld een treinramp. Onder het ramptype ‘Verkeersongevallen op land' vallen kettingbotsingen en ongevallen met reizigerstreinen, omdat daarbij een groot aantal slachtoffers mogelijk is. Locaties waar dergelijke ongevallen kunnen gebeuren, worden op plaatselijke risicokaarten aangegeven. Veel voorkomende ‘kleine' verkeersongevallen (gevaarlijke kruispunten, ‘black spots') worden echter niet op de risicokaart vermeld. Routes waar bovendien vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, worden op de risicokaart apart aangemerkt. Zie verder bij transportroute, bij auto(snel)weg en bij treinongevallen. Verstoring openbare orde Op de risicokaart worden plaatsen aangeduid waar grootschalige verstoringen van de openbare orde kunnen plaatsvinden. Hiermee worden met name bedoeld: - rellen rondom demonstraties en andere publieke manifestaties met een politiek karakter;
- gewelddadigheden rondom voetbalwedstrijden.
Grote verstoringen van de openbare orde worden beschouwd als een afzonderlijk ramptype. Op plaatsen waar geregeld demonstraties en risicowedstrijden plaatsvinden, zijn ordeverstoringen te voorzien. Maar ook kan ergens onverwacht een massale vechtpartij of grote buurtrel plaatsvinden. Dit kan echter niet vooraf op de risicokaart worden aangegeven. Vervoersgebonden inrichting Bedrijven en inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden overgeslagen of ‘over staan' als onderdeel van het transport, zijn de zogenoemde vervoersgebonden inrichtingen. Voorbeelden hiervan zijn een overslagpunt van containers, en een inrichting waar tankwagens of tankschepen een stop maken, of waar wordt overgetankt naar andere transportmiddelen. Als in zo'n vervoersgebonden inrichting meer dan 10 ton gevaarlijke stof aanwezig mag zijn en er buiten het hek een risico van 10-6 bestaat, moet dit worden geregistreerd in het RRGS en komt dat altijd op de risicokaart. Vliegveld Vliegvelden en grote luchthavens worden vermeld op de risicokaart omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Als men voldoende op de kaart heeft ‘ingezoomd', wordt het gebied getoond waar ruwweg 75 procent van de ongevallen plaatsvindt. Zie hiervoor verder bij luchtvaartongevallen. Van de grotere vliegvelden is specifiek berekend hoe groot de kans is dat er een vliegtuig in de omgeving neerstort. In die gevallen kan de risicokaart risicocontouren laten zien die aangeven hoe groot de kans is dat iemand op de grond daarbij om het leven komt. Vuurwerkinrichting Een vuurwerkinrichting is de officiële naam van een bedrijf voor opslag, bewerking of verkoop van vuurwerk. Het gaat zowel om professioneel- als consumentenvuurwerk. In het Vuurwerkbesluit van 22 januari 2002 zijn nieuwe, strengere regels voor dit soort bedrijven opgesteld. Ook zijn daarin standaard risicoafstanden vastgesteld. Deze worden bepaald door het effect van scherfwerking bij een explosie. Een bedrijf met hoogstens 6000 kg professioneel vuurwerk heeft hierdoor bijvoorbeeld een risico- en tevens effectafstand van 800 meter. De gegevens van vuurwerkinrichtingen zijn geregistreerd onder categorie G van het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen en worden op de risicokaart gepresenteerd. W Wadlooproute Sommige wadlooproutes worden op de risicokaart vermeld, in verband met het ramptype ‘Ongeval op water'. Het gaat daarbij om routes die de oversteek naar een plaat of een eiland maken en die minstens 50 keer per jaar door grotere groepen (25 personen en meer) worden gebruikt. Watersportgebied Grote watersportgebieden worden aangemerkt als plaatsen waar zich het ramptype ‘Ongeval op water' kan voordoen. Het gaat dan niet om een enkel plezierbootje, maar om situaties waarin tegelijkertijd veel watersporters in moeilijkheden kunnen komen, zoals door een plotselinge storm. Watersportgebieden van meer dan 500 hectare met ten minste 2000 aangrenzende ligplaatsen worden op de risicokaart aangegeven. Z Zeehavens (Zee)havens zijn in de rampenbestrijding onder andere van belang als aanlandingslocatie waar groepen slachtoffers van een ongeval op zee of groot open water, aan land kunnen worden gebracht. Daar moet aansluitende hulpverlening worden geregeld. Bovendien kan in deze havens een vaarroute voor grote passagiersschepen beginnen. Dit alles is van belang in verband met het ramptype ‘Ongeval op water'. Uit het voorgaande blijkt dat het hier niet om volledige havengebieden gaat, maar vooral om passagiersterminals. Ook eventuele risicosituaties met gevaarlijke stoffen worden afzonderlijk op de kaart aangegeven. Er kan een transportroute voor gevaarlijke stoffen doorheen lopen. En in een havengebied kunnen ook verschillende ‘inrichtingen' aanwezig zijn waar gevaarlijke stoffen worden overgeladen (bijv. vervoersgebonden inrichting). Zone A / B / C Rond defensie inrichtingen gelden er 3 zones. Zone A, zone B en zone C. - Zone A : geen bebouwing, geen openbare wegen, spoorwegen of druk bevaren vaarwegen, geen recreatieterreinen.
- Zone B : geen bebouwing waarin zich personen kunnen bevinden, geen drukke openbare wegen, geen recreatieterreinen, wegen met beperkt verkeer toegestaan, evenals dagrecreatie.
- Zone C : geen gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructie, geen gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt, geen bedrijven die bij calamiteit gevaar voor munitie-opslag of omgeving opleveren
Zones-1 De meeste luchtvaartongevallen gebeuren op of in de directe omgeving van een vliegveld. Zone-1 is het gebied waar circa 75 procent van de ongevallen plaatsvindt. Dit gebied ligt in het verlengde van de startbaan en bij de startbaan zelf. Zone-1 is bij (ruwe) benadering een strook van ongeveer 300 m breed die zich tot een kilometer voor en na de startbaan uitstrekt. De risicokaart geeft deze rechthoekige strook aan als er geen specifieke berekening van Zone-1 beschikbaar is. Voor enkele luchthavens is het 75%-gebied wel specifiek uitgerekend. Het heeft dan een grilliger vorm en er is meestal een verschil in lengte aan de beide uiteinden van de baan. Daarnaast wordt voor grotere luchthavens de kans uitgerekend dat er in de omgeving een vliegtuig neerstort èn dat mensen op de grond daarvan het slachtoffer worden. Die overlijdenskans wordt weergegeven in de vorm van risicocontouren. De risicocontouren van een startbaan lijken qua vorm sterk op een specifiek berekende grenslijn van Zone-1. Zone voor jodiumprofylaxe Zie jodiumprofylaxe. A - B - C - D - E - G - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - V - W - Z
|