De eerste boeren

Gepubliceerd op 16 oktober 2014

Trechterbeker aardewerk van de Baalderes te Hardenberg

De jonge steentiijd

De jonge steentijd, het neolithicum, is een periode van grote veranderingen en belangrijke uitvindingen: de uitvinding van de landbouw en het wiel bijvoorbeeld! Vanuit Zuidoost-Europa is vanaf zo'n 5300 voor Chr. de landbouw in Nederland geïntroduceerd.

Standvoetbeker aardewerk van De Zandhorst te OldenzaalDe mens uit de steentijd wordt boer en gaat het land 'in cultuur brengen'. Het eergetouw, een primi­tieve ploeg, raakt in gebruik en bijlen zijn een belangrijk hulpmiddel voor het kappen van hout en het maken van (huis)constructies. Desondanks blijven jagen en verzamelen een belangrijk onderdeel van het bestaan. Het nomadische bestaan als jager/verzamelaar maakt langzaam plaats voor (semi)permanente vestiging rondom akkers en weidegronden. Rond 3400 voor Chr. heeft het boerenbestaan definitief gewonnen en zijn er geen jagers/verzamelaars meer in Overijssel. Er ontstaan kleine nederzettingen met enkele boerderijen en enige tientallen mensen. Door de nieuwe bestaanswijze verandert ook de woonplaatskeuze. Boeren hebben droge voeten en goede gron­den nodig en een behoorlijk oppervlak. Die zijn niet te vinden bij beken, maar eerder op hogere delen van het land.

Huisplattegronden

Huisplattegronden uit de jonge steentijd zijn schaars: alleen in Vasse is een huisplattegrond gevonden met een datering uit het late neolithicum. Wel vinden we aardewerk, zoals potten en schalen, en stenen gebruiksvoorwerpen, zoals bijlen en pijlpunten, uit de jonge steentijd. Dat de mens aardewerk gaat gebruiken geeft ook het keerpunt aan waarop jagers boeren worden. In een zwervend bestaan past immers geen grote hoeveelheid bezit dat meegesleept moet worden. Pas op het moment dat de mens op een vaste plaats gaat wonen, kan ze haar bezit gaan uitbreiden.

Huisplattegrond