Geschiedenis van Twenthe

Gepubliceerd op 5 juli 2010

Twenthe is het oudste gebied van Overijssel. Al rond het jaar 222 worden de Twenthenaren voor het eerst genoemd. Op een grote afstand van Twenthe waren soldaten in dienst van het Romeinse Rijk bezig met de verdediging van Engeland tegen de Schotten en Pycten uit het noorden. Ze hadden een lange wal aangelegd om de aanvallen van deze toen nog niet zo vriendelijke Europeanen af te slaan. De Hadrian Wall ten noorden van York is nu een toeristische attractie, maar toen een zaak van levensbehoud.

In het Romeinse leger in Noord-Engeland waren veel germaanse soldaten opgenomen. Zo was er een afdeling der Friezen, die dat jaar in de wal van keizer Hadrianus een altaarsteen plaatsten met hun namen. Daaronder waren enkele CIVES TUIHANTI, burgers van Twenthe. Twenthe hoorde in die tijd dus kennelijk bij Friesland. Als bijna 500 jaar later Sint Willibrord uit de buurt van die altaarsteen in Noord-Engeland vertrekt, om hier het evangelie te verkondigen en in 695 door de paus benoemd wordt tot aartsbisschop van de Friezen, met als standplaats Utrecht, dan moeten we dus niet verbaasd zijn, dat het kerkelijk gebied van Willibrord ook Twenthe omvat.
De twee oudste oorkonde met betrekking tot Overijssel gaan ook al over Twenthe: in 797 en 799 verwierf de abdij van Werden aan de Ruhr hoeven in Mander en in Hezingen, gelegen in de gouw Northtuianti (Noord-Twenthe).

Twenthe lag toen noordelijker dan thans: het meest westelijke deel van Duitsland, de zogenaamde Niedergrafschaft Bentheim, gelegen tussen Schoonebeek, Gramsbergen en Denekamp, behoorde bij Twenthe, terwijl Haaksbergen en Diepenheim er niet bij hoorden. Ook Almelo en Vriezenveen hoorden niet bij Twenthe. Er is in 1040 zelfs sprake van een graaf van Twenthe, mogelijk een telg van het latere gravengeslacht van Zutphen. In 1157 en later wordt in de bronnen een graaf van Goor genoemd. Deze graven zijn echter slechts kasteleins van Goor, kasteelheren in dienst van de bisschop met een militaire functie. Landsheerlijke rechten in Twenthe hebben deze graven niet bezeten. Die zijn in of na 1040 bij de bisschop van Utrecht terecht gekomen.

Hoewel niet tot Twenthe beperkt, was de hofhorigheid kenmerkend voor de rechtspositie van de Twentse boeren, die erfelijk afhankelijk waren van hun hofheer. Er waren onder andere hoven in Almelo, Boekelo, Borne, Delden, Espelo, Goor, Oldenzaal, Weddehoen en Ootmarsum. De laatste hof was de hoofdhof van Twenthe. Overigens was van de hof te Ootmarsum weer hoger beroep mogelijk op de hof te Colmschate, hoofdhof dus voor heel Overijssel. De boeren hadden weliswaar persoonlijke vrijheid, maar waren gebonden aan de grond waarop ze woonden. Enerzijds genoten de hofhorigen bescherming van de hofheer, anderzijds was de hofheer altijd zeker van voldoende arbeidskrachten voor zijn landbouwareaal. Hofhorige lieden mochten niet met vrije lieden trouwen. In de middeleeuwen is er sprake van een levendige ‘ruilhandel’ van horige lieden. Bij de Bataafse revolutie van 1795 kwam er een einde aan de hofhorigheid.
De eerste bisschoppelijke schout van Twenthe wordt in 1207 genoemd. Zijn rechtsopvolger, de drost van Twenthe, was in de zeventiende en achttiende eeuw de tweede man in de Overijsselse hiërarchie.

De drost Sigismund Vincent Gustaaf Lodewijk graaf van Heijden Hompesch tot Ootmarsum (drost van 1769 tot 1787) was de grote tegenstander van Joan Derk van der Capellen tot den Pol in de kwestie van de gehate drostendiensten, die hij ten onrechte van de Twentse boeren vorderde.
Economische activiteit in het gebied Twenthe is vooral de huisnijverheid geweest, kleine wevers, die als gevolg van de industriële revolutie in de 19e eeuw arbeiders in de textielfabrieken werden.
Als gevolg van de gemeentelijke herindeling in 2001 is de grens van Twenthe met Salland geweld aangedaan: tot Twenthe behoren de huidige gemeenten Enschede, Hengelo, Borne, Almelo, Tubbergen, Dinkelland, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hof van Twente en Wierden, terwijl de gemeenten Twenterand en Rijssen-Holten in beide gebieden liggen.