(geconsolideerde versie, geldend vanaf 4-4-2013)
| Overheidsorganisatie | provincie Overijssel |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2011 |
| Citeertitel | Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2011 |
| Vastgesteld door | gedeputeerde staten |
| Onderwerp | financiën en economie |
:
2-4-2013
:
Provinciaal Blad 2013/0115269
Geen
Geen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
4-4-2013 | wijziging artikel(en) | 2-4-2013 Provinciaal Blad 2013/0115269 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 2 april 2013 (kenmerk 2013/0094563). | |
8-3-2013 | Paragraaf 4.22 | 5-3-2013 Provinciaal Blad 2013/0079057 en Provinciaal Blad 2013/0091876 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 5 maart 2013 (kenmerk 2013/0066588). | |
17-1-2013 | Paragraaf 8.20 | 18-12-2012 Provinciaal Blad 2013/0010439 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 18 december 2012 (kenmerk 2012/0288964). | |
1-1-2013 | Hoofdstukken 1 tot en met 13 en 15 | 18-12-2012 Provinciaal Blad 2012/0296478 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 18 december 2012 (kenmerk 2012/0280812). | |
2-11-2012 | Hoofdstukken 3, 5, 8 en 9 | 30-10-2012 Provinciaal Blad 2012/0255880 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 30 oktober 2012 (kenmerk 2012/0243771). | |
20-7-2012 | Hoofdstukken 2, 4, 5, 6, 7, 8, 12 en 13 | 17-7-2012 Provinciaal Blad 2012/0181284 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 17 juli 2012 (kenmerk 2012/0169476). | |
29-6-2012 | Hoofdstuk 8. | 19-6-2012 Provinciaal Blad 2012/0157513 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 19 juni 2012 (kenmerk 2012/0152681). | |
2-5-2012 | Hoofdstukken 1, 2, 4, 5, 8, 9, 12 en 13. | 10-4-2012 Provinciaal Blad 2012/0124865 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 10 april 2012 (kenmerk 2012/0089780). | |
1-2-2012 | Hoofdstuk 8 | 31-1-2012 Provinciaal Blad 2012/0024987 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 31 januari 2012 (kenmerk 2012/0024991). | |
1-1-2012 | Hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9 en 13. | 20-12-2011 Provinciaal Blad 2011/0337901 en Provinciaal Blad 2011/0336135 | Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 29 november 2011 (kenmerk 2011/0220529) en d.d. 20 december 2011 (kenmerk 2011/0320139). | |
17-11-2011 | Hoofdstuk 9 | 15-11-2011 Provinciaal Blad 2011/0215129 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 15 november 2011 (kenmerk 2011/0210391). | |
13-10-2011 | Hoofdstukken 5, 6, 8 en 9 | 11-10-2011 Provinciaal Blad 2011/0159134 en Provinciaal blad 2011/0186018 | Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 23 augustus 2011 (kenmerk 2011/0152252) en 11 oktober 2011 (kenmerk 2011/0176424). | |
2-9-2011 | Hoofdstukken 4, 5, 8 en 9 | 23-8-2011 Provinciaal Blad 2011/0152917 en Provinciaal blad 2011/0159130 | Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 23 augustus 2011, met de kenmerken 2011/0152252 en 2011/0152917 | |
1-7-2011 | nieuwe regeling | 24-5-2011 Provinciaal Blad 2011/0121942 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 24 mei 2011, kenmerk 2011/0096361 en d.d. 28 juni 2011, kenmerk 2011/0117164 |
[Toelichting: In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, die in het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.
Subsidie: In artikel 4:21, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een definitie van subsidie gegeven. Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die aan de volgende kenmerken voldoen:a. het betreft een aanspraak op financiële middelen;b. die door een bestuursorgaan worden verstrekt;c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;d. anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.De provincie maakt een onderscheid tussen eenmalige en jaarlijkse subsidies.
Eenmalige subsidie: Dit zijn subsidies die Gedeputeerde Staten voor een eenmalige activiteit wil verlenen.
Jaarlijkse subsidie: De jaarlijkse subsidie wordt bij voorkeur voor meerdere jaren verleend en heeft veelal op voortdurende activiteiten van een instelling betrekking. Hierbij kan worden gedacht aan exploitatiesubsidies. In het Ubs is bepaald dat deze jaarlijkse subsidie voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen.
Er is bewust niet voor gekozen het regime van afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de jaarlijkse subsidie. In de subsidieverleningsbeschikking bij jaarlijkse subsidies zal expliciet worden aangegeven welke bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb van toepassing zijn.]
[Toelichting: Artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat de kern van de subsidietitel in de Awb, te weten de eis dat er voor het verstrekken van subsidie een wettelijke grondslag moet bestaan. Hierbij heeft de wens van de wetgever om een weloverwogen gebruik van het subsidie-instrument te bevorderen een rol gespeeld. Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen; de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Hier wordt volstaan met het noemen van de subsidie die rechtstreeks op grond van Europese subsidieprogramma's (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder b Awb) of de provinciale begroting worden verstrekt (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c Awb).
Ook op buitenwettelijke subsidies zijn de bepalingen van titel 4.2 Awb over de verplichtingen van de subsidieontvanger, de betaling en terugvordering van subsidies en de subsidieverlening en -vaststelling van toepassing. Om ervoor te zorgen dat daarnaast ook de bepalingen van deze verordening gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemt.
De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de Wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etc.
In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen.
Bij de afhandeling van Europese subsidies (EFRO (regionale ontwikkeling), ESF (sociaal fonds) en het EOGFL (landbouw)) (inclusief provinciale cofinanciering) wordt de Europese regelgeving gevolgd. De regelingen en programma's met betrekking tot bijdragen uit de Europese fondsen kennen hun eigen criteria en procedureregels. Het uitvoeringsbesluit kent eigen procedureregels.
Gedeputeerde Staten kunnen door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing te laten. Voor het deel provinciale cofinanciering kan maatwerk worden toegepast.
Daarnaast zijn subsidiebesluiten op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer uitgezonderd van de werking van het Ubs. De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer is in interprovinciaal verband tot stand gekomen (uniformiteit in 12 provincies). De uitvoering ligt in handen van een externe uitvoeringsorganisatie (de Dienst Regelingen). ]
Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en op grond van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer.
[Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.
De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Als een subsidieplafond niet tijdig is gepubliceerd, kan een aanvraag niet worden afgewezen wegens overschrijding van dat plafond. ]
Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
[Toelichting: Niet zelden worden provinciale bijdragen aan activiteiten van aanvragers ‘gestapeld' met subsidies van andere overheden. Stapeling kan ook bínnen de provincie, bijvoorbeeld omdat er overlap zit tussen onderdelen van provinciaal beleid. Kulturhusen zijn daarvan een goed voorbeeld. Op grond van het beleid voor ‘vitaliteit kleine kernen' kan daarvoor subsidie worden verleend. Leefbaarheid van het platteland is echter ook één van de doelstellingen in het reconstructiebeleid en ook in dat kader kan subsidie worden verleend voor de bouw van een kulturhus. Daarnaast kan stapeling zich voordoen als een activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen bijvoorbeeld als een waterschap een werk uitvoert dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging en tegelijk ‘natte natuur' realiseert.]
[Toelichting: Uitgangspunt is dat alle mogelijke provinciale subsidies voor een activiteit nooit meer dan 80% van de subsidiabele kosten bedragen. Hiermee wordt voorkomen dat een activiteit geheel afhankelijk wordt van provinciale subsidies. Er zal altijd eigen inbreng van de aanvrager of co-financiering van anderen dan de aanvrager nodig zijn. ]
[Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%. ]
[Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd - hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden - dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften. ]
[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag alleen de volgende rechtstreeks aan de activiteit toe te rekenen kosten mee te nemen:
Deze kosten zijn subsidiabel voor zover de activiteit overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.1.6 sub c binnen de projectperiode uitgevoerd wordt. ]
[Toelichting: Voor de berekening van de loonkosten wordt aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger en is de keuze aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid genoemde systematieken gehanteerd wordt.
Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat uren zorgvuldig worden bijgehouden in een, zo mogelijk, gesloten urenadministratie, welke verifieerbaar is en dat kosten navolgbaar worden toegerekend.]
[Toelichting: Het document ‘Toepassing Integraal kostprijstarief provincie Overijssel' is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. In dit document zijn de vereisten opgenomen waaraan de subsidieaanvrager of ontvanger moet voldoen om voor de berekening van de loonkosten het Integraal kostprijstarief (IKT) te mogen toepassen.
Het gaat om de volgende vereisten:
[Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele kosten. Het aantal productieve uren en percentage overhead waarmee het uurtarief mag worden berekend is een vast getal. Met deze gegevens levert de subsidieaanvrager een berekening conform de volgende formule: ((brutoloon op jaarbasis + sociale lasten) /(1600 * deeltijdfactor )) + 20%. ]
[Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. ]
[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn. Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook licenties voor software. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. ]
[Toelichting: Dit lid bepaalt dat kosten die gemaakt worden voor gebruik van materiaal ten behoeve van de subsidiabele activiteit subsidiabel zijn als het verbruik word geadministreerd. Onder materialen vallen o.a. verbruiksgoederen zoals grondstoffen en onderdelen. Onder kosten voor materiaal uit voorraad kunnen de kosten van het verbruik van materialen, die al eerder zijn aangeschaft, worden opgevoerd. Hierbij moet worden uitgegaan van historische aanschafprijzen. Als er geen administratie van het verbruik van materialen uit voorraad is, dan kunnen de kosten niet rechtstreeks aan het project worden toegerekend. Onder kosten voor speciaal aangeschafte materialen kunnen de kosten van materialen die speciaal voor een project worden gekocht, bij begroting en bij vaststelling opgevoerd worden onder de post ‘kosten derden'. ]
[Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit en of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen en diensten. Het kan hier bijvoorbeeld ook gaan om materiaal en inhuur van personeel. ]
De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
[Toelichting: Dit artikel is de kapstok om in de subsidiegrondslag de in dit artikel genoemde kosten niet mee te nemen. Deze kosten worden niet aangemerkt als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. ]
[Toelichting: De projectperiode is de periode vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot en met de in de beschikking tot verlening van de subsidie opgenomen datum waarop de subsidiabel activiteit moet zijn afgerond. De kosten van de activiteiten die in de periode worden uitgevoerd kunnen subsidiabel zijn. Voor zover sprake is van kosten derden moet de betaling ook binnen de projectperiode plaats hebben gevonden. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. ]
[Toelichting: Een aanvraag voor subsidie moet schriftelijk worden gedaan. Dit kan door een schriftelijke brief. Soms is het invullen van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier vereist. Doel van een aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken wat voor informatie hij bij de aanvraag moet geven. Een aanvraag kan ook elektronisch worden gedaan, mits Gedeputeerde Staten deze digitale vorm open heeft gesteld. ]
[Toelichting: Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. De bevoegdheid van Gedeputeerde Staten ter zake nadere regels te stellen, is geregeld in lid 4. Gedeputeerde Staten kunnen zo desnoods per geval regelen welke gegevens dienen te worden verstrekt, waarbij het uitgangspunt is dat Gedeputeerde Staten dit doen om de administratieve en bestuurlijke lasten voor alle betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. In dit artikellid zijn de minimale vereisten van de aanvraag voor subsidie geregeld. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. ]
[Toelichting: Gelet op het maximaal te verstrekken subsidiebedrag is er de mogelijkheid gebruik te maken van een vrijstellingsverordening van de EG nr. 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 EG op de-minimissteun. Dit betekent dat de subsidieontvanger (dus per onderneming, alsmede het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort) niet meer dan € 200.000,-- aan subsidie over een periode van drie belastingjaren (dus inclusief eerdere ontvangen subsidies overheidsinstanties) aan steun mag ontvangen. De aanvrager moet daarom aangeven hoeveel de-minimussteun door de aanvrager in het lopende en de twee daar aan voorafgaande belastingjaren ontvangen is en verklaren dat de totale steun niet meer dan € 200.000,-- bedraagt. De vrijstelling is ook van toepassing op de afzet en verwerking van landbouwproducten en op de sector vervoer. Ten aanzien van het laatste geldt een specifieke beperking: de-minimissteun voor ondernemingen actief in de sector wegvervoer wordt beperkt tot € 100.000,--. Aankoop van vervoermiddelen voor vrachtvervoer over de weg (vrachtwagens) blijft uitgesloten. De de-minimisegel is onder andere niet van toepassing op de primaire productie van landbouwproducten en de visserijsector (voor deze twee sectoren gelden eigen de-minimisdrempels, zie hieronder), exportsteun en steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden bevoordeeld.
Voor landbouwbedrijven (een primaire producent van landbouwproducten in de zin van Bijlage I EG-Verdrag) bedraagt de maximale steun € 7.500,--. Een vissersbedrijf kan tot € 30.000,-- steun binnen een periode van drie belastingjaren ontvangen, zonder dat de overheid dat vooraf aan de Europese Commissie moet melden. ]
[Toelichting: Dit artikel dient in samenhang met artikel 1.1.5 en artikel 1.2.3 te worden gelezen. Na ontvangst van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten op basis van artikel 1.2.3 13 weken de tijd om te beslissen over de aanvraag voor subsidie.
Het tweede lid geeft de aanvraagtermijn voor de jaarlijkse subsidie: op uiterlijk 1 oktober vóór het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. Deze termijn maakt een tijdige beslissing mogelijk.
Als het project start op 1 januari 2011, dan wordt geadviseerd om de aanvraag voor 1 oktober 2010 in te dienen. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend op 1 december 2010, dan beslissen Gedeputeerde Staten voor 1 maart 2011. Als het project reeds is begonnen op 1 januari 2011 en de aanvraag wordt afgewezen door Gedeputeerde Staten, dan loopt de subsidieontvanger een financieel risico. Dit risico is voor eigen rekening van de aanvrager. Stel dat de aanvraag voor dit project wordt ingediend na 1 januari 2011, dan zijn de kosten die reeds gemaakt zijn niet subsidiabel, op basis van artikel 1.1.5. lid 3. ]
[Toelichting: De in dit artikellid genoemde termijnen zijn maximum termijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen.
In dit artikel zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 12 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden.
Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ]
[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal dertien weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). ]
[Toelichting: In geval van EU-cofinanciering, inschakeling van een commissie en nadere controle hebben Gedeputeerde Staten meer tijd nodig om een verleningsbeschikking af te kunnen geven en kan de termijn van maximaal 22 weken worden toegepast. ]
[Toelichting: Op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie moet uiterlijk zijn beslist op 31 december voor het jaar of de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. ]
[Toelichting: In artikel 4:35 Awb zijn een aantal weigeringsgronden opgenomen. Zo kan een subsidie bijvoorbeeld geweigerd worden als er duidelijke aanwijzingen zijn dat het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. Met artikel 1.3.1 worden die gronden aangevuld. In lid 1 blijkt uit het gebruik van het woord "kan" dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteiten ook zonder de subsidie gerealiseerd kunnen worden. Met lid 2 wordt een minimumbedrag gegeven voor subsidie: subsidie beneden de € 1.000,-- wordt niet verstrekt. ]
[Toelichting: Ingevolge het eerste lid geven Gedeputeerde Staten al in het besluit tot verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld dat Gedeputeerde Staten de ontvanger verplichtingen kan opleggen. ]
[Toelichting: Uit artikel 4:29 Awb volgt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan voorafgaande een beschikking tot subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven.
Gedeputeerde Staten hebben besloten dat voor te verstrekken subsidie tot € 25.000,- de subsidie direct na de aanvraag wordt vastgesteld. Er volgt dus geen voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. In alle andere gevallen zal de subsidievaststelling worden voorafgegaan door een beschikking tot subsidieverlening.
In een beschikking tot subsidieverlening zal de datum worden vermeld waarop de gesubsidieerde activiteit(en) uiterlijk moet(en) zijn verricht. ]
[Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van drietal arrangementen:
- kleine subsidies tot € 25.000,
- middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en
- grote subsidies vanaf € 125.000.
Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag.
Gedeputeerde Staten moeten bij het besluit tot subsidieverlening bepalen hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving kan een zwaardere verantwoording eisen. Dit komt bijvoorbeeld voor op het beleidsveld inrichting landelijk gebied waar Europees recht soms tot zwaardere verantwoording verplicht. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welke verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. ]
[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.3.3.
De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen.
Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten) uitgekeerd aan de subsidieontvanger.
De wijze van betaling en bevoorschotting verschilt per arrangement. ]
[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die valt in arrangement 1, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. ]
[Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt die in arrangement 2 of 3 valt, dan verlenen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger een voorschot van maximaal 90 %. Dat kan in één of meerdere termijnen zijn. Dit zal vaak afhangen van de looptijd van de activiteiten. ]
[Toelichting: Bij jaarlijkse subsidie zal in de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden vermeld. ]
[Toelichting: De informatieplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000, het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.
De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige subsidieverordening.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de informatieplicht niet geldt na vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.]
[Toelichting: Hierin zijn een aantal belangrijke wijzigingen opgenomen waarover de ontvanger de provincie verplicht moet informeren. ]
[Toelichting: In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is ervoor gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies hoger dan € 25.000 slechts een keer per jaar tussentijdse verantwoording te vragen. Op basis van deze gegevens kan de provincie zich verantwoorden over de realisatie van beleid naar PS en derden. ]
[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.2.2 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.]
[Toelichting: De omvang van de verantwoordingsverplichting is gekoppeld aan de hoogte van het subsidiebedrag.
Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om te verstrekken subsidies tot aan een bedrag tot € 25.000 direct vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie niet eerst wordt verleend (meer voorlopige toekenning) maar dat deze meteen wordt vastgesteld (waarbij de definitieve hoogte wordt bepaald en betaling volgt). Bevoorschotting is niet van toepassing zie artikel 1.3.3.
Kenmerkend voor subsidies van minder dan € 25.000 is, dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.
Als de subsidie direct wordt vastgesteld blijft de subsidieontvanger verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. ]
Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan €25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld.
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.]
[Toelichting: Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag. ]
[Toelichting: Soms blijkt het niet mogelijk om vooraf de kosten en opbrengsten van de prestatie realistisch te begroten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij innovatieve activiteiten, als er nog geen standaard voor de daarmee samenhangende kosten en opbrengsten voorhanden is. In dergelijke gevallen is het mogelijk om af te rekenen op basis van een opgave van de totale werkelijke kosten en opbrengsten. De afrekening vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten. Bij toepassing van deze variant komt een afzonderlijke prestatieverantwoording te vervallen; een verklaring zoals omschreven in het tweede lid van artikel 1.5.2, volstaat.
De opgave van de gerealiseerde kosten en opbrengsten vormt de grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Indien de subsidiabele kosten, na aftrek van de gerealiseerde opbrengsten (inclusief gerealiseerde bijdragen van derden) en de gerealiseerde eigen bijdrage, lager zijn dan begroot wordt de subsidie lager vastgesteld, tenzij rekening dient te worden gehouden met een in de van toepassing zijnde regelgeving geboden mogelijkheid tot het vormen van een egalisatiereserve. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag uitgekeerd. Steekproefsgewijs kan de subsidieverstrekker de opgegeven totalen controleren. In de verklaring geef de subsidieontvanger niet meer aan dan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is, wat in voorkomend geval de stand van de egalisatiereserve is, wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ]
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie dient te verantwoorden. Ingevolge artikel 1.3.2 lid 2 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.
Voor verleende subsidies van meer dan € 125.000,- geldt een verantwoording over prestaties en kosten. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten (vb concert of minimaal aantal bezoekers), waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Dit gebeurt met een inhoudelijk verslag (zie toelichting bij artikel 1.5.2). Daarnaast wordt over de kosten verantwoord, de wijze waarop dit plaatsvindt wordt per regeling bepaald. Er zijn standaard formats beschikbaar voor verantwoording over de kosten en verantwoording middels een controleverklaring.]
[Toelichting: Single information, Single audit betekent eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop medeoverheden (provincies, gemeenten en gemeenschappelijke regelingen) aan het Rijk of Provincies ieder jaar verantwoorden of en hoe ze specifieke uitkeringen hebben besteed. De indicatoren worden landelijk vastgesteld. Uitgangspunt is om per specifieke uitkering zo weinig mogelijk verantwoordingsinformatie en controle te vragen. Er wordt aangesloten bij het reguliere jaarrekeningproces van de gemeenten. Dit houdt in dat: de provincie Overijssel gebruik maakt van de reguliere jaarstukken van de gemeente: het jaarverslag, de jaarrekening, inclusief SISA-bijlage en het verslag van bevindingen van de accountant waarin de accountant specifiek rapporteert over haar controle op de specifieke uitkeringen.
Voor de specifieke uitkering worden geen bijzondere controleverklaringen meer gevraagd. In plaats daarvan wordt de noodzakelijke met name financiële beleidsinformatie per specifieke uitkering opgenomen in een bijlage bij de (reguliere) jaarrekening en tijdens de jaarrekening controle door de accountant gecontroleerd.
Met uitzondering van de eerder genoemde financiële verantwoordingsplicht blijven de voorwaarden die in de beschikking of overeenkomst hebben gestaan van kracht. Wat betreft het verantwoordingsmoment wordt aangesloten bij de procedure die voor de reguliere jaarstukken geldt: uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar of tijdvak waar over verantwoording moet worden afgelegd aan de provincie worden de stukken via het CBS bij de provincie aangeleverd.
Na ontvangst van de verantwoordingsinformatie kan de provincie Overijssel de regeling financieel vaststellen. Hierbij kan worden vertrouwd op de van de gemeente ontvangen gecertificeerde jaarstukken, welke zijn getoetst aan de afgesproken controles. Daarbij wordt ook het rapport van de bevindingen van de accountant en in het bijzonder de hierin opgenomen tabel met fouten en onzekerheden bij de vaststelling van de specifieke uitkering betrokken. Op basis van de verkregen verantwoordingsinformatie vindt vervolgens de inhoudelijke toets bij de provincie plaats. Dit kan leiden tot nadere vragen of maatregelen vanuit de provincie. Zie hiervoor ook de nota procedure aanlevering verantwoordingsinformatie die jaarlijks op de website van de Rijksoverheid wordt gepubliceerd. ]
[Toelichting: De Sisa-circulaire met daarin o.a. de ‘kruisjeslijst ontvangende medeoverheden' (kruisjeslijst sisa) en de SISA bijlage worden jaarlijks aangepast en gepubliceerd op de website van de Rijksoverheid. De Sisa systematiek wordt voor de regelingen uit de kruisjeslijst op alle openstaande beschikkingen en/of tweezijdige rechtshandelingen toegepast waaruit informatieverplichtingen voortvloeien. In uitzondering hierop wordt deze systematiek voor de regeling bodemsanering alleen toegepast voor alle na 1 januari 2008 aangegane overeenkomsten. ]
[Toelichting: In de Invulwijzer sisa medeoverheden Overijssel is per regeling aangegeven hoe het verzoek tot vaststelling dient te worden gedaan.]
[Toelichting: In dit artikel is geregeld binnen welke termijn Gedeputeerde Staten besluiten ter zake van de vaststelling van de subsidie. De in dit artikel genoemde termijn is een maximum termijn. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen.]
[Toelichting: Als uitgangspunt geldt een beslistermijn van maximaal 22 weken, die begint op het moment van ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling. ]
Gedeputeerde Staten wijzigen of trekken de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in, als de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun.
[Toelichting: Als een subsidie is aan te merken als ontoelaatbare staatssteun, moeten Gedeputeerde Staten het subsidiebesluit wijzigen of intrekken.]
[Toelichting: Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems' is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. ‘Nieuwe Bezems' staat in de eerste plaats voor de vernieuwingen in het provinciale Jeugdbeleid. Provinciale Staten wil dat er in de jeugdzorg en het preventieve Jeugdbeleid sneller en meer resultaten worden geboekt. Daarvoor zijn nieuwe werkwijzen nodig, nieuwe instrumenten, nieuwe attitudes en nieuwe verhoudingen.
Jaarlijks worden de beleidsvoornemens door Gedeputeerde Staten geconcretiseerd in een Uitvoeringsprogramma Jeugdzorg.
Gedeputeerde Staten willen er voor zorgen dat de familiekring/het netwerk van een cliënt en de cliënt zelf verantwoordelijkheid nemen voor de situatie. Het is van belang dat de families zelf de leiding hebben in het proces om tot een eigen plan te komen en te borgen. Hiervoor is een Eigen Kracht-conferentie (EK-c) een geëigend middel. Een EK-c geeft mensen de mogelijkheid om zelf, samen met familie, vrienden en andere bekenden, een plan te maken voor een oplossing of voor hulp. Gemaakte plannen zijn leidend voor de hulpverlening. ]
[Toelichting: Per aanvraag wordt beoordeeld of een aanvrager zelf ook een financiële bijdrage of een bijdrage in natura levert. In sommige gevallen is het ook mogelijk dat een derde partij, naast de aanvrager en provincie, een bijdrage leveren. Bij aanvragen omtrent EK-c is het mogelijk dat de provincie de volledige kosten van het project subsidieert. Aangezien de provincie projecten omtrent EK-c's wil stimuleren, zal in veel van deze gevallen de volledige kosten gesubsidieerd worden.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor preventief jeugdbeleid, activiteiten jeugdbeleid en een EK-c.
[Toelichting: Afwijking van artikel 1.1.6 sub c is wenselijk, omdat in de praktijk blijkt dat kinderen in noodsituaties direct zorg krijgen terwijl er nog geen formele aanvraag voor subsidie is ingediend. In het belang van het kind wordt in overleg met de provincie of de stichting afgesproken dat het kind alvast in zorg wordt genomen, in afwachting van de aanvraag. De zorg is dan al begonnen.]
In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de kosten van dat deel van de jeugdzorg dat al is uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als minder dan € 5.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt.
[Toelichting: Ter uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg stelt Provinciale Staten eenmaal per 4 jaar een Beleidskader jeugdzorg vast. Het vigerende kader betreft de periode 2009-2012 en is gebaseerd op de in 2007 door Provinciale Staten vastgestelde nota "Nieuwe Bezems". Jaarlijks worden de beleidsvoornemens door Gedeputeerde Staten geconcretiseerd in een Uitvoeringsprogramma (UP) Jeugdzorg en in het ‘Nieuwe bezems sturings- en subsidiekader'. De in het kader van de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg door Gedeputeerde Staten te subsidiëren instellingen zijn in dit UP opgenomen.
De subsidiabele activiteiten betreffen het aanbod van jeugd- en opvoedhulp, inclusief de toeleiding daartoe, en het aanbod aan jeugdbescherming (JB) en jeugdreclassering (JR). Voor de bekostiging van JB en JR stelt het Rijk normprijzen vast. Voor de bekostiging van de overige activiteiten stelt Gedeputeerde Staten een normprijs in de beschikking vast.
De provincie ontvangt van het Rijk een doeluitkering jeugdzorg. De hoogte van deze uitkering wordt geacht voldoende te zijn om de wettelijke taken van de stichting en de instellingen voor jeugd- en opvoedhulp naar behoren uit te kunnen voeren. Met de subsidieontvangers worden prestatieafspraken gemaakt waarbij de hiervoor beschikbaar gestelde subsidie per te leveren prestatie is genormeerd.
Binnen de doeluitkering wordt de provincie geacht voldoende zorgaanbod ‘in te kopen' bij instellingen voor jeugd- en opvoedhulp om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen.
Vanaf 1 januari 2011 wordt de subsidie verstrekt op basis van een vooraf geraamd aantal af te sluiten cliënt-zorgtrajecten en afgerekend op basis van het werkelijke aantal geleverde cliënt-zorgtrajecten. Binnen een cliënt-zorgtraject levert de instelling voor jeugd- en opvoedhulp alle provinciale jeugdzorg die nodig is om de doelen van de zorg te behalen.
Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de vraag en de ontwikkeling hiervan. De daarvoor door de provincie aangewezen organisatie levert hiervoor een raming voor het komende jaar aan.
De provincie Overijssel is verdeeld in bepaalde regio's. De verdeling hiervan wordt jaarlijks opgenomen in het UP. Per regio wordt met één instelling voor jeugd- en opvoedhulp (zgn. hoofdaannemer) prestatieafspraken gemaakt en een subsidierelatie aangegaan. Dit wordt jaarlijks vermeld in het UP. Het staat deze instelling vrij om de zorg door een andere instelling voor jeugd- en opvoedhulp (onderaannemer) te laten uitvoeren onder door Gedeputeerde Staten te stellen condities.
Elk jaar wordt per cliënt-zorgtraject een tarief vastgesteld door Gedeputeerde Staten en vermeld in het UP. Dit is het tarief dat een instelling voor jeugd- en opvoedhulp (hoofdaannemer) bij inkoop/afrekening ontvangt voor een succesvol afgesloten cliënt-zorgtraject. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om gedurende een door haar te bepalen periode hiervan af te wijken in verband met een overgangsregeling van het oude systeem van subsidiëren naar dit nieuwe systeem.
In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan hoeveel cliënt-zorgtrajecten worden gesubsidieerd.
Gedeputeerde Staten willen er voor zorgen dat de familiekring/het netwerk van een cliënt en de cliënt zelf verantwoordelijkheid nemen voor de situatie. Het is van belang dat de families zelf de leiding hebben in het proces om tot een eigen plan te komen en te borgen. Hiervoor is een Eigen Kracht-conferentie (EK-c) een geëigend middel. Een EK-c geeft mensen de mogelijkheid om zelf, samen met familie, vrienden en andere bekenden, een plan te maken voor een oplossing of voor hulp. Gemaakte plannen zijn leidend voor de hulpverlening.
Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van het werkelijke aantal afgesloten cliënt-zorgtrajecten tegen het vastgestelde cliënttarief. Wanneer het werkelijke aantal lager is, wordt een lagere subsidie vastgesteld. Gedurende het jaar kan Gedeputeerde Staten besluiten meer afgesloten trajecten te subsidiëren dan vooraf was geraamd wanneer er naar de opvatting van Gedeputeerde Staten meer zorg nodig is vanwege een aantoonbare significante stijging van de vraag naar jeugdzorg in de regio.
Verschillen tussen verleende en vastgestelde subsidies worden in principe in een keer verrekend/nabetaald, tenzij naar de mening van Gedeputeerde Staten aspecten van redelijkheid en billijkheid een andere betaaltermijn rechtvaardigen. Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de instelling voor jeugd- en opvoedhulp gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de vraag van de cliënt. Een hoofdaannemer is vrij in de besteding van het totaal van de middelen van de cliënt-zorgtrajecten die de provincie bij haar inkoopt.
Cliënt-zorgtrajecten komen alleen voor subsidie in aanmerking indien hieraan een geldige indicatie van de stichting aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de provincie Overijssel. Gedeputeerde Staten kunnen hier, in het kader van afspraken met andere provincies over buitenprovinciale plaatsingen, van afwijken. ]
[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een jaarlijkse subsidie verstrekken voor:
[Toelichting: Afwijking van artikel 1.1.6 sub c is wenselijk, omdat in de praktijk blijkt dat kinderen in noodsituaties direct zorg krijgen terwijl er nog geen formele aanvraag voor subsidie is ingediend. In het belang van het kind wordt in overleg met de provincie of de stichting afgesproken dat het kind alvast in zorg wordt genomen, in afwachting van de aanvraag. De zorg is dan al begonnen. ]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: In het UP staan de bedragen en instellingen en stichting vermeld. Gaande het jaar worden eventuele budgetten op basis van de vraag naar jeugdzorg verdeeld.]
In afwijking van artikel 1.1.3. verdelen Gedeputeerde Staten het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen.
In afwijking van artikel 1.3.1. tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als minder dan € 5.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt.
Aanvullend op artikel 1.3.3. vierde lid worden de termijnen bepaald op basis van het door het Rijk gehanteerde schema van betaling van de jaarlijkse doeluitkering.
In afwijking van artikel 1.5.2. eerste lid dan wel artikel 1.5.3. eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend.
[ingetrokken]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zijn op basis van de Wet op de Jeugdzorg verantwoordelijk voor de zorg voor jeugdigen en hun opvoeders bij ernstige opvoed- en opgroeiproblemen.
In het regeerakkoord 2010 is een ingrijpende wijziging van het jeugdstelsel afgesproken. De provinciale taak jeugdzorg wordt naar verwachting vanaf 1 januari 2015 gedecentraliseerd naar de afzonderlijke gemeenten.
Met de verschuiving van de jeugdzorg naar de gemeenten wil de regering ervoor zorgen dat hulp voor cliënten sneller beschikbaar is, beter aansluit bij de eigen kracht en de sociale netwerken van hun ouders of verzorgers en meer samenhang heeft met andere vormen van zorg bij het gezin. Ook verwacht de regering een eenvoudiger stelsel, met meer effectiviteit en efficiency en minder bureaucratie
Gedeputeerde Staten hechten aan het belang van continuïteit en kwaliteit van de provinciale jeugdzorg en het verminderen van wachtlijsten tot het moment van decentralisatie.
Gedeputeerde Staten zien het, in het verlengde van haar huidige provinciale jeugdzorgtaak, als haar verantwoordelijkheid bij te dragen aan een goede overdracht van de provinciale jeugdzorg en wil de gemeenten ondersteunen in hun verantwoordelijkheid zich voor te bereiden op het moment van overheveling van de provinciale jeugdzorg. Met deze regeling willen Gedeputeerde Staten bijdragen bij activiteiten die de gemeenten voorbereiden op het moment van overheveling.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Gezamenlijke activiteiten van gemeenten zijn mogelijk, maar de gemeenten moeten ieder een afzonderlijke aanvraag indien. De individuele aanvraag kan hiervoor deels overeenkomen met de aanvraag van de gemeenten waarmee samengewerkt wordt. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen of relevant zijn voor de transitie en transformatie jeugdzorg in Overijssel.
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: De maximale subsidiebedrag per gemeente is gebaseerd op het inwonersaantal van de gemeente per 1 januari 2011. Een gemeente mag meerder aanvragen indienen, gezamenlijk mogen deze niet meer bedragen dan het maximumbedrag. ]
De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten met de volgende maximale subsidies per gemeente:
[Vervallen]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:
In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 is de aanvrager verplicht de relevante ervaringen of resultaten in de voorbereiding, tijdens de uitvoering en na afronding van de activiteit te delen met andere gemeenten.
[ingetrokken]
De provincie heeft een wettelijke taak op het gebied van de Wmo. Gedeputeerde Staten dragen zorg voor het voeren van beleid betreffende steunfunctiewerk. Gedeputeerde Staten vullen deze taak in door het laten uitvoeren van steunfunctietaken en door het financieren van projecten van gemeenten in het kader van de Wmo. Deze subsidieregeling bevat de criteria waaraan deze projecten moeten voldoen.
In deze paragraaf wordt verstaan onder Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning, 29 juni 2006, Stb. 2006/351.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die gemeenten ondersteunen bij hun taken voor de uitvoering van de Wmo.
Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.1.6 sub a zijn de gemeentelijke apparaatskosten wel subsidiabel.
[Toelichting: Deze afwijking is noodzakelijk, omdat de provincie een wettelijke taak heeft om de uitvoering van de WMO te ondersteunen. ]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. ]
1. In afwijking van artikel 1.1.3. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.
2. Aanvullend op het eerste lid geldt voor de subsidieaanvragen dat de prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de score scoretabel 1. Aan de hand van scoretabel 1 wordt berekend welke totale score het project behaalt voor de volgende onderdelen:
a. het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten;
b. de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel;
c. de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten.
3. Bij een gelijke score bepaalt ten eerste het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten de prioriteitsvolgorde, met dien verstande dat het project waar het aantal deelnemende gemeenten het hoogst is, een hogere prioriteit krijgt. Mocht dit resulteren in een gelijke score dan bepaalt de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en overige financiers, in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel, de prioriteitsvolgorde.
| Onderdeel | Cijfer | Weging | Score |
|---|---|---|---|
| 1. het aantal daadwerkelijk deelnemende gemeenten | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 50% | Cijfer x 0,5 = score 1 |
| 2. de hoogte van de investeringen van de aanvragende gemeente en andere financiers dan de provincie Overijssel in verhouding tot de bijdrage van de provincie Overijssel | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 30% | Cijfer x 0,3 = score 2 |
| 3. de mate waarin het ontwikkelde concept of de opgedane kennis aantoonbaar worden overgedragen aan andere Overijsselse gemeenten. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 20% | Cijfer x 0,2 = score 3 |
| Totale score = |
In aanvulling op artikel 1.4.1. en 1.4.2. dient de subsidieontvanger de opgedane kennis of het ontwikkelde concept beschikbaar te stellen aan andere Overijsselse gemeenten.
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[Toelichting: De provincie Overijssel geeft in 2013-2015 een impuls aan de vergroting van de dynamiek, diversiteit en vitaliteit van de kunstensector in Overijssel. Hiervoor heeft zij de subsidieregeling Productiefonds Overijssel 2013-2015 in het leven geroepen.
Dit om aan de ene kant een aantrekkelijker werkklimaat voor jonge getalenteerde makers te stimuleren. En aan de andere kant om als aanvulling op het reguliere aanbod bijzondere producties mogelijk te maken.
Het gaat de provincies om bijzondere initiatieven met hoge artistieke en productionele kwaliteit en bijzondere betekenis voor Overijssel. Met deze impuls kan een nieuw en nog breder en groter publiek voor de kunsten in Overijssel bereikt worden.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Op basis van deze regeling kan subsidie aangevraagd worden voor de kosten van professionele producties in alle kunstdisciplines. Het gaat om producties waarvan een hoge artistieke kwaliteit verwacht kan worden. Rechtspersonen zoals culturele instellingen kunnen een aanvraag indienen, maar ook natuurlijke personen zoals individuele kunstenaars (beeldend kunstenaars, componisten, auteurs). De subsidiabele kosten zijn alle voor de productie noodzakelijke kosten die aantoonbaar rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de productie. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden voor het voorbereiden, ontwikkelen en uitvoeren van de productie subsidiabel zijn.
Aanvragen voor festivals, boekuitgaven, tentoonstellingen en aanvragen ter aanvullende bekostiging van de reguliere activiteiten van door de provincie Overijssel gesubsidieerde instellingen komen niet in aanmerking.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een productie.
[Toelichting: De subsidieaanvragen worden beoordeeld door een op voordracht van de provincie Overijssel ingestelde commissie van onafhankelijke deskundigen op te verwachten artistieke kwaliteit (te weten vakmanschap, zeggingskracht en oorspronkelijkheid), te verwachten onderscheidende kwaliteit en toegevoegde waarde voor het bestaande kunst- en cultuuraanbod in Overijssel, op te verwachten (inter)nationale uitstraling, op kwaliteit van de organisatie, op de mate waarin de producties in Overijssel worden ontwikkeld en uitgevoerd en op de mate waarin sprake is van betrokkenheid van Overijsselse kunstenaars. De aanvraag wordt ingediend bij de provincie Overijssel. ]
Een aanvraag voor subsidie voor een productie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 80.000 per aanvraag.
[Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. ]
[Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid en juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. ]
[Toelichting: De aanvraag voor subsidie bestaat uit een productieplan, een marketingplan, een begroting met dekkingsplan en een voorlopige speellijst of expositieplan waarin de volgende onderwerpen zijn uitgewerkt: het doel en het artistieke concept van de productie; de wijze waarop de beoogde doelen worden bereikt, de publieksgroep of -groepen die de aanvrager met de productie wil bereiken, de marketinginstrumenten die worden ingezet, de personen en instellingen uit Overijssel die bij de productie betrokken zijn, de geraamde kosten en opbrengsten van de productie. De subsidieaanvrager maakt gebruik van het aanvraagformulier Productiefonds Overijssel 2013-2015. Het formulier is te downloaden via www.overijssel.nl/subsidie. ]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dat toelaat.
[Toelichting: De ingediende subsidieaanvragen voor producties worden ter advisering voorgelegd aan een door Gedeputeerde Staten ingestelde commissie Productiefonds Overijssel 2013-2015, bestaande uit deskundigen op de terreinen muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, film, nieuwe media, literaire cultuur. ]
Een aanvraag voor subsidie wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie Productiefonds Overijssel 2013-2015.
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
[Ingetrokken]
[ingetrokken]
[Toelichting: De kosten van ‘Onvoorzien' boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien:
In afwijking van artikel 1.5.2. eerste lid dan wel artikel 1.5.3. eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 6 maanden na realisatie van de prestatie.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens 3 foto's van het gerealiseerde project.
[ingetrokken]
[Toelichting: Evenementen en festivals leveren een belangrijke bijdrage aan het versterken van de regionale economie. Door het zoeken van de verbinding met het lokale/regionale bedrijfsleven en door dwarsverbanden te leggen met kunst, cultuur, sport, zorg, natuur en nevenactiviteiten van de landbouwontstaan nieuwe arrangementen . Deze interesseren gasten voor een langer bezoek aan of een verblijf in Overijssel. Daarnaast leveren evenementen en festivals ook een bijdrage aan de verscherping van het profiel van de toeristische A-merken in Overijssel. Doelstelling van deze subsidieregeling is de economische spin off van festivals en evenementen te vergroten.
De aanvragen worden voorgelegd aan de Regionale Bureau's voor Toerisme (RBT's) die advies uitbrengen en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatsen.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: De prioriteitsvolgorde wordt bepaald aan de hand van de totale score die het programma behaalt. Hierover adviseren de RBT's. Voor het berekenen van de score wordt Scoretabel 1 gebruikt.
| Onderdeel | Cijfer | Weging | Score |
|---|---|---|---|
| De mate van samenwerking met het bedrijfsleven. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 20% | (Cijfer) x 0,2 = score1 |
| De mate van samenwerking met andere sectoren, waaronder kunst, cultuur, sport, zorg en landbouw. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 20% | (Cijfer) x 0,2 = score2 |
| De mate van het vergroten van de economische spin-off van het evenement of festival. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 40% | (Cijfer) x 0,4 = score3 |
| De mate van versterking van de promotie en marketing van de toeristische A-merken in Overijssel. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 20% | (Cijfer) x 0,2 = score4 |
| Totale score = score1+score2+score3+score4 |
Bij gelijke score bepaalt het % bijdragen van bedrijven en sponsoren op de begroting de rangorde.]
[Toelichting: De prioriteitsvolgorde van de innovatieve projecten wordt bepaald aan de hand van de totale score die het project behaalt. Hierover adviseren de RBT's. Voor het bereken van de score wordt Scoretabel 2 gebruikt.
| Onderdeel | Cijfer | Weging | Score |
|---|---|---|---|
| De mate van innovativiteit. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 30% | (Cijfer) x 0,3 = score1 |
| In hoeverre de activiteit als voorbeeld kan dienen en overdraagbaar is. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 30% | (Cijfer) x 0,3 = score2 |
| De mate waarin het bijdraagt aan het Hoofdlijnenakkoord 2012-2015 'Kracht van Overijssel', als bedoelt onder 4.15.8. derde lid, onder sub a. | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 40% | (Cijfer) x 0,4 = score3 |
| Totale score = score1+score2+score3 |
Bij gelijke score bepaalt het % bijdragen van bedrijven en sponsoren op de begroting de rangorde.]
In aanvulling op artikel 1.1.3 wordt de subsidie geweigerd voor zover:
In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 dient de subsidieontvanger jaarlijks binnen 13 weken nadat de evenement of festival heeft plaatsgevonden een tussenrapportage in. De subsidieontvanger maakt daarbij gebruik van het format ‘Monitor Evenementen en Festivals'.In het format ‘Monitor Evenementen en Festivals' is opgenomen waarover de subsidieontvanger moet rapporteren.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
[Toelichting: Het gaat hierbij zowel om pedagogisch-didactische vaardigheden als ook om vaardigheden in de verschillende kunstdisciplines en kennis over het cultureel erfgoed. ]
[Toelichting: Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een meerjarige samenwerking tussen een culturele organisatie met een onderwijsinstelling. ]
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: De aanvrager overlegt een collegevoorstel waarin B&W of de gemeenteraad dit voornemen bevestigt. ]
De subsidie bedraagt per gemeente maximaal het bedrag zoals opgenomen in tabel 1, waarbij de subsidie voor de activiteit als bedoeld onder 4.16.2 sub a maximaal 50% van de totale subsidie bedraagt.
[Toelichting: De maximale subsidie is gebaseerd op het leerlingenaantal per gemeente, volgens de gegevens van DUO, peildatum 1 oktober 2012.
| Gemeente | Maximale subsidie |
|---|---|
| Almelo | € 24.189 |
| Borne | € 6.324 |
| Dalfsen | € 8.856 |
| Deventer | € 30.294 |
| Dinkelland | € 8.454 |
| Enschede | € 44.166 |
| Haaksbergen | € 6.879 |
| Hardenberg | € 19.386 |
| Hellendoorn | € 11.583 |
| Hengelo | € 27.453 |
| Hof van Twente | € 10.125 |
| Kampen | € 17.661 |
| Losser | € 6.138 |
| Oldenzaal | € 10.101 |
| Olst Wijhe | € 4.785 |
| Ommen | € 5.868 |
| Raalte | € 11.433 |
| Rijssen Holten | € 13.050 |
| Staphorst | € 6.258 |
| Steenwijkerland | € 12.930 |
| Tubbergen | € 7.701 |
| Twenterand | € 11.154 |
| Wierden | € 7.296 |
| Zwartewaterland | € 8.004 |
| Zwolle | € 42.783] |
In afwijking van artikel 1.2.2 kan een aanvraag worden ingediend vanaf 3 januari 2013 en moet deze ontvangen zijn uiterlijk op 1 april 2013.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een cultuurmakelaar.
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 55.000 per aanvraag.
In afwijking van 1.1.5 eerste lid bedraagt het uurtarief van de cultuurmakelaar maximaal € 75 per uur.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In aanvulling op 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten een subsidie indien de financiering als bedoeld onder artikel 4.17.3 eerste lid onder sub d, een door de gemeente ontvangen provinciale subsidie is.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die aantoonbaar bijdragen aan de toename en ontwikkeling van cultuurparticipatie of amateurkunst en de culturele ontwikkeling van de deelnemers, in combinatie met ten minste twee van de volgende activiteiten:
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten met een maximum van € 25.000.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
| Onderdeel | Cijfer | Weging | Score | |
|---|---|---|---|---|
| 1 | De mate waarin er sprake is van artistiek inhoudelijke kwaliteit | Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) | 20% | (cijfer) x 0,2 = score 1 |
| 2 | De mate waarin sprake is van een culturele ontwikkeling bij de deelnemers | Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) | 20% | (cijfer) x 0,2 = score 2 |
| 3 | De mate waarin sprake is van samenwerking tussen organisaties | Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) | 15% | (cijfer) x 0,15 = score 3 |
| 4 | De mate waarin sprake is van verbetering van de deskundigheid van de betrokken culturele organisaties | Matig (1) Goed (3) Uitstekend (4) | 15% | (cijfer) x 0,15 = score 4 |
| 5 | De mate waarin sprake is van cultureel ondernemerschap | Matig (1) Goed (3) Uitstekend (4) | 15% | (cijfer) x 0,15 = score 5 |
| 6 | De hoeveelheid deelnemers/publiek die een project bereikt | Matig (1) Goed (3) | 15% | (cijfer) x 0,15 = score 6 |
| Totale score = score 1 + score 2 + score 3 + score 4 + score 5 + score 6 |
In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie:
De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de resultaten en de methodiek van het gesubsidieerde project overdraagbaar zijn aan andere partijen.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
[Toelichting: Het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd richt zich op ten minste één, en bij voorkeur meerdere, van de thema's archeologie, cultureel erfgoed of streekcultuur/immaterieel erfgoed. Het verbinden van meerdere thema's versterkt het project en levert daarom ook een hogere score op bij het bepalen van de prioriteitsvolgorde van de aanvragen.]
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met maximum van € 100.000 per aanvraag.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
| Onderdeel | Cijfer | Weging | Score |
|---|---|---|---|
| Het aantal subsidiabele activiteiten dat het project aan elkaar verbindt | 1, 2 of 3 | 40% | (Cijfer) x 0,4 = score 1 |
| De mate van publieksbereik en de versterking van de Overijsselse identiteit | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 30% | (Cijfer) x 0,3 = score 2 |
| De mate van verankering van de betrokken deskundigheid bij het project | matig (1), goed (3), uitstekend (4) | 30% | (Cijfer) x 0,3 = score 3 |
| Totale score = score 1 + score 2 + score 3 |
De aanvragen worden voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die advies uitbrengt en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatst.
[Toelichting: De commissie kan op het terrein streekcultuur/immaterieel erfgoed aanvullend advies inwinnen bij het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed. ]
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien:
[Toelichting: Met ingang van 2012 heeft het Rijk middelen voor de restauratie van rijksmonumenten overgedragen aan de provincies. Overijssel ontvangt hiervoor jaarlijks een bedrag van € 1.249.181. Met het Rijk is afgesproken dat deze middelen worden aangevuld. Deze regeling is staatssteunproof. De Nationale Monumentenregeling kan gebruikt worden voor steun monumenten. Steunmaatregelen op basis van deze regeling hoeven niet aangemeld te worden bij de Europese Commissie.]
In deze regeling wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de restauratie van een rijksmonument.
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.1.5. eerste lid is voor de berekening van de subsidiabele kosten artikel 4 van de Sim van toepassing.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Instandhouding van monumenten is een van de hoofdactiviteiten van de POM's. Met het rijk is afgesproken om zorg te dragen voor de POM's vanwege hun bijzondere rol bij het behoud van monumenten. In deze regeling vertaalt zich dat door per POM aan maximaal twee aanvragen een punt in de scoretabel toe te kennen.
| Onderdeel | Cijfer |
|---|---|
| Het rijksmonument is eigendom van een POM (per POM kunnen maximaal twee aanvragen aanspraak maken op een punt. Indien de POM meer aanvragen indient, dient zij zelf een onderlinge prioritering aan te geven) | 1 |
| Voor het rijksmonument is in het kader van de Brim of de Sim subsidie ontvangen, danwel aangevraagd | 1 |
| Voor het rijksmonument is een laagrentende lening via het Nationaal Restauratiefonds afgesloten | 1 |
| Het rijksmonument maakt onderdeel uit van een herbestemmingsopgave | 1 |
| De gevraagde subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten | 1 |
| De gevraagde subsidie ligt tussen de 69 en 50% van de subsidiabele kosten | 2 |
| De gevraagde subsidie ligt tussen de 49 en 30 % van de subsidiabele kosten | 3 |
| De gevraagde subsidie ligt tussen de 29 en 1 % van de subsidiabele kosten | 4 |
| Totaalscore is de optelsom van toegekende punten | ] |
De aanvragen worden voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die advies uitbrengt en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatst.
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien de exploitatie van het rijksmonument voor een periode van ten minste vijf jaren niet aannemelijk kan worden gemaakt.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Het transformatieplan wordt opgesteld aan de hand van de "checklist transformatieplan cultureel erfgoed". Deze is in te zien via de provinciale website www.overijssel.nl/erfgoed. De checklist bestaat uit een vijftal onderdelen:
- inzicht in de financiële aspecten van een mogelijke herbestemming. Voordat gestart wordt met het opstellen van het transformatieplan, wordt eerst de financiële ruimte in beeld gebracht om zo de kaders waarbinnen een schetsontwerp wordt opgesteld scherp te krijgen. Dit om te voorkomen dat het eindresultaat een transformatieplan oplevert dat voor de betrokken partijen onbetaalbaar blijkt te zijn. In deze eerste stap wordt gekeken naar gemaakte en te maken kosten, mogelijke opbrengsten van de nieuwe bestemming en mogelijke financieringen voor herbestemming (is er eigen kapitaal, zijn er subsidies of fondsen beschikbaar, kan er, eventueel laagrentend, geleend worden etc);
- hierna worden de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde van het gebouw en de directe omgeving in beeld gebracht;
- het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit;
- een goede inrichting van de omgeving van het erfgoed draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan;
- tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.
Tevens is een overzicht opgenomen van de processtappen die bij de opstelling van een transformatieplan moeten worden gezet. Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider , die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:
[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect en landschapsarchitect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur of een stedenbouwkundige.
Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen.]
[Toelichting: Voordat een aanvraag voor subsidie voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. De noodzakelijke vergunningen moeten zijn verkregen. ]
In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag ingediend worden vanaf 1 maart 2013.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieaanvraag om advies voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie.
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub a geweigerd indien de te verlenen subsidie gestapeld wordt met een andere subsidie voor het opstellen van een transformatieplan of het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ten behoeve van herbestemming.
In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 dient de subsidieontvanger:
[Toelichting: Met de regeling wordt beoogd vier buitenpodia door een bijdrage in de kosten van renovatie voor Overijssel te behouden en actief gebruik ervan mogelijk te maken. De regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de procedurevoorschriften zoals die in Hoofdstuk 1 van dit Uitvoeringsbesluit. Daarin opgenomen bepalingen over bijvoorbeeld de aanvraagprocedure, subsidiabele kosten, BTW en dergelijke gelden dus ook voor deze regeling. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. buitenpodia: de vier podia die door Gedeputeerde Staten in deze regeling als van provinciaal belang worden aangemerkt, te weten het openluchttheater Bostheater te Ommen, het openluchttheater Universiteit Twente te Enschede, openluchttheater Het Lommerrijk te Luttenberg en het Openluchttheater Nijverdal te Nijverdal.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de renovatie van vier buitenpodia in Overijssel.
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
a. De aanvrager betreft de eigenaar van een buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a.
b. Het betreft een uitvoeringsgereed plan.
c. De activiteit betreft de renovatie van een buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a.
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de renovatiekosten per buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a, met de volgende maximale subsidies per buitenpodium:
a. Openluchttheater Bostheater te Ommen: € 80.000,--
b. Openluchttheater Universiteit Twente te Enschede: € 105.000,--
c. Openluchttheater Het Lommerrijk te Luttenberg: € 13.000,--
d. Openluchttheater Nijverdal te Nijverdal: € 7.000,--
In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor een subsidie ontvangen dient te zijn voor 1 mei 2013.
[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het provinciaal belang bij het project is maatgevend voor het al dan niet verstrekken van een subsidie. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek, visievorming en/of planontwikkeling met betrekking tot concrete ruimtelijke projecten of ruimtelijke voorzieningen. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder externe kosten: de kosten van uitbesteding van de ruimtelijke activiteiten van een project.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager niet op een andere wijze in (een deel van) de kosten kan voorzien (geen medefinancier(s) voor het project heeft). Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit moet tot uitdrukking komen in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo'n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. ]
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de externe kosten.
[Toelichting: Het gaat bij deze subsidieparagraaf in de regel om zeer complexe projecten. De aanvraag voor subsidie kan dan ook bij de aanvrager in de routing achterlopen op de start van het project. Dat die momenten niet altijd samenvallen of in de goede volgorde plaatsvinden, doet niet af aan het belang van het project als geheel. Daarom wordt een project, en de daarbij behorende kosten, als één geheel gezien, en in totaliteit beoordeeld en gefaciliteerd. ]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Ter uitwerking van de Provinciale Omgevingsvisie 2010-2019 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. Gedeputeerde Staten en de Burgemeester en Wethouders hebben afspraken gemaakt over de volgende beleidsthema's:
Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn op het gebied van:
Voor de prestatieafspraken onderdeel Energie & duurzaamheid is paragraaf 8.2 Energiebesparingsfonds woningen Overijssel, van toepassing.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder prestatieovereenkomst: prestatieafspraken Wonen 2010-2015, waarin Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van een gemeente in de provincie Overijssel afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de beleidsthema's; ruimtelijke kwaliteit, energie & duurzaamheid, binnenstedelijke vernieuwing, wonen zorg en welzijn, geluid, bodem en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).
De gemeente overlegt jaarlijks vóór 1 mei een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, aan de hand van de verplichte rapportage indicatoren zoals genoemd in bijlage 1 van de prestatieovereenkomst.
Ingeval van subsidieverlening ex artikel 5.2.2.3 doet de gemeente hierbij tenminste een opgave van het aantal gereed gemelde woningen bij het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS).
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subparagrafen vast.
In deze subparagraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van woningen.
[Toelichting: De gemeente kan subsidie ontvangen voor de realisatie van binnenstedelijke nieuwbouwwoningen. Binnenstedelijk betekent dat de woningen worden gerealiseerd op locaties binnen de contouren van feitelijk bebouwd gebied per 1 januari 2010. Locaties aan de rand van de kern, Vinex-locaties en uitleggebieden vallen hier niet onder. Vinex locaties zijn locaties die zijn aangewezen om op korte termijn een groot aantal woningen te realiseren (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Deze locaties bevinden zich buiten de bestaande bebouwde omgeving. Uitleggebieden zijn gebieden waar de functie verandert in een woon- en/of werkfunctie en daarmee een nieuw stuk stad of dorp wordt ontwikkeld buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Meestal heeft het gebied vóór de ontwikkeling een agrarische- of een natuur bestemming.
Niet subsidiabel zijn woningen die gerealiseerd worden als onderdeel van een project waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie hebben verstrekt in het kader van ISV I of II, de Bouwimpuls en/of de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.]
Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van woningen voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie van maximaal € 5.000,-- per gerealiseerde en gereed gemelde woning. De gemeente moet de woningen gereed moet melden vóór 31 december 2014.
De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.2.2 bedraagt maximaal € 5.000,-- per bij het CBS gereed gemelde woning.]
De subsidie bedraagt € 5.000,-- per gerealiseerde en per bij het CBS gereed gemelde woning.
[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 20% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend:
In de prestatieafspraken staat vermeld wat het aantal binnenstedelijk te realiseren woningen zijn. Stel dat dit 200 woningen zijn, dan bedraagt de subsidie 200 x €5.000,-- = € 1000.000,--. Het eerste voorschot is dan 20% van € 1.000.000,-- is € 200.000,--. Jaarlijks dient de gemeente voor 31 december een voortgangsrapportage in, waarin de gemeente onder andere rapporteert over het aantal gereed gemelde woningen bij het CBS. Naar aanleiding van deze opgave kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot verstrekken. Stel dat uit de voortgangsrapportage over 2010 blijkt dat de gemeente 20 woningen heeft gereed gemeld in 2010, dan bedraagt het tweede voorschot 20 x 5.000,-- is € 100.000,--.]
In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 heeft de gemeente de woningen gereed gemeld bij het CBS vóór 31 december 2014.
In deze subparagraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor de realisatiekosten van de uitvoering van projecten in het uitvoeringsplan moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.3.2 is bepaald aan de hand van de verdeelsleutel op basis van het percentage 65 plussers binnen de gemeente op 1 januari 2015 conform PRIMOS 2007. ]
De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat genoemd is in de prestatieovereenkomst, onder paragraaf Wonen, zorg en welzijn, voor het opstellen van de visie, inclusief definitie woonservicegebied en de realisatie van de projecten uit het uitvoeringsplan tezamen.
[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 10% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend:
In de prestatieafspraken staat vermeld wat het maximale subsidie voor het onderdeel ‘Wonen, zorg en welzijn bedraagt. Stel dat dit € 100.000,-- is, dan bedraagt het eerste voorschot bij subsidieverlening € 10.000,--, te gebruiken voor het opstellen van het uitvoeringsplan.
Het aanvullende voorschot wordt bepaald aan de behaalde resultaten blijkend uit de jaarlijkse voortgangsrapportage. Gedeputeerde Staten bepalen zelf wat het aanvullende voorschot zal zijn.]
[Toelichting: De gemeente moet de prestatieafspraken aanvullen met een beleidvisie en uitvoeringsplan ten aanzien van realisatie van woonservicegebieden. Naar aanleiding van dit uitvoeringsplan kunnen Gedeputeerde Staten een subsidie verstrekken aan realisatiekosten van het uitvoeringsplan, die het langer zelfstandig wonen mogelijk maken in enigerlei vorm van een woonservicegebied. Een woonservicegebied biedt allerlei voorzieningen en of aanpasbare woningen die geschikt zijn voor zorgbehoevenden bijvoorbeeld: levensloopbestendige of 0-trede woningen. Het budget mag voor maximaal 10% worden ingezet voor het opstellen van de visie en het uitvoeringsplan. Van de overige 90 % mag de subsidie voor maximaal 25% worden ingezet voor het nemen van sociale maatregelen. Het resterende budget dient te worden ingezet voor fysieke maatregelen.
Gedeputeerde Staten hebben een format opgesteld dat per project ingevuld dient te worden en als bijlage met het uitvoeringsplan wonen en zorg meegestuurd dient te worden. Dit kan gedownload worden van de website van de provincie Overijssel: www.overijssel.nl/subsidie. ]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 5.2.1.2 een beleidvisie en een uitvoeringsplan.
In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 dient het uitvoeringsplan gerealiseerd te zijn vóór 31 december 2014.
In deze subparagraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Sanering betekent het verminderen van geluidhinder door gevelisolatie of andere maatregelen die het geluidsniveau op de gevel naar beneden brengen. Bij A-lijst woningen gaat het om woningen die niet zijn gelegen aan spoorwegen en/of Rijkswegen. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het saneren van A-lijst woningen.
Een aanvraag voor subsidie voor het saneren van A-lijst woningen moet voldoen aan het volgende criterium:
er is een uitvoeringsplan dat een omschrijving bevat van de saneringsmaatregelen voor de te saneren A-lijst woningen en een planning met een uiterste opleveringsdatum van 31 december 2014.
De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.4.2 bedraagt maximaal 100% van de kosten van de geluidssanering voor de te saneren woningen.
[Toelichting: De gemeente dient voor de aanvraag voor subsidie de prestatieafspraken aan te vullen met een uitvoeringsplan geluidsanering. Het gaat hierbij om geluidssanering van A-lijst woningen. ]
In afwijking van artikel 5.2.1.2 gelden de prestatieafspraken pas als aanvraag indien de gemeente een uitvoeringsplan en een overzicht met de te saneren A-lijst woningen overlegt.
In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 geldt dat uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.
[Toelichting: Het doel van de subsidie is een financiële oplossing te bieden als bodemverontreiniging een knelpunt vormt bij stedelijke ontwikkeling. ]
In deze subparagraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Sloopkosten zijn niet subsidiabel. De reden hiervoor is dat slopen hoe dan ook noodzakelijk is om de stedelijke vernieuwing te realiseren. ]
Gedeputeerde Staten kunnen voor de volgende activiteiten op stedelijke vernieuwingslocaties subsidie verstrekken:
[Toelichting: Een gebied gelegen in de provincie Overijssel dat per 1 januari 2010 geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden). ]
[Toelichting: Voor bepaalde categorieën van verontreinigde locaties zijn landelijk brancheafspraken gemaakt, zoals voor Gasfabrieksterreinen, VINEX-locaties en in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen. Onderzoek en sanering op deze locaties wordt niet met onderhavige middelen gesubsidieerd. ]
[Toelichting: Onder in gebruik zijnd- en blijvend bedrijfsterrein wordt verstaan een terrein dat meer dan 5 jaar na de verleningsbeschikking in gebruik blijft als bedrijfsterrein. ]
[Toelichting: Ontstaan voor 1987: In het Uitvoerings- en toetsingskader bodem is toegelicht wanneer sprake is van een historische verontreiniging (voor 1987) en wanneer sprake is van een nieuwe verontreiniging. Voor een nader onderzoek geldt dat het vermoeden moet bestaan dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. ]
[Toelichting: Onder cofinanciering wordt verstaan dat andere partijen dan de aanvrager bijdragen in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk geld uit de markt wordt gehaald: Er dient inzicht te worden gegeven in wat de gemeente, de projectontwikkelaar en de aansprakelijke partij(en) aan de onderzoeks- of saneringskosten bijdragen en welke inspanningen de gemeente heeft gepleegd om tot deze bijdrage te komen. ]
[Toelichting: Een voormalige stortplaats is een stortplaats die voor 1996 is gesloten. Het bodemsaneringsbudget is in principe niet bedoeld om stortplaatsen te ontgraven en dan weer elders te storten. Alleen indien een stortplaats de gewenste ontwikkeling blokkeert en er geen alternatief is om de locatie te herontwikkelen met instandhouding van de stortplaats kan worden overwogen toch subsidie te verstrekken. Wel willen wij bijvoorbeeld stimuleren dat een voormalige stortplaats als onderdeel van een ontwikkeling verantwoord wordt afgedekt of dat in het kader van de nazorg na herinrichting peilbuizen worden geplaatst ter monitoring van het grondwater. ]
In afwijking van artikel 1.2.2. moet een aanvraag voor subsidie zijn ontvangen uiterlijk op 1 mei 2013.
[Toelichting: Deze stukken zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het criterium genoemd in artikel 5.2.5.3 lid 3 sub a. Een dergelijk stuk is bijvoorbeeld het Raadsbesluit over de plannen op die locatie. Tijdens vooroverleg met de provincie kan de locatie getoetst worden aan de criteria van deze subsidieverordening. Met de uitkomst van dit vooroverleg kan het Raadsbesluit onderbouwd worden. ]
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten verdelen het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen.
In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. zijn de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend binnen een jaar na verlening van de subsidie conform de daarvoor in de Wet opgenomen voorschriften aangevangen.
In afwijking van artikel 1.3.3. tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger op verzoek bij eerste subsidieverlening een voorschot van 10% van het verleende subsidiebedrag verlenen. Het aanvullende voorschot van 70% wordt uitgekeerd na aanvang van gesubsidieerde werkzaamheden.
Indien subsidie is aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub c overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens een voorontwerp bestemmingsplan voor de betreffende locatie.
[Toelichting: Uitgangspunt is dat subsidies tot € 25.000 direct worden vastgesteld. Hiervan wordt in dit artikel afgeweken. In dit geval verlenen Gedeputeerde Staten wel eerst subsidie en wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld (zonder aanvraag van de subsidieontvanger). Een verleningsbesluit is nodig om verplichtingen op te leggen die de subsidieontvanger bij de uitvoering van de activiteit moet naleven. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO): een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting, die in eigen met beheer, met zelfgekozen partners, zonder winstoogmerk voor eigen gebruik, een (woning-) bouwproject ontwikkelt en realiseert.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan:
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.6.2. sub a moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.5.2. wordt een subsidie van € 25.000,-- direct vastgesteld.
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van deze paragraaf.
[Ingetrokken]
[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
De aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: Het moet gaan om proceskosten en dus niet om fysieke kosten. Zo zijn bijvoorbeeld kosten van bouwmateriaal voor woonzorgcomplexen uitgesloten. ]
De subsidie bedraagt maximaal € 42.667,-- per gemeente, waarvan maximaal 50% aangewend wordt voor proceskosten als bedoeld in artikel 5.4.2 sub b.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: De kern van deze regeling is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen. We spreken van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten of voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.
Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Een Kulturhus hoeft niet perse te bestaan uit één gebouw, maar kan ook bestaan uit meerdere gebouwen, een openluchtlokatie of een combinatie daarvan. Het concept kulturhus dient dan tot uitdrukking te komen door de gezamenlijke programmering en gezamenlijk beheer, waarbij onverminderd de criteria uit artikel 5.5.3 van kracht blijft. Sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking. Reguliere onderhouds- en exploitatiekosten, waaronder (aanvullende) maatregelen die op basis van wettelijke bepalingen moeten worden genomen, komen nadrukkelijk niet voor subsidie in aanmerking.
Kulturhusen waarin in het verleden reeds een bijdrage is verstrekt door de provincie Overijssel ten behoeve van de bouw of verbouw, komen niet nogmaals in aanmerking voor een subsidie.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Onder een dorpsplanplus wordt verstaan een dorpsagenda met een uitvoeringsplan. In de agenda staan de wensen en behoeften voor de komende jaren. Het uitvoeringsplan is een lijst van uitvoeringsgerede projecten die voortkomen uit de agenda.
[Toelichting: Daar waar de gemeente verantwoordelijk is voor het lokale beleid ten aanzien van welzijn en leefbaarheid, kan de provincie meerwaarde leveren door de verknoping van het lokale met het regionale/provinciale beleid en de bevordering van een integrale aanpak van maatschappelijke knelpunten. Hiertoe is in samenwerking met de provinciale steuninstellingen de DOP+-regeling ontwikkeld om op basis van burgerparticipatie knelpunten en kansen aan te pakken. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het maken van een integraal dorpsplan via de DOP+-regeling, waarin samenhangende knelpunten of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.
[Toelichting: Conform de bestuurlijke afspraken is het provinciebeleid complementair aan het gemeentelijke beleid. Dit impliceert dat de provincie slechts dan financiert wanneer de gemeente achter het DOP+ staat. Gezien de verantwoordelijkheid en taken van de gemeente heeft een DOP+ ook alleen zin wanneer de gemeente bereid is een bijdrage te leveren. ]
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 67% van de subsidiabel kosten tot een maximum subsidiebedrag van € 35.000,-- per integraal dorpsplan en wordt besteed aan het bij artikel 5.6.3, onder sub f en sub g, bedoelde inzet van expertise en het nazorgtraject.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijventerreinen, opgenomen in het meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015, betreffende de volgende activiteiten:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor het opstellen en uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b en sub c tevens:
In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening:
In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag voor vaststelling voor het uitvoeren van het herstructureringsplan tevens de resultaten van de vooraf uitgevoerde kwaliteitsscan.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 200.000 per gemeente.
[vervallen]
De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kwaliteit Stedelijke Leefomgeving.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien:
In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. moet de subsidieontvanger voldoen aan de volgende verplichtingen:
[ingetrokken]
[Toelichting: Het GO programma is een Europees subsidieprogramma dat wordt uitgevoerd door de managementautoriteit Oost-Nederland. De managementautoriteit wordt gevormd door de leden van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, gezamenlijk.
Voor nadere voorwaarden en het indienen van een aanvraag voor subsidie kunt u terecht bij: Managementautoriteit Oost-Nederland, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem; www.go-oostnederland.eu.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan projecten die passen binnen en die EFRO-cofinancieringsmiddelen ontvangen uit: het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.2.1 moet voldoen aan de volgende criteria:
Kosten zijn subsidiabel indien deze voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Het doel van deze subsidieregeling is MKB-ondernemingen te stimuleren om versneld innovatie, onderzoek en testen te laten plaatsvinden binnen een van de kennisgebieden van de genoemde innovatiecentra in Overijssel en het versterken van de Overijsselse open innovatiecentra. De aanvrager kan voor een offerte contact opnemen met één van de in de regeling onder 6.3.2 genoemde innovatiecentra. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:
In afwijking van artikel 1.1.5 zijn alle bij PSP, het Texperium, OICAM of TPRC gemaakte kosten subsidiabel.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor een subsidieplafond vast.
De aanvrager overlegt in afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid bij de aanvraag:
In aanvulling op artikel 1.1.3 wordt de subsidie geweigerd voor zover de de te verlenen subsidie minder dan € 2.500 bedraagt.
In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2 moeten de subsidiabele activiteiten starten binnen drie maanden en zijn afgerond binnen twaalf maanden na subsidieverlening.
[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten, maatregelen te treffen en de daarvoor bestemde middelen in te zetten. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over:
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een jaarlijkse subsidie verstrekken voor het realiseren van:
[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit de Omgevingsvisie Overijssel en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverbanden. Vooralsnog gaat het om de volgende accenten:
Het accent ligt niet bij infrastructurele maatregelen in verblijfsgebieden, zoals projecten snelheidsbegrenzing en attentieverhoging 30 km/h-wegen en 30 km/h-zones. Verder wordt er geen subsidie verstrekt voor kosten van onderhoud aan wegen of kunstwerken en parkeerinfrastructuur.]
Een aanvraag voor het realiseren van activiteiten als bedoeld in artikel 7.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verstrekken subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking.
De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties die voorkomen op de laatst uitgegeven VOC-lijst Overijssel. Deze lijst is een gezamenlijke uitgave van de provincie Overijssel en de Regio Twente.]
In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de kosten voor vervanging, beheer en onderhoud parkeerinfrastructuur niet subsidiabel.
[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team RWB Mobiliteit van de provincie.
Voorafgaand aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft wordt een subsidieplafond vastgesteld. Er is een samenhang met het vaststellen van een subsidieplafond (artikel 7.1.8) en de volgorde van behandeling (zie artikel 7.1.9). Indiening voor een bepaalde datum hangt logisch samen met de wens van het bestuursorgaan om een onderlinge afweging te maken (prioriteitsvolgorde, loting, verdeling naar evenredigheid). Indiening het hele jaar door hangt logisch samen met een behandeling in volgorde van ontvangst.]
Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in artikel 1.2.2 tweede lid genoemde indieningstermijn.
[Toelichting: De aanvraagformulieren zijn op te vragen op www.overijssel.nl/subsidie. ]
In aanvulling op artikel 1.2.1 eerste lid hebben Gedeputeerde Staten voor zowel infrastructurele- als gedragsbeïnvloedingsprojecten een aanvraagformulier vastgesteld die bij de aanvraag dient te worden overlegd.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het Bestedingsplan BDU vast, waarmee tevens het subsidieplafond voor verkeers- en vervoersprojecten wordt vastgesteld. Voor het subsidieplafond wordt een begrotingsvoorbehoud gemaakt. Als achteraf blijkt dat de beschikbare middelen afwijken van deze begroting, dan kan besloten worden het subsidieplafond aan te passen.
[Toelichting: De in artikel 7.1.3 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een opsomming van duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor gedragsbeïnvloedingsprojecten. ]
In afwijking van artikel 1.1.3 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die vóór 1 oktober zijn ontvangen en die voldoen aan de in artikel 7.1.3 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde die het best aansluit bij de bestedingsdoelen zoals genoemd in het jaarlijks vast te stellen Bestedingsplan BDU. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dat toestaat.
In afwijking van artikel 1.2.3 derde lid beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten
beslissen in ieder geval uiterlijk binnen 22weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 7.1.6 is verstreken.
[Toelichting: Voor de verslaglegging c.a. van de gedragsbeïnvloedingsprojecten dient gebruik te worden gemaakt van het verantwoordingsformulier. Dit formulier is op te vragen op www.overijssel.nl/subsidie. ]
De aanvrager overlegt binnen twee maanden na afloop van het subsidietijdvak wat betreft gedragsbeïnvloedingsprojecten een verslag van de geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.
[Toelichting: De ambitie van het programma Nieuwe Energie Overijssel is het aandeel nieuwe energie te vergroten naar 20% in 2020. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/. ]
[Toelichting: Het protocol monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website http://www.agentschapnl.nl/. ]
[Toelichting: De hoeveelheid vermeden primaire energie is de theoretische energie-inhoud van de conventionele energiedrager die men nu niet heeft hoeven gebruiken. De theoretische energie-inhoud wordt bepaald op basis van een referentietechnologie. De referentietechnologie is de conventionele methode waarmee dat energieproduct anders zou zijn opgewekt. Voor iedere referentietechnologie is het rendement bekend waarmee de primaire energiedrager wordt omgezet in een secondaire energiedrager, oftewel de energieproducten elektriciteit, warmte en (verschillende soorten) brandstof. De referentietechnologieën en rendementen staan beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010. ]
In afwijking van artikel 1.1.5. is voor subsidie op grond van artikel 8.1.2 de netto-investering subsidiabel. De subsidiabele kosten van de investering zijn de kosten van de aanschaf van een duurzame kapitaalgoed als bedoeld in artikel 8.1.1. onder f, alsmede de kosten voor het installeren van het kapitaalgoed en eventuele engineerings- en voorbereidingskosten waarbij geldt dat de kosten voor het installeren, de engineerings- en voorbereidingskosten in totaal maximaal 10% van de subsidiabele kosten bedragen. Interne loonkosten van de aanvrager, leverancier of deelnemer zijn niet subsidiabel evenals kosten voor het aanvragen van vergunningen.
[Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag.
Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager.]
In aanvulling op artikel 1.2.1. overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame Energieopwekking en energiebesparing. Indien de opbrengsten van de investering niet opgegeven zijn, bepalen Gedeputeerde Staten de opbrengsten door gebruik te maken van de Tabel energieprijzen.
| Energieprijzen | Bedrag |
|---|---|
| Aardgas m3 (incl. 19% BTW) | € 0,60 |
| Elektriciteit kWh (incl. 19% BTW) | € 0,23 |
| Houtchips €/ton | € 40,00 |
| Biomassa gedroogd €/ton | € 80,00 |
| Houtpellets €/ton | € 170,00 |
| Groen gas m3 (geen SDE+) | € 0,30 |
| Groen gas m3 (SDE+) | € 0,62 |
Bij de aanvraag moeten de gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame energieopwekking en energiebesparing ingediend worden. Het betreft in ieder geval een projectplan met daarin opgenomen:
Ook moeten o.a. de volgende bijlagen meegestuurd worden:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
[Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling onder meer gebruik maken van externe advisering.
De subsidieaanvragen worden gerangschikt onder meer op basis van de verwachte hoeveelheid vermeden primaire energie in Gigajoule per te subsidiëren euro.
De bijdrage aan de doelen wordt beoordeeld op de bijdrage aan de vermindering van GJ fossiele brandstoffen ten opzichte van een opgave over de in het voorgaande jaar opgewekte en/of verbruikte energie op basis van fossiele brandstoffen, herhaalpotentieel voor het project en de kans dat dit wordt benut. Bij economisch risico kan worden gedacht aan de robuustheid van het perspectief van een technologie ten opzichte van de te verwachten kostprijsontwikkeling; de mate waarin het project leidt tot kostenbesparing ten opzichte van referentie technologie en de mate waarin marktverwachtingen realistisch zijn.]
| Vermeden primaire energie | GJ | GJ |
|---|---|---|
| Rapportcijfer | van | tot |
| 10 | 250.000 | >400.000 |
| 8 | 100.000 | 250.000 |
| 6 | 50.000 | 100.000 |
| 4 | 10.000 | 50.000 |
| 2 | 1.000 | 10.000 |
| 0 | 0 | 1.000 |
| Rapportcijfer Kosteneffectiviteit | GJ/€ van | GJ/€ tot |
|---|---|---|
| 10 | 2 | >4 |
| 8 | 1 | 2 |
| 6 | 0,5 | 1 |
| 4 | 0,1 | 0,5 |
| 2 | 0,01 | 0,1 |
| 0 | 0 | 0,01 |
| Rapportcijfer | Aantal activiteiten |
|---|---|
| 10 | 4 |
| 8 | 3 |
| 6 | 2 |
| 0 | 1 |
Bij de berekening van de hoeveelheid vermeden primaire energie wordt uitgegaan van een technische levensduur van 15 jaar.
Formule investeringen= toegekende rapportcijfer vermeden primaire energie*15 (30%) + toegekende rapportcijfer kosteneffectiviteit*15 (30%) + toegekende rapportcijfer de mate van slaagkans*10 (20%) + toegekende rapportcijfer praktische navolging *5 (10%) + toegekende cijfer de mate van combinatie subsidiabele activiteiten*5 (10%). De totale som wordt gedeeld door 50, zodat een cijfer tussen de 0 en 10 wordt verkregen.]
[Toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. ]
[Toelichting: Bij slaagkans valt te denken aan de helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. ]
[Toelichting: Bij praktische navolging gaat het om het inzicht in de ontwikkeling van de technologie nadat het project is afgerond waarbij ook niet-technologische aspecten een belangrijke rol spelen. ]
[Toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. ]
In aanvulling op artikel 1.3.1. weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als de aanvraag de volgende energiebesparende- en energieopwekkingsvoorzieningen betreft:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Duurzame energieopwekking en energiebesparing.
[Toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. ]
[Toelichting: De doorlooptijd van de projecten is gesteld op maximaal 3 jaar. Een verzoek tot uitstel zal worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid, en of de vertraging aan de aanvrager redelijkerwijs te verwijten is, dan wel voor zijn rekening dient te komen. ]
De subsidieontvanger dient de investeringen uiterlijk 3 jaar na datum van subsidieverlening gerealiseerd te hebben. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvrager, die hierom onder opgave van redenen verzoekt, uitstel van de hiervoor bedoelde termijnen verlenen van maximaal één jaar indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieaanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.
[Vervallen]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
[Toelichting: De subsidiebedragen voor de waterprestaties staan in de tabel. Voor prestaties die zijn opgenomen in een vastgesteld gebiedsprogramma en niet zijn opgenomen in de tabel bedraagt de subsidie maximaal 50% van de projectkosten tot een maximum van € 500.000,--, zoals opgenomen in het projectplan. Artikel 1.1.5 is hierbij onverlet van toepassing. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor prestaties die leiden tot een duurzame inrichting van en/of een verbeterde waterkwaliteit in het watersysteem in Overijssel en die zijn opgenomen in een gebieds-programma.
Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 8.5.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
De subsidie wordt geweigerd indien de prestatie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten is aan te merken als reguliere dan wel wettelijk voorgeschreven activiteit van de subsidieaanvrager.
| prestatie | indicator | subsidiebedrag |
|---|---|---|
| realisatie waterberging | m3 | € 1,60 |
| realisatie waternood | ha | € 600,-- |
| afkoppelen verhard oppervlak | ha | € 25.000,-- |
| saneren overstorten | aantal | € 75.000,-- |
| realisatie helofytenfilter | ha | € 17.500,-- |
| beek- en rivierherstel | km | € 60.000,-- |
| aankoppelen van Vecht-meanders | aantal | € 375.000,-- |
[vervallen van rechtswege]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,-- per aanvrager.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.3.1. wordt de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.9.2. sub a, geweigerd als het gaat om aanvragen die betreffen:
[Toelichting: Het programma Energiepact is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel de uitstoot van CO2 te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. MKB ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Een MKB-onderneming is een onderneming met onder andere de volgende kenmerken (niet uitputtend):
[Toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van uitgevoerde energiebesparende maatregelen die voortkomen uit de energieonderzoek die een MKB-onderneming heeft laten uitvoeren.
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/. ]
De subsidie bedraagt maximaal 25 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,-- per MKB-onderneming of non-profitorganisatie.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.3.1. wordt de subsidie geweigerd als:
[Toelichting: Deze subsidieregeling is gericht op het stimuleren van het gebruik van de hernieuwbare energiebronnen groengas en groene stroom als brandstof voor het verkeer. Verkeer zorgt naast klimaatverandering (uitstoot CO2) ook voor luchtvervuiling. Rijden op groengas en elektriciteit hebben de laagste milieubelasting. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de aanschaf of lease van een nieuw elektrisch voertuig, aardgasvoertuig of dual fuel voertuig.
Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:
k. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening;
l. Als de subsidie is ten behoeve van de aanschaf van een aardgasvoertuig dat geschikt is voor het rijden op LNG voor vracht, door ondernemingen die vrachtvervoer voor rekening van derden uitvoeren, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 19 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
[Toelichting: De hoogte van de subsidie is met uitzondering van het elektrisch voertuig afhankelijk van de voertuigcategorie. De voertuigcategorie is te vinden op het kentekenbewijs:
In afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid moet bij de aanvraag de volgende gegevens overlegd worden:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In aanvulling op artikel 1.3.1. weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als
[ingetrokken]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Van oudsher zijn er twee omvangrijke afzetmarkten voor biomassa: de voedselmarkt en de bestaande markt voor onder meer hout, olie, vezels, veevoer en compost. Hier komt een groeiende waardeketen bij, namelijk voor het gebruik van biomassa als groene materialen, als groene grondstof voor specifieke toepassingen in de chemie, als transportbrandstof en voor opwekking van duurzame energie. Biomassa inzetten voor duurzame energie is economisch gezien de meest laagwaardige toepassing, maar vanuit het oogpunt van benutting van de energie-inhoud is energieopwekking thans de meest toegepaste verwerking van biomassa. Voor energieopwekking zijn de meeste productiehoeveelheden biomassa beschikbaar.
De biomassaketen is een productketen en bestaat uit een aantal schakels die optimaal op elkaar afgestemd moeten worden.
Biomassa kan tot waarde worden gebracht door het opzetten van een biomassaketen. Daarom spreek je ook van een biomassawaardeketen.
De economische waarde binnen de keten neemt met elke schakel toe. Bijvoorbeeld gestapelde en gedroogde biomassa, en op maat verkleinde biomassa, heeft toenemend meer waarde voor de handel of de verwerker, dan verspreid liggende biomassa die nog ingezameld en voorbewerkt moet worden.
Projecten worden opgezet met het doel om samenwerking in de biomassaketen te bevorderen. Er is nu nog weinig of geen samenwerking is in de waardeketen en biomassa daarom niet geoogst, verhandeld en ingezet wordt. Er is dringend behoefte aan het verbindingen maken tussen de schakels van de biomassaketen, opdat er een volwaardige markt voor biomassa tot stand komt. Het sluiten van ketens vergt een nauwe samenwerking tussen partijen, een sterke logistieke organisatie, en een rendabele manier van (her)gebruik van reststromen.]
[Toelichting: Deze regeling is bedoeld om ketenprocessen bij biomassaprojecten te optimaliseren. Onderdelen van een biomassaproject zijn stappen als inzameling, voorbewerking, tussenopslag, transport en bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of brandstoffen naar een eindafnemer. Daar hoort ook bij het oogsten, eventueel voorbewerken (om kwaliteit te leveren) en tussenopslag (massa, continuïteit). ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor logistieke biomassaprojecten.
De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.13.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000 per aanvraag.
In aanvulling op artikel 1.1.5 eerste en vierde lid geldt dat de loonkosten subsidiabel zijn tot een maximum van 50% van de subsidiabele kosten.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de aanvraag de volgende voorzieningen betreft:
De subsidieontvanger realiseert de activiteit uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvrager, die hierom onder opgave van redenen verzoekt, uitstel van de hiervoor bedoelde termijn verlenen van maximaal één jaar indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieaanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.
[Toelichting: Op grond van deze regeling kan een MKB onderneming een MKB energielening aanvragen. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Er volgt een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen, met uitzondering van windturbines. Omschrijving van de investering is te vinden in de energielijst 2012 van Agentschap NL. Voor de bepaling van generieke voorzieningen wordt dezelfde berekeningswijze toegepast als door AgentschapNL.
| Generiek | nummer |
|---|---|
| Technische voorzieningen voor energiebsparing in of nabij bestaande bedrijfsgebouwen | |
| Technische voorzieningen voor energiebsparing in of bij nieuwe bedrijfsgebouwen | |
| • Energielabel verbeteren | |
| Energieprestatieverbetering van bestaande bedrijfsgebouwen | 210000 |
| • Verwarmen | |
| HR- luchtverwarmer | 210102 |
| Steunventilator | 210103 |
| Direct gasgestookt stralingspaneel | 210106 |
| Direct gasgestookte condenserende boiler | 210107 |
| Warmtepompboiler | 211102 |
| Warmtepomp | 211103 |
| Warmtepomp (luchtgerelateerd) | 211104 |
| • Koelen/vriezen | |
| Warmtewisselaar voor vrije koeling | 210206 |
| Adiabatische indirect werkende dauwpuntsluchtkoeler | 210207 |
| • Ventileren | |
| Debietregeling ventilator | 210301 |
| Luchtdicht luchtverdeelsysteem | 210302 |
| Ethyleenmeter | 210303 |
| Koude- of warmteterugwinningssysteem uit ventilatielucht | 210801 |
| Systeem bij radiatoren voor koude- of warmteterugwinning uit ventilatielucht | 210802 |
| • Isoleren/afschermen | |
| HR-glas | 210401 |
| Isolatie voor bestaande constructies | 210403 |
| Isolatie van koel- of vriesruimten | 210404 |
| Faseovergangsmateriaal. | 210405 |
| • Verlichten | |
| Energie-efficiënt verlichtingssysteem | 210501 |
| Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of spiegelende kokers | 210505 |
| LED-verlichtingssysteem | 210506 |
| Vluchtwegsignalering | 210507 |
| LED-belichtingssysteem | 210508 |
| • Aandrijven | |
| HR-elektromotor | 210601 |
| Energieprestatieverbetering van bestaande liften | 210602 |
| • Drogen/bevochtiger | |
| Absorptiedroging | 210704 |
| Luchtontvochtiger met tussengeschakelde warmtewisselaar | 210705 |
| Bevochtigingsrotor | 210706 |
| • Energiehergebruik | |
| Systeem voor benutting van afvalwarmte | 210803 |
| Afvalwaterwarmtewisselaar | 210804 |
| • Beheer/regelen | |
| Besparingssysteem voor verlichting of klimaat | 210502 |
| Energiezuinig afzuigsysteem | 210905 |
| • Utilities | |
| Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor | 231001 |
| Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor | 231002 |
| • Conversie- | |
| Brandstofcelsysteem | 231101 |
| • Energiebesparing in de keten | |
| Systeem voor benutting van afvalwarmte | 210803 |
| • Overig | |
| HR-pomp | 211001 |
| Generiek | nummer |
|---|---|
| • Technische voorzieningen voor energiebesparing bij bestaande processen | 320000 |
| • Technische voorzieningen voor energiebesparing bij nieuwe processen | 420000 |
| Specifieke bedrijfsmiddelen | |
| • Verwarmen | |
| Gasgestookt HR-frituurtoestel | 220101 |
| Gasgestookte (stoom)convectieoven | 220102 |
| Laaghangend verwarmingssysteem voor bestaande pluimveestallen. | 220103 |
| Lage temperatuur luchtverwarmer in tuinbouwkassen | 220105 |
| Warmtewisselaar met helixwerking of schotten van strekmetaal | 220109 |
| Gasgestookt heetwatertoestel voor (vaat)spoelmachines of (vaat)wasmachines | 220112 |
| Pulserend brandersysteem voor keramiekovens | 220113 |
| Direct gasgestookte condenserende boiler | 220114 |
| Warmtepomp | 221103 |
| • Koelen/vriezen | |
| Permanente dagafdekking voor koelmeubel | 220208 |
| Energiezuinige koel- en/of vriesinstallatie | 220212 |
| Heetgasontdooisysteem | 220213 |
| Ontdooikap | 220214 |
| Energiezuinige professionele koel- of vrieskast | 220215 |
| Melkvoorkoeler | 220216 |
| Anticondensfolie of anticondensglas voor vrieskast | 220217 |
| Hogedrukverneveling in tuinbouwkassen | 220218 |
| Energiezuinige koeling van bestaande datacenters en bestaande serverruimten | 220219 |
| • Ventileren | |
| Debietregeling ventilator in tuinbouwkassen | 220301 |
| Injectiebeluchting voor tuinbouwkassen | 220304 |
| Luchtcirculatiesysteem in tuinbouwkassen | 220305 |
| Luchtionisatie-apparaat in rijpings- of bewerkingsruimte voor kaas | 220306 |
| Gelijkstroomventilator | 220604 |
| • Isoleren/afschermen | |
| Cellensluis of pendelsluis | 220401 |
| Kasdek of kasgevel | 220402 |
| Horizontale energieschermen | 220403 |
| Gevelschermen | 220404 |
| Buitenschermen | 220405 |
| Mangelkappen voor bestaande mangels | 220406 |
| Isolatie van gevels van bestaande tuinbouwkassen | 220407 |
| • Belichten | |
| LED-belichtingssysteem voor tuinbouwgewassen | 220503 |
| • Aandrijven | |
| HR-elektromotor | 220602 |
| • Drogen/bevochtigen | |
| Gasverwarmde wasdroger | 220701 |
| Gasgestookte infraroodpanelen voor droging van oppervlakken | 220703 |
| Lakdroger met UV-A lichtarmaturen | 220704 |
| Absorptiedroging | 220705 |
| Gasgestookte droogtunnel voor zeefdruk | 220712 |
| Stoomdroger | 220713 |
| Hogedrukontwateringspers voor natwasserijen | 220714 |
| Luchtontvochtiger met tussengeschakelde warmtewisselaar | 220715 |
| Mangel met directe gasverwarming van de rol. | 220716 |
| • Energiehergebruik | |
| Systeem voor verwarming van (semi-)gesloten tuinbouwkassen | 220801 |
| Condenserende warmtewisselaar voor stoomketels of productie- of droogprocessen | 220802 |
| Grondstoffenvoorverwarmingsinstallatie | 220806 |
| Dampstoomsysteem voor natwasserijen | 220807 |
| Warmteterugwinning bij (vaat)spoel- of (vaat)wasmachines of wasdrogers | 220809 |
| Afvalwaterwarmtewisselaar | 220810 |
| Warmteterugwinningssysteem op koel- of persluchtinstallaties | 220813 |
| Systeem voor benutting van afvalwarmte | 220814 |
| Organic Rankine Cycle of Kalinacyclus | 221102 |
| Teruglevervoorziening remenergie bij productie-installaties | 220603 |
| • Beheer/regelen | |
| Uitschakelapparaat | 220902 |
| Verbeterde branderregeling bij asfaltproductie | 220907 |
| Energiezuinige klimaatregeling in tuinbouwkassen | 220909 |
| Inblaasvochtregeling t.b.v. teeltcel voor paddenstoelen | 220910 |
| Condensatoren | 220911 |
| Energiezuinige UPS | 220912 |
| • Utilities | |
| Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor | 231002 |
| Systeem voor hergebruik van perslucht | 220815 |
| • Conversie | |
| Gasexpansie- installatie | 221101 |
| Afvalgestookte installatie | 221104 |
| Brandstofcelsysteem | 231101 |
| • Energiebesparing in de keten | |
| Systeem voor benutting van afvalwarmte | 220814 |
| Transportleiding voor levering van gasvormig CO2 aan glastuinbouwbedrijven | 221005 |
| Afvalgestookte installatie | 221104 |
| Transportpannen voor vervoer van vloeibaar aluminium | 221218 |
| • Overig | |
| Zelfreinigende warmtewisselaar | 221206 |
| Rookgasreiniging voor CO2-bemesting | 221213 |
| Gasgestookte hogedrukreiniger | 221215 |
| Lijmopbrengsysteem bij golfkartonfabricage | 221216 |
| Schuimbitumeninstallatie | 221217 |
| Dynamisch vulsysteem voor spuitgietmatrijzen | 221219 |
| Nummer | |
|---|---|
| Zonnecollectorsysteem | 250101 |
| Aardwarmtewinningssysteem | 250102 |
| Ketel gestookt met biomassa | 251105 |
| Aerobe biomassa-reactor | 251111 |
| Warmte- of koudeopslag in de bodem (aquifer) | 251201 |
| Grondwarmtewisselaar | 251202 |
| Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem | 251102 |
| Windturbine | 251103 |
| Waterkrachtinstallatie | 251108 |
| Zoet-zoutwater centrale | 251109 |
| Organic Rankine Cycle of Kalinacyclus | 251110 |
| Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor, gestookt met biomassa | 251106 |
| Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor, gestookt met biomassa | 251107 |
| Vergistingsinstallatie voor droge biomassa | 251112 |
| Biogasopwaardeerinstallatie | 251203 |
| Biobrandstof productieinstallatie | 251205 |
| Netwerk voor groen gas | |
| Biogasopwaardeerinstallatie | 251203] |
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken in de vorm van een rentekorting ten behoeve van energiemaatregelen.
Een aanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Nieuwe gebouwen dienen te voldoen aan de eisen vanuit het bouwbesluit. Om te voorkomen dat de energielening wordt gebruikt voor deze verplichte maatregelen is de leeftijdsgrens ingesteld. ]
De rentekorting bedraagt maximaal 3% en is gebaseerd op de geldende vijfjaars marktrente dat geldt op het moment dat de aanvraag voor de energielening is ontvangen door SVn.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de maximale leenruimte vast.
In afwijking van artikel 1.3.1. weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien:
In afwijking van artikel 1.3.3 eerste lid, wordt de rentekorting via de lening bij SVn verrekend.
[ingetrokken]
[Toelichting: Een particuliere woningeigenaar met een woning die gevestigd is in Overijssel kan een duurzaamheidpremie aanvragen.
Een duurzaamheidpremie kan aangevraagd worden voor de volgende isolatiemaatregelen aan een bestaande woning: dak-, gevel-, vloerisolatie of isolatieglas. De isolatiemaatregelen moeten aan een aantal kwaliteit-en kwantiteitseisen voldoen. Welke eisen dit zijn, is weergegeven in bijlage 1 onder tabel 1a en 1b.
Een particuliere woningeigenaar kan maar één keer een duurzaamheidpremie ontvangen. De aanvrager moet daarom vooraf goed nagaan voor welke duurzaamheidpremie een aanvraag wordt gedaan. Stel dat de aanvrager eerst voor één isolatiemaatregel een duurzaamheidpremie ontvangt van € 300,-- en na enige tijd besluit een tweede isoaltiemaatregel te realiseren, dan wordt de tweede aanvraag voor een duurzaamheidpremie afgewezen.
Een particuliere woningeigenaar moet eerst via stichting Meer met Minder een premiereservering aanvragen. Na aanvraag van de premiereservering kan de particuliere woningeigenaar aan de slag met het realiseren van de isolatiemaatregel. De uitvoering van de maatregelen mag niet gestart zijn voordat de premiereservering is aangevraagd. De isolatiemaatregelen moeten zijn gerealiseerd en de kosten moeten zijn gemaakt en betaald binnen 26 weken na datum van de premiereservering. Dan kan pas de aanvraag voor de duurzaamheidpremie ingediend worden bij stichting Meer Met Minder.
De aanvraag voor de duurzaamheidpremie wordt ingediend met het daarvoor bestemde aanvraagformulier. De aanvrager moet bij zijn aanvraag een factuur meesturen. Uit de factuur moet blijken dat de aanvrager de kosten voor de realisatie van de isolatiemaatregel(en) gemaakt heeft. Daarnaast moet de aanvrager een bankafschrift meesturen waaruit blijkt dat de factuur is betaald.
Als de aanvrager gebruik wil maken van de burenpremie van € 300,-- dan moet er een gezamenlijke aanvraag ingediend worden. De initiatiefnemende aanvrager vermeldt in het aanvraagformulier dat hij/zij een gezamenlijke aanvraag doet en vermeldt tevens de naam en adresgegevens van de andere twee aanvragers. De andere twee aanvragers moeten uit hetzelfde postcodegebied of één of meer postcodegebieden die direct grenzen aan het postcodegebied van de initiatiefnemende aanvrager, postcode 5-niveau, komen.
Aan de hand van de postcodes wordt bepaald of de aanvragers in aanmerking komen voor de burenpremie. Binnen 14 dagen nadat de initiatiefnemende aanvrager de premiereservering heeft gedaan moeten de andere twee aanvragers de premiereservering ook aangevraagd hebben, anders vervalt de premiereservering voor de burenpremie.
Informatie over deze regeling wordt gegeven door het gemeentelijk energieloket of stichting Meer Met Minder.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen:
[Toelichting: Tabellen
| Type isolatie | Kwaliteitseis |
|---|---|
| Dakisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Gevelisolatie | Rd groter of gelijk aan 1,30 m2K/W, voor spouwmuurisolatie Rd-waarde groter of gelijk aan 1,30 m2K/W |
| Vloerisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Isolatieglas | Uglas kleiner of gelijk aan 1,60 W/m2.K(6) |
Toelichting op de begrippen:
Rd-waarde: de warmteweerstand van een materiaal (aanduiding voor isolatiemateriaal)
U-waarde: de warmtetransmissiecoëfficiënt van een materiaal oftewel het warmteverlies door een constructiedeel (aanduiding voor transparante materialen, voor glas is Ugl gebruikelijk)
| Vrijstaand | Twee onder één kap | Rijwoning-hoek | Rijwoning-tussen | Appartement | |
|---|---|---|---|---|---|
| Dakisolatie | opp. groter of gelijk aan 35 m2 | opp. groter of gelijk aan 30 m2 | opp. groter of gelijk aan 30 m2 | opp. groter of gelijk aan 25 m2 | opp. groter of gelijk aan 25 m2 |
| Gevelisolatie | opp. groter of gelijk aan 60 m2 | opp. groter of gelijk aan 50 m2 | opp. groter of gelijk aan 30 m2 | opp. groter of gelijk aan 15 m2 | opp. groter of gelijk aan 15 m2 |
| Vloerisolatie | opp. groter of gelijk aan 35 m2 | opp. groter of gelijk aan 28 m2 | opp. groter of gelijk aan 25 m2 | opp. groter of gelijk aan 25 m2 | opp.groter of gelijk aan 25 m2 |
| Isolatieglas | opp. groter of gelijk aan 12 m2 | opp. groter of gelijk aan 12 m2 | opp. groter of gelijk aan 10 m2 | opp. groter of gelijk aan 8 m2 | opp. groter of gelijk aan 8 m2] |
In afwijking van artikel 1.2.2. wordt een aanvraag binnen 26 weken na premiereservering ingediend en ontvangen.
Tevens geldt bij een gezamenlijke aanvraag dat binnen 2 weken na de aanvraag van de initiatiefnemende aanvrager de andere twee aanvragers de aanvraag ook ingediend moeten hebben.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:
[Toelichting: Particuliere woningeigenaren kunnen een duurzaamheidlening met rentekorting van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ontvangen. Deze regeling richt zich uitsluitend op het verstrekken van de rentekorting. Een aanvraag voor een duurzaamheidlening met rentekorting wordt aangevraagd bij Stichting Meer Met Minder. De duurzaamheidlening wordt verstrekt door SVn.
Eerst wordt bepaald of de energiemaatregel(en) waarvoor de duurzaamheidlening aangevraagd wordt in aanmerking komt voor de rentekorting van maximaal 3%.
Als dat zo is dan ontvangt de aanvrager een beschikking van Meer Met Minder, waarin staat dat de subsidie in de vorm van een rentekorting wordt verstrekt. De rentekorting wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde, dat de aanvrager een SVn duurzaamheidlening verkrijgt. De aanvrager ontvangt met de verleningsbeschikking tevens het aanvraagformulier om de duurzaamheidlening bij SVn aan te kunnen vragen. SVn ontvang een kopie van de verleningsbeschikking en zorgt voor de verder afwikkeling van de duurzaamheidlening en de betaling.
Een overzicht van de energiemaatregelen die in aanmerking komen zijn weegegeven in tabel 1 energiemaatregelen duurzaamheidlening.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie in de vorm van een rentekorting op een duurzaamheidlening verstrekken.
Een aanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
De rentekorting bedraagt maximaal 3% en wordt in mindering gebracht op het 10- of 15 jaars rentetarief, zoals op het moment van toekennen van de Duurzaamheidlening door SVn wordt gepubliceerd, met een minimum van 0,5%.
Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn voor een duurzaamheidlening alleen de volgende kosten derden subsidiabel:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:
Indien de subsidieontvanger PV-panelen of zonnecollectoren gaat realiseren, moeten de:
Tabel
| Maatregelen | Kwalitatieve criteria |
|---|---|
| Dakisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Gevelisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Spouwmuurisolatie | Rd groter of gelijk aan 1,30 m2K/W |
| Vloerisolatie | Rdgroter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Isolatieglas | Uglas kleiner of gelijk aan 1,60 W/m2.K |
| Isolatiekozijn | Uraam kleiner of gelijk aan 1,70 W/m2.K |
| Warmtepomp bron bodem | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 4 |
| Warmtepomp bron lucht | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 3 |
| Warmtepompboiler/Combiwarmtepomp (tap) | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 3 |
| Pelletketel/pelletkachel/HR houtkachel | geen |
| Micro-WKK/Hre-ketel | geen |
| WTW voor ventilatie | geen |
| PV-cellen/Zonecollectoren | geen |
| LTV (laag temperatuur verwarming) | geen |
| Douchewater WTW | geen |
| Vraag-/Druk-/CO2gestuurde ventilatieroosters | geen |
| Groene dak/gevels | geworteld in de constructie(gevel/dak) |
[Toelichting: Een Vereniging van Eigenaren (VvE) die een wooncomplex bezit, gevestigd in Overijssel, kan een duurzaamheidpremie aanvragen.
De volgende isolatiemaatregelen aan een bestaand VvE wooncomplex komen in aanmerking voor een duurzaamheidpremie: dak-, gevel-, vloerisolatie of isolatieglas. De isolatiemaatregelen moeten aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. Welke eisen dit zijn, is weergegeven in tabel 1.
De regeling gaat ervan uit dat premie voor dak-, gevel- en vloerisolatie in alle gevallen alleen kan worden aangevraagd door de VvE als rechtspersoon en niet door de individuele appartementseigenaren. Het onderhoud aan de beglazing (en kozijnen) kan daarentegen wel de individuele verantwoordelijkheid zijn van de appartementseigenaar. Dit vloeit voort uit de splitsingsakte van de VvE. Binnen de VvE waar beglazing de individuele verantwoordelijkheid is van de appartementseigenaar, moet de betreffende appartementseigenaar voor het deel isolatieglas worden gezien in de rol van particuliere woningeigenaar. Paragraaf 8.16 is dan van toepassing.
Een VvE kan maar één keer een duurzaamheidpremie ontvangen. De VvE als aanvrager moet daarom vooraf goed nagaan voor welke duurzaamheidpremie een aanvraag wordt gedaan. Stel dat de aanvrager eerst voor één isolatiemaatregel een duurzaamheidpremie ontvangt en na enige tijd besluit een tweede isolatiemaatregel te realiseren, dan wordt de tweede aanvraag voor een duurzaamheidpremie afgewezen.
De aanvraag voor de duurzaamheidpremie wordt ingediend met het daarvoor bestemde aanvraagformulier bij stichting Meer Met Minder.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een duurzaamheidpremie verstrekken voor het realiseren van isolatiemaatregelen.
| Type isolatie | Kwaliteitseis |
|---|---|
| Dakisolatie | Rd-waarde groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Gevelisolatie | Rd-waarde groter of gelijk aan 1,30 m2K/W, voor spouwmuurisolatie Rd-waarde groter of gelijk aan 1,30 m2K/W |
| Vloerisolatie | Rd-waarde groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Isolatieglas | U-waarde kleiner of gelijk aan 1,60 W/m2.K(6) |
[Toelichting: Rd-waarde: de warmteweerstand van een materiaal (aanduiding voor isolatiemateriaal)
U-waarde: de warmtetransmissiecoëfficiënt van een materiaal oftewel het warmteverlies door een constructiedeel (aanduiding voor transparante materialen, voor glas is Ugl gebruikelijk)]
[Toelichting: Dit artikel vormt de grondslag voor de duurzaamheidpremie. Een VvE ontvangt een duurzaamheidpremie voor maximaal twee maatregelen. De hoogte van de duurzaamheidpremie wordt bepaald op basis van de hoogte van de kosten derden; artikel 1.1.5 vierde lid geeft een omschrijving van kosten derden. ]
De duurzaamheidpremie bedraagt:
Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn alleen kosten derden subsidiabel.
In afwijking van artikel 1.2.2 wordt een aanvraag voor 1 juli 2014 ingediend.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:
In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 wordt de isolatiemaatregel gerealiseerd binnen 52 weken na datum beschikking tot verlening van de duurzaamheidpremie.
In aanvulling op artikel 1.5.2 en artikel 1.5.3 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de duurzaamheidpremie een factuur en een betalingsbewijs, waaruit blijkt dat de subsidiabele kosten gemaakt en betaald zijn binnen de projectperiode.
[Toelichting: Een Vereniging van Eigenaren (VvE) kan een duurzaamheidlening met rentekorting van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ontvangen. Deze regeling richt zich uitsluitend op het verstrekken van de rentekorting. Een aanvraag voor een duurzaamheidlening met rentekorting wordt aangevraagd bij Stichting Meer Met Minder. De duurzaamheidlening wordt aangevraagd bij SVn. Bij positieve beoordeling door SVn onder andere op basis van een kredietbeoordeling wordt een offerte uitgebracht door SVn.
Eerst wordt bepaald of de energiemaatregel(en) waarvoor de duurzaamheidlening aangevraagd wordt in aanmerking komt voor de rentekorting van maximaal 3%.
Als dat zo is dan ontvangt de aanvrager een beschikking van Meer Met Minder, waarin staat dat de subsidie in de vorm van een rentekorting wordt verstrekt. De rentekorting wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde, dat de aanvrager een SVn duurzaamheidlening verkrijgt. De aanvrager ontvangt met de verleningsbeschikking tevens het aanvraagformulier om de duurzaamheidlening bij SVn aan te kunnen vragen. SVn ontvang een kopie van de verleningsbeschikking en zorgt voor de verdere afwikkeling van de duurzaamheidlening en de betaling.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie in de vorm van een rentekorting op een duurzaamheidlening verstrekken, waarbij geldt dat PV-panelen en zonnecollectoren alleen subsidiabel zijn indien ze gecombineerd worden met ten minste één andere maatregel uit tabel 1.
Een aanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Een overzicht van de energiemaatregelen die in aanmerking komen is weergegeven in tabel 1 energiemaatregelen duurzaamheidlening.
| Maatregelen | Kwalitatieve criteria |
|---|---|
| Dakisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Gevelisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Spouwmuurisolatie | Rd groter of gelijk aan 1,30 m2K/W |
| Vloerisolatie | Rd groter of gelijk aan 2,50 m2K/W |
| Isolatieglas | Uglas kleiner of gelijk aan 1,60 W/m2.K |
| Isolatiekozijn | Uraam kleiner of gelijk aan 1,70 W/m2.K |
| Warmtepomp bron bodem | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 4 |
| Warmtepomp bron lucht | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 3 |
| Warmtepompboiler/Combiwarmtepomp (tap) | COP(bij 7/45°C) groter of gelijk aan 3 |
| Pellet ketel/kachel | geen |
| Micro-WKK/Hre-ketel | geen |
| WTW voor ventilatie | geen |
| PV-cellen/Zonnecollectoren | geen |
| LTV (laag temperatuur verwarming) | geen |
| Douchewater WTW | geen |
| Vraag-/Druk-/CO2gestuurde ventilatieroosters | geen |
| Groene dak/gevels | geworteld in de constructie (gevel/dak)] |
De rentekorting bedraagt maximaal 3% en wordt in mindering gebracht op het 10- of 15 jaars rentetarief, zoals op het moment van toekennen van de Duurzaamheidlening door SVn wordt gepubliceerd, met een minimum van 0,5%.
Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn alleen de afsluitkosten duurzaamheidlening en de aanschaf-, installatie- of montagekosten die op basis van een factuur betaald worden aan derden subsidiabel.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de maximale leenruimte vast.
In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als:
Indien de subsidieontvanger PV-panelen of zonnecollectoren gaat realiseren:
In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 wordt de isolatiemaatregel gerealiseerd binnen 52 weken na datum beschikking tot verlening van de subsidie.
In aanvulling op artikel 1.5.2 en artikel 1.5.3 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een factuur en een betalingsbewijs, waaruit blijkt dat de subsidiabele kosten gemaakt en betaald zijn binnen de projectperiode.
[Toelichting: In dit artikel wordt in het eerste lid een aantal begrippen verduidelijkt die in deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.
Ad f
Onder andere biomassa wordt in het kader van deze subsidie-paragraaf als hernieuwbare energiebron aangemerkt.
De AGV stelt geen eisen aan energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Om die reden is er in deze subsidie-paragraaf voor gekozen om alleen steun te verlenen aan het gebruik van energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Steun voor de productie van biobrandstoffen valt niet onder de onderhavige subsidie-paragraaf.
Biobrandstoffen zijn vloeibare of gasvormige producten die gewonnen worden uit plantaardig of dierlijk materiaal (biomassa) en worden gebruikt om energie op te wekken of als brandstof te dienen. Er bestaan al drie generaties biomassa. Tot biomassa van de eerste generatie worden voedselgewassen gerekend, zoals maïs, koolzaad, oliepalm, soja, suikerbiet, suikerriet en ook graan. Biomassa die niet aan voedsel zijn gerelateerd worden meestal de tweede generatie genoemd. Voorbeelden hiervan zijn houtsnippers, stro, de oneetbare gedeelten van voedselgewassen, dierlijk vet, gebruikt frituurvet en afval. Onder de derde generatie biomassa wordt in Nederland vooral algen verstaan. Algen worden overigens als bron voor biomassa niet op de markt verwacht voor het jaar 2020.
Ad r:
Naar verwachting levert de realisatie van een energieproject een aantal nieuwe arbeidsplaatsen op of kunnen als gevolg van het energieproject nieuwe arbeidsplaatsen worden behouden. De provincie wil daarin inzicht hebben.
Ad sub kk:
De subsidie-aanvrager moet in het projectplan aangeven wat de effecten zijn ten aanzien van energiebesparing dan wel toename van hernieuwbare energie. Indien de subsidie-aanvrager een grote onderneming is, moet zij, naast het voorgaande, aantonen dat dat de subsidie een stimulerend effect op het energieproject heeft. Hierbij moet aan één of meer van de volgende criteria worden/zijn voldaan:
- een wezenlijke toename van de omvang van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;
- een wezenlijke toename van de reikwijdte van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;
- een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidie-ontvanger voor het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie;
- een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken energieproject of de activiteit wordt voltooid
Een eenvoudige verklaring van grote ondernemingen dat de subsidie de reikwijdte en omvang van het project vergroot volstaat niet om een stimulerend effect aan te tonen. Grote ondernemingen moeten de levensvatbaarheid van het project aan de hand van een vergelijking tussen scenario's met en zonder subsidie aantonen en daaruit moet blijken dat aan één of meer van de voorgaande criteria is voldaan. Gedeputeerde Staten zullen de analyse van de grote onderneming en de door haar verstrekte bewijsstukken op hun geloofwaardigheid toetsen.]
[Toelichting: In het tweede lid is aangegeven dat het verstrekken van subsidie voor bepaalde vormen van activiteiten dan wel bepaalde sectoren niet toegestaan is. Deze uitsluitingsgronden, met uitzondering van sub f (wind- en kernenergie), vloeien voort uit artikel 1, lid 2, lid 3, sub a, b en d, en lid 6, c, van de AGV. Om te bepalen of er sprake is van één van deze vormen van steun, dient dan ook acht te worden geslagen op het bepaalde in genoemd artikel uit de AGV, waarbij ook de definities van bepaalde begrippen in dat artikel in de AGV zijn opgenomen. Subsidiëring voor wind-en kernenergie acht de provincie Overijssel niet wenselijk in het kader van de uitvoering van het Ubs. ]
[Toelichting: In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten de uitvoering van deze paragraaf hebben gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. Provinciale Staten van de Provincie Overijssel hebben op 21 september 2011 (PS 2011/461) besloten tot uitwerking van een fonds genaamd "Energiefonds Overijssel". Het Energiefonds Overijssel biedt ondernemers en woningcorporaties de mogelijkheid om hun projecten op het gebied van energiebesparing en het produceren van nieuwe energie te financieren. Niet op de traditionele manier met subsidies maar door participaties, leningen en garanties. Het Energiefonds Overijssel kent een totale omvang van maximaal door de Provincie Overijssel ter beschikking gestelde financiële middelen van 250 miljoen EURO; Voor de uitvoering van de activiteiten van het Energiefonds Overijssel heeft de provincie Overijssel de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel I B.V. opgericht, welke vennootschap op haar beurt Energiefonds Overijssel II B.V. heeft opgericht. De besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. is namens het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel op basis van het GS-mandaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze paragraaf. Energiefonds Overijssel I B.V. houdt zich bezig met particpaties. ]
[Toelichting: 25 Overijsselse woningcorporaties en de provincie Overijssel hebben op 28 juni 2012 het Convenant Energiebesparing Woningcorporaties Overijssel ondertekend. Deze corporaties vertegenwoordigen 90% van de sociale huurwoningvoorraad in Overijssel. In Overijssel zijn 35 woningcorporaties actief die in totaal 135.000 sociale huurwoningen bezitten. Dat is 1/3 deel van de woningvoorraad in Overijssel. 110.000 sociale huurwoningen hebben energielabel C of lager. Woningcorporaties die het Convenant Energiebesparing Woningcorporaties Overijssel hebben ondertekend kunnen een beroep doen op de onderhavige subsidieparagraaf. In het kader van de uitvoering van deze subsidieparagraaf gaat het daarbij om woningcorporaties die het Convenant op 28 juni 2012 hebben getekend, alsmede om woningcorporaties die op een later moment het Convenant alsnog hebben getekend. In deze subsidieparagraaf is aangesloten bij de afspraken voortvloeiend uit voormeld Convenant.
Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de AGV. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.]
Een aanvraag voor een geldlening moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Onder bestaande woningen in het kader van deze paragraaf worden woningen verstaan die op peildatum 1 januari 2012 waren opgericht. ]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd. ]
[Toelichting: Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst mogelijk met name met het oog op subsidies die worden verleend in de vorm van een garantie of een lening. In sub d van dit artikel is in overeenstemming met artikel 4:33 sub a van de Awb het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen. In artikel 8.20.1.12, eerste lid, is opgenomen dat de uitvoeringsovereenkomst uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie wordt aangegaan. In artikel 8.20.1.11 zijn de belangrijkste uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen. ]
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de woningcorporaties. De steun die de woningcorporaties per project genieten mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages ten aanzien van hernieuwbare energie zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. De steunpercentages ten aanzien van energiebesparingsmaatregelen zijn gebaseerd op artikel 21, lid 4, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub b, van de AGV.
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een woningcorporatie dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de woningcorporatie, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening
(zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de woningcorporatie en de door de woningcorporatie verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente, die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
Voor zover voor dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten steun is verleend die afkomstig is van andere bronnen (zie hiervoor), dient deze te worden meegeteld om te bepalen of het maximum steunpercentage en steunplafond niet wordt overschreden.]
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de woningcorporaties. De steun die de woningcorporaties per project genieten mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages ten aanzien van hernieuwbare energie zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. De steunpercentages ten aanzien van energiebesparingsmaatregelen zijn gebaseerd op artikel 21, lid 4, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub b, van de AGV.
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een woningcorporatie dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de woningcorporatie, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening
(zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de woningcorporatie en de door de woningcorporatie verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente, die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
Voor zover voor dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten steun is verleend die afkomstig is van andere bronnen (zie hiervoor), dient deze te worden meegeteld om te bepalen of het maximum steunpercentage en steunplafond niet wordt overschreden.]
[Toelichting: Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.
Op grond van de artikelen 21 en 23 jo. artikel 18, leden 6 en 7, van de AGV, zijn alleen de investeringen in immateriële en/of materiële activa subsidiabel. Dat betekent dat de administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject en de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van subsidie voor het energieproject niet subsidiabel zijn.]
[Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 eerste lid kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Artikel 1.2.2 tweede lid ziet op jaarlijkse subsidies. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.
De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.]
[Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:
- vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;
- meerjarige investeringsbegroting;
- meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet.]
Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast per woningcorporatie.
[Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 8.20.1.7 geeft deze wettelijke grondslag.
De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
Als de onderhavige subsidieregeling, in 2013, voor het eerst zal worden opengesteld, zal het plafond voor het eerste subsidietijdvak per woningcorporatie worden gekoppeld aan het percentage woningen dat de woningcorporatie in eigendom heeft binnen de provincie Overijssel. Bij de bekendmaking van het plafond zal per woningcorporatie het plafond worden bekendgemaakt. Omdat sprake is van een plafond per woningcorporatie, is het niet noodzakelijk om in deze paragraaf bepalingen op te nemen over de volgorde van behandeling van de aanvragen. Uiteraard dienen aanvragen wel volledig te zijn om in behandeling te kunnen worden genomen. Indien een aanvraag niet volledig is, zal de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid worden gesteld om de aanvraag aan te vullen. Als de aanvrager van die gelegenheid geen gebruik maakt, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten.
In het opvolgende subsidietijdvak zal niet langer per woningcorporatie een subsidieplafond worden vastgesteld, maar zal één subsidieplafond worden vastgesteld. In dat geval is het noodzakelijk om een verdelingsmechanisme op te nemen in de onderhavige subsidieregeling. Daarbij denkt de provincie Overijssel op dit moment aan een tendersysteem, waarbij een indiening in een tijdvak van twee maanden zal worden gehanteerd. Daarbij zullen aanvragen die op dezelfde datum worden ontvangen onderling worden gerangschikt op basis van de hoogst verwachte energiebesparing dan wel een toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.]
Een subsidieaanvraag wordt, nadat de aanvraag volledig is, om advies voorgelegd aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.
[Toelichting: GS hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf. ]
[Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.3.1. De weigeringsgronden in artikel 1.3.1 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 8.20.1.9 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen.
De afwijzingsgronden in sub c-h vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGV: sub c is gebaseerd op de artikelen 21 en 23 van de AGV; sub d is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen; sub e is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub a, van de AGV; sub f is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV; sub g is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, van de AGV; sub h is gebaseerd op artikel 8, derde lid, van de AGV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a-b en i opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel. Voor de onder lid 2 sub b genoemde weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is.]
In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening.
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. ]
[Toelichting: Zie toelichting 8.20.1.2 sub d over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.
Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.]
[Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 8.20.1.12 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd. ]
[Toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen. ]
[Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze subsidieparagraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen. Onder meer mogen op grond van deze regelgeving geen achtergestelde leningen worden verstrekt. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 8.20.1.2 sub c, tweede zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 8.20.1.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie c.q. energiebesparingsmaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 8.20.1.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels. ]
De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:
In afwijking van artikel 1.3.3 tweede of derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.
[Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.3. tweede of derde lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag. ]
[Toelichting: Deze subsidieparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie aan ondernemingen. De Provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie te ontwikkelen.
Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.]
[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond. ]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd. ]
Een aanvraag voor een geldlening of garantie moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst mogelijk met name met het oog op subsidies die worden verleend in de vorm van een garantie of een lening. In sub d van dit artikel is in overeenstemming met artikel 4:33 sub a van de Awb het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen. In artikel 8.20.2.15, eerste lid, is opgenomen dat de uitvoeringsovereenkomst uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie wordt aangegaan. In artikel 8.20.2.11 zijn de belangrijkste uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen. ]
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub b, van de AGV .
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.
In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.]
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub b, van de AGV.
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.
In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.]
[Toelichting: De provincie Overijssel heeft ervoor gekozen om niet de volledige in aanmerking komende kosten te subsidiëren. De provincie Overijssel wil dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 2 is gebaseerd op de Mededeling-garanties. ]
[Toelichting: Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.
Op grond van artikel 23 jo. artikel 18, leden 6 en 7, van de AGV, zijn alleen de investeringen in immateriële en/of materiële activa subsidiabel. Dat betekent dat de administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject en de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van subsidie voor het energieproject niet subsidiabel zijn.]
[Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 eerste lid kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Artikel 1.2.2 tweede lid ziet op jaarlijkse subsidies. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat het er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag. ]
[Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd. ]
[Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:
- de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;
- de geplande rechtsvorm;
- vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;
- meerjarige investeringsbegroting;
- meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;
Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.]
[Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten. ]
Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 8.20.2.7 geeft deze wettelijke grondslag.
De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.]
[Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 8.20.2.8 geeft deze wettelijke grondslag. ]
Een subsidieaanvraag wordt, nadat de aanvraag volledig is, om advies voorgelegd aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.
[Toelichting: GS hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.
Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 8.20.2.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energiebesparing dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.]
[Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.3.1. De weigeringsgronden in artikel 1.3.1 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 8.20.2.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-l, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGV: sub c is gebaseerd op artikel 23 van de AGV; sub d is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub a, van de AGV; sub h is gebaseerd op 1, zesde lid, sub c, van de AGV; sub k is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, van de AGV; sub l is gebaseerd op artikel 8, derde lid, van de AGV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a-b en i-j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel. ]
[Toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is. ]
[Toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen. ]
[Toelichting: Zie toelichting artikel 8.20.2.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.
Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.]
In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. ]
Ingeval van een garantie kan deze ambtshalve worden vastgesteld zodra:
a. het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of
b. ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.
[Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling. ]
Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 8.20.2.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terugvorderen.
[Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van hernieuwbare energie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van de opwekking van hernieuwbare energie, dan bereikt de provincie haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen. ]
[Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 8.20.2.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd. ]
[Toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen. ]
[Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze subsidieparagraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. Onder meer mogen op grond van deze regelgeving geen achtergestelde leningen worden verstrekt. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 8.20.2.2, sub a, tweede zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 8.20.2.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie c.q. energiebesparingsmaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 8.20.2.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels. ]
De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:
In afwijking van artikel 1.3.3 tweede of derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.
[Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.3. tweede of derde lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag. ]
[Toelichting: Deze subparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie aan ondernemingen voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject waarbij energiebesparingsmaatregelen worden genomen. De provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om energiebesparingsmaatregelen te nemen.
Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.]
[Toelichting: Onder bedrijfsruimten als bedoeld in het tweede lid van dit artikel kan ook maatschappelijk vastgoed worden verstaan, zoals scholen, ziekenhuizen, zwembaden. Kantoren en winkels vallen niet onder het begrip bedrijfsruimten als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. ]
[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond. ]
[Toelichting: De leden 4 en 5 houden verband met de trend dat zogenoemde ESCO's (Energy Service Companies) de aanleg, het beheer en onderhoud van energie-installaties of zelfs van hele gebouwen overnemen. De provincie Overijssel wil bij deze trend aansluiten door de mogelijkheid te bieden dat onder deze subsidieparagraaf subsidie kan worden verstrekt aan ESCO's. Met het bepaalde in lid 4 en 5 wil de provincie Overijssel stapeling van subsidies door woningcorporaties voorkomen. Met het bepaalde in lid 5 wil de provincie Overijssel ook voorkomen dat ondernemingen waarvan de aandelen uitsluitend worden gehouden door woningcorporaties voor subsidie van de in aanmerking komende kosten van een energieproject waarbij energiebesparingsmaatregelen worden genomen in aanmerking komen, omdat deze subsidieparagraaf primair bedoeld is om ondernemingen, niet zijnde woningcorporaties, te subsidiëren. ]
[Toelichting: De leden 4 en 5 houden verband met de trend dat zogenoemde ESCO's (Energy Service Companies) de aanleg, het beheer en onderhoud van energie-installaties of zelfs van hele gebouwen overnemen. De provincie Overijssel wil bij deze trend aansluiten door de mogelijkheid te bieden dat onder deze subsidieparagraaf subsidie kan worden verstrekt aan ESCO's. Met het bepaalde in lid 4 en 5 wil de provincie Overijssel stapeling van subsidies door woningcorporaties voorkomen. Met het bepaalde in lid 5 wil de provincie Overijssel ook voorkomen dat ondernemingen waarvan de aandelen uitsluitend worden gehouden door woningcorporaties voor subsidie van de in aanmerking komende kosten van een energieproject waarbij energiebesparingsmaatregelen worden genomen in aanmerking komen, omdat deze subsidieparagraaf primair bedoeld is om ondernemingen, niet zijnde woningcorporaties, te subsidiëren. ]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd. ]
Een aanvraag voor een geldlening of garantie moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub, van de AGV.
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.
In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.]
[Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 7,5 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal, Europees) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 23, lid 2, van de AGV. Het steunplafond van € 7,5 miljoen vloeit voort uit artikel 6, lid 1, sub, van de AGV.
Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.
In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme rente") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening. Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGV. Wanneer de rente die op grond van de Mededelinging-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.
In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definties in deze paragraaf gedefinieerd als "marktconforme premie")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.
Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.
Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 7,5 miljoen.]
[Toelichting: De provincie Overijssel heeft ervoor gekozen om niet de volledige in aanmerking komende kosten te subsidiëren. De provincie Overijssel wil dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 2 is gebaseerd op de Mededeling-garanties. ]
Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.
[Toelichting: Op grond van artikel 21 jo. artikel 18, leden 6 en 7, van de AGV, zijn alleen de investeringen in immateriële en/of materiële activa subsidiabel. Dat betekent dat de administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject en de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van subsidie voor het energieproject niet subsidiabel zijn.]
[Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 eerste lid kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Artikel 1.2.2 tweede lid ziet op jaarlijkse subsidies. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat het er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag. ]
[Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd. ]
[Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:
- de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten;
- de geplande rechtsvorm;
- vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project;
- meerjarige investeringsbegroting;
- meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;
- Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.]
[Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten. ]
Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 8.20.3.7 geeft deze wettelijke grondslag.
De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.]
[Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wort verdeeld. Artikel 8.20.3.8 geeft deze wettelijke grondslag. ]
Een subsidieaanvraag wordt, nadat de aanvraag volledig is, om advies voorgelegd aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.
[Toelichting: GS hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.
Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 8.20.3.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energiebesparing dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.]
[Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.3.1. De weigeringsgronden in artikel 1.3.1 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 8.20.3.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-l, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGV: sub c is gebaseerd op artikel 21 van de AGV; sub d is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub c, van de AGV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, zesde lid, sub a, van de AGV; sub h is gebaseerd op 1, zesde lid, sub c, van de AGV; sub k is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, van de AGV; sub l is gebaseerd op artikel 8, derde lid, van de AGV. In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a,b,i en j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel. ]
[Toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is. ]
[Toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen. ]
[Toelichting: Zie toelichting artikel 8.20.3.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.
Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.]
In afwijking van 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen. ]
[Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling. ]
Ingeval van een garantie kan deze worden vastgesteld zodra:
Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 8.20.3.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terugvorderen.
[Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van energiebesparing. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van energiebesparing, dan bereikt de provincie Overijssel haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen. ]
[Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 8.20.3.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd. ]
[Toelichting: Ter zake van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten beleid opstellen. ]
[Toelichting: Aangezien het verlenen van de subsidie conform deze paragraaf staatssteun oplevert, is deze subsidieparagraaf gebaseerd op de AGV en de de-minimisverordening en is zodanig ingericht dat de subsidieverlening moet voldoen aan de regels van de AGV en de-minimisverordening. De genoemde Europese regelgeving stelt een groot aantal eisen aan het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten in de vorm van leningen en garanties. Onder meer mogen op grond van deze regelgeving geen achtergestelde leningen worden verstrekt. In deze paragraaf zijn niet alle in de Europese regelgeving gestelde eisen overgenomen. Bij de beoordeling van de aanvraag zal echter worden getoetst of de subsidie in overeenstemming met die eisen kan worden verstrekt. Zo niet, dan zal de subsidie worden geweigerd, tenzij het in artikel 8.20.3.2, sub a, twee zin, genoemde geval zich voordoet. In artikel 8.20.3.2 sub c, tweede zin, is aangegeven dat Gedeputeerde Staten in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGV kunnen aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie c.q. energiebesparingsmaatregelen en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie dan onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen. Voldoet de subsidie niet aan genoemde eisen en doet het geval in artikel 8.20.3.2 sub c, tweede zin, zich niet voor, dan is subsidieverlening in strijd met de staatssteunregels. ]
De subsidie wordt verstrekt met inachtneming van:
In afwijking van artikel 1.3.3 tweede of derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten in geval van een geldlening de aanvrager een voorschot van 100% van de verleende subsidie.
[Toelichting: De bevoorschotting moet een wettelijke grondslag hebben. De aard van de subsidie noopt ertoe af te wijken van artikel 1.3.3, tweede of derde lid, waarin een beperking is gegeven aan het te bevoorschotten subsidiebedrag.]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
[Toelichting: Dit artikel bevat heel eenvoudig de basis voor de beoordeling van alle subsidieaanvragen, namelijk het pMJP en het gebiedsprogramma. Dat een bepaalde activiteit niet is opgenomen in een gebiedsprogramma betekent niet dat deze niet voor subsidie in aanmerking komt. Alleen als sprake is van strijdigheid met het gebieds-programma of verdringing van prioriteiten levert het gebiedsprogramma een weigeringsgrond op. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van het pMJP en die passen in een gebiedsprogramma.
[Toelichting: Het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (afgekort POP2) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op:
Het gaat hierbij om middelen uit het bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 opgerichte Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), de opvolger van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor Landbouw (EOGFL). Het doel dat Nederland met het POP-2 wil bereiken, is: een goed evenwicht tussen de kwaliteit van natuur en landschap en het gebruik daarvan voor wonen, recreatie, gezondheid en persoonlijk welbevinden. Ook wordt geld ingezet voor de versterking van de concurrentiekracht van de land- en bosbouwsector. De Europese Commissie heeft het programmadocument POP 2007-2013 op 20 juni 2007 officieel goedgekeurd. Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als beheersautoriteit voor de POP subsidies in Overijssel. Betaalautoriteit zijn Dienst Landelijk Gebied en Dienst Regelingen. Het POP2-programma is het vervolg op het POP 2000 t/m 2006.
POP2 is opgebouwd uit vier assen. Deze assen vormen samen de doelstellingen van het programma. Onder de assen zijn verschillende maatregelen mogelijk. De POP-maatregelen worden ingezet om de doestellingen van het provinciaal Meerjarenprogramma voor het platteland (pMJP) te realiseren. Vanuit dat programma wordt ook de nationale financiering geregeld die nodig is om aanspraak op POP-subsidie te kunnen maken. Een aanvraag moet dus ook inhoudelijk en financieel binnen het pMJP passen.
As 1: versterking van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.
De maatregelen onder deze as zijn bijna allemaal gericht op het ondersteunen van agrarisch ondernemers bij het aanpassen en innoveren van hun bedrijf. Het gaat dan om de kwaliteit van grond en kavelstructuur, gebouwen en machines, maar ook om nieuwe productiemethoden en het kunnen inspelen op ontwikkelingen vanuit de markt.
As 2: verbetering van het milieu en het platteland.
Het doel van de maatregelen onder as 2 is het verhogen van duurzaam gebruik van landbouwgrond. Agrarische ondernemers kunnen bijvoorbeeld gesubsidieerd worden als zij investeren in maatregelen tegen verdroging van hun grond.
As 3: verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.
Het doel van de maatregelen onder as 3 is het bevorderen van een toegankelijk, vitaal en dynamisch platteland waar de landbouw niet meer de enige economische drager is. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden met investeringen in kleinschalige ondernemingen die zich richten op toerisme en recreatie, in leefbaarheids-voorzieningen, in dorpsvernieuwing en in het landelijk erfgoed.
As 4: uitvoering van de LEADER-aanpak.
De aanpak van huidige LEADER+-programma vindt een vervolg in POP2. De LEADER-aanpak werkt met zogenaamde plaatselijke groepen (PG's). Deze PG's zijn gerelateerd aan het Bestuurlijk Gebiedsoverleg (BGO): afstemming vindt plaats in taken en verantwoordelijkheden en een aantal personen is in beide gremia vertegenwoordigd. De PG richt zich met name op de verbetering van de sociale en economische vitaliteit van het platteland. De PG's hebben plaatselijke ontwikkelingsstrategieën gemaakt voor hun gebied. Hierin geven ze voor de komende programmaperiode aan: doelen, strategie, inzet van de beschikbare middelen en de wijze van uitvoering. Samenwerking en innovatie staan daarbij centraal. Het gaat dan om samenwerking binnen het LEADER-gebied, tussen de leden van de Plaatselijke Groep en projectuitvoerders, maar ook om samenwerking tussen LEADER-gebieden in binnen- en buitenland.
LEADER biedt kansen voor innovatieve vormen van beleidsvorming en -uitvoering: een aanpak ‘van onderop', met een belangrijke rol voor de plaatselijke groep. In Overijssel zijn zes LEADER-gebieden aangewezen, te weten Noordwest-Overijssel, Noordoost-Overijssel, Salland, Noordoost-Twente, West-Twente en Zuid-Twente
Doelstellingen onder as 1 t/m 3 kunnen binnen LEADER uitgevoerd worden.|
In hoofdstuk 8 en 9 zijn de volgende POP-maatregelen gekoppeld aan pMJP-prestaties:
| De nummering betreft de maatregelen zoals opgenomen in de bijlage van het programmadocument POP 2007-2013* | pMJP-prestatie | De correlerende artikelen uit dit hoofdstuk |
|---|---|---|
| Maatregelen as 1 | ||
| 121: Modernisering landbouwbedrijven | 1.3.2 | Artikel 9.9.3 lid 8 |
| 125: Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw | 1.1.5 | Artikel 9.5.2 onder d |
| Maatregelen as 2 | ||
| 216: Niet productieve investeringen | 5.1.1-5.2.9 | Artikel 8.5.2 onder d |
| Maatregelen as 3 | ||
| 311: Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten | 1.2.2 | Ingetrokken |
| 311b: Diversificatie naar niet productieve investeringen- Hernieuwbare energie | 1.2.1 | Artikel 9.7.2 lid 6 |
| 321b: Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking- Hernieuwbare energie | 3.1.2 | Artikel 9.1.4a lid 2 |
| 323: Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed | 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 | Artikel 9.22.2 onder i |
| Maatregelen as 4 | ||
| 411: Verbetering van het concurrentievermogen in de land- en bosbouwsector | 1.2.1 | Artikel 9.1.4a, lid 2 |
| 413: De leefbaarheid op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie | 3.1.2, 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4, 3.2.6, 4.1.1, 4.1.2, 4.3.2 | Artikel 9.1.4a, lid 2 |
| 421: Uitvoering van samenwerkingsprojecten | Artikel 9.1.4a, lid 2 | |
| 431: Beheer van de Plaatselijke Groep | Artikel 9.1.4a, lid 2] |
[Toelichting: Op grond van artikel 107 VWEU is het in beginsel verboden subsidie te verstrekken aan ondernemingen als daardoor de concurrentieverhoudingen op een internationale markt worden verstoord.
Lid 1 bevat het verbod op staatssteun: "Behoudens afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt."
Het begrip onderneming wordt door het Europese Hof van Justitie ruim uitgelegd: "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd". Dit betekent dat ook stichtingen en verenigingen als onderneming kunnen worden gezien als hun activiteiten ook op een markt (kunnen) worden aangeboden.
Bij subsidies op grond van het onderhavige hoofdstuk is dikwijls sprake van staatssteun. Dit wil nog niet zeggen dat geen subsidie kan worden verleend. Als de aanvraag past binnen één van de zogenaamde vrijstellingsverordeningen van Europese Commissie kunnen Gedeputeerde Staten positief beschikken op een aanvraag. Er gelden dan wel aanvullende criteria, beperkingen ten aanzien van de hoogte van de subsidie en aanvullende voorschriften. In de zogenaamde factsheets in de bijlagen wordt steeds verwezen naar de voor dat onderdeel relevante regelingen en bepalingen.
Het voert te ver om op deze plaats alle verordeningen uitvoerig te belichten. Voor de precieze inhoud wordt u verwezen naar de website van Europa Decentraal: www.europadecentraal.nl. Hier kunt u onder andere de brochure ‘Europese regelgeving over staatssteun' downloaden.]
[Toelichting: Om de administratieve lasten voor gemeenten en waterschappen te beperken hoeft naast de ondertekening van het convenant niet nog eens een aparte aanvraag te worden ingediend. Voorwaarde is wel dat het gebiedsprogramma + het convenant voldoen aan de normale eisen die gelden voor een aanvraag voor subsidie. Dat betekent in ieder geval dat de aanvraag wordt ondertekend door het dagelijks bestuur van de gemeente of het waterschap namens de publiekrechtelijke rechtspersoon. Ondertekening door de portefeuillehouder of de burgemeester alleen is onvoldoende (tenzij een ondertekeningsmandaat is verleend).
Voor het overige gelden de eisen uit het Awb (artikelen 4.61-4.65) en eventueel aanvullende eisen op grond van artikel 9.1.3 voor de onderdelen waarvoor ook Europese middelen worden verstrekt.]
Indien op grond van artikel 9 van de Wet Inrichting Landelijk gebied de bestuursovereenkomst tussen rijk en Gedeputeerde Staten van Overijssel wordt gewijzigd kan de subsidieverlening ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.
[Toelichting: De inzet van de provincie is dat met de partners in de gebieden in één keer voor de hele periode afspraken worden gemaakt over de te leveren prestatie en de provinciale subsidie die daar tegenover staat. In jaar 1 wordt op basis van die afspraak in één keer subsidie verleend voor alle prestaties. Het is dan in beginsel aan de subsidieontvanger om te bepalen in welk jaar de prestatie wordt gerealiseerd. Wel wordt daarvan vooraf een inschatting gevraagd. Daarmee wordt het subsidiebedrag bij verlening verdeeld in jaarschijven. Op basis van de indeling in jaarschijven én de feitelijke voortgang worden voorschotten verleend op het subsidiebedrag.
Ieder jaar wordt er een verantwoording verwacht over de prestaties die in dat jaar zijn gerealiseerd, mede in verband met de verantwoordingsplicht van de provincie naar het Rijk. Deze informatie kan aanleiding zijn om de subsidieverlening te wijzigen.]
[Toelichting: De Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel geeft het kader op basis waarvan Gedeputeerde Staten kunnen besluiten het Bureau Beheer Landbouwgronden een koopovereenkomst met een ondernemer, die zijn intensieve veehouderij wil verplaatsen vanuit een extensiveringsgebied naar een duurzame locatie, te laten sluiten. Met de koop van de bedrijfsgebouwen en de ondergrond worden niet alle met de verplaatsing gepaard gaande kosten gedekt. Om de verplaatsingen daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen achten Gedeputeerde Staten het wenselijk ook een bijdrage in de verplaatsingskosten en de sloop van de bedrijfsgebouwen op de oude locatie en onder voorwaarden ook op de hervestigingslocatie te kunnen leveren. Hiervoor zijn in deze paragraaf subsidiebepalingen opgenomen met betrekking tot de verplaatsingskosten van intensieve veehouderijen. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het te verplaatsen van bedrijven (of delen daarvan) waarvoor een voorlopige koopovereenkomst met de provincie Overijssel is gesloten, als bedoeld in de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005.
Een aanvraag voor subsidie voor verplaatsing van intensieve veehouderijen moet voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.
[Toelichting: Om de eenvoud van de uitvoering en transparantie is voor de sloopkostenvergoeding, onder sub a en sub d, gekozen voor normbedragen. De hoogte van de bedragen is ontleend aan de uitvoeringspraktijk, met name de onteigeningspraktijk. ]
De subsidie bedraagt:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Op deze subsidieverlening is de vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing. Subsidieverstrekking moet daarom voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Voor de vaststelling van de subsidie betekent dit dat deze moet plaatsvinden op basis van werkelijk gemaakte kosten. Voor de subsidie-onderdelen die niet gebaseerd zijn op normbedragen, betekent dit dat de subsidie op basis van werkelijk gemaakte kosten moet worden vastgesteld. Het betreft de subsidieonderdelen verplaatsingskosten (sub b) en verbetering publieke weginfrastructuur (sub c), Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient daarom voor die onderdelen een verantwoording van de gemaakte kosten te worden ingediend. De inhoudelijke beoordeling gebeurt op basis van een verklaring van Dienst Landelijk gebied dat de verplaatsing conform de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel en deze subsidieregeling is afgerond. ]
[ingetrokken]
[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente is vastgelegd dat in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's) ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van een toekomstgerichte intensieve veehouderij.
Hiervoor kan het onder meer nodig zijn:
1. de inrichting van LOG's te verbeteren;
2. de randvoorwaarden voor de duurzame ontwikkeling van de intensieve veehouderij en het LOG in brede zin te verbeteren.
Het voortouw voor de ontwikkeling van de LOG's ligt bij gemeenten en bedrijfsleven. De provincie stimuleert de duurzame ontwikkeling van LOG's door de subsidiemogelijkheden voor:
1. het opstellen en uitvoeren van LOG-ontwikkelingsplannen;
2. modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen (mestverwerking, afvalverwerking, enz.)
Het uiteindelijke ontwikkelingsplan moet voldoen aan een aantal eisen, zoals opgenomen in artikel 9.4.2, derde lid. Op de subsidiëring van uitvoeringsactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 9.4.1, sub e (modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen), is de zogenaamde vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de aanvraag voor subsidie en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij paragraaf 9.3 Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2).]
Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van de duurzame ontwikkeling van de landbouwontwikkelings-gebieden in het Reconstructiegebied Salland-Twente subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor stimulering van duurzame ontwikkeling van landbouwontwikkelingsgebieden moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie voor:
Ingeval de aanvraag afkomstig is van een gemeente overlegt zij in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid tevens het ontwikkelingsplan voor een LOG zoals bedoeld in artikel 9.4.2 derde lid.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Op de verlening van subsidie voor modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen (artikel 9.4.1, sub e) is de vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing. Subsidieverstrekking moet daarom voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Voor de vaststelling van de subsidie betekent dit dat deze moet plaatsvinden op basis van werkelijk gemaakte kosten, Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient daarom voor een verslag en verantwoording van de gemaakte kosten te worden ingediend. ]
[Toelichting: Voor de grondgebonden landbouw is een goede ruimtelijke structuur van de landbouwbedrijven een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een duurzame en concurrerende landbouw. In dit kader richt het provinciaal beleid zich op de verbetering van de verkaveling (de omvang, ligging en de vorm van de kavels.
In kader van dit doel worden de volgende twee instrumenten ingezet:
1. wettelijke herverkaveling;
2. vrijwillige kavelruil (twee vormen: ‘losse' ruil en planmatige ruil).
Voor het opstellen en uitvoeren van deze herverkavelingsprojecten kan subsidie worden verleend.
Op deze maatregel vindt cofinanciering vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 125 (http://www.overijssel.nl/thema's/economie/europaloket/pop-2007-2013/) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Op de subsidieverlening voor ‘losse' kavelruilprojecten is geen cofinanciering vanuit POP 2. De bovengenoemde EG-verordening is hierop niet van toepassing. In artikel 9.5.3 staan de maximale subsidiepercentages vermeld voor de onderscheidende instrumenten en voor de onderscheidende aanvragers c.q. eindbegunstigden. Voor niet-overheden kan ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten worden vergoed omdat deze kosten voor de Vrijstellingsverordening landbouw als investeringsmaatregelen moeten worden aangemerkt. Overigens mogen deze kosten wel volledig worden meegenomen ter bepaling van de omvang van de investeringskosten.
De redelijkheid van de door de aanvrager opgevoerde uitvoeringskosten van activiteiten zal worden beoordeeld aan de hand van de notitie ‘Normkosten landbouw, Analyse van de kosten van herverkaveling voor de verbetering van de landbouwstructuur, IPO/LNV, mei 2006'.
Vrijwillige kavelruil zonder planmatig karakter is geregeld in de artikelen 85 tot en met 88 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben hiervoor in artikel 9.5.1, onder c een subsidiemogelijkheid gecreëerd.
Deze subsidiemogelijkheid heeft tot doel op een snelle en goedkope wijze via een eenvoudige procedure op basis van vrijwilligheid tot een betere verkaveling te komen. Het gaat daarbij om kleinere projecten van administratieve aard. Een betere verkaveling moet in het belang zijn van landbouw al dan niet in samenhang met natuur of landschap.
Om voor deze subsidie in aanmerking te komen, moet een kavelruil minimaal voldoen aan enkele criteria. Deze zijn ontleend aan de artikelen 85 tot en met 88 van de WILG en artikel 9.5.2 sub e. Deze criteria zijn:
Conform artikel 85 van de WILG zijn koop-/verkooptransacties tussen eigenaren binnen een kavelruil mogelijk. De strekking van de wet is evenwel niet om bij koop-/verkooptransacties de notariskosten zonder meer te subsidiëren. Bij een kavelruilovereenkomst, waarin koop- en verkooptransacties zijn opgenomen die los staan van het ruilproces en die evengoed plaats kunnen vinden buiten kavelruil, zullen deze transacties niet gesubsidieerd worden. Van (grond)ruil is sprake wanneer een partij grond afstoot én terug krijgt. Alleen de kosten van de in de overeenkomst opgenomen ruilingen en transacties komen in aanmerking voor subsidiëring.
Het is gewenst bij kavelruil aanwezige natuurwaarden alsmede landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behouden. Daartoe moet bij het ruilen zoveel mogelijk rekening gehouden worden met bestaande topografische grenzen, zoals bijvoorbeeld sloten, structuurlijnen, kavelgrensbeplantingen en verschillen tussen hoog en laag. Het initiatief voor kavelruilen moet door de betrokken partijen zelf worden genomen.
De partijen stellen zelf een conceptovereenkomst op. In de overeenkomst zijn in ieder geval opgenomen een overzicht per deelnemer van inbreng en toedeling alsmede een kaart van de bestaande situatie (situatiekaart) en een kaart van de toekomstige situatie (kavelkaart). De conceptovereenkomst wordt toegezonden aan de door partijen aangewezen notaris, die deze beoordeelt en vóór de ondertekening kadastraal en hypothecair rechercheert en een titelonderzoek instelt. Na de ondertekening draagt de notaris zorg voor het inschrijven van de overeenkomst in de openbare registers. Door de inschrijving van de overeenkomst wordt de overeenkomst mede verbindend voor degenen die na de inschrijving onder bijzondere titel in de rechten van de eigenaren opvolgen (artikel 86 van de WILG).
Een kavelruil moet in beginsel uitsluitend bestaan uit gronden die geheel van eigenaar veranderen.
Indien in een kavelruilovereenkomst gedeeltelijke percelen worden ingebracht (en toegedeeld) dan
geldt de volgende procedure, zodat er uiteindelijk gehele percelen worden overgedragen. Deze
betreffende perceelsgedeelten worden op kaart aangegeven. In voorkomende gevallen draagt de
notaris zorg voor de aanvraag van perceelssplitsing bij het kadaster (meting en kadastrale toepassing van de door partijen overeengekomen nieuwe grenzen). Hierdoor worden in de akte uitsluitend gehele percelen ingebracht en toegedeeld en kan, indien van toepassing, de over- en ondermaat van de in de overeenkomst ingebrachte perceelsgedeelten worden bepaald en zo nodig verrekend. Indien de kavelruil gelegen is in een landinrichtingsproject respectievelijk een gebied waar planmatige vrijwillige kavelruil plaatsvindt moeten partijen in een vroegtijdig stadium overleg plegen met de desbetreffende commissie (landinrichtings-, voorbereidings- of uitvoeringscommissie), respectievelijk de verantwoordelijke voor de planmatige vrijwillige kavelruil om instemming van deze commissie te verkrijgen.
De overeenkomst moet aan de eisen voldoen uit de AMvB ex artikel 88 van de WILG.
De bij de ruilovereenkomst betrokken partijen kunnen (gezamenlijk) een aanvraag voor subsidie indienen bij de Dienst Landelijk gebied.
Deze betrokkenen kunnen eventueel de betreffende notaris machtigen om een aanvraag voor subsidie in te dienen.
De volgende notariële kosten worden vergoed:
a. het verstrekken van kadastrale en hypothecaire informatie door het kadaster aan de notaris ten behoeve van kavelruilovereenkomst en -akte;
b. het opstellen van de kavelruilovereenkomst en -akte en het inschrijven ervan in de openbare registers;
c. (eventuele) perceelssplitsingen die in de overeenkomst zijn opgenomen en voor zover door de notaris aangevraagd.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor subsidie ter verbetering van de landbouwstructuur moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Op deze subsidieverlening is de vrijstellingsverordening Landbouw resp. de POP-verordening van toepassing. Subsidieverstrekking moet daarom voldoen aan de bepalingen van deze verordeningen. Voor de vaststelling van de subsidie betekent dit dat deze moet plaatsvinden op basis van werkelijk gemaakte kosten, Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient daarom voor een verslag en verantwoording van de gemaakte kosten te worden ingediend. ]
[Toelichting: Deze subsidieparagraaf biedt een basis voor de subsidieverlening voor de verplaatsing van bedrijven. Verplaatsing van landbouwbedrijven worden gestimuleerd ten behoeve van de realisatie van provinciale doelen natuur, recreatie, water of landschap en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw. De provincie verwerft gronden voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Daarbij streeft de provincie ernaar om in zoveel mogelijk situaties op vrijwillige basis gronden te verwerven op een zodanige wijze dat daarvan geen marktverstorende werking uitgaat. Op grond van deze subsidiebepalingen kan een extra stimulans gegeven worden aan vrijwillige verplaatsing van bedrijven ten behoeve van de grondverwerving voor de realisatie van bovengenoemde provinciale doelen, zodat inzet van het onteigeningsinstrumentarium zo min mogelijk nodig is. Subsidie is mogelijk in heel Overijssel, met uitzondering van het zogenaamde NURG-gebied (Nadere Uitwerking Rivierengebied). De grondverwerving in het NURG-gebied is een verantwoordelijkheid van het Rijk (artikel 9.6.2, lid 2). Subsidie kan worden verleend:
a. bij aankoop in een bij het besluit gevoegd aangewezen gebied of gebied waarvoor een realisatieplan is opgesteld
b. bij levering van EHS-grond wanneer de gronden zijn gelegen buiten de aangewezen gebieden. Een belangrijke voorwaarde voor subsidie voor verplaatsing van een landbouwbedrijf is dat:
o tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie (op grond van de Landinrichtingswet) of
o tussen de aanvrager en Gedeputeerde Staten (Reconstructiewet of vanaf 1 januari 2007 Wet Inrichting Landelijk Gebied) inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling, of
Het toepassen van een ondergrens van 10 ha te leveren bedrijfsgrond, of buiten de aangewezen gebieden te leveren EHS-grond, is bepaald zodat de bijdrage aan de provinciale doelen in enige verhouding staat met de geleverde grond. Op grond van artikel 9.6.2, lid 7, kunnen Gedeputeerde Staten hier in bijzondere gevallen van afwijken. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een klein bedrijf een schakelfunctie vervult tussen natuurgebieden.
Subsidie voor verplaatsing heeft alleen betrekking op hele landbouwbedrijven, en is niet bedoeld voor gedeelten, aangezien dat splitsing van bedrijven tot gevolg zou hebben.
Op grond van artikel 9.6.2, lid 7, kunnen Gedeputeerde Staten ook hier in bijzondere gevallen van afwijken doordat een bedrijf verplaatst naar een veldkavel van dat bedrijf, waarbij er geen belang is om dat veldkavel door BBL te laten verwerven. Voorop staat hierbij dat de grond, die in die laatstgenoemde situatie geen deel van de koopovereenkomst zal gaan uitmaken, niet van belang is voor de realisatie van het provinciaal doel waarvoor subsidie wordt verleend. Indien dit aan de orde is, wordt de subsidie naar evenredigheid van de aan BBL over te dragen grond, als percentage van de totale grondoppervlakte van het te verplaatsen bedrijf, berekend.
Een andere voorwaarde voor verplaatsing op grond van artikel 9.6.2 lid 3 is dat de hervestiging van een volwaardig bedrijf moet plaatsvinden binnen 24 maanden na de koopovereenkomst als bedoeld in het tweede lid van artikel 9.6.2; conform het vijfde lid op een voor landbouwdoeleinden aangewezen duurzame locatie.
Voor de toepassing van de regeling stelt de provincie jaarlijks een subsidieplafond vast.
Binnen het subsidieplafond kan een ieder die daarvoor in aanmerking denkt te kunnen komen een aanvraag indienen. Afhandeling gebeurt op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvraag. Aanvragen die in een jaar niet kunnen worden gehonoreerd, kunnen als de aanvrager dat wil meelopen in een volgend jaar en zijn dan de eerst ingediende aanvragen.
Voor een volwaardig bedrijf geldt een ondergrens van 50 NGE, te bepalen aan de hand van de meitelling zoals die wordt uitgevoerd door het Landbouw-Economisch Instituut. De subsidie voor verplaatsing vormt een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de verplaatsing van het bedrijf.
1. De subsidie voor verplaatsing vanuit een aangewezen gebied of een gebied waarvoor een realisatieplan is opgesteld bestaat uit 2 onderdelen, namelijk:
a. 100% van de daadwerkelijke gemaakte verplaatsingskosten tot een maximum van € 100.000,--;
b. maximaal 40% van het verschil tussen de investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en de door DLG getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie, waarbij € 10.000,-- per geleverde ha (ruil)grond wordt toegekend tot een maximum van € 300.000,--. In de dekking moet worden voorzien door middel van het subsidieplafond.
2. De subsidie voor aanvragen buiten een aangewezen gebied dan wel een gebied waarvoor een realisatieplan is opgesteld wordt alleen verstrekt als een bedrijf door verplaatsing meer dan 10 ha Ecologische Hoofdstructuur realiseert. Per gerealiseerde ha EHS wordt € 10.000,-- subsidie verstrekt.
3. Indien verplaatsing plaatsvindt binnen een kavelruilgebied is de maximale subsidie conform de leden a en b € 130.000,--.
Als verplaatsingskosten (onder a) worden aangemerkt:
Investeringskosten op de hervestigingslocatie (onder b), buiten het huidige landinrichtings-, herverkavelings- of natuurontwikkelingsgebied, betreffen:
Er wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruik heeft gemaakt van het provinciale Beleidskader Rood voor Rood, indien aanvrager voor hetzelfde onderdeel daaruit financiële middelen verkrijgt. Ook wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruik maakt van het uitvoeringskader Nieuwe Landgoederen of de Beleidsregel Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005 of indien de aanvrager een volledige wettelijke of vrijwillige schadeloosstelling heeft ontvangen voor de betreffende bedrijfsgebouwen en bijbehorende gronden.
De subsidie (inclusief die op grond van andere regelingen zijn of worden verleend) en het aankoopbedrag gezamenlijk mogen op grond van het vijfde lid van artikel 9.6.3 niet meer bedragen dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling. Dit bedrag kan door taxatie door een onafhankelijk beëdigd taxateur worden vastgesteld. Op deze manier wordt voorkomen dat een aanvrager meer subsidie of vergoedingen kan krijgen dan de werkelijke kosten die hij maakt voor de hervestiging van het bedrijf. De subsidie voor hervestiging op grond van deze regeling betreft immers, zoals hiervoor aangegeven, een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de hervestiging van het bedrijf. Deze subsidiemogelijkheid is bij de Europese Commissie gemeld onder artikel 6 van de zogenaamde (Vrijstellings)verordening Landbouw.]
Een aanvraag voor subsidie voor verplaatsing van een bedrijf moet voldoen aan de volgende criteria:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:
In afwijking van artikel 1.3.3 tweede of derde lid kunnen Gedeputeerde Staten alleen een voorschot verlenen:
[Toelichting: Op de verlening van subsidie voor verplaatsing van een landbouwbedrijf (artikel 9.6.1) is de vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing. Subsidieverstrekking moet daarom voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Voor de vaststelling van de subsidie betekent dit dat deze moet plaatsvinden op basis van werkelijk gemaakte kosten, Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient daarom een financieel verslag en verantwoording van de gemaakte kosten te worden ingediend. ]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 9.6.1 tevens een financieel verslag en verantwoording van de werkelijk gemaakte kosten.
[Toelichting: De Overijsselse landbouw kan zijn internationale concurrentiepositie in West-Europa en mondiaal alleen behouden en versterken door continu te innoveren op het gebied van producten, productiewijzen en productiemiddelen om zo betere producten te maken en/of de productiekosten te verlagen. Innovaties kunnen ook gericht zijn op het verlagen van de milieudruk van de landbouw en/of het inspelen op maatschappelijke wensen en eisen ten aanzien van landbouwproducten en productiewijzen. Veel innovaties zullen waarschijnlijk een combinatie van zowel concurrentieversterking als verduurzaming in zich hebben.
Voor het oppakken van deze innovatieopgaven is samenwerking tussen de betrokken partijen in ketens en gebieden en kennisinstellingen belangrijk. In de praktijk blijkt het dat samenwerking tussen keten- en gebiedspartijen en kennisinstellingen en de andere genoemde partijen, zeker als het om nieuwe ontwikkelingen gaat, niet altijd gemakkelijk van de grond komt. In ons beleid geven wij speciale aandacht aan het versterken van deze samenwerking. In dit kader streven wij ernaar om in samenwerking met het landbouwbedrijfsleven, ketenpartijen en kennisinstellingen een innovatieagenda met bijbehorend uitvoeringsprogramma voor het agrocluster opstellen.
In de uitvoering richten wij ons vooral op de volgende punten:
1. de vorming en professionalisering van clusters, ketens en netwerken van bedrijven gericht op innovatie, kennisontwikkeling en kennisspreiding in het agrocluster;
2. gebruik van adviesdiensten en/of kennisinstellingen door (een) landbouwondernemer(s) voor een op innovatie gericht project;
3. het stimuleren van samenwerkingsproject van landbouwondernemers of van (een) landbouwondernemer(s) met andere partners (keten- en/of gebiedspartijen) en/of kennisinstellingen, gericht op product-, proces- en systeeminnovaties in de landbouw en het agrocluster.
Subsidiemogelijkheden zijn er voor:
1. activiteiten gericht op het versterken van het innovatieve vermogen van de agrarische bedrijven en samenwerkingsverbanden van agrarische bedrijven en andere bedrijven;
2. samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling van nieuwe producten, productiewijzen en/of technologieën.
Subsidie in het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 is mogelijk voor diversificatie naar hernieuwbare energie voor
- activiteiten gericht op het versterken van het innovatieve vermogen van de agrarische bedrijven en samenwerkingsverbanden van agrarische bedrijven en andere bedrijven;
- samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling van nieuwe producten, productiewijzen en/of technologieën (keteninnovatie) gericht op hernieuwbare energie
De projectaanvragen moeten voldoen aan maatregel 311b. De POP voorwaarden zijn van toepassing op de totale subsidie voor de activiteit. http://www.overijssel.nl/thema's/economie/europaloket/pop-2007-2013
Op de subsidieverlening is de zogenaamde (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing.
Met betrekking tot subsidieonderdeel 2 is artikel 4 van de genoemde vrijstellingsverordening van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de aanvraag voor subsidie en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'.
De subsidieaanvragen zullen worden voorgelegd aan een externe adviescommissie. De adviescommissie adviseert Gedeputeerde Staten over de slagingskans en het vernieuwende karakter van de aanvragen. De adviescommissie beoordeelt voucher aanvragen op papier. Keteninnovatieprojecten worden door de adviescommissie besproken met de aanvragers van de projecten zelf.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van stimulering van innovatie in het agrocluster moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 9.7.1, sub c, die voor 1 september zijn ingediend en die voldoen aan de in artikel 9.7.2 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dat toestaat.
[Toelichting: Op de verlening van subsidie voor stimulering innovatie in het agrocluster (artikel 9.7.1) is de vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing. Subsidieverstrekking moet daarom voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Voor de vaststelling van de subsidie betekent dit dat deze moet plaatsvinden op basis van werkelijk gemaakte kosten, Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient daarom voor een verslag en verantwoording van de gemaakte kosten te worden ingediend. ]
[Toelichting: Begin 2006 hebben Gedeputeerde Staten een beleidsregel Uitvoeringskader hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing vastgesteld. Het hoofddoel van het VAB-beleid is sociaaleconomisch: het draagt bij aan het realiseren van Nieuwe Economische Dragers voor het landelijk gebied ofwel het benutten van de resterende economische waarde van VAB voor andere functies dan landbouw. Hergebruik in plaats van kapitaalsvernietiging. Startende bedrijven worden gestimuleerd. Het buitengebied als streekgebonden werkgebied in plaats van woongebied voor niet streekgebonden forensen. De terugloop in de landbouw maakt het voor de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het landelijk gebied wenselijk dat er zich in VAB andere functies kunnen vestigen. Een bijkomende doelstelling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Immers een blijvende landelijke uitstraling van de gebouwen en omgeving is gewenst. In het Uitvoeringskader wordt met name het planologische spoor gefaciliteerd. Met deze subsidiepalingen willen we nog een extra impuls geven aan het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing.
In artikel 9.8.2 zijn criteria opgenomen, waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. Dat de aanvraag moet passen binnen het gemeentelijke VAB-beleid betekent onder andere dat het (opnieuw) houden van intensieve veehouderij planologisch en als gebruiksmogelijkheid onmogelijk moet worden gemaakt. Maar ook dat bij eventuele situering in een landbouwontwikkelingsgebied (LOG) er uitsluitend subsidie verstrekt kan worden als er door gemeenten en provincie positief advies uitgebracht is, waaruit in elk geval blijkt dat de landbouw/intensieve veehouderij geen hinder ondervindt van de beoogde nieuwe functie in de VAB. Als echter uit de vastgestelde LOG-visie van de gemeente blijkt dat realisatie van een VAB op betreffende locatie mogelijk is, dan kan voor dit advies worden volstaan met een verwijzing naar de LOG-visie van de betreffende gemeente. Bij de aanvraag hoort een bedrijfsplan waaruit onder andere moet blijken hoe de subsidie bijdraagt aan het verkrijgen van substantieel (extra) inkomen. Voor subsidieaanvragen VAB die bijdragen aan het algemene voorzieningenniveau (zonder winstoogmerk), is een sluitende exploitatie voldoende. Ook moet er een bankverklaring bij gevoegd worden en een overzicht van de complete financiering.
Voorts kan uitsluitend voor investeringen in de bestaande bebouwing subsidie toegekend worden en dus niet voor nieuwbouw van gebouwen in samenhang met en na sloop van bestaande VAB. De betreffende gebouwen moeten voor een agrarische functie zijn opgericht, agrarisch in gebruik zijn (geweest) en op het moment van de aanvraag een agrarische bestemming hebben. Ook moet er sprake zijn van een voldoende investeringsniveau door de ondernemer om de maatschappelijke bijdrage te kunnen verantwoorden: om deze reden wordt met artikel 9.8.2 sub d een subsidie voor het ombouwen of geschikt maken van de VAB voor het stallen van caravans uitgesloten.
De aanvrager moet rechthebbende van het bedrijf zijn (eigenaar) of overeenstemming met verpachter (landgoedeigenaar, etc.) kunnen aantonen. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen e.d.) zijn niet subsidiabel, maar de kosten voor adviezen (bedrijfsadviseurs, accountants, adviesbureaus, architectenbureau) zijn wel subsidiabel met een maximum van 12% van de totale investeringskosten. De kosten van eigen arbeid zijn ook subsidiabel.
Er mag € 25,-- per uur mag worden berekend. Het aantal uren moet redelijk zijn en controleerbaar.
Tevens kan subsidie worden aangevraagd voor het vergroten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de VAB waarin of het erf waarop een nieuwe economische functie komt. Hierbij is vereist dat de prestatie moet zijn gebaseerd op een transformatieplan. Voor het opstellen van zo'n plan is subsidie mogelijk (hoofdstuk 4, paragraaf 8, industrieel en agrarisch erfgoed).
De subsidie voor het geschikt maken van de VAB is overeenkomstig artikel 9.8.3, lid 1, maximaal 25% met een maximum van € 100.000,--. Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘de minimis'-regeling. Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 200.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 200.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Met toepassing van lid 2 kan het bovengenoemde maximum van € 100.000,-- worden verhoogd tot € 150.000,--, indien er tevens sprake is van het vergroten van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
In artikel 9.8.3 lid 1 is stapeling boven het genoemde maximum van € 100.000,-- uitgesloten.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor subsidie voor het bevorderen hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing moet voldoen aan de volgende criteria:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Om de doelstellingen van het natuurbeleid voor de Natura2000 gebieden te realiseren, dient de stikstofdepositie op deze gebieden verminderd te worden. Een belangrijk deel van de stikstofdepositie is afkomstig van veehouderijbedrijven.. Door het toepassen van emissiebeperkende technieken en maatregelen op veehouderijen kan de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden in belangrijke mate teruggebracht worden. In het provinciaal beleidskader stikstof en Natura2000 voor veehouderijen is het provinciale beleid voor de vermindering van de stikstofdepositie vanuit veehouderijbedrijven beschreven. Een van de maatregelen hiervoor is het bevorderen van de toepassing van emissiebeperkende maatregelen en technieken waarmee veehouderijbedrijven lagere emissies per dierplaats realiseren dan de emissies die op grond van de normen van de landelijke regelgeving vereist zijn. Hiertoe zet de provincie stimuleringsbeleid in op grond waarvan ondernemers een bijdrage voor hun ivesteringen in emissiearme technieken en maatregelen kunnen aanvragen. Met betrekking tot de toepassing van emissiearme technieken en maatregelen doen zich de volgende knelpunten voor:
1. Ondernemers hebben onvoldoende kennis van en ervaring met de mogelijkhedenm om met aanpassingen in de bedrijfsvoering en andere management maatregelen de emissiereductie te realiseren;
2. onvoldoende beschikbaarheid van praktijkgerede technieken. In sommige sectoren en met name in de rund- en melkveehouderij zijn er nog relatief weinig goede, gecertificeerde emissiebeperkende technieken- stalaanpassingen, vloersystemen, etc.- beschikbaar.
Om deze twee redenen is het stimuleringsbeleid ook gericht op bevorderen van kennisontwikkeling, innovatie en kennisspreiding met betrekking toty emissiebeperkende technieken en maatregelen.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor een activiteit genoemd in artikel 9.9.2. moet voldoen aan de volgende criteria:
4. Investeringen zoals bedoeld in artikel 9.9.2 tweede lid moeten gebruikt worden om lager gemiddelde stikstofemmissie per dierplaats te realiseren.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid bij de aanvraag om subsidie tevens:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als er sprake is van vervangingsinvesteringen of investeringen op intensieve veehouderijbedrijven in extensiveringsgebieden in het Reconstructiegebied Salland-Twente.
De activiteit moet binnen 2 jaar na subsidieverlening zijn uitgevoerd.
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[Ingetrokken]
[Toelichting: Nationale parken zijn aaneengesloten gebieden van tenminste duizend hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzondere landschappelijke gesteldheid en planten- en dierenleven. Er zijn goede mogelijkheden aanwezig voor recreatief medegebruik. In de nationale parken worden natuurbeheer en natuurontwikkeling geïntensiveerd, natuur- en milieueducatie sterk gestimuleerd en vormen van natuurgerichte recreatie, alsook onderzoek bevorderd.
De nationale parken behoren tot de kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het stelsel van natuur- en bosgebieden met hun rand- en verbindingszones, de groene ruggengraat van de Nederlandse natuur.
In Overijssel zijn er 2 nationale parken, namelijk De Weerribben-Wieden en De Sallandse Heuvelrug.
De eigenaren/beheerders en de betrokken instanties (provincies en gemeenten) zijn vertegenwoordigd in een overlegorgaan. De minister van LNV installeert zo'n overlegorgaan bij de instelling van een nationaal park. De eigenaren/beheerders, instanties en organisaties die hierin zijn vertegenwoordigd, binden zich aan de uitgangspunten die de minister van LNV heeft opgesteld.
De eerste taak van het overlegorgaan is het opstellen van een gemeenschappelijk Beheers- en Inrichtingsplan voor het parkgebied in zijn totaliteit. Als de minister zijn goedkeuring voor dit plan heeft gegeven, is het overlegorgaan verantwoordelijk voor de uitvoering.
In het overlegorgaan zetten partijen zich in voor:
1. versterken samenwerking tussen eigenaren, beheerder en overheden ten behoeve van integraal beheer;
2. stimuleren educatieve functie van de parken;
3. stimuleren van passende op natuurbeleving gerichte recreatievormen.
Voor de uitvoering stelt het overlegorgaan jaarlijks een bestedingenplan op. De realisatie van de geprogrammeerde activiteiten hierin vinden deels plaats via subsidieverlening. De subsidieregels hiervoor staan in deze paragraaf.
Het betreft activiteiten op het gebied van beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek. De regeling staat open voor aanvragen voor iedereen. In de praktijk zullen vooral ondernemingen of overheden eindbegunstigden zijn. Natuur- en terreinbeherende organisaties vallen ook onder het overheidsbegrip.
Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de de minimis regeling. Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op beheer, inrichting, natuurgerichte recreatie, voorlichting en onderzoek van nationale parken de Sallandse Heuvelrug of De Weerribben-Wieden.
Een aanvraag voor subsidie voor versterking van een nationaal park moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de kosten van dat deel van de activiteiten dat al heeft plaatsgevonden voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Ingetrokken]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die passen in het ontwikkelingsprogramma van een Nationaal Landschap. Hierbij bestaat er onderscheid in:
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 9.15.1 moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 9.15.1 tweede lid voor de uitvoering van projecten in het kader van Nationaal Landschap IJsseldelta, ter advies voorleggen aan het Bestuurlijk Kernteam Nationaal Landschap IJsseldelta. Het Bestuurlijk Kernteam adviseert of de aanvraag past binnen het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap IJsseldelta 2012-2015.
[Toelichting: De kwaliteit van het Overijsselse landschap is een belangrijke factor die bijdraagt aan een goed woon-, werk- en leefklimaat van Overijssel. Gezondheid, rust en ruimte maar ook ecologische en natuurwaarden (en ook: de intrinsieke waarde) zijn gediend met een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied. En niet in de laatste plaats is een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied belangrijk voor de regionale economie en de streekeigen identiteit van Overijssel. De provincie is samen met het Rijk en gemeenten verantwoordelijk voor een duurzaam beheerd en toegankelijk landelijk gebied. Het beheer staat onder druk. De toegankelijkheid wordt als onvoldoende ervaren. De vermeende tegenstelling tussen economische ontwikkeling en behoud van natuur en landschap en waterbeheer kan meer worden omgezet in een win-winsituatie. In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland geeft het Rijk aan dat zij de ambities voor natuur en landschap beperkt tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen. Het kabinet wil buiten deze gebieden geen middelen meer beschikbaar stellen voor het beheer van natuur en landschap. De verantwoordelijkheid voor behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit buiten de EHS en de Nationale Landschappen wordt neergelegd bij provincies en gemeenten. In het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006 (hierna het beleidskader), heeft de provincie haar positie en prioriteiten bepaald die zij voor de realisatie van Groene en Blauwe diensten ambieert. Paragraaf 9.17 geeft de wettelijke basis voor de financiële ondersteuning van dit beleidskader.
Catalogus Groen-Blauwe diensten
Voor het bepalen van maatregelpakketen en de maximale vergoeding van Groene en Blauwe diensten is de zogenaamde Catalogus Groen-Blauwe diensten (hierna de catalogus) opgesteld. De catalogus is een gereedschapskoffer waarmee overheden een regeling met maatregelen/pakketten kunnen ontwikkelen op het gebied van aanleg en beheer van natuur, landschap, water, recreatie en cultuurhistorie. Indien de overheden conform de catalogus het beheer vormgeven mag er van uit gegaan worden dat het beheer voldoet aan de voorwaarden op het gebied van staatssteun van de Europese Commissie. Het stelt overheden (de toekomstige regelingseigenaar) in staat om gebiedsspecifiek duidelijkheid te geven welke maatregelen en welke maximale vergoedingen zijn toegestaan binnen de communautaire richtsnoeren voor staatssteun. De catalogus is in 2007 goedgekeurd. Aanpassing van de Catalogus kunnen landelijk één keer per jaar worden ingediend bij de Europese Commissie.]
[Toelichting: Dit artikel geeft de titel voor de subsidieverlening voor Groene en Blauwe diensten. Voor de definitie van Groene en Blauwe diensten is aangesloten bij die van de Raad voor het Landelijk Gebied. Kern van deze definitie is dat Groene en Blauwe diensten worden verleend door particulieren zoals landbouwers, landgoederen en recreatiebedrijven. Hierbij gaat het om bovenwettelijke activiteiten, dus meer dan Goede Landbouwpraktijk. Het betreft een actief beheer zodat het zich onderscheid van een schaderegeling. De dienstverlening is niet verplicht en kan zowel betaald als onbetaald zijn. Als dienst spelen zij in op de publieke, collectieve vraag naar landschap, natuur en water waarvoor de overheden - Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen - een verantwoordelijkheid dragen. De provincie wil een duurzame financiering van het beheer stimuleren en waarborgen. Zij draagt hiertoe bij in fondsen die geldstromen bundelen om Groene en Blauwe diensten duurzaam te financieren. Op grond van dit besluit kan alleen aan rechtspersonen subsidie worden verleend. Voor Groene en Blauwe diensten is steeds een heldere en doorzichtige organisatiestructuur nodig omdat op dit (organisatie)niveau de geldstromen worden gebundeld en het fondsbeheer gestalte krijgt. In dit verband is het niet wenselijk dat ook informele verenigingen of organisatievormen anderszins die niet over een duidelijke bevoegdheidsverdeling e.d. beschikken, op grond van dit besluit worden gesubsidieerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat er (democratisch gelegitimeerde) controle en verantwoording over de besteding van de in het fonds opgenomen overheidsmiddelen kan plaatsvinden en dat het fonds in haar rechtspersoonlijkheid kan worden aangesproken op haar verrichtingen. Aan rechtspersonen in oprichting kan geen subsidie worden verleend. De te subsidiëren rechtspersoon moet eerst, eventueel in overleg met Gedeputeerde Staten, daadwerkelijk worden opgericht. Voor wat betreft het financiële beheer is als eis gesteld dat een bancaire instelling de middelen beheert. Zij voert het financieel beheer uit overeenkomstig de eisen die het fondsbestuur, de subsidieontvanger, stelt. Rendement en kosteneffectiviteit zijn zwaarwegende redenen voor deze eis. De provincie stelt als voorwaarde aan haar subsidie dat het Nationaal Groenfonds het financieel beheer van het fonds voert. De keuze voor het Groenfonds is gebaseerd op het feit dat deze instelling (stichting zonder winstoogmerk) is opgericht ten behoeve van de groene financiering met overheidsgelden en daarin veel expertise heeft opgebouwd. Zij zijn bekend met de financiële eisen die vanuit wet- en regelgeving aan overheden gelden. Privaat en publiek geld blijven gescheiden in verband met de staatssteuneisen. Daarnaast beheert het Groenfonds de rijksgelden (POP/LNV) binnen het zgn. geïntegreerd middelenbeheer van de Rijkscomptabiliteitswet. De ILG-gelden lopen via het Groenfonds. De bundeling van overheidsgelden levert een hoger rendement op dan wanneer alle budgetten afzonderlijk worden beheerd. Ten slotte heeft het Groenfonds een goede toegang tot de ‘groene' kapitaalmarkt. Uitgesloten van deze subsidie zijn activiteiten waarvoor andere (subsidie)mogelijkheden bestaan, i.c. de Subsidieregeling Natuur en landschapsbeheer Overijssel.
Voor aanleg en beheer van landschapselementen kan een beroep worden gedaan op het Subsidiestelsel voor Natuur en Landschapsbeheer (SNL). Het SNL vervangt het zogenaamde Programma Beheer. Beheerders van agrarische gronden kunnen subsidie ontvangen voor natuur- en landschapsbeheer als het perceel binnen de begrenzing van het natuurbeheerplan ligt. De provincie stelt het natuurbeheerplan vast. Jaarlijks wordt deze voor subsidie opengesteld.
Zoals in het beleidskader aangegeven zijn groene en blauwe diensten complementair aan deze subsidiemogelijkheden. De subsidieverlening voor weidevogels wordt uitgevoerd via het eerdergenoemde SNL.
Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel, de Vereniging Natuurmonumenten en de waterschappen zijn uitgesloten van een subsidiemogelijkheid voor beheer in het kader van deze Groen Blauwe Diensten-regeling. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenoverstaat. De genoemde organisaties worden op andere wijze gefinancierd voor de uitvoering of begeleiding van hun eigen terreinen. Ook het met dit beleid belonen van beheer door waterschappen die landschapselementen in bezit hebben, vindt de provincie te zeer afwijken van het doel van het beleidskader. Deze organisatie vervullen overigens wel een rol in de uitvoering van het beleid.
De provincie wil de provinciale sturing op individuele projectvoorstellen gefaseerd loslaten en overlaten aan gemeenten. Hiervoor wil de provincie over de uitvoering van Groene en Blauwe Diensten de komende jaren samen met gemeenten en waterschappen overkoepelende afspraken maken op basis van gemeentelijke landschapsontwikkelingsplannen (of vergelijkbare plannen) en deze vast te leggen in de bestuursconvenanten. Bij de financiering voor het beheer wordt uitgegaan van een subsidierelatie tussen de provincie en een gemeente of een uitvoeringsorganisatie, in de vorm van een prestatiesubsidie. De gemeente organiseert in samenwerking met de uitvoeringsorganisatie de gebiedsfinanciering. Tussen de uitvoeringsorganisatie en de aanbieder van diensten is er sprake van een contractrelatie.
In dit plan is de landschapsvisie beschreven op basis waarvan de keuzes welke diensten - bij voorrang - gecontracteerd worden. In een landschapsontwikkelingsplan of hiermee vergelijkbare planvorm geeft de aanvrager voor haar hele grondgebied in ieder geval aan welke prestaties, waar en wanneer worden via Groene en Blauwe Diensten worden gerealiseerd. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het landschapsplan (bijvoorbeeld een Landschapsontwikkelingsplan, LOP) hanteert de provincie de handreiking voor het LOP als referentie (http://www2.minlnv.nl/thema/groen/ruimte/ols/gemeente/lop/werkproces_lop.pdf). Het gevraagde bedrag zal in relatie moeten worden gebracht met de te leveren prestaties . Prestatie-prijsverhouding zal worden beoordeeld op grond van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten en het in het pMJP gehanteerde prijs-prestatiebedrag.]
Een aanvraag voor uitvoering van Groene en Blauwe diensten moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Groene en Blauwe diensten creëren waarde voor ondernemers, huiseigenaren en gemeenten door een aantrekkelijk(er) vestigings- en woonklimaat. Mede om deze reden is de grondslag voor subsidie gebaseerd op het principe van medefinanciering. Voor het beheer zal publieke financiering vaak het meest voor de hand (blijven) liggen. Steeds zal echter in het totaal de particuliere bereidheid tot medefinanciering van Groene en Blauwe diensten moeten worden benut. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat degene die profijt heeft, ook een bijdrage levert aan het behoud en ontwikkeling van de gewenste kwaliteit. De provinciale bijdrage voor landschapsbeheer en toegankelijkheid is maximaal 75% van de totale kosten. Omdat het beleidskader vooral inzet op beheer is erfbeplanting uitgesloten van een bijdrage. Onder erfbeplanting wordt verstaan beplanting op het bouwblok. Nadrukkelijk gaat de grondslag niet over de maatregelen en de hoogte van vergoeding van deze maatregelen. Dit wordt in het projectvoorstel bepaald. De ondernemers die Groene diensten gaan leveren zijn grondgebruikers waaronder landbouwers, landgoederen, recreatiebedrijven en (andere) particulieren. Een individuele agrariër zal de prijs voor Groene diensten baseren op gemiste agrarische productie. Een andere aanbieder zal een andere afweging maken. Van belang is dat de voorwaarden zodanig zijn dat potentiële aanbieders bereid zijn en blijven om de maatschappelijke dienst te leveren. Het resultaat volgt uit het bijeenbrengen van vraag en aanbod in het projectvoorstel. Gedeputeerde Staten zullen bij hun beoordeling wel normkosten als referentie hanteren, waarin gederfde inkomsten, de extra kosten die met de dienstverlening zijn gemoeid alsook de transactiekosten zijn verdisconteerd. Belangrijke voorwaarde voor het verstrekken van subsidie is dat de maatregel zgn. ‘Brussel-proof' is. Dat wil zeggen dat de subsidieverlening geen steun is die onverenigbaar is met de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Om niet voor elke bijzondere maatregel de gang naar Brussel te hoeven maken, is een catalogus Groen-Blauwe diensten ontwikkeld. Deze catalogus is een totaallijst van in Brussel goedgekeurde maatregelen met maximale prijsstellingen gebaseerd op geaccepteerde normbedragen. Afgesproken is dat de catalogus eenmaal per jaar wordt geactualiseerd. ]
[Toelichting: Om een aanvraag voor subsidie voor Groene en Blauwe diensten te kunnen beoordelen, is een aantal stukken nodig:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Het verstrekken van een subsidie is, in samenhang met het criterium dat deze gebaseerd is op een projectvoorstel of de afspraken in het bestuursconvenant, direct gerelateerd aan het afsluiten van een contract voor levering van Groene en Blauwe diensten. De looptijd van een contract is langjarig. Een bedrijf dat kiest voor Groene dienstverlening kan (vergaande) veranderingen in de bedrijfsvoering moeten doorvoeren. Dergelijke veranderingen kunnen en zullen dan ook niet voor een korte periode worden doorgevoerd. Om deze reden wordt subsidie verstrekt in de vorm van een meerjarige subsidie. In het beleidskader is een streefperiode van 30 jaar opgenomen. De minimum contractduur is 10 jaar. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenover staat. Tussen de rechtspersoon (uitvoeringsorganisatie) en de particulier beheerder is sprake van een contractrelatie. Het is deze particuliere beheerder die de dienst levert. Uiteraard is het aan deze particulier of hij de uitvoering zelf doet of dit uitbesteed. In die gevallen waar sprake is van vervreemding, is de bepaling opgenomen dat er een soort kettingbeding in het contract is opgenomen waarmee de (nieuwe) verkrijger de verplichtingen overneemt. Met deze vorm is er de garantie op een duurzame financiering van langjarige beheer. ]
In afwijking van artikel 1.3.3. tweede of derde lid verlenen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek van de aanvrager een voorschot tot maximaal 100% van de verleende subsidie.
[Toelichting: Aan de aanvraag voor subsidie om contracten voor Groene en Blauwe diensten te kunnen financieren, ligt een projectvoorstel ten grondslag (zie artikel 9.16.4). De provincie wil lokale partijen die zich voor beheer inzetten (zoals agrarische natuurverenigingen) ondersteunen bij het inventariseren en concretiseren van vraag en aanbod door middel van een dergelijk voorstel. Dit artikel bepaalt dat voor het opstellen van het projectvoorstel subsidie kan worden verleend. ]
[Toelichting: De subsidiemogelijkheid is beperkt tot die activiteiten die als de-minimissteun uitvoering krijgen en daarmee vrijgesteld zijn van melding bij de Europese Commissie in verband met staatssteun. Het betreft hier kosten voor het opstellen van het projectvoorstel dat nodig is om de subsidie onder paragraaf 9.17 van dit besluit te kunnen aanvragen. De activiteiten hebben met toepassing van de minimissteun te voldoen aan de in de leden 2 tot en met 5 van de Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006, wil subsidie kunnen worden verleend. Of indien het een landbouwbedrijf betreft aan de vereisten van EG-Verordening 1860/2004. ]
Een aanvraag voor subsidie voor het opstellen van een projectvoorstel moet voldoen aan de volgende criteria:
Artikel 1.2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag afkomstig is van een gemeente of een waterschap. Wanneer de aanvrager een gemeente of een waterschap is dan zijn de hiertoe strekkende bepalingen in het convenant van toepassing.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Op grond van de regeling kan ook subsidie worden verleend als een bijdrage in de kosten voor de organisatie- en uitvoeringsstructuur. Met het toepassen van per boekjaar verstrekte prestatiesubsidies zijn de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing op deze vorm van prestatiesubsidies. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de wettelijke subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Uitgesloten is de vorming van een egalisatiereserve. ]
[Toelichting: Als bepalend criterium voor de subsidie is de eis gesteld dat de betrokken rechtspersoon uitvoering gaat geven aan een projectvoorstel. Dit moet blijken uit de doelstelling zoals opgenomen in de oprichtingsakte of de statuten van de betrokken rechtspersoon. Dit is nodig omdat uit de voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU volgt dat de eindbegunstigde een onderneming moet zijn. Bij deze organisaties GBD gaat het om zgn. uitvoeringsorganisaties GBD (of ook wel intermediaire fondsen) die in beginsel specifiek zijn opgericht voor het overgeven en verduurzamen (het genereren van rendement) van de financiële middelen waarvoor op basis van het projectvoorstel zoals bedoeld in artikel 9.16.4 subsidie is verleend op grond van paragraaf 9.17 van dit besluit. Of het zijn bestaande organisaties die dan wel voldoende aantoonbare organisatorische maatregelen hebben getroffen om te waarborgen dat de betrokken geldstromen zich voldoende onderscheiden van hun andere activiteiten. Zij regelen de transfer van de door financiers beschikbaar gestelde gelden (publiek en privaat) aan de aanbieders van diensten en‘verduurzamen' deze in een fonds. Op deze wijze wordt rendement gegenereerd zonder dat er overigens sprake is van risicokapitaal. Het gaat er hierbij om dat er naar de aard geen sprake is van een onafhankelijke onderneming. De subsidie is enkel bedoeld voor de compensatie van een deel van deze (extra) kosten. Er wordt geen economisch voordeel met de maatregel verschaft. In deze hoedanigheid is er noch sprake van een onderneming , noch van een markt. Voor zover toch van ondernemingsactiviteiten sprake is, is hiervoor een expliciete weigeringsgrond opgenomen.
De subsidie voor dit onderdeel is bestemd voor kosten voor personeel en organisatie. In het beleidskader is aangegeven dat de totale kosten voor uitvoering maximaal 15% van één of meerdere projectvoorstellen mogen betreffen, wil de provincie uit deze regeling bijdragen. De subsidie kent een maximum van 50% van de betreffende kosten. Geen subsidie wordt verstrekt aan overheidsorganen of aan zelfstandige bestuursorganen met eigen rechtspersoonlijkheid.]
De aanvraag voor subsidie voor organisatiekosten moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: Met dit artikel wordt afgeweken van de algemene handelswijze bij deze vorm van subsidieverlening om het voorschot in het midden van elke maand beschikbaar te stellen. Uit efficiencyoverwegingen is gekozen voor een periodieke betaling van twee keer in het jaar, in het begin van de maanden juni en december. Hoofdregel dat 100% voorschot wordt verleend, blijft bestaan. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op behoud en verbetering van de weidevogelstand in Overijssel.
De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 9.19.1 moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Ingetrokken]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een faunabeheerplan.
[Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer. ]
Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een faunabeheerplan moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie als bedoeld in 9.21.1 bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: In het landschap vinden vele en veelsoortige ontwikkelingen plaats. Zo stelt bijvoorbeeld de moderne landbouw andere eisen aan het landschap en krijgen nieuwe functies als wonen, niet-agrarische bedrijvigheid en recreatie een steeds belangrijker plek in het landelijk gebied. Dit heeft invloed op de verschijningsvorm en de belevingswaarde van het landschap. Met andere woorden de landschappelijke kwaliteit is in het geding.
De prestatie Kwaliteit Cultuurlandschap stimuleert projecten die gericht zijn op vormgeving en herstel/realisering van landschappelijke kwaliteit en Groen om de grote steden en kernen. Daarbij onderscheiden we vier categorieën:
1. Prestaties gericht op planvorming t.b.v. ontwikkelings- en inrichtingsvraagstukken in relatie tot de landschappelijke kwaliteit.
Voorbeelden hiervoor zijn Landschapsontwikkelingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en Landgoedversterkingsplannen (voor landgoederen ouder dan 50 jaar en groter dan 25 ha). Voorwaarde is dat er een stevige relatie wordt gelegd met de uitvoering, bijvoorbeeld via een concreet uitvoeringsprogramma.
2. Prestaties gericht op concrete uitvoering (fysieke maatregelen) ter versterking van de landschappelijke kwaliteit van het cultuurlandschap. Het gaat hierbij alleen om niet productieve elementen d.w.z. elementen die niet direct bijdragen aan economische activiteiten. Om voor deze subsidie in aanmerking te komen moet een project passen binnen de volgende thema's:
3. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van recreatief groen (onder andere voor recreatie medegebruik) in robuuste structuren (>2 ha) in een gebied tot 5 km buiten de bebouwde kom van grote steden en stedelijke agglomeraties > 50.000 inwoners (Deventer, Almelo/Hengelo/Enschede/Borne/Oldenzaal).
4. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van groene elementen ten behoeve van b.v. landschappelijke inpassing van rommelige randen van kernen. Dit groen is bedoeld om bijv. verrommelde randen door bedrijfsterreinen te maskeren. Voor nieuw te realiseren uitbreidingen dient het landschappelijk groen integraal onderdeel van de planvorming en exploitatie uit te maken. Hiervoor is deze subsidie niet bedoeld.
Op subsidie categorie 2 kan cofinanciering vanuit POP 2 plaats vinden, bij subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten meer bedragen dan € 150.000,--. Dit op basis van Verordening (EG) 1698/2005 PbL 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 323 en 125 voor onderdeel e. (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Dit betekent dat een aanvraag voor subsidie volgens de POP-procedure moet worden aangevraagd.
In de subsidie categorie 2 zijn kosten van grondverwerving - overeenkomstig maatregel 323 - beperkt subsidiabel. Deze kosten mogen niet meer dan 10% van de subsidiabele kosten bedragen. Voor de overige subsidiecategorieën komen kosten voor grondverwerving niet in aanmerking voor subsidie. Indien de prestatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoet aan de subsidiecriteria uit paragraaf 9.15 Uitvoering groene en blauwe diensten, dan wordt de aanvraag voor subsidie in dat kader behandeld. Op grond van deze prestatie is subsidie in die gevallen uitgesloten (artikel 9.22.2, sub c).
Voor de omrekening van lijnelementen naar ha's kan onderstaande tabel worden gehanteerd.
| lijnelementen | hectares |
|---|---|
| hotwal - singel | lengte * 3,5 m breed |
| haag | lengte * 1,5 m breed |
| laan - bomenrij | lengte * 5 m breed] |
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor prestaties in het buitengebied die gericht zijn op:
Een aanvraag voor de subsidie kwaliteit cultuurlandschap moet voldoen aan de volgende criteria:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[Toelichting: De rietimpuls voor het gebied Weerribben - Wieden (GS 2009/0090567) dient de provinciale kerndoelen Inrichting landelijk gebied (natuur en landschap), Economie (vrijetijdseconomie, regionale economische structuurversterking en energie), Ruimtelijke kwaliteit, Gezond en veilig leefmilieu. De maatregelen om deze doelen te realiseren hangen in dit gebied nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar onderling.
Het beheer van de natuur (EHS) is een provinciale verantwoordelijkheid. Dat geldt met ingang van 2014 ook voor de terreinen van Staatsbosbeheer (Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur). Daarbij geldt, dat het beheer sober en efficiënt wordt uitgevoerd. Het vraagt de inzet van alle betrokken partijen (ook de terreinbeheerders en de rietsector) om daaraan een bijdrage te leveren.
Specifiek voor de rietsnijders die pachter zijn van Staatsbosbeheer is een overbruggingsregeling nodig voor de jaren 2012 en 2013. In overleg met de betrokken partijen (gemeente Steenwijkerland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de drie rietverenigingen in Noordwest Overijssel) is deze regeling opgesteld.
De regeling is een bundeling van de beheervergoeding uit de Rietimpuls, de Reparatieregeling Programma Beheer (die de provincie uitvoerde in het kader van het ILG) en de regeling van het nationaal park Weerribben - Wieden voor het jaarlijks onderhoud van de ribben.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria:
In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.
In afwijking van artikel 1.2.2. wordt een aanvraag voor subsidie ingediend tussen 1 november en 31 december van het kalenderjaar waarin de activiteiten zijn uitgevoerd.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.1.3. wordt het beschikbare budget naar evenredigheid over de subsidieaanvragen verdeeld.
In afwijking van artikel 1.3.1. tweede lid wordt de subsidie niet geweigerd als minder dan € 1.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt.
De vaststelling van de subsidie van € 25.000,-- of meer vindt, in afwijking van artikel 1.5.2. en artikel 1.5.3., conform artikel 1.5.1. plaats.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die:
Een aanvraag voor activiteiten bedoeld in artikel 10.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie als bedoeld in artikel 10.1.2 bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.2.2 eerste lid wordt een aanvraag voor een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen datum ingediend.
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen die voor een bepaalde datum ex artikel 10.1.7 zijn ingediend en die voldoen aan de in artikel 10.1.3 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat. Daarbij streven Gedeputeerde Staten naar een evenwichtige verdeling van de subsidietoekenning over de regio's IJssel-Vecht, Twente en Stedendriehoek waarbij het aandeel in de beroepsbevolking van de Provincie een belangrijk criterium is.
Een aanvraag voor subsidie wordt om advies en prioriteitsstelling voorgelegd aan de regionale samenwerkingsverbanden economie en arbeidsmarktbeleid.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van een individuele trajectplan van een kwetsbare jongere.
[Toelichting: Het werkleertraject duurt minimaal 6 maanden. De gemiddelde werkweek bedraagt minimaal 20 uur per week.
Er zijn verschillende vormen van een overeenkomst tussen een werkleerbedrijf en de jongere mogelijk:
- een stageovereenkomst, waarbij de jongere een inkomensondersteuning krijgt;
- een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst, waarin het bedrijf vanaf de start optreedt als formele werkgever. In dit geval wordt het bedrijf door de ITB-er ondersteund bij het aanvragen van loonkostensubsidie en afdrachtskorting;
- een detacheringsovereenkomst waarbij een deelnemer formeel in dienst is van een detacheringsbedrijf, dat juridisch aansprakelijk is (inclusief loonbetaling).
Het werkleerbedrijf:
- stelt een ervaren werknemer beschikbaar die voldoende tijd en ruimte krijgt om de jongere te begeleiden;
- biedt perspectief op een reguliere baan;
- biedt de mogelijkheid om de werkplek te koppelen aan een opleiding.
Na afronding van het werkleertraject heeft de kwetsbare jongere ten minste een kwalificatie gericht op een baan of blijft in dienst van het werkleerbedrijf of heeft een arbeidsovereenkomst elders.]
Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 11.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
De subsidie bedraagt € 6000 per werkleertraject per kwetsbare jongere, uitgaande van een werkleertraject van 12 maanden, met een maximale subsidie van € 200.000 per werkleerbedrijf.
In afwijking van artikel 1.1.6 sub c lid zijn de activiteiten subsidiabel vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst als bedoeld in artikel 11.1.3 onder sub e.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens:
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.5.1 wordt de subsidie van € 25.000 of minder ambtshalve vastgesteld binnen 22 weken nadat de activiteit is afgerond.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen aan Overijsselse gemeenten subsidie verstrekken voor het borgen van structurele kennis, capaciteit en deskundigheid in de eigen organisatie ten behoeve van de uitvoering van wettelijke externe veiligheidstaken. Het borgen kan plaatsvinden in de eigen organisatie en door het delen van capaciteit en deskundigheid op het gebied van externe veiligheid. Het borgen kan tevens plaatsvinden in samenwerkingsverbanden tussen Overijsselse overheden waaronder die zoals bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 12.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 eerste lid bij de aanvraag tevens documenten:
Voor de vaststelling van de subsidies van € 25.000 en hoger is artikel 1.5.4 van toepassing.
[ingetrokken]
[Toelichting: Met deze regeling wordt aan de Overijsselse belangenorganisaties de mogelijkheid geboden om voor 2013, 2014 en 2015 aanvragen in te dienen voor activiteiten die bijdragen aan één of meer van de provinciale doelen. Met deze regeling wordt de transitie naar de provinciale kerntaken gerealiseerd voor wat betreft de inzet van sociale kwaliteit. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: De bestaande belangenorganisaties als genoemd artikel 13.2.3 sub 1 kunnen per 1 januari 2013 subsidie krijgen voor onderstaande activiteiten. De genoemde activiteiten staan in het teken van het vergroten van de sociale kwaliteit in Overijssel gericht op inzet bij de provinciale doelen zoals genoemd in ‘De Kracht van Overijssel'. Deze activiteiten zien toe enerzijds op de vergroting van de collectieve maatschappelijke acceptatie van de provinciale doelen of anderzijds op een vermindering van de negatieve gevolgen op sociaal niveau. ]
[Toelichting: In dit artikel staat een limitatieve opsomming van de criteria. Aan elk criterium moet zijn voldaan om voor een subsidie op grond van deze regeling in aanmerking te komen. Van belang is dat alleen die belangenorganisaties als genoemd in het tweede lid binnen de reikwijdte van deze regeling vallen. Andere aanbieders kunnen op grond van deze regeling geen subsidie ontvangen. ]
In afwijking van artikel 1.2.2 wordt een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 13.2.2 eerste lid voor de jaren 2013, 2014 en 2015 ingediend uiterlijk op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft.
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
[ingetrokken]
Gedeputeerde Staten treffen de nodige voorzieningen of nemen de nodige besluiten in de gevallen waarin de verordening of dit besluit niet voorziet.
[Toelichting: Onmiddellijke of exclusieve werking is de hoofdregel van overgangsrecht. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Onder omstandigheden kunnen bezwaren kleven aan onmiddellijke werking. In dat geval kan gekozen worden voor een vorm van terugwerkende kracht of van eerbiedigende of uitgestelde werking. Volgens de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving moeten afwijkingen van de hoofdregel van onmiddellijke werking in de regeling zelf worden neergelegd. Dit artikel geeft hier uitvoering aan.
In verband met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel is voor de specifieke situatie dat de subsidie vóór het moment van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 is verleend, maar nog niet is vastgesteld, gekozen voor uitgestelde werking van dit besluit. Dit betekent dat in de genoemde situatie de subsidievaststelling plaatsvindt op grond van de regels zoals die golden ten tijde van de subsidieverlening.]
Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011'.