Provinciale regelingen - Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel


Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel

(geconsolideerde versie, geldend vanaf 4-6-2016)

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie provincie Overijssel
Officiële naam regeling Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel
Citeertitel Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel
Vastgesteld door gedeputeerde staten
Onderwerp algemeen; financiën en economie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Gedeputeerde Staten hebben aan de Regeling POP3 subsidies een nieuwe subsidieparagraaf toegevoegd: 3.8 Regeling Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven

: 31-5-2016

: Provinciaal Blad nr. 3066

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Geen

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk voorstel

4-6-2016

wijziging artikel(en)

31-5-2016

Provinciaal Blad nr. 3066

2016/0163123

16-4-2016

wijziging artikel(en)

12-4-2016

Provinciaal Blad nr. 2157

2016/015047

26-3-2016

wijziging artikel(en)

22-3-2016

Provinciaal Bladen nrs 1783, 1784, 1785 en 1786

2016/0059516

19-2-2016

wijziging artikel(en)

15-2-2016

Provinciaal Bladen nrs 941, 965 en nr 1442

2016/0029361, 2016/0039697 en 2016/0073026

13-2-2016

wijziging artikel(en)

9-2-2016

Provinciaal Blad nr 902

2016/0029361

4-12-2015

nieuwe regeling

24-11-2015

Provinciaal Blad nr 7879

2015/0323738

Algemene toelichting

§1. Inleiding

§1.1 Algemene inleiding
Op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor  plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP verordening, heeft Nederland in december 2014 haar Plattelands¬ontwikkelingsprogramma 2014 - 2020 (POP3) bij de Europese Commissie ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015 door de Commissie goedgekeurd. Het POP3 programma is primair gebaseerd op voorgenoemde verordening, maar naast deze verordeningen zijn ook enkele andere verordeningen relevant voor het POP3 programma. Het gaat daarbij met name om de verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008  van de Raad (PbEU L 347) en verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen. Hoewel genoemde verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, kunnen subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma slechts worden verstrekt op basis van een door een op nationaal of provinciaal niveau vastgestelde subsidieregeling. De onderhavige provinciale regeling "Regeling POP3 subsidies" vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de wettelijke basis voor het door provincies verstrekken van POP3 subsidies (anders dan subsidies voor agromilieu- en klimaatdiensten).

In deze regeling worden in hoofdstuk 1 de in de regeling gehanteerde begrippen gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten bij de definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is, wordt er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en beperkingen weergegeven. In hoofdstuk drie worden de Leadermaatregelen beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen.

POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het goedgekeurde POP-programma is de Regeling POP-subsidies ontwikkeld. Dit betekent dat de EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en de Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Regeling met een EU-verordening of het POP-programma, vòòr gaan.

§1.2 Openstellingsbesluit
De maatregelen opgenomen in deze Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel kunnen door de Provincie opengesteld worden door middel van een openstellingsbesluit. In een openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van de maatregel(en) waarvoor subsidie kan worden aangevraagd en het vaststellen van subsidieplafond(s) - onder meer aangegeven kunnen worden welke van de in deze regeling genoemde ‘facultatieve' selectiecriteria, nààst de in sommige gevallen altijd te hanteren selectiecriteria, in het concrete geval gehanteerd zullen worden, welke wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing zullen zijn en welke minimale puntenscore door een project behaald dient te worden om zo wie zo voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.

§1.3 Selectie van projecten door middel van tenders
De selectie van projecten zal - met uitzondering van Leaderprojecten waarbij tendering niet verplicht is voorgeschreven - plaats vinden via een zogenaamde ‘tender-methode': alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak ingediende projecten worden, indien ze voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord. Subsidiabiliteitsvoorwaarden (‘instapeisen') zijn de voorwaarden waaraan een aanvraag altijd moet voldoen, bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan kunnen vragen, wordt een aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer afkomstig is, direct op grond van het niet voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch ondernemer' afgewezen. Aanvragen die voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op basis van de in de betreffende openstelling gehanteerde selectiecriteria en de weging van die criteria als aangegeven in het openstellingsbesluit. Ten behoeve van de uitvoering van deze procedure kan een selectiecommissie ingesteld worden. Op basis van de procedure ontstaat er een lijst met alle ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score (cijfer). Projecten die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten behalen, kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Indien de kosten voor het aantal projecten dat voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het beschikbare subsidieplafond, worden subsidie toegekend op basis van de behaalde scores (projecten met hogere scores gaan voor). Indien er meerdere projecten met hetzelfde puntenaantal zijn en niet al die projecten kunnen gehonoreerd worden omdat het subsidieplafond dan overschreden zou worden, dan kan door middel van loting bepaald worden welke projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking komen.

§2. Maatregelen

Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die door de Provincies zullen worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige regeling relevante provinciale maatregelen en submaatregelen zijn in het programmadocument van Nederland opgenomen :

1. Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 Verordening (EU) Nr.1305/2013)
Het is nodig om voorlichting en andere kennisoverdrachtacties te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties vaak moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus komen. Zonder deze maatregel blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke innovaties uit of wordt deze vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toepassing van een innovatie niet vanzelfsprekend zelfstandig door het bedrijfsleven en de markt worden opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te dragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk.

2. Maatregel inzake investeringen (artikelen 17 lid 1 (a), (c) en (d) Verordening (EU) Nr. 1305/2013)
Deze maatregel bestaat uit een vijftal submaatregelen:
a. fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties;
b. fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers;
c. investeringen in infrastructuur
d. niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof); en
e. niet-productieve investeringen voor water .
Deze maatregelen dragen bij het versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van de landbouw en het bevorderd het gebruik van van innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit en landschap.

3. Maatregel inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013)
Deze maatregel richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze maatregel is op samenwerkingsvormen en bestaat uit de volgende submaatregelen: 
1) samenwerking met betrekking tot proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw- en de voedingsmiddelensector en
2) de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw.

4. Maatregel inzake LEADER -lokale ontwikkeling (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013)
LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar "license to produce". Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want:

  • LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn;
  • LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen;
  • LEADER kan ondersteunen in ‘krimp' gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland;
  • LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is;
  • LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven.

Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale regeling ontwikkeld is, òf zal door de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen 36 en 37 van de POP-verordening).

§ 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering

POP3 subsidie kan slechts worden verstrekt indien een aangevraagde subsidie aantoonbaar effectief en efficiënt zal zijn. Om te kunnen bepalen of een te verlenen subsidie effectief en efficiënt zal zijn, zijn selectiecriteria geformuleerd. De in deze regeling opgenomen selectiecriteria per regeling zijn deels criteria die altijd toegepast dienen te worden en deels criteria die bij een bepaalde openstelling van toepassing verklaard kùnnen worden. Het is dus mogelijk dat in een bepaalde openstelling niet alle in deze regeling genoemde selectiecriteria gehanteerd worden. Het is daarentegen niet mogelijk dat niet in deze regeling genoemde selectiecriteria ‘toegevoegd' worden bij een openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen extra criteria toegevoegd worden. In geval van Leader zijn de selectiecriteria waarvan gebruik gemaakt wordt opgenomen in de goedgekeurde Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS).

Selectie van projecten zal - met uitzondering van Leader-projecten - plaatsvinden door middel van een tender. Alle gedurende een openstellingsperiode ingediende projecten worden - indien de aanvraag volledig is én aan de gestelde subsidiabiliteitscriteria (= eisen waaraan in ieder geval voldaan dient te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, bijvoorbeeld: een jonge agrariër dient bij aanvraag nog geen 40 jaar te zijn. De aanvraag zal worden afgewezen zonder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, indien de aanvrager niet aan dit criterium voldoet) wordt voldaan - op basis van in het openstellingsbesluit bekend gemaakte selectiecriteria en wegingsfactoren van die selectiecriteria beoordeeld. Zie verder §1.3.

De doelgroep van een subsidie is afhankelijk van de maatregel die het betreft en de beleidsmatige doelstellingen die met de subsidieverlening worden nagestreefd. In deze regeling wordt bij veel maatregelen een breed scala aan mogelijke aanvragers genoemd. In een openstelling kan de doelgroep beperkt worden tot die groepen die - gelet op de beleidsmatige doelstellingen die met de betreffende openstelling nagestreefd worden - voor subsidie in het kader van de betreffende openstelling in aanmerking komen. Er kan indien gewenst een selectie van de in deze regeling genoemde doelgroepen plaatsvinden, toevoegen van extra - niet in deze regeling bij de betreffende maatregel genoemde - doelgroepen is niet mogelijk.

Om in het kader van een tenderregeling gelijke kansen voor alle aanvragers te garanderen is het noodzakelijk dat bij sluiting van de tender àlle voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens bekend zijn. Een aanvraag dient te worden ingediend op een door GS beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Daarbij wordt expliciet voorgeschreven dat altijd het laatst beschikbaar gekomen aanvraagformulier gehanteerd dient te worden, om hierover misverstanden te voorkomen. Een onvolledig ingediende aanvraag dient vòòr de sluitingsdatum van de openstellingstermijn aangevuld te zijn om voor beoordeling in aanmerking te komen. Enige uitzondering die hierop gemaakt zou kunnen worden is het toestaan van het aanvullen van gegevens die niet noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag (zie verder bij de artikelsgewijze toelichting, artikel 1.7). Het indienen van ‘pro forma' aanvragen zonder dat inhoudelijke aanvulling van de aanvraag voor de gestelde sluitingsdatum plaatsvindt, is derhalve in het kader van deze regeling niet zinvol.

Subsidie zal geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien één van de weigeringsgronden van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een weigeringsgronden als genoemd in artikel 3.35 AWB, in artikel 1.8 van deze regeling, in het van toepassing zijnde artikel van hoofdstuk 2 of 3 òf in het van toepassing zijnde openstellingsbesluit.

§ 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura

In onderhavige regeling wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel gesteld kunnen worden. Sommige kosten kunnen alleen onder voorwaarden subsidiabel gesteld worden. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop van grond, bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten zijn - tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden subsidiabel.

Bij sommige maatregelen kunnen bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden. Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken, goederen, diensten, grond of onroerende goederen die NIET door facturen en betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten gestaafd worden. Deze bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard. Voor enkele kostensoorten (inbreng eigen arbeid, vrijwilligerswerk) zijn standaardtarieven ontwikkeld die bij de inbreng van dat soort kosten gehanteerd moeten worden.

Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien de verstrekte subsidie minder dan 100% van de subsidiabele kosten bedraagt én binnen het project ook voldoende àndere subsidiabele kosten gemaakt worden. De uit te betalen subsidie - berekend als % van de subsidiabele kosten inclusief de bijdrage in natura - kan nooit hoger zijn dan de subsidiabel gestelde kosten zònder die bijdrage in natura.

§ 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers

Subsidieverkrijgers dienen aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde verplichtingen te voldoen. In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen weergegeven waaraan - indien de betreffende verplichting op het betreffende project van toepassing is - altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene, subsidiegerelateerde, verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen opgelegd worden en op grond van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverkrijger ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen.

§ 6 Financiële aspecten subsidie

Een subsidie geeft een direct financieel voordeel aan de subsidieverkrijger. Naast dit directe financiële voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook sprake zijn van een financieel voordeel in de vorm van netto inkomsten die tijdens of na het uitvoeren van het project verkregen worden. Ook kan er sprake zijn van een vermogensvoordeel ten gevolge van de subsidie. In sommige gevallen dienen dit soort voordelen verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19, 1.20 en 1.21 geven daar de voorschriften voor. Het gaat hierbij overigens alleen over rechtstreeks gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is gehouden op het tijdstip van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten, bijvoorbeeld kostenreductie dank zij de investering of inkomsten door het verkopen van bedrijfsgebouwen in het kader van een bedrijfsverplaatsing of het vragen van een bijdrage van agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen nemen, zal bij de toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend zou moeten worden, gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot verrekening. Zo hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om een concrete actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste 50.000 euro bedragen. Ook concrete acties waarvoor voorschriften inzake staatssteun gelden, vallen buiten de plicht tot verrekening.

In sommige gevallen kan een toegekende subsidie worden verlaagd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is ook nà afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien niet wordt voldaan aan de instandhoudings-verplichting: een investering in infrastructuur of een productieve investering dient in principe gedurende 5 jaar na vaststelling van de subsidie - gebruiksklaar - in stand te worden gehouden. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie evenredig verlaagd worden.

Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten voorschotten, te weten een voorschot dat vòòr afronding van een project wordt verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project (‘bevoorschotting op basis van realisatie'). Dit soort voorschotten zijn - in POP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij nààst een voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds verrichte projectonderdelen, of - indien van toepassing - bewijsstukken ten aanzien van de ingebrachte bijdrage(n) in natura - moeten worden overgelegd. Een dergelijk voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de tussentijdse betaling té veel onjuiste facturen en betaalbewijzen overlegd worden. Op grond van EU-regelgeving dient een tussentijds voorschot te worden verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de verplichte correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was. Overigens is de bepaling inzake het verlagen van een betaling òòk van toepassing indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft, maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening facturen en betaalbewijzen overgelegd worden.

Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving biedt slechts de mogelijkheid dit soort voorschotten te verlenen voor investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van het te verlenen voorschot.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 definities

[Toelichting: In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. De definities sluiten daar waar mogelijk aan bij de definities zoals gehanteerd in de van toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er strijdigheid bestaan tussen de definitie van een begrip in de van toepassing zijnde EU-verordeningen en de begripsbepaling in deze regeling, dan wel begrippen niet in de begripsbepalingen van deze regeling gedefinieerd zijn, dan worden de begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde EU-definities.]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. a. bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gevonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten
  2. b. grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond;
  3. c. inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele negatieve neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan;
  4. d. landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU, en die een landbouwactiviteit uitoefent;
  5. e. landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd;
  6. f. netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen of diensten, minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op operationele kosten die gerealiseerd worden door de gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten gerekend;
  7. g. niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;
  8. h. ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in VO (EU) 1305/2013
  9. i. VO (EU) 1303/2013: Verordening  (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;
  10. j. VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;
  11. k. VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
  12. l. Voorbereidingskosten: alle kosten die worden gemaakt voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag en die aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van (de ontwikkeling van) het projectplan noodzakelijk voor de subsidieaanvraag.

Artikel 1.2 toepassingsbereik

[Toelichting: POP subsidie kan slechts worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland van Nederland of de agrarische sector. Het gaat hierbij slechts om het deel van Nederland dat in de Europese Unie gelegen is, de overzeese gebieden van Nederland vallen niet onder deze regeling. Onder het platteland van Nederland wordt daarbij verstaan: het grondgebied van Nederland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht ‘stedelijk gebied' te zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de resultaten van de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de agrarische sector.]

  1. 1. Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor activiteiten ten behoeve van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan het landelijk gebied, het platteland van Nederland of de agrarische sector.
  2. 2. Tot het platteland van Nederland behoort het gehele grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners.

Artikel 1.3 openstelling

[Toelichting: In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsidiabele activiteiten of thema's, subsidiabele kosten en selectiecriteria, nader ingevuld worden zodat bij openstelling duidelijk is waarvoor in het kader van de openstelling precies subsidie aangevraagd kan worden en hoe aanvragen beoordeeld zullen worden. Zo wordt in deze regeling bijvoorbeeld aangegeven dat ‘landbouwers' de begunstigden kunnen zijn, maar in een openstellingsbesluit kan dit nader gespecificeerd worden tot ‘varkenshouders' , ‘biologische boeren' of ‘landbouwers waarvan het bedrijf tenminste grootte x heeft'. En de subsidiabele activiteit kan in deze regeling zijn omschreven als ‘kennisoverdracht', maar dat kan in een openstellingsbesluit nader gericht worden tot bv. ‘kennisoverdracht inzake klimaatadaptatie'. Ook kan de Provincie Overijssel er voor kiezen om, vanwege beleidsmatige overwegingen, bepaalde kostensoorten die op grond van deze regeling subsidiabel gesteld zouden kunnen worden, in een specifiek geval toch niet subsidiabel te stellen. Bijvoorbeeld: afschrijvingskosten kunnen op grond van sommige artikelen subsidiabel gesteld worden, maar de Provincie Overijssel kan er voor kiezen om die kosten, bijvoorbeeld vanwege de hoge uitvoeringslasten die gemoeid zijn met het berekenen en beoordelen van die kosten, niet subsidiabel te stellen.

Dit betekent dat de in deze regeling genoemde mogelijkheden de maximale mogelijkheden weergeven, welke ingeperkt kunnen worden in een openstellingsbesluit. In die zin is openstelling per ‘submaatregel' mogelijk. Wat niet mogelijk is, is dat er in een openstellingsbesluit nieuwe, niet in deze regeling genoemde, onderdelen - bijvoorbeeld een andere doelgroep of een andere subsidiabele activiteit - toegevoegd worden.

Voor de selectiecriteria geldt dat de criteria genoemd in deze regeling meestal algemene criteria zijn, die in het algemeen nader uitgewerkt zullen worden in een openstellingsbesluit. Met name het criterium ‘de bijdrage aan in een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoelen' biedt de provincie de mogelijkheid bij openstelling van een maatregel voldoende sturingsmogelijkheden te hebben om te kunnen sturen op het bereiken van de provinciale beleidsdoelstellingen.

Bij alle maatregelen wordt het selectiecriterium ‘kosteneffectiviteit' gebruikt. Met dit selectiecriterium wordt beoogd toepassing gegeven aan artikel 49 van Vo 1305/2013, waarin onder meer is bepaald dat de selectiecriteria borg dienen te staan voor een beter gebruik van financiële middelen. Met deze kosteneffectiviteit wordt bedoeld: in welke mate draagt de subsidie bij aan het realiseren van (beleids)doelstellingen. Voorbeeld: als er sprake is van een project dat onderdeel is van een groter programma of samenhangt met enkele andere (niet door de overheid of niet vanuit POP te subsidiëren) projecten, kan - kijkend naar de opbrengst van het programma of de opbrengst van het project in samenhang met die andere projecten (= spin off van het te subsidiëren project) - er sprake zijn van een relatief kleine subsidie die, door de spin off, grote (beleids)effecten sorteert. Als voorbeeld: een project van 100.000 euro dat een noodzakelijk onderdeel oplevert voor een programma dat in zijn totaliteit voor 1 miljoen euro aan ‘opbrengst' voor een bepaald beleidsdoel genereert, zal naar verwachting hoger op dit selectiecriterium scoren dan een verder vergelijkbaar project met 100.000 euro aan subsidiabele kosten, waarbij er geen sprake is van een spin off effect.]

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen een openstellingsbesluit vaststellen.
  2. 2. Gedeputeerde staten stellen per openstellingsbesluit vast:
    1. a. één of meerdere subsidieplafonds;
    2. b. per plafond een periode waarbinnen een aanvraag om subsidie moet zijn ontvangen.
  3. 3. In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot:
    1. a. de categorieën van activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;
    2. b. de thema's waarop een activiteit betrekking moet hebben;
    3. c. de categorieën van begunstigden;
    4. d. de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking komen;
    5. e. de territoriale begrenzing van de openstelling;
    6. f. een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten;
    7. g. de maximale hoogte van de subsidie;
    8. h. de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie overgelegd moeten worden;
    9. i. het indienen van een voortgangsrapportage
    10. j. overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd.
  4. 4. In het openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde staten vast:
    1. a. de selectiecriteria;
    2. b. het punten aantal dat per selectiecriterium behaald kan worden;
    3. c. de wegingsfactor per selectiecriterium;
    4. d. het minimaal aantal punten dat een aanvraag op basis van de selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.

Artikel 1.4 samenstelling subsidieplafond en subsidiepercentages

[Toelichting: Een subsidieplafond is het totaalbedrag dat bij een openstelling voor subsidieaanvragers beschikbaar wordt gesteld. POP-subsidies bestaan - in het algemeen - uit 50% nationaal overheidsgeld en een bijdrage van 50% die afkomstig is uit het door de EU aan Nederland beschikbaar gestelde bedrag aan middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Provincies zijn in het kader van onderhavige regeling aangewezen als beheerder van het ELFPO-budget. Provincies kunnen in een openstellingsbesluit slechts ELFPO-budget beschikbaar stellen, kunnen naast het ELFPO-budget òòk de benodigde nationale cofinanciering beschikbaar stellen òf kunnen - indien daar in het POP programma voor de betreffende maatregel in is voorzien - alleen nationale overheidsmiddelen beschikbaar stellen (‘aanvullende nationale financiering').

Indien een Provincie slechts ELFPO-middelen beschikbaar stelt, dient een aanvrager de verplicht voorgeschreven nationale overheidsfinanciering op een andere manier te verkrijgen. In die gevallen zal een aanvraag slechts voor (ELFPO)subsidie in aanmerking kunnen komen indien bij de subsidieaanvraag een bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de nationale financiering die benodigd is voor het project beschikbaar is of zal komen. Dit omdat er anders geen sprake is van een sluitende begroting. Het te overleggen bewijs kan bijvoorbeeld een reeds gedane subsidietoezegging of bijdrageverklaring zijn.]

  1. 1. Een subsidieplafond bestaat uit:
    1. a. financiering afkomstig uit ELFPO;
    2. b. financiering afkomstig uit ELFPO  en provinciale middelen; of
    3. c. provinciale middelen.
  2. 2. Indien een subsidieplafond deels of geheel bestaat uit financiering afkomstig uit ELFPO bestaan de in deze regeling genoemde subsidiepercentages voor 50% financiering afkomstig uit ELFPO en voor 50% uit nationale overheidsfinanciering.

Artikel 1.5 doelgroep

[Toelichting: In hoofdstuk 2 worden per maatregel de doelgroep of doelgroepen gedefinieerd. In dit artikel wordt bepaald dat een landbouwonderneming in het kader van deze regeling een MKB-bedrijf dient te zijn. Grote landbouwondernemingen, met meer dan 250 werknemers, komen in het kader van deze regeling niet voor subsidie in aanmerking.]

Indien op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen wordt de subsidie uitsluitend verstrekt aan ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote of micro-ondernemingen (mkb)  als opgenomen in bijlage 1 bij verordening 651/2014 (AGV).

Artikel 1.6 samenwerkingsverbanden

[Toelichting: In sommige gevallen kan een subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband. Indien een samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel samenwerkingsverband in de vorm van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te vragen, zijn er aan het samenwerkingsverband eisen gesteld die in dit artikel worden benoemd. Naast de in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de artikelen in hoofdstuk 2 of 3 én in het openstellingsbesluit aanvullende eisen aan samenwerkingsverbanden worden gesteld.]

  1. 1. Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen slechts voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden:
    1. a. waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en
    2. b. die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad.
  2. 2. Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie tevens:
    1. a. een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen, waarin onder meer door alle partijen wordt verklaard dat iedere partij hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen;
    2. b. de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen.
    3. c. gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen.
  3. 3. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband:
    1. a. berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband;
    2. b. is de penvoerder verplicht de projectadministratie als bedoeld in artikel 1.17, onder g, te voeren;
    3. c. kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de penvoerder van het project als eerste worden aangesproken.

Artikel 1.7 wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag

[Toelichting: Een subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend door gebruik te maken van het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Alleen een volledig ingevuld aanvraagformulier, voorzien van alle voorgeschreven bijlagen, zal in behandeling genomen worden. Aanvragen waarbij slechts een gedeelte van de voorgeschreven informatie wordt aangeleverd en niet alle voorgeschreven informatie vòòr de sluitingsdatum van de tender is aangeleverd (zoals ‘pro forma aanvragen') zullen niet in behandeling genomen worden. Dit om rechtsongelijkheid tussen aanvragers te voorkomen. Enige uitzondering hierop vormen gegevens en bijlagen die weliswaar wel aanwezig dienen te zijn bij een aanvraag voor subsidietoekenning, maar niet essentieel zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een Kamer van Koophandel nummer. Een subsidieaanvrager kàn derhalve de mogelijkheid worden geboden dergelijke gegevens ook na sluiting van de tender, maar binnen een door Gedeputeerde Staten te stellen termijn, aan te vullen.

De aanvraag dient in ieder geval een projectplan te bevatten, waarin ook wordt aangegeven wat de doelstelling(en) van het project is/zijn, of er een relatie is met andere projecten / of het project onderdeel uitmaakt van een groter programma en wat de doelstellingen daarvan zijn en hoe de resultaten van het project worden getoetst. Met de ‘doelstelling' wordt bedoeld: het beleidsdoel wat nagestreefd wordt (bijvoorbeeld: meer fietsers in de gemeente). De doelstelling is in het algemeen van een hoger abstractieniveau dan het projectresultaat (bijvoorbeeld: projectresultaat zal zijn dat er 25 km fietspad is aangelegd of verbeterd). Aanvragers worden geacht in het projectplan aan te geven hoe bezien/bepaald wordt of de doelstelling (meer fietsers in de gemeente) is bereikt.

Indien een aanvraag betrekking heeft op een investering, dient op grond van artikel 45 Verordening (EU) nr. 1305/2013 1e lid "de investering voorafgegaan te worden door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig het recht dat specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu". Dit betekent dat investeringen waarvoor voorafgaand aan de investering een milieu- of omgevingsvergunning verkregen moet zijn, die vergunning verkregen moet zijn vòòr er vanuit ELFPO voor die investering betalingen gedaan kunnen worden. Indien er geen milieu- of omgevingsvergunning verplicht is, bijvoorbeeld omdat de betreffende investering op grond van de Omgevingswet slechts gemeld hoeft te worden, dient de aanvrager een beperkte effectverkenning met een eigen oordeel aan te leveren, op grond waarvan blijkt dat er geen sprake is van een investering die waarschijnlijk negatieve gevolgen voor zal hebben voor het milieu. De zwaarte van de verkenning zal afhangen van het soort/type investering.

Een belangrijk aandachtspunt voor de Europese Commissie is het punt ‘redelijkheid van kosten'. Indien er bij een project geen sprake is van een aanbestedingstraject zal door het Betaalorgaan in het algemeen worden vereist dat een aanvrager - ter onderbouwing van de redelijkheid van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en als toelichting op de begroting- drie offertes aan de aanvraag toevoegt, op basis waarvan het Betaalorgaan de redelijkheid van de opgevoerde kosten kan bepalen.

Onderdeel van de aan te leveren gegevens is ook het aanleveren van informatie over subsidies of vergoedingen / bijdragen die voor dezelfde subsidiabele activiteiten van andere bestuursorganen, private organisaties of personen afkomstig zijn. Deze gegevens zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen of er sprake is van een sluitende begroting, anderzijds kan op basis van deze gegevens ook worden bezien of er wellicht sprake zou kunnen zijn van cumulatie van subsidies of cumulatie met andere vormen van steun.

Aanvragen zullen vaak elektronisch ingediend kunnen worden. Als elektronisch indienen kàn, verdient elektronisch indienen van aanvragen sterk de voorkeur. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is het echter niet mogelijk elektronisch indienen van aanvragen te verplichten.]

  1. 1. Een aanvraag om subsidie:
    1. a. wordt ingediend bij Gedeputeerde staten;
    2. b. wordt ingediend met gebruik making van de meest recente versie van een door Gedeputeerde staten beschikbaar gesteld formulier.
  2. 2. Een aanvraag om subsidie bevat tenminste:
    1. a. een begroting van de kosten van de activiteit;
    2. b. een toelichting op de begroting;
    3. c. een financieringsplan van de kosten van de activiteit;
    4. d. een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;
    5. e. een overzicht van inkomsten die met de uitvoeringen van de activiteit gegenereerd worden;
    6. f. een projectplan waarin tenminste is opgenomen:
    7. 1) de doelstellingen van het project;
    8. 2) een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt;
    9. 3) de wijze van uitvoering van het project;
    10. 4) de wijze waarop de resultaten van het project worden getoetst;
    11. 5) de verwachte realisatietermijn van het project;
    12. 6) de verwachte resultaten van het project.
  3. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevings-effecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering.
  4. 4. Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens:
    1. a. een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar;
    2. b. een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van het project.
  5. 5. Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014.

Artikel 1.8 weigeringsgronden

[Toelichting: In bepaalde gevallen zal een subsidieaanvraag (geheel of gedeeltelijk) afgewezen worden. Indien er gewerkt wordt met een tendersysteem (zie onder §1.3) en het in geval van dreigende overschrijding van het subsidieplafond en het toepassen van loting in de groep van ‘projecten met dezelfde score', is het onwenselijk dat aanvrager(s) voor dezelfde activiteit meerdere aanvragen indienen (om zo de kans bij een eventuele loting te vergroten). Indien voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(s) meerdere aanvragen worden gedaan, zal - tenzij een eerder ingediende aanvraag ingetrokken zou worden - alleen de eerst ingediende aanvraag meegenomen worden in de tenderprocedure. De overige versies van dezelfde aanvraag voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(s) zullen afgewezen worden.

Er zijn projecten waarvan het effect in meerdere provincies ‘neerslaat' of neer kan slaan. In dat geval kunnen provincies in onderling overleg besluiten over de financiering van het project. Die besluitvorming zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat één provincie subsidie verstrekt, maar een deel van de benodigde financiering (naar rato) van een andere provincie verkrijgt. In geval van investeringen zal het in het algemeen zo zijn dat de plaats van de investering leidend is: subsidie voor een investering door een bedrijf in provincie x, maar het grondgebied waar de investering geplaatst wordt is in provincie y, zal aangevraagd kunnen worden bij provincie y. Door middel van fysieke controles dan het daadwerkelijke gebruik van de investering gecontroleerd kunnen worden.

Op grond van de EU-regelgeving dienen subsidies in het algemeen een stimulerend effect te hebben. Een stimulerend effect van een subsidie is niet aanwezig indien de subsidiabele onderdelen van het project al zijn afgerond vòòr een subsidieaanvraag ingediend is. Maar ook indien een project al is begonnen voor de subsidieaanvraag is ingediend, is het de vraag of er sprake is van een stimulerend effect door de subsidie. Een project mag dan ook pas gestart worden als een subsidie aanvraag is ingediend. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde voorbereidende activiteiten voor het project. Kosten voor voorbereidende activiteiten (= voorbereidingskosten) zijn algemene kosten ter voorbereiding van het project, zoals het inschakelen van adviseurs en het (laten) uitvoeren van haalbaarheidsstudies. De kosten moeten aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van het specifieke project. Het kan hierbij overigens NIET gaan om de inzet van eigen personeel van een organisatie, indien de voorbereidende activiteiten feitelijk reguliere werkzaamheden voor dit personeel betreffen.
Voorbereidingskosten zijn op grond van artikel 1.12 subsidiabel, mits ze zijn gemaakt binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het project. Die redelijke termijn is in zijn algemeenheid gesteld op 1 jaar vòòr de aanvraag is ingediend, maar in een openstellingsbesluit kunnen GS van die termijn van 1 jaar afwijken.

Omdat in geval van POP-subsidies er sprake kàn zijn van een POP-subsidieplafond dat slechts uit ELFPO-budget bestaat en een POP-subsidie waarbij ELFPO wordt toegekend alleen rechtmatig verleend wordt indien er ook eenzelfde bedrag aan nationale overheidsfinanciering voor het project beschikbaar gesteld wordt, is als specifieke weigeringsgrond vermeld het feit dat een aanvraag - op het moment van beschikken - niet is voorzien van een bijdrageverklaring dan wel een subsidie- beschikking voor de benodigde nationale overheidsfinanciering.

Overigens is ook de weigeringsgrond genoemd in artikel 4.35, 1e lid, onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht is in dit geval onverminderd van toepassing. Dit betekent dat indien de uitvoering van de activiteit naar het oordeel van gedeputeerde staten technisch, financieel, organisatorisch of economisch niet haalbaar is, de subsidie geweigerd kan worden.]

Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:

  1. a. voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in dezelfde openstellingsperiode;
  2. b. voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of - bedrag;
  3. c. de activiteit niet overwegend plaatsvindt in provincie Overijssel tenzij de activiteit of de resultaten ervan aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van provincie Overijssel, of de activiteit of de resultaten daarvan aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie Overijssel dient of dienen;
  4. d. met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering van voorbereidingshandelingen voor de uitvoering van de activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend;
  5. e. in het opstellingsbesluit de benodigde nationale overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet voorzien is van een bijdrageverklaring of een subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale overheidsfinanciering;
  6. f. een aanvraag minder scoort dan het minimum aantal punten als bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, onderdeel d;
  7. g. de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014;
  8. h. ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Artikel 1.9 personeelskosten

[Toelichting: Indien in een project eigen personeel wordt ingezet, kunnen de kosten van dat personeel berekend worden volgens de methode beschreven in dit artikel. Deze berekeningswijze is, voor wat betreft het aantal uren bij een voltijds dienstverband, verplicht voorgeschreven vanuit de van toepassing zijnde EU-verordeningen. De toeslag voor werkgeverslasten en de opslag voor indirecte kosten zijn zogenaamde standaardschalen van eenheidskosten. Indirecte kosten zijn daarbij alle kosten die niet direct toe te rekenen zijn aan de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, bijvoorbeeld bureaukosten. Overigens zijn personeelskosten (waarbij sprake is van de inzet van personeel waaraan salaris wordt uitbetaald) iets anders dat de kosten van eigen arbeid (aanvrager stopt zelf tijd in een project, maar indien de aanvrager niet in loondienst is en dus geen ‘loon' krijgt, is er geen sprake van personeelskosten) én iets anders dan kosten van vrijwilligers. Deze laatste twee kostenposten zijn geregeld in artikel 1.11.

Aan de te vergoeden kosten voor personeel kàn in een openstellingsbesluit een maximum gesteld worden. Maar ook als er geen maximum gesteld wordt, geldt als algemeen uitgangspunt de redelijkheid van kosten. Loonkosten zijn dan ook gemaximeerd tot een uurtarief dat redelijk is gelet op de aard van de te verrichten werkzaamheden én het aantal te declareren uren is gemaximeerd op het aantal uren dat redelijkerwijs, gelet op de verrichtte of te verrichten werkzaamheden, aan de werkzaamheden besteed wordt. Hierbij is tevens van toepassing dat personeel, op jaarbasis, nooit meer uren kan declareren dan genoemd aantal van 1720 uur.

Bij de berekening van personeelskosten wordt uitgegaan van het meest recente bruto jaarloon. Bij de aanvraag van subsidie zal dit de kosten betreffen van het jaarloon voorafgaand aan de subsidieaanvraag, van een personeelslid van het niveau waarop personeel ingezet wordt in het project. Bij afrekening gaat het om de daadwerkelijk gemaakte kosten.]

  1. 1. Werkelijk gemaakte personeelskosten worden per uur berekend door het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis van een werkweek van 40 uur, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor de werkgeverslasten en een opslag van 15% voor de indirecte kosten.
  2. 2. Indien er sprake is van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur naar rato berekend.
  3. 3. Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar.

Artikel 1.10 kosten aankoop van gronden

[Toelichting: Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen, mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze 10% regeling van toepassing is op grond van de leden 2 of 3 van dit artikel.

Praktijkvoorbeeld: Een project omvat de aanleg van een fietspad met EU-subsidiabele inrichtingskosten van € 810.000 waarvoor in totaal 2 ha grond moet worden aangekocht ad € 140.000,-  De totale projectkosten bedragen dus € 950.000,- Als de aankoopkosten tot 10% over de totale subsidiabele kosten mogen bedragen, vormen de aanlegkosten van € 810.000 dus 90% van de totale subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan teruggerekend (100/90 x € 810.000,- =) € 900.000, waarvan € 90.000,- grondkosten. De overige € 50.000,- grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.]

  1. 1. Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.
  2. 2. Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten van de aankoop de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is bepaald.
  3. 3. Gedeputeerde staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uit maken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS én in het concrete geval ontbreken redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot  30% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 1.11 berekeningswijze bijdragen in natura

[Toelichting: Indien bij een maatregel genoemd in hoofdstuk 2 of 3 bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden, worden in dit artikel de voorwaarden genoemd waaraan moet worden voldaan om een bijdrage in natura vergoed te kunnen krijgen.]

  1. 1. Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten, grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht.
  2. 2. Bijdragen in natura zijn subsidiabel:
    1. a. voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de bijdragen in natura;
    2. b. indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard;
    3. c. indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is.
  3. 3. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie.
  4. 4. Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.
  5. 5. Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-.
  6. 6. Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden.
  7. 7. De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur.
  8. 8. De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur.

Artikel 1.12 subsidiabiliteit van de kosten

[Toelichting: Kosten zijn slechts subsidiabel als de kosten worden gemaakt nadat een aanvraag om subsidie ingediend is. Uitzondering daarop vormen de zogenaamde voorbereidingskosten, zijnde kosten die aantoonbaar gemaakt zijn om te komen tot een projectplan. Het gaat hierbij met name om kosten van bijvoorbeeld adviseurs of haalbaarheidsstudies. Indien eigen personeel ten behoeve van een project wordt ingezet, zijn de voorbereidingsactiviteiten die het personeel heeft uitgevoerd slechts subsidiabel, indien die activiteiten aantoonbaar ten behoeve van het project gemaakt zijn én niet het reguliere werk van het betreffende personeel betreffen.]

  1. 1. Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij gemaakt zijn nadat de aanvraag om subsidie is ingediend.
  2. 2. In afwijking van het eerste lid komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend, tenzij in het openstellingsbesluit anders is bepaald.
  3. 3. De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit:
    1. a. kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;
    2. b. kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;
    3. c. kosten van haalbaarheidsstudies;
    4. d. personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld onder de leden a, b en c van dit artikel.

Artikel 1.13 niet-subsidiabele kosten

[Toelichting: Bij de maatregelen genoemd in hoofdstuk 2 en 3 worden de subsidiabele kosten benoemd. Bepaalde kostenposten zullen, bijvoorbeeld op grond van EU-regelgeving of op basis van provinciale beleidsafwegingen, nooit subsidiabel gesteld worden. In dit artikel worden deze kosten benoemd.]

  1. 1. Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voor de volgende kosten:
    1. a. kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen;
    2. b. kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of - bedrag;
    3. c. kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties;
    4. d. vervangingsinvesteringen;
    5. e. legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden;
    6. f. reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger;
    7. g. kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen;
    8. h. verrekenbare of compensabele BTW;
    9. i. kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde staten niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project of bovenmatig zijn.
  2. 2. Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van:
    1. a. landbouwproductierechten,
    2. b. betalingsrechten;
    3. c. dieren;
    4. d. zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het planten daarvan.

Artikel 1.14 adviescommissie

[Toelichting: Subsidieaanvragen zullen, met uitzondering van aanvragen onder Leader, worden geselecteerd op grond van een tendersysteem aan de hand van tevoren vastgelegde selectiecriteria. Indien de selectiecriteria daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld omdat de criteria niet eenvoudig objectiveerbaar zijn, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten ten behoeve van de beoordeling van ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen, een adviescommissie in het leven te roepen, conform artikel 82 Provinciewet. Er kan daarbij sprake zijn van een ambtelijke adviescommissie,  van een adviescommissie bestaande uit deskundigen of een combinatie van beide. Indien gekozen wordt voor een deskundigen adviescommissie, zal de commissie voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. ]

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen één of meer adviescommissies instellen.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden voorgelegd aan een adviescommissie.

Artikel 1.15 prioritering subsidieaanvragen

[Toelichting: Zoals beschreven in §1.3 worden projecten die worden geselecteerd door middel van het toepassen van tendering op basis van in het openstellingsbesluit aangegeven selectiecriteria en weging daarvan - al dan niet na advisering door een adviescommissie -, van een puntentotaal voorzien. Projecten worden op basis van dit puntentotaal gerangschikt op een prioriteitenlijst.

Projecten die niet voor subsidie in aanmerking komen omdat niet is voldaan aan één of meerdere subsidiabiliteitscriteria of de voorgeschreven minimale totaalscore niet wordt behaald, worden niet op de prioriteitenlijst opgenomen.

Subsidie wordt slechts verstrekt aan projecten opgenomen op de prioriteitenlijst, voor zover het subsidieplafond subsidiëring toelaat. Bij overschrijding van het subsidieplafond en een gelijk aantal punten op de selectiecriteria, treedt de procedure van loting, als beschreven in §1.3, in werking.]

  1. 1. Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden op een prioriteitenlijst gerangschikt.
  2. 2. De rangschikking wordt bepaald door toepassing van alle in het openstellingsbesluit geselecteerde selectiecriteria met de in hetzelfde openstellingsbesluit aangegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaald de rangschikking.
  3. 3. De aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de prioriteitenlijst.
  4. 4. Indien meerdere aanvragen op dezelfde plaats op de prioriteitenlijst worden gerangschikt en door honorering van deze aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.

Artikel 1.16 beslistermijn

Gedeputeerde staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode waarbinnen een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn.

Artikel 1.17  verplichtingen

[Toelichting: Aan een subsidieverkrijger worden verschillende verplichtingen opgelegd. In dit artikel staan de algemeen van toepassing zijnde verplichtingen genoemd. Om te voorkomen dat projecten die nog niet uitvoeringsgereed zijn al wel meedoen in een tender en beslag leggen op een deel van het beschikbare budget, wordt een termijn ‘binnen twee maanden na subsidietoekenning starten met het project' gehanteerd. Van deze termijn kan overigens in het openstellingsbesluit of de toekenningsbeschikking afgeweken worden.

Een vanuit het oogpunt van controle belangrijke verplichting is de verplichting tot het voeren van een inzichtelijke administratie. Die administratie dient tot 5 jaar nà de formele afsluiting van het POP3 op 31 december 2023, dus tot 31 december 2028, bewaard te worden.

Onder een sluitende urenadministratie en een volledig inkoopdossier wordt verstaan wat deze begrippen in het normale taalgebruik betekenen, namelijk een administratie zoals bijvoorbeeld een tijdschrijfsysteem van waaruit het ingezette aantal uren ten behoeve van het project inzichtelijk is resp. een dossier waarin alle documenten die betrekking hebben op de aankoop van een bepaalde investering overzichtelijk bijeen gebracht zijn.

In geval van investeringen is het niet alleen van belang dat aangetoond wordt dat een investering daadwerkelijk gedaan is (‘de machine is gekocht'), maar is ook van belang dat de investering daadwerkelijk gebruikt kàn worden en dus gebruiksklaar is (‘de machine is aangesloten'). Of de investering vervolgens ook daadwerkelijk gebruik wòrdt is niet controleerbaar en dus ook geen vereiste. Wel wordt vereist dat de investering gedurende 5 jaar gebruiksklaar in stand gehouden wordt en dus ook vijf jaar aantoonbaar bruikbaar blijft. ]

  1. 1. De subsidieontvanger is verplicht:
    1. a. indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet, dienen de voorschriften uit de Aanbestedingswet in acht genomen te worden;
    2. b. te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013 ;
    3. c. in geval van investeringen de investering op het moment van indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gebruiksklaar te hebben;
    4. d. een investering gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand te houden, indien de activiteit een investering in infrastructuur of een productieve investering omvat;
    5. e. binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit, tenzij in het openstellingsbesluit of in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;
    6. f. de activiteiten binnen drie jaar na ontvangst van de subsidiebeschikking te hebben voltooid, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;
    7. g. een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking , hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met de onderliggende bewijsstukken:
    8. 1) een sluitende urenadministratie;
    9. 2) een deugdelijk en volledig inkoopdossier;
    10. 3) bewijsstukken, als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt;
    11. h. de administratie en de daartoe beherende bescheiden te bewaren tot 31 december 2028;
    12. i. eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;
    13. j. de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;
    14. k. de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn;
    15. l. medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze regeling belaste toezichthouders.
  2. 2. Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder i, bevat tenminste:
    1. a. de uitgevoerde activiteiten;
    2. b. de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de oorzaak daarvan;
    3. c. de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan   beschreven doelstellingen;
    4. d. de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen worden;
    5. e. de eventuele maatregelen die genomen worden om een eventuele achterstand in te lopen;
    6. f. de financiële voortgang waarin tenminste is opgenomen:
    7. 1) een actueel kostenoverzicht in relatie tot de begroting;
    8. 2) een financieringsoverzicht alsmede een overzicht van toegezegde financiering van derden;
    9. 3) de financiële planning voor de resterende looptijd van de activiteit.

Artikel 1.18 niet doel gebonden verplichtingen

Gedeputeerde staten kunnen aan een subsidieontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen.

Artikel 1.19 verrekening vermogensvoordeel

[Toelichting: Voor zover het verstrekken van een subsidie leidt tot vermogensvorming, kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4.41, tot verrekening van het vermogensvoordeel worden overgegaan, mits dit - in geval van een subsidie op basis van een wettelijk voorschrift - bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dit artikel strekt ertoe die bevoegdheid te creëren. ]

  1. 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is.
  2. 2. De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.
  3. 3. De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde staten in overleg met de subsidieontvanger wordt aangewezen.
  4. 4. De waarde van roerende goederen wordt bepaald op basis van hun boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.

Artikel 1.20 verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering

[Toelichting: Op grond van artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten die tijdens de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren waarmee tijdens de goedkeuring van die actie geen rekening is gehouden, in bepaalde gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. Onder netto-inkomsten worden òòk begrepen besparingen die worden behaald als gevolg van de investeringen (zie de definitie in artikel 1.1). In artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 worden verschillende uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan € 50.000,- bedragen.]

Indien de subsidie betrekking heeft op hoofdstuk 2 of paragrafen met betrekking tot Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties, Samenwerking voor innovaties of Samenwerking in het kader van het EIP van hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.21 verrekening netto inkomsten na uitvoering

[Toelichting: Op grond van artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten die na de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren, in bepaalde gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. In genoemd artikel worden verschillende uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan € 1.000.000,- bedragen.]

Indien de subsidie betrekking heeft op hoofdstuk 2 of paragrafen met betrekking tot Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties, Samenwerking voor innovaties of Samenwerking in het kader van het EIP van hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden overeenkomstig  artikel 61 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.22 verlaging in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot instandhouding van een investering in infrastructuur of een productieve investering

  1. 1. Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in infrastructuur of op een productieve investering verlagen Gedeputeerde staten de vastgestelde subsidie indien binnen vijf jaar na vaststelling van de subsidie:
    1. a. de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst naar een locatie buiten het grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden
    2. b. een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor  een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt;
    3. c. een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de investering of investeringen worden ondermijnd.
  2. 2. De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan.
  3. 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.

Artikel 1.23 bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betalingen)

[Toelichting: Dit artikellid biedt subsidieverkrijgers de mogelijkheid om tussentijds, vòòr afronding van het project, deelbetalingen (een tussentijdse betaling of voorschot op basis van realisatie) aan te vragen voor reeds gemaakte kosten. Om uitvoeringskosten te beperken, wordt de mogelijkheid tot het aanvragen van een tussentijdse betaling beperkt tot aanvragen van minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal 50.000 euro. ]

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van realisatie verlenen.
  2. 2. Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en betalingen.
  3. 3. Een aanvraag om een voorschot bevat tenminste facturen en betaalbewijzen, een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikel 1.17, sub i en voor zover van toepassing:
    1. a. bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten
    2. b. bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura;
    3. c. bewijsstukken inzake afschrijvingskosten.
  4. 4. De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van de subsidie of minimaal € 50.000,-.
  5. 5. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om voorschot.

Artikel 1.24 verlagen voorschot (sanctie)

[Toelichting: Verlagen van een betalingsaanvraag (dat kan een voorschot zijn, maar ook een subsidievaststelling/eindbetaling) is van toepassing als in de betalingsaanvraag kosten zijn opgenomen waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze subsidiabel zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan onvoldoende onderbouwing van gemaakte kosten (bv ontbrekende facturen en/of betaalbewijzen), om kosten voor activiteiten die niet zijn verricht in het kader van het project, om kosten voor activiteiten die wel in het kader van het project zijn verricht, maar waarvan de kosten in de openstelling of in het besluit tot subsidieverlening niet subsidiabel gesteld zijn of kosten die dubbel opgevoerd worden (in één declaratie of al betaalbaar gesteld zijn in een eerdere declaratie). De betreffende - niet subsidiabele - kosten worden vanzelfsprekend niet vergoed. Indien de onjuist gedeclareerde kosten meer dan 10% bedragen van de totaal in de betreffende aanvraag gedeclareerde wel subsidiabele kosten, wordt het te verstrekken voorschot ook nog eens gecorrigeerd met het bedrag van de opgevoerde kosten die niet subsidiabel zijn. Die verlaging kan overigens nooit leiden tot een negatief bedrag. Deze regel is door de Europese Commissie ingesteld om zorgvuldigheid bij aanvragers te stimuleren. Indien een aanvrager aan kan tonen dat hij geen schuld heeft aan de onjuiste declaratie, kan van de korting worden afgezien.

Een rekenvoorbeeld:
Er is een subsidietoekenning verstrekt van 200.000 euro.
Er wordt een betalingsverzoek ingediend (voorschot op basis van realisatie) van 100.000 euro (er wordt voor 100.000 euro aan facturen en betaalbewijzen overlegd). Bij controle blijkt dat 20.000 euro aan facturen en betaalbewijzen NIET betaalbaar gesteld kan worden, omdat de facturen en betaalbewijzen geen in het kader van het project subsidiabel gestelde kosten betreffen. Er is dus sprake van 20.000 euro aan ‘onjuiste' facturen, 80.000 euro aan facturen is wel subsidiabel. Er is daarmee sprake van een fout van 25% (20.000 ‘fout' en 80.000 ‘goed'). Het te betalen voorschot van 80.000 euro (bedrag van de juiste facturen), wordt nu verlaagd met 20.000 euro (het totaal bedrag aan onjuiste facturen) en dus wordt een voorschot uitbetaald van 60.000 euro.]

  1. 1. Gedeputeerde staten stellen bij een verzoek om voorschot als bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt.
  2. 2. Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd.
  3. 3. De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag.
  4. 4. Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil.
  5. 5. Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger aantoont dat het verzoek om voorschot buiten zijn schuld facturen, betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet subsidiabel zijn of indien Gedeputeerde staten anderszins van oordeel is dat de betrokken begunstigde geen schuld treft.

Artikel 1.25 voorschotten vooruitlopend op realisatie

[Toelichting: In een beperkt aantal gevallen is het mogelijk om vòòr de uitvoering van een project daadwerkelijk gestart is en kosten aantoonbaar gemaakt zijn, een voorschot (‘voorschot vooruitlopend op realisatie') aan te vragen. De verordening [(EU) 1305/2013, artikel 42 lid 2 en art. 45 lid 4] beperkt de mogelijkheid voor dergelijke voorschotten tot investeringsprojecten en functionerings- en dynamiseringskosten bij Leader. Het voorschot bedraagt maximaal 50% van de totaal toegekende overheidssteun en kan slechts toegekend worden indien er voor 100% van het voorschot een garantie is verstrekt. Een dergelijke garantie kan worden verstrekt door een bank of daaraan gelijkgestelde instelling. Ook een overheidsgarantie kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, als garantiestelling geaccepteerd worden.]

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek voorschotten vooruitlopend op realisatie verlenen.
  2. 2. Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of subsidie op grond van een regeling met betrekking tot  Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep (LEADER).
  3. 3. Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verlenen voordat kosten zijn gemaakt en betaald door subsidieverkrijger, indien er een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het voorschot is gesteld.
  4. 4. Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld.
  5. 5. Een voorschot kan maximaal 50% van de oorspronkelijk verleende subsidie bedragen.
  6. 6. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een voorschot.

Artikel 1.26 Wijzigingsverzoeken

[Toelichting: De ervaring leert dat projecten gedurende de looptijd vaak op één of meerdere punten gaan afwijken van hetgeen in het oorspronkelijke projectplan werd vermeld. Een subsidieverkrijger kan bij Gedeputeerde Staten in dat geval een wijzigingsverzoek indienen. Bij de beoordeling van het wijzigingsverzoek zal Gedeputeerde Staten in ieder geval beoordelen in hoeverre de voorgestelde aanpassing zou leiden tot een project dat, indien het project in die aangepaste versie oorspronkelijk zou zijn ingediend, niet voor subsidie in aanmerking gekomen zou zijn. Indien nodig kunnen Gedeputeerde Staten zich hierbij laten adviseren door de adviescommissie als bedoeld in 1.14. Voor zover van toepassing / mogelijk, is het van belang dat een wijzigingsverzoek ingediend én goedgekeurd is, vòòr de aanvrager de uitvoering van het project daadwerkelijk aanpast. Aanpassingen die doorgevoerd worden vòòr een wijzigingsverzoek is goedgekeurd, voert de aanvrager voor eigen rekening en risico door.]

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek de beschikking tot subsidieverlening wijzigingen.
  2. 2. Een wijzigingsverzoek kan niet worden gehonoreerd indien de wijziging:
    1. a. leidt tot een activiteit die op grond van het openstellingsbesluit niet subsidiabel is;
    2. b. leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van de selectiecriteria dan het minimum aantal punten om voor subsidie in aanmerking te komen;
    3. c. zou leiden tot een lagere plaats op de prioriteitenlijst dan de plaats waarop het subsidieplafond is bereikt.

Artikel 1.27 subsidievaststelling

[Toelichting: Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient tijdig bij Gedeputeerde Staten te worden ingediend. Een aanvraag tot subsidievaststelling dient uiterlijk op de datum die vermeld is in de subsidietoekenning te worden ingediend. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan deze termijn indien nodig worden verdaagd.

Bij de aanvraag dienen alle bescheiden te worden overlegd die noodzakelijk zijn om de inhoudelijke uitvoering van het project, de financiële aspecten ervan en de behaalde resultaten te kunnen beoordelen. Soms zal ten behoeve van de aanvraag van subsidievaststelling een formulier zijn voorgeschreven dat gebruikt moet worden. Er moet bij de aanvraag in ieder geval een onderverdeling gemaakt worden naar de onderscheiden subsidiabele kosten. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een onderscheid dat is gemaakt in de subsidiebeschikking of, indien daarnaar in de subsidiebeschikking verwezen wordt, in de begroting bij de aanvraag.

De subsidieverkrijger dient een eigen beoordeling te geven van hetgeen het project heeft opgeleverd. Deze beoordeling gaat verder dan het feitelijk beschrijven van de activiteit(en) die is/zijn verricht. Het is van belang dat de subsidieverkrijger aangeeft in hoeverre de activiteit(en) daadwerkelijk heeft/hebben bijgedragen aan de (meer abstracte) doelstellingen van het project.]

  1. 1. Subsidieontvanger is verplicht zijn aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk op de in de verleningsbeschikking genoemde uiterste datum voor het indienen van bedoelde aanvraag in te dienen;
  2. 2. De aanvraag om vaststelling bevat tenminste:
    1. a. een inhoudelijk en financieel verslag;
    2. b. facturen en betaalbewijzen;
  3. 3. Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben.
  4. 4. Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.
  5. 5. Het inhoudelijk verslag bevat ten minste:
    1. a. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht;
    2. b. een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening;
    3. c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en
    4. d. de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.
  6. 6. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.
  7. 7. Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van de subsidie op basis van facturen en betaalbewijzen, gemaakte personeelskosten of geleverde inbreng in natura bevat, is artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.28 wettelijke rente bij terugvordering.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum van de terugbetaling dan wel verrekening.

Artikel 1.29 verlagingen

[Toelichting: Indien er sprake is van onregelmatigheden, moet de verleende of zelfs een reeds vastgestelde subsidie - op grond van EU-voorschriften - worden verlaagd. Onregelmatigheden zijn, kort gezegd, ‘een handeling of een nalaten, waardoor de begroting van de Gemeenschappen wordt of zou kunnen worden benadeeld'. Het is een koepelterm die feitelijk aanduidt dat er ‘iets' anders is gegaan dan is afgesproken. Dat ‘iets' kan van alles zijn, van een gebrekkige administratie tot investeringen waarvoor wel subsidie is verkregen, maar die helemaal niet gedaan blijken te zijn.]

  1. 1. Gedeputeerde staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van controles als bedoeld in artikel 48 en 49 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden.
  2. 2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

Hoofdstuk 2 LEADER

2.1 Algemeen

[Toelichting: LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar "license to produce". Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want:

  • LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn;
  • LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen;
  • LEADER kan ondersteunen in ‘krimp' gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland;
  • LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is;
  • LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven.

Lokale Aktie Groepen
In Overijssel is een viertal Lokale Actie Groepen (LAG's) door Gedeputeerde Staten ingesteld, te weten:
- Zuidwest Twente
- Salland
- Noordoost Twente
- Noord Overijssel

Deze groepen zijn breed samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevolking uit het betreffende LEADER gebied. Hun taak is tweeledig; zij geven vorm aan het bottom-up karakter van het LEADER programma door als aanjager en begeleider van LEADER-waardige projecten uit de regio te acteren en adviseren Gedeputeerde Staten omtrent de subsidiabiliteit van de ingediende projectaanvragen. Door de formele instelling op basis van artikel 82 Provinciewet hebben zij ook de status van adviesorgaan van Gedeputeerde Staten verkregen. De door de LAG's afgegeven adviezen gelden als een zwaarwegend advies aan Gedeputeerde Staten.

Iedere LAG heeft zijn visie omtrent de aanpak van  de opgaven in haar regio en besteding van de LEADER gelden neergelegd in de desbetreffende Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS). Deze documenten gelden als leidraad voor het handelen van de LAG's. ]

2.1.1 algemeen

  1. 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
    1. a. LAG: locale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo (EG) nr. 1303/2013;
    2. b. Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr. 1303/2013.
  2. 2. In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde staten afgeweken worden van de algemene bepalingen als opgenomen in hoofdstuk 1 van deze verordening.

2.2 Regeling Lopende kosten en dynamisering LEADER

[Toelichting: Deze regeling is uitsluitend bedoeld voor Lokale Actiegroepen (LAG) die zijn ingesteld door Gedeputeerde Staten van Overijssel in het kader van de LEADER maatregel uit het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3).

De regeling voorziet in een tegemoetkoming van de kosten voor het beheer van de uitvoering en de kosten voor promotie en voorlichting van de ontwikkelingsstrategie. De EU bijdrage en en de provinciale bijdrage vormen tezamen 75% van de steun. De overige 25% dienen door een gemeente cq waterschap te worden bijgedragen.]

2.2.1 subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  1. a. beheer van de uitvoering van de Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS);
  2. b. promotie en voorlichting van de LOS.

2.2.2 aanvrager

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan een LAG.

2.2.3 subsidievereiste

  1. 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van de Regeling POP3 subsidies wordt subsidie uitsluitend verstrekt indien de aanvraag past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.
  2. 2. Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 16 december 2015 tot en met 15 februari 2016.

2.2.4 subsidiabele kosten

  1. a. Voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 sub a zijn de volgende kosten subsidiabel:
    1. i. operationele kosten en personeelskosten;
    2. ii. opleidingskosten;
    3. iii. kosten voor public relations;
    4. iv. in afwijking van het bepaalde in artikel 1.13 van de Regeling POP3 subsidies, kosten voor financiële diensten,   waaronder begrepen kosten voor bankdiensten en financieringen;
    5. v. kosten voor monitoring en evaluatie.
  2. b. Voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 sub b zijn de volgende kosten subsidiabel:
    1. i. kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen belanghebbenden;
    2. ii. kosten voor het promoten van en verstrekken van informatie over de LOS
    3. iii. kosten voor de ondersteuning van potentiële begunstigden bij de ontwikkeling van concrete projecten en het voorbereiden van aanvragen

2.2.5 hoogte subsidie

De steun van deze regeling bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 25% van de totale publieke uitgaven voor de Lokale Ontwikkelings Strategie.

2.2.6 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.2.1 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.2.3 tweede lid vast op € 1.567.181.

Het subsidieplafond wordt als volgt onderverdeeld:

€ 450.000 voor de LAG Zuidwest Twente;

€ 375.000 voor de LAG Salland;

€ 225.000 voor de LAG Noordoost Salland;

€ 517.181 voor de LAG Noord Overijssel.

2.3 Regeling uitvoering van LEADER projecten

[Toelichting: Met de ‘Regeling uitvoering van LEADER projecten' wordt fors ingezet op de plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013),

Cofinanciering projecten
Indien de provincie minder subsidie beschikbaar stelt dan het Europese ELFPO-budget, dient een private aanvrager bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte aanvullende nationale overheidsfinanciering, van bijvoorbeeld gemeente of waterschap, ten behoeve van het project beschikbaar is gesteld (zie artikel 1.4).

Subsidiabiliteit van kosten
De LAG's hanteren een uniforme lijst van subsidiabele kosten voor de ingediende aanvragen. Het gaat hierbij om de volgende kostensoorten:
(NB. Voor een toelichting op de kosten verwijzen wij u ook graag naar Hoofdstuk 1 en de toelichting op Hoofdstuk 1).
de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;
- Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.
- Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten van de aankoop de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is bepaald.
- Gedeputeerde staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uit maken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS én in het concrete geval ontbreken redelijke alternatieven om de milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot  30% van de totale subsidiabele kosten.

de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten;
Bedrijfsmiddelen (o.a. machines, inventaris,  computers, etc.) komen alleen voor subsidie in aanmerking als deze uitsluitend en blijvend worden gebruikt door de eindbegunstigde als onderdeel van de projectinvesteringen. Wanneer bedrijfsmiddelen langer dan de duur van het project kunnen worden gebruikt zijn de afschrijvingskosten van bedrijfsmiddelen voor de duur van het project subsidiabel.
De aankoop of huurkoop van nieuwe machines en bedrijfsuitrusting, met inbegrip van hardware zijn subsidiabel tot ten hoogte de marktwaarde van het bedrijfsmiddel. Deze  kosten mogen maximaal 5% van de totale projectkosten bedragen.

de kosten van architecten en ingenieurs;
Deze kosten zijn subsidiabel.

de kosten van externe adviseurs;
Deze kosten zijn subsidiabel. Hieronder vallen bijvoorbeeld kosten voor financiële of technische expertise en juridisch advies.

de kosten van haalbaarheidsstudies;
Zie: voorbereidingskosten.

de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
Deze kosten zijn subsidiabel.

de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
Deze kosten zijn subsidiabel.

bijdragen in natura;
1. Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten, grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht.
2. Bijdragen in natura zijn subsidiabel:
a. voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de bijdragen in natura;
b. indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard;
c. indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is.
3. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie.
4. Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.
5. Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-.
6. Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden.
7. De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur.  Deze bedragen worden niet uitgekeerd, maar gelden als eigen bijdrage in de financiering van het project.
8. De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur. Deze bedragen worden niet aan de vrijwilligers uitgekeerd, maar gelden als eigen bijdrage in de financiering van het project.

niet verrekenbare BTW;
Indien de BTW kan worden verrekend of gecompenseerd zijn deze kosten niet subsidiabel.

personeelskosten;
1. Werkelijk gemaakte personeelskosten worden per uur berekend door het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis van een werkweek van 40 uur, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor de werkgeverslasten en een opslag van 15% voor de indirecte kosten.
2. Indien er sprake is van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur naar rato berekend.
3. Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar.

voorbereidingskosten;
Voorbereidingskosten komen slechts voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.
De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit:
a. kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;
b. kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;
c. kosten van haalbaarheidsstudies;
d. personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld onder de leden a, b en c van dit artikel.

reis en verblijfkosten;
Deze kosten zijn subsidiabel. Bij berekening van de kosten dient het normaal zakelijk gebruik als uitgangspunt te worden genomen. Reiskosten voor woon-werkverkeer zijn niet subsidiabel, daar zij vallen onder de opslag voor overhead (artikel 1.9 lid 1).

de kosten voor promotie en publiciteit;
Deze kosten zijn subsidiabel. Hieronder vallen ook de kosten voor een informatiebord of plaquette. Op de website www.europaloket.nl POP3 2014-2023 treft u hierover meer informatie aan, inclusief het format voor de plaquette. De kosten voor promotie en publiciteit dienen echter wel in redelijke verhouding te staan ten opzichte van het project.

Hoogte subsidie
Algemeen
De hoogte van het subsidiepercentage wordt door de LAG bepaald en door Gedeputeerde Staten opgenomen in het openstellingsbesluit. Deze percentages kunnen dan ook per LAG verschillen. Tevens is per LAG een minimum en maximum subsidiebedrag genoemd. Dit betekent dat subsidie niet wordt toegekend wanneer het aangevraagde subsidiebedrag lager ligt dan het in de regeling genoemde minimumbedrag. Bij aanvraag kan maximaal het in de regeling genoemde maximum subsidiebedrag worden aangevraagd. Wanneer bij vaststelling meer subsidiabele projectkosten worden gerealiseerd dan begroot, blijft het maximum subsidiebedrag conform het maximum subsidiebedrag weergegeven in de subsidieverleningsbeschikking.

De hoogte van de subsidie is samengesteld uit financiële bijdragen van meerdere overheden. De Europese Unie draagt 50% van de subsidie bij. Daarnaast neemt de provincie Overijssel 25% voor haar rekening. De overige 25% dient te worden bijgedragen door een derde overheid. Aan de subsidie-aanvrager de taak ervoor zorg te dragen dat de bijdrage van deze overheid is gegarandeerd. Dit blijkt uit een bijgevoegde intentieverklaring tot bijdrage van de desbetreffende overheid bij de projectaanvraag.

Schematisch ziet de financiering van een project van € 80.000,- bij een gehanteerd subsidiepercentage van 50% er als volgt uit:
Subsidie 50%:
Bijdrage Europa  € 20.000,-;
Bijdrage provincie  € 10.000,-;
Bijdrage derde overheid € 10.000,-;
Eigen bijdrage 50%
Bijdrage aanvrager € 40.000,-.

Financiering op basis van tekort
De mogelijkheid bestaat dat een aanvrager besluit slechts subsidie aan te vragen ter grootte van het financieringstekort van het project. De aanvrager van subsidie geeft in de aanvraag aan, in ieder geval in het financieringsplan, welk financieringstekort het project heeft en waarvoor aanvrager subsidie aanvraagt. Wanneer dit tekort en daarmee het aangevraagde subsidiebedrag lager ligt dan kon worden aangevraagd op basis van het in de regeling genoemde percentage van de subsidiabele kosten, wordt dit tekort gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag. Dit houdt in dat, wanneer Gedeputeerde Staten besluit het project een subsidie te verlenen, hierin zal worden opgenomen dat het project een subsidie kan ontvangen van het percentage genoemd in de regeling tot een maximum van € x,-, waarbij ‘x' het bedrag van het in de aanvraag aangegeven tekort is. Bijvoorbeeld ‘de subsidie wordt vastgesteld op 50% van de gerealiseerde subsidiabele kosten tot het maximum van € 40.000,-.

Beoordeling projectvoorstellen/selectiecriteria/puntenmethodiek
Na indiening van de projectvoorstellen bij de provincie Overijssel worden de stukken beoordeeld op volledigheid. (1e toets) Indien blijkt dat de tijdig ingediende aanvraag nog aanvullingen behoeft, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld deze aanvullingen binnen een bepaalde termijn toe te voegen. Na afronding van deze beoordeling worden de projecten inhoudelijk getoetst. (2e toets) Hierbij wordt beoordeeld of de projecten passen in de kaders van het openstellingsbesluit.

De Europese Commissie verlangt dat slechts de betere projecten voor subsidie in aanmerking komen.(3e toets) Hiervoor is het systeem van selectiecriteria in het leven geroepen. De LAG's hebben in de desbetreffende Lokale Ontwikkelingsstrategieën hun selectiecriteria opgenomen. Aan de hand van deze, in het openstellingsbesluit overgenomen selectiecriteria, worden punten aan een project toegekend. Deze werkzaamheden zijn door Gedeputeerde Staten aan de Lokale Aktie Groep, in haar hoedanigheid van adviesorgaan van Gedeputeerde Staten, opgedragen. Tijdens een LAG-vergadering kennen de individuele leden aan de ingediende projectvoorstellen een bepaalde score toe. Het gemiddelde van de individuele scores bepaalt de totaalscore van een projectvoorstel. Op basis van de totaalscores wordt de ranking van de projecten bepaald. De ranking speelt een belangrijke rol bij de toekenning van de subsidie. Het hoogstscorende project komt als eerste voor subsidie in aanmerking. De toekenning gaat in volgorde van ranking door tot eventueel het subsidieplafond wordt bereikt. Mocht het subsidieplafond voor die bewuste openstellingsperiode worden bereikt, komen projecten die lager scoren niet voor subsidie in aanmerking. Bij overschrijding van het subsidieplafond en een gelijk aantal punten op de selectiecriteria treedt de procedure van loting als beschreven in artikel 1:15 lid 4 en bijbehorende toelichting in werking.

In het openstellingsbesluit is per LAG een bepaalde puntenmethodiek opgenomen. Deze methodiek zal dan ook per LAG verschillen. Deze methodiek houdt in dat per selectiecriterium een maximaal aantal kan worden behaald. Zoals reeds opgemerkt wordt de hoogte van deze puntenscore bepaald door de LAG. Tevens wordt per criterium een minimumscore gehanteerd. Dit betekent dat voor elk criterium een minimale score moet worden behaald om voor subsidie aan aanmerking te komen. Wordt bij één criterium niet aan deze eis voldaan, komt het project niet voor subsidie in aanmerking.

Om te garanderen dat ieder projectvoorstel aan een bepaalde minimumeis voldoet is in het openstellingsbesluit opgenomen dat als totaalscore een bepaald minimum aantal punten moet worden behaald. Ook hier geldt dat, indien het minimum niet wordt behaald, het project niet voor subsidie in aanmerking komt.

Relatie selectiecriteria en puntenmethodiek LOS
De selectiecriteria en puntenmethodiek zoals beschreven in de regeling is een nadere uitwerking van hetgeen in de LOS is opgenomen. Dit is noodzakelijk in verband met de controleerbaarheid en verifieerbaarheid van de regeling. Dergelijke wijzigingen, aanvullingen of aanpassingen zijn in samenspraak met de LAG tot stand gekomen. De regeling is hierbij leidend ten opzichte van de LOS. ]

A. Lokale Aktie Groep Zuidwest Twente

Artikel 2.3.1 subsidiabele activiteiten

[Toelichting: Subsidie kan worden verstrekt aan een project of activiteit dat voldoet aan de uitgangspunten van de Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS) Zuidwest Twente zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel in haar vergadering van 24 november 2015. Het project dient zich te richten op één of meer van de volgende thema's:
1. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen;
2. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied;
3. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist;
4. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad.]

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van LEADER Zuidwest Twente:

  1. a. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen;
  2. b. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied;
  3. c. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist;
  4. d. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad.

Artikel 2.3.2 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  1. a. publieke rechtspersonen;
  2. b. private rechtspersonen.

Artikel 2.3.3 subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;
  2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten;
  3. c. de kosten van architecten en ingenieurs;
  4. d. de kosten van externe adviseurs;
  5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies;
  6. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  7. g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. niet verrekenbare BTW;
  10. j. personeelskosten;
  11. k. voorbereidingskosten;
  12. l. reis en verblijfkosten;
  13. m. de kosten voor promotie en publiciteit.

Artikel 2.3.4 criteria

[Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en de maximaal € 100.000,-.

De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, bestaande uit EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.
  2. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.

Artikel 2.3.5 hoogte subsidie

[Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en de maximaal € 100.000,-.

De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten, bestaande uit EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.
  2. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.

Artikel 2.3.6 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  1. a. Indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;
  2. b. Indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.

Artikel 2.3.7 bevoorschotting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

Artikel 2.3.8 selectiecriteria

[Toelichting: Met behulp van de selectiecriteria zoals opgenomen in de Lokale Ontwikkelings Strategie onder Bijlage 4 wordt beoordeeld in hoeverre het project tegemoet komt aan de doelstellingen van het LEADER programma. Deze beoordeling vindt plaats met behulp van de volgende selectiecriteria:

1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS. Een project kan bijdragen aan één of meerdere doelen. Het gaat hierbij om kwaliteit van de mate van bijdrage, niet om de kwantiteit (aantal doelen waaraan wordt bijgedragen). Deze doelen zijn:
a. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen;
- Is er een aantoonbaar draagvlak voor een nieuwe of te behouden voorziening onder de inwoners;
- Wordt de voorziening in stand gehouden door de inwoners na realisatie;
- Wordt er ingespeeld op de jeugd;
- Wordt er met de voorziening rekening gehouden met zorgaspecten in het LEADER-gebied.
b. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied;
- Draagt het bij aan de verbetering van het vestigingsklimaat in het buitengebied;
- Worden er in het project diverse kwaliteiten dan wel sectoren van het LEADER-gebied verbonden;
- Draagt het project bij aan (duurzame) werkgelegenheid in brede zin;
c. De profilering van Zuidwest Twente als boeiende omgeving voor recreant en toerist;
- Draagt het project bij aan behoud en/of groei van werkgelegenheid;
- Worden lokale (toeristisch/recreatieve) ondernemingen zichtbaar door het project;
- Draagt het project bij aan de toeristische beleving van Zuidwest Twente.
d. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad
- Draagt het project bij aan bewustwording van (streek)voedsel (al dan niet in de stad);
- Draagt het project bij aan vermarkting van de landbouw om meer lokaal voedsel af te nemen.
2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht);
- Hoe bottom-up is het project; is het draagvlak duidelijk aangetoond;
- In hoeverre is het project integraal van opzet, bestrijkt het meerdere (sub)doelen?;
- is het project vernieuwend/innovatief voor het gebied;
- Is er sprake van samenwerking in het gebied en/of wordt er een netwerk opgebouwd;
- Maakt het project gebruik van of is het gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit;
- Is het project overdraagbaar. Het betreft inhoudelijke overdraagbaarheid, van kennis en ervaring.
3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt;
a. De organisatiebeschrijving
- Is er een projectleider?;
- Is er een projectteam?;
- Worden de verantwoordelijkheden beschreven in het projectplan?;
- Hoe wordt de realisatie van de projectdoelen geborgd?
- Wordt het project maatschappelijk verantwoord uitgevoerd?
b. De expertise van de initiatiefnemer
c. Het realisme van het tijdpad
d. Het zicht op continuiteit
e. Een sluitende en transparante begroting
- Is er sprake van een deugdelijke transparante begroting die aan regels van de subsidieverordening voldoet;
f. Het dekkingsplan
- Is er een sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing/toezegging cofinanciering?
g. Het communicatieplan
4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project.  
a. Is de balans goed tussen de investeringen, tijdsinzet en te verwachten resultaten:
b. De meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie
c. Is er zicht op continuiteit van het project na realisatie.]

In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. 1. De mate waarin het project bijdraagt aan één of meerdere doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit de omschrijving van de bijdrage aan:
    1. a. Het behouden en creëren van levendige gemeenschappen;
    2. b. Het versterken van bedrijvigheid in het buitengebied;
    3. c. Profilering van een boeiende omgeving voor recreant en toerist;
    4. d. Verstevigen van de relatie tussen landbouw, voedsel en stad.
  2. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER, hetgeen blijkt uit
    1. a. de bottom-up aanpak;
    2. b. de integraliteit;
    3. c. innovativiteit;
    4. d. samenwerking;
    5. e. gebiedsgerichtheid;
    6. f. overdraagbaarheid.
  3. 3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt, hetgeen blijkt uit:
    1. a. de organisatiebeschrijving;
    2. b. de expertise van de initiatiefnemer;
    3. c. het realisme van het tijdpad;
    4. d. het zicht op continuïteit;
    5. e. een sluitende en transparante begroting;
    6. f. het dekkingsplan;
    7. g. het communicatieplan.
  4. 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit
    1. a. de balans tussen investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin;
    2. b. de meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie;
    3. c. het zicht op de continuïteit na realisatie van het project.

Artikel 2.3.9 puntenmethodiek

Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.8, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.

  1. a. Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.8 lid 1 bedraagt 10 punten;
    2. artikel 2.3.8 lid 2 bedraagt 10 punten;
    3. artikel 2.3.8 lid 3 bedraagt 7 punten;
    4. artikel 2.3.8 lid 4 bedraagt 7 punten.
  2. b. Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.8 lid 1 bedraagt 7 punten;
    2. artikel 2.3.8 lid 2 bedraagt 7 punten;
    3. artikel 2.3.8 lid 3 bedraagt 5 punten;
    4. artikel 2.3.8 lid 4 bedraagt 5 punten.
  3. c. Projecten dienen minimaal 24 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

B. Lokale Aktie Groep Salland

Artikel 2.3.10 subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) Leader De Kracht van Salland:

  1. a. het stimuleren van (sociale) innovaties en de toepassing ervan (People);
  2. b. het stimuleren van de duurzame ontwikkeling van Salland (Planet);
  3. c. het versterken van de economie van Salland (Profit).

Artikel 2.3.11 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  1. a. publieke rechtspersonen;
  2. b. private rechtspersonen.

Artikel 2.3.12 subsidiabele kosten

[Toelichting: In dit artikel staan de kostensoorten vermeld, die voor een Leaderbijdrage in aanmerking komen. ]

Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;
  2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten;
  3. c. de kosten van architecten en ingenieurs;
  4. d. de kosten van externe adviseurs;
  5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies;
  6. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  7. g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. niet verrekenbare BTW;
  10. j. personeelskosten;
  11. k. voorbereidingskosten;
  12. l. reis en verblijfkosten;
  13. m. de kosten voor promotie en publiciteit.

Artikel 2.3.13 criteria

[Toelichting: Om voor subsidie in aanmerking te komen moet er sprake zijn van een bepaalde omvang van het project. Het project moet financieel minimaal dermate groot zijn dat een subsidiebijdrage van € 30.000,- wordt toegekend en maximaal zo groot dat € 100.000,- kan worden toegekend. Bij een gehanteerd subsidiepercentage van 50% betekent dit dat de minimale omvang van een project € 60.000,- moet bedragen. De subsidie bestaat uit:  EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%).

Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.
  2. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.

Artikel 2.3.14 hoogte subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.
  2. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.

Artikel 2.3.15 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  1. 1. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;
  2. 2. indien het project niet past binnen de door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.

Artikel 2.3.16 bevoorschotting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

Artikel 2.3.17 selectiecriteria

[Toelichting: De Lokale Aktie Groep heeft in de LOS onder Par 7.2 de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zulen worden beoordeeld.
De LAG toetst
1. In welke mate de projecten bijdragen aan de doelen van de LOS. Hierbij worden de volgende doelen onderscheiden:
- People; de stimulering van sociale innovaties en de toepassing ervan door middel van:
o Moderne en creatieve initiatieven die bijdragen aan sociale inclusie en slimme oplossingen om het voorzieningenniveau op peil te houden ("Meedoen")
o Initiatieven die bijdragen aan een gezond leven en een fijne leefomgeving ("Gezond leven")
- Planet; de stimulering van de duurzame ontwikkeling van Salland door middel van:
o Bewustwording en educatie op gebied van water, landschap, biodiversiteit, energie, grondstoffen, voedsel en gezond leven. ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie")
o Experimentele projecten met kennisoverdracht ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie")
- Profit; de versterking van de economie van Salland door middel van:
o Gezamenlijke initiatieven van ondernemers, WEconomy, maatschappelijk ondernemen ("plattelandsWEconomy")
o Experimentele projecten met kennisoverdracht tussen ondernemers en onderwijs ("kennisdelen onderwijs-bedrijfsleven")
2. In welke mate de projecten voldoen aan de Leadercriteria. Deze criteria zijn:
- Bottom up, draagvlak;
- Innovatief;
- Gebiedsgericht, meerwaarde voor Salland;
- Samenwerking;
- Overdracht van kennis en ervaring.
3. In welke mate de projecten financieel en organisatorisch haalbaar zijn. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol:
a. Financieel (a, b, c)
- Is de begroting realistisch?
- Is er een logisch verband tussen de beoogde doelen, de geplande activiteiten en de begrote kosten?
- Is de financiering toegezegd? Zijn de toezeggingen van cofinanciering bijgesloten?
- Is de exploitatiebegroting voor de komende 3 jaren dekkend en realistisch?
- Is het project op langere termijn levensvatbaar?
- In welke mate de projecten efficiënt zijn (value for money).
b. Organisatorisch (d en e)
- Is het project logisch en solide georganiseerd?
- Hebben de organisatoren de capaciteit om het project te realiseren en in stand te houden?
- Is er openbare kennis over de betrouwbaarheid en/of kwaliteit van de organisatoren?
- Is er (schijn van) belangenverstrengeling?
- Wie zijn er betrokken? Wie mis je?
- Is het tijdpad realistisch?
- Zijn benodigde vergunningen aangevraagd/verleend?
4. In welke mate de projecten efficiënt en doelmatig zijn. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol:
- Value for money:
- Kleinschaligheid:
- Efficiëntie:
o Hoe ligt de balans tussen de begrote kosten en de verwachtte opbrengst van het project? Is de begroting realistisch of is het ‘opgeklopt'?
o Is dit project de gevraagde Leaderbijdrage waard?
- Is een Leaderbijdrage nodig:
- Is de Leaderbijdrage echt nodig?
- Zonder de Leaderbijdrage kan het project niet doorgaan?
- Er zijn geen andere financieringsbronnen die beter geschikt zijn voor dit project?
De LAG zoekt concrete, uitvoeringsgerichte projecten met die na de opstart op eigen benen kunnen staan.]

In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. 1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit:
    1. a. de stimulering van sociale innovaties en de toepassing ervan ("People") door middel van:
    2. - Moderne en creatieve initiatieven die bijdragen aan sociale inclusie en slimme oplossingen om het voorzieningenniveau op peil te houden ("Meedoen")
    3. - Initiatieven die bijdragen aan een gezond leven en een fijne leefomgeving ("Gezond leven")
    4. b. de stimulering van de duurzame ontwikkeling van Salland ("Planet") door middel van:
    5. - Bewustwording en educatie op gebied van water, landschap, biodiversiteit, energie, grondstoffen, voedsel en gezond leven. ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie")
    6. - Experimentele projecten met kennisoverdracht ("Landschap, water en landbouw" en "Circulaire economie")
    7. c. de versterking van de economie van Salland ("Profit") door middel van:
    8. - Gezamenlijke initiatieven van ondernemers, WEconomy, maatschappelijk ondernemen ("plattelandsWEconomy")
    9. - Experimentele projecten met kennisoverdracht tussen ondernemers en onderwijs ("kennisdelen onderwijs-bedrijfsleven")
  2. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van de volgende kenmerken:
    1. a. bottom up, draagvlak;
    2. b. innovatief;
    3. c. gebiedsgericht, meerwaarde voor Salland;
    4. d. samenwerking;
    5. e. overdracht van kennis en ervaring.
  3. 3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt hetgeen blijkt uit:
    1. a. een realistische, logische en transparante begroting;
    2. b. een sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing/toezegging cofinanciering;
    3. c. een exploitatiebegroting voor de eerste drie jaar na einddatum project waaruit blijkt dat het project na realisatie zonder subsidie kan voortbestaan;
    4. d. een beschrijving van de planning en projectorganisatie;
    5. e. een beschrijving van de verantwoordelijkheden.
  4. 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit:
    1. a. een reële verhouding tussen de gevraagde bijdrage en de te verwachten resultaten;
    2. b. de bijdrage van eigen middelen of private middelen aan het project.

Artikel 2.3.18 puntenmethodiek

Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.17, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.

  1. a. Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.17 lid 1 bedraagt 9 punten;
    2. artikel 2.3.17 lid 2 bedraagt 15 punten;
    3. artikel 2.3.17 lid 3 bedraagt 6 punten;
    4. artikel 2.3.17 lid 4 bedraagt 8 punten.
  2. b. Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.17 lid 1 bedraagt 5 punten;
    2. artikel 2.3.17 lid 2 bedraagt 10 punten;
    3. artikel 2.3.17 lid 3 bedraagt 4 punten;
    4. artikel 2.3.17 lid 4 bedraagt 5 punten.
  3. c. Projecten dienen minimaal 24 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

C. Lokale Aktiegroep Noordoost Twente

Artikel 2.3.19 subsidiabele activiteiten

[Toelichting: In de lokale ontwikkelingsstrategie voor Noord Oost Twente zijn de prioriteiten demografie, economie en nieuwe samenwerkingsvormen naar voren gekomen. In een aantal gebiedsbijeenkomsten zijn deze prioriteiten in samenspraak met vele mensen uit het gebied uitgewerkt in een drietal speerpunten waar de komende periode op ingezet wordt. De volgorde geeft de mate van prioriteit en urgentie aan:
1. Aantrekkelijk leefklimaat
2. Nieuw ondernemerschap
3. Innovatief ontmoeten
Deze speerpunten sluiten met name aan bij de nationale LEADER-thema's ‘krimp, nu of in de nabije toekomst' en ‘minder verstedelijkte regio's met economische, ecologische en sociale innovatieve potentie wat moet blijken uit onder andere integrale samenwerkingsverbanden'.]

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS)  van Noordoost Twente ‘Van stuwwal tot Dinkeldal: Samen leven in Nationaal Landschap Noordoost-Twente' waar:

  1. a. Deze een bijdrage leveren aan een aantrekkelijk leefklimaat;
  2. b. Deze een bijdrage leveren aan nieuw ondernemerschap;
  3. c. Deze een bijdrage leveren aan nieuwe samenwerkingsvormen en - verbanden (innovatief ontmoeten).

Artikel 2.3.20 aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  1. a. publieke rechtspersonen;
  2. b. private rechtspersonen.

Artikel 2.3.21 subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;
  2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten;
  3. c. de kosten van architecten en ingenieurs;
  4. d. de kosten van externe adviseurs;
  5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies.
  6. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  7. g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. niet verrekenbare BTW;
  10. j. personeelskosten;
  11. k. voorbereidingskosten;
  12. l. reis en verblijfkosten;
  13. m. de kosten voor promotie en publiciteit.

Artikel 2.3.22 criteria

[Toelichting: De LEADER-subsidie (EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%) bedraagt 50% van de projectkosten. De overige 50% dient door de projectaanvrager zelf te worden gefinancierd.

Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag minimaal €30.000,- en maximaal €100.000,-.

Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.
  2. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.

Artikel 2.3.23 hoogte subsidie

[Toelichting: De LEADER-subsidie (EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%) bedraagt 50% van de projectkosten. De overige 50% dient door de projectaanvrager zelf te worden gefinancierd.

Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag minimaal €30.000,- en maximaal €100.000,-.

Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.
  2. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermeningvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.

Artikel 2.3.24 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  1. a. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;
  2. b. indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.

Artikel 2.3.25 bevoorschotting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

Artikel 2.3.26 selectiecriteria

In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. 1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit:

    [Toelichting: In paragraaf 3.2 van de LOS zijn per speerpunt de doelen van deze LOS geformuleerd. Belangrijk is dat aangetoond kan worden dat het project bijdraagt aan één of meer doelen. De projectaanvrager dient te onderbouwen welke resultaten verwacht worden, hoe deze resultaten tot stand komen en welke risico's er zijn dat het resultaat niet wordt gehaald en wat wordt gedaan om deze risico's te verkleinen. Als een project aan meerdere doelen bijdraagt, krijgt het een hogere score. Deze LOS gaat uit van een olievlekwerking van de projecten. Onderbouwd dient te worden dat de projecten bijdragen aan de ontwikkeling van het gebied en een zekere voorbeeldfunctie vervullen. ]

    1. a. de geleverde bijdrage aan een aantrekkelijk leefklimaat;
    2. b. de geleverde bijdrage aan nieuw ondernemerschap;
    3. c. de geleverde bijdrage aan nieuwe samenwerkingsvormen en - verbanden (innovatief ontmoeten).
  2. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van de volgende kenmerken:

    [Toelichting: In de LEADER-methode en - filosofie staan vernieuwing, samenwerking en de aanpak van onderop centraal. Deze methode en filosofie dienen ook in de projectaanvragen tot uiting te komen. De LAG beoordeelt dit aspect aan de hand van de volgende overwegingen:
    - Hoe bottom-up is het project? Is het draagvlak voor het project duidelijk aangetoond?
    - Is er sprake van een (nieuwe) samenwerking?
    - Is het project nieuw/innovatief voor het gebied? Gaat dat gepaard met enige vorm van ‘risico' en is de aanvrager bereid en in staat die te dragen?
    - Wordt er (economische) meerwaarde gecreëerd door het project? 
    - Maakt het project gebruik van of is het gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit?
    - In hoeverre is het project integraal van opzet, bestrijkt het meerdere (sub)doelen? Welke partijen zijn betrokken?
    - Worden de projectresultaten uitgedragen? Is het project overdraagbaar en is daar in het communicatieplan concreet aandacht aan besteed?

    Vanuit het LEADER-programma wordt veel waarde gehecht aan het innovatieve karakter van projecten. Innovatie kan verschillende vormen aannemen:
    Inhoud: nieuwe producten.
    Werkwijze: innovatie in de aanpak van het project en procesinnovatie.
    Organisatie: nieuwe vormen van samenwerking en organisatie; het leggen van nieuwe verbindingen tussen mensen, organisaties, sectoren en gebieden.
    Communicatie: nieuwe manieren om informatie uit te wisselen en te verspreiden.
    Financiering: innovatieve financiering van investeringen en/of exploitatie.

    De LAG toetst of projectaanvragen op één of meer van deze terreinen innovatief zijn. Projecten dienen op minimaal één van deze terreinen innovatief te zijn.]

    1. a. Aanpak van onderop;
    2. b. Integraal;
    3. c. Innovatief;
    4. d. Samenwerkend;
    5. e. Gebiedsgericht;
    6. f. Meerwaarde voor Noordoost Twente.
  3. 3. De mate waarin het project haalbaarheid is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt hetgeen blijkt uit een projectmatige aanpak met de volgende kenmerken:

    [Toelichting: Selectiecriterium 3 wordt door de LAG gezien als randvoorwaardelijk criterium: een project dient naar het oordeel van de LAG haalbaar te zijn, anders kan er geen bijdrage worden toegekend.

    De LAG sluit hierbij aan bij de standaard projectmatige aanpak. Dat wil zeggen dat in de projectaanvraag ingegaan dient te worden op de aspecten van projectmatig werken:
    - Geld (sub a en b):
    o Deugdelijke transparante begroting die aan regels subsidieverordening voldoet.
    o Sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing / toezegging co-financiering.
    - Organisatie (sub c, d en e):
    o Projectleiding: wie is trekker van het project?
    o Projectteam: wie voeren het project uit en waarom is het team zo samengesteld (expertise, netwerk, etc.)?
    o Beschrijving van de verantwoordelijkheden van de leden van het projectteam.
    - Kwaliteit (sub f en g):
    o Wijze van borging van de realisatie van de projectdoelen.
    o Maatschappelijk verantwoorde uitvoering van het project (duurzaamheid).
    - Informatie (sub h):
    o Communicatie: intern en extern.
    - Tijd (sub i):
    o Uitgewerkte projectplanning met mijlpalen.]

    1. a. Deugdelijke transparante begroting;
    2. b. Sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing / toezegging co-financiering;
    3. c. Aanwijsbare projectleiding;
    4. d. Aanwijsbaar projectteam;
    5. e. Beschrijving van de verantwoordelijkheden van de leden van het projectteam;
    6. f. De borging van de realisatie van de projectdoelen;
    7. g. Maatschappelijk verantwoorde / duurzame uitvoering van het project;
    8. h. Communicatie: intern en extern;
    9. i. Uitgewerkte projectplanning met mijlpalen.
  4. 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit:

    [Toelichting: Bij dit aspect gaat het om de kwaliteit van het project, de kosten-baten verhouding en het lange termijn perspectief van het project. De aanvrager dient te onderbouwen dat de voorgestelde aanpak de beste is om het gewenste resultaat te bereiken, wat de meerwaarde van subsidieverlening is en waarom het project zonder subsidie niet of onvoldoende uitgevoerd kan worden. Tevens dient de instandhouding na afronding van het project onderbouwd te worden met een exploitatie- of beheerplan. ]

    1. a. de kwaliteit van het project;
    2. b. de kosten-baten verhouding;
    3. c. het lange termijnperspectief.

Artikel 2.3.27 puntenmethodiek

Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.26, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.

  1. a. Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.26 lid 1 bedraagt 30 punten;
    2. artikel 2.3.26 lid 2 bedraagt 50 punten;
    3. artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten;
    4. artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 15 punten.
  2. b. Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.26  lid 1 bedraagt 10 punten;
    2. artikel 2.3.26  lid 2 bedraagt 22 punten;
    3. artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten;
    4. artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 6 punten.
  3. c. Projecten dienen een minimumscore van 48 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

D. Lokale Aktiegroep Noord Overijssel

Artikel 2.3.28 subsidiabele activiteiten

[Toelichting: In de Lokale Ontwikkelingsstratie voor Noord Overijssel zijn de thema's beschreven waarop de Lokale Aktie Groep in deze Leaderperiode haar focus op legt. Het betreft drie thematische clusters:
- Jongeren en onderwijs: hoe kan het onderwijs bijdragen aan meer kennis en kunde op het platteland en van waaruit economisch krachtige werkgelegenheid uit voort komt.
- Vrijetijdseconomie: hoe kunnen kleine toeristische bedrijven meer samenwerken om meer gasten naar zich toe te halen waardoor er economisch sterkere bedrijven ontstaan;
- De samenleving verbinden met de toekomst van water en landbouw: hoe kunnen we onze bewoners meer betrekken bij de toekomst van ons water (kwaliteit-kwantiteit, klimaateffecten) en hoe zorgen we dat de relatie ‘van grond tot mond' van ons voedsel meer tastbaar en zichtbaar wordt.
De maatregelen die voor subiside in aanmerking kunnen komen zullen moeten bijdragen aan deze doelen. In dit artikel worden de prestaties aangegeven die de LAG wil realiseren.]

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de volgende doelstellingen van de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van LEADER Noord Overijssel:

  1. a. Jongeren en onderwijs;
  2. b. Vrijetijdseconomie;
  3. c. Verbinden van de samenleving met de toekomst van de landbouw en water.

Artikel 2.3.29 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  1. a. publieke rechtspersonen;
  2. b. private rechtspersonen.

Artikel 2.3.30 subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;
  2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten;
  3. c. de kosten van architecten en ingenieurs;
  4. d. de kosten van externe adviseurs;
  5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies.
  6. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  7. g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. niet verrekenbare BTW;
  10. j. personeelskosten;
  11. k. voorbereidingskosten;
  12. l. reis en verblijfkosten;
  13. m. de kosten voor promotie en publiciteit.

Artikel 2.3.31 criteria

[Toelichting: De subsidiebijdrage die vanuit het Leaderprogramma aan projectvoorstellen worden toegekend bedragen 40%. Dat houdt in dat projectindieners zelf het grootste deel van de kosten zullen moeten dragen. De subsidie is vooral een aanvulling op het tekort. Een project dient een bepaalde omvang te hebben om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Derhalve moet de  subsidie minimaal € 30.000,- bedragen en maximaal
€ 100.000,-. De subsidie bestaat uit:  EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%).

Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.
  2. 2. Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 250.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.

Artikel 2.3.32 hoogte subsidie

[Toelichting: De subsidiebijdrage die vanuit het Leaderprogramma aan projectvoorstellen worden toegekend bedragen 40%. Dat houdt in dat projectindieners zelf het grootste deel van de kosten zullen moeten dragen. De subsidie is vooral een aanvulling op het tekort. Een project dient een bepaalde omvang te hebben om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Derhalve moet de  subsidie minimaal € 30.000,- bedragen en maximaal
€ 100.000,-. De subsidie bestaat uit:  EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%).

Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.]

  1. 1. De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.
  2. 2. Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermeningvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.

Artikel 2.3.33 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  1. a. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;
  2. b. indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.

Artikel 2.3.34 bevoorschotting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

Artikel 2.3.35 selectiecriteria

[Toelichting: De Lokale Aktie Groep heeft in de LOS onder paragraaf 2 bijlage 4 de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zulen worden beoordeeld. Daarbij zijn de vier in dit artikel genoemde criteria leidend. Bij elk van deze criteria zijn hulpvragen geformuleerd die de LAG in het projectplan beantwoord wil zien. De LAG beoordeelt de criteria aan de hand van de volgende overwegingen:
1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS
- Draagt het bij aan ambitie, thema's/speerpunten?
- Draagt dit bij aan de toekomst van het gebied? ‘Zitten we hier echt op te wachten?'.
2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER
- Leent de probleemstelling van het project zich goed voor een LEADER-benadering?
- Hoe bottom-up is het project?
- Is er sprake van een (nieuwe) coalitie; hoe zit het met aantoonbaar draagvlak?
- Wat is nieuw voor het gebied? En wat is nieuw? Is er sprake van enige vorm van ‘risico' en is de aanvrager bereid en in staat die te dragen?
- Zijn de rolbeschrijvingen en verantwoordelijkheden duidelijk?
- Zijn er intentieverklaringen/steunbrieven bijgevoegd?
- Of en hoe zijn overheden betrokken in de ontwikkeling, uitvoering?
- Is er sprake van innovatie/vernieuwing voor gebied?
- Maakt het project gebruik van of is gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit?
- In hoeverre is het project integraal?
- Wie zijn er betrokken? Wie mis je?
- Worden resultaten uitgedragen? Is het project overdraagbaar?
- En is daar in het communicatieplan concreet aandacht aan besteed?
3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt
- Is er een heldere organisatiebeschrijving met duidelijke verantwoordelijkheden?
- Zit het project logisch in elkaar: dragen activiteiten echt bij aan het beoogde doel?
- Heeft de aanvrager/organisatie voldoende expertise, netwerk?
- Is het tijdpad realistisch?
- Zijn vergunningen geregeld?
- Is er zicht op en onderbouwing van continuïteit na afloop?
- Is er openbare kennis over de betrouwbaarheid en/of kwaliteit van de aanvrager en/of partners (Goede of slechte ervaringen);
- Wat is de motivatie van de aanvrager: vanuit het hart en gemeenschappelijk/ gebiedsbelang of sec vanuit de beurs/eigen belang?;
- Welke (schijn van) belangenverstrengeling tussen wie zou mee kunnen gaan spelen?
- Begroting: is er een sluitende en transparante begroting en dekkingsplan, bankgarantie, ondernemersplan, zijn toezeggingen cofinanciering bijgesloten; zijn er verklaringen voor risicodragen?
4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project
- Hoe ligt de balans tussen de investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin?
- Zou het project zonder LEADER niet door kunnen gaan? Of een andere kwaliteit krijgen? Waar zit het ‘plusje'?
- Is er zicht op continuïteit en draagkracht/ verantwoordelijkheid voor instandhouding en verspreiding resultaten na afloop van het project?]

In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. 1. De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit de omschrijving van:
    1. a. de ambitie;
    2. b. speerpunten;
    3. c. thema's van de LOS.
  2. 2. De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER, hetgeen blijkt uit
    1. a. de bottom-up aanpak;
    2. b. de integraliteit;
    3. c. innovativiteit;
    4. d. samenwerking;
    5. e. gebiedsgerichtheid.
  3. 3. De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt, hetgeen blijkt uit
    1. a. de organisatiebeschrijving;
    2. b. de bijdrage aan het doel van de LOS;
    3. c. de expertise van de initiatiefnemer;
    4. d. het realisme van het tijdpad;
    5. e. het zicht op continuïteit;
    6. f. een sluitende en transparante begroting;
    7. g. het dekkingsplan.
  4. 4. De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit
    1. a. de balans tussen investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin;
    2. b. de meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie;
    3. c. het zicht op de continuïteit na realisatie van het project.

Artikel 2.3.36 puntenmethodiek

Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.35, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.

  1. a. Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 3  punten;
    2. artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 12 punten;
    3. artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 6 punten;
    4. artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 12 punten.
  2. b. Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 2 punten;
    2. artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 8 punten;
    3. artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 4 punten;
    4. artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 6 punten.
  3. c. Projecten dienen een minimumscore van 20 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Hoofdstuk 3 Maatregelen

3.1. Regeling Niet productieve investeringen water

[Toelichting: De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.

Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Productieve investeringen hebben dat wel. Het gaat bij niet productieve investeringen bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water, de Nitraatrichtlijn en het werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.

In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan  het realiseren van  de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan maatregelen in het waterlichaam (zoals gedefinieerd voor de Kaderrichtlijn Water) die zowel ten gunste van de doelen van de Kaderrichtlijn Water zijn en de landbouw in rond het waterlichaam ondersteunen, bijvoorbeeld wat betreft de hydrologie. Ook kunnen projecten werken aan innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen. Innovatieve maatregelen zijn verzameld op de BOOT-lijst, te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.

De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:]

  • [Toelichting: Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);
  • Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;
  • Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);
  • Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score). ]

[Toelichting: Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt.

De ‘Regeling Niet productieve investeringen water' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.

De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidieaanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.

Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.

In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.

Cofinanciering
Indien de provincie minder subsidie beschikbaar stelt dan het Europese ELFPO-budget, dient een aanvrager bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte aanvullende nationale overheidsfinanciering, van bijvoorbeeld gemeente of waterschap, ten behoeve van het project beschikbaar is gesteld (zie artikel 1.4). In deze regeling stelt de provincie geen cofinanciering ter beschikking en dient de gehele cofinanciering van een andere overheidslaag te komen. Indien de aanvrager een overheidsorgaan is, dan worden 50% van de subsidiabele kosten door die aanvrager zelf gedragen.

Provinciale doelen (artikel 3.1.5)
De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:
a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW);
- opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel;
- het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;
b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.

Kaderrichtlijn Water
Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.

Overijssel hanteert de volgende ambities:]

  • [Toelichting: Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap.
  • Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit).
  • Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte). ]

[Toelichting: De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.]

[Toelichting: Zoetwatervoorziening Oost-Nederland

In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.

De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde "sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.

In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.

Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma "Wel goed water geven" en verdere ondersteunende documenten.

Nitraat
Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparmeters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.

Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.

De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.

Tendersystematiek (artikel 3.1.6 en 3.1.7)
In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen te kunnen doorvoeren.

Toelichting op de selectiecriteria (artikel 3.1.6)
a. Kosteneffectiviteit van de activiteit;

De kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? Bij inrichtingsprojecten kan dit bijvoorbeeld worden uitgedrukt in euro per lengte- of oppervlakte-eenheid.

b. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water:

Het project dient een een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen). De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een inovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.
Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen.

c. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening:

Het project dient een een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een inovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.

Voorbeelden van maatregelen zijn:

  • Water vasthouden in/op de bodem (bv. reductie ontwateringsbasis, herprofilering watergang, functiecombinaties in natuurlijke laagtes/beekdalen en aanleg van waterretentie);
  • Water vasthouden in watergangen (bv. bovenstrooms door meandering beken en peilverhoging).
  • Minder gebiedsvreemd water inlaten;
  • Verbeteren van de bodemstructuur.

d. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de vermindering van nitraat in grond- en oppervaktewater conform de EU-nitraatrichtlijn;

Het project dient een een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de  factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel)  en daarin opgenomen toestandbeoordeling.

Voorbeelden van effectgerichte maatregelen zijn:

  • Verhoging grondwaterstanden waardoor de uitspoeling afneemt;
  • Verbetering waterhuishouding, zodat gewassen meer voedingsstoffen kunnen opnemen en daarmee de uitspoeling vermindert;
  • Aanleg natuurvriendelijke oevers in/langs watergang, waardoor voedingsstoffen uit het water worden opgenomen.

e. De ligging in een voorkeursgebied klimaat;

Het project dient te liggen in gebieden die zijn aangegeven op kaart 1 en 2 van het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'.

f. De ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn;

Het project dient te liggen in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter ‘stikstof-totaal' niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater (toestandbeoording voor N-totaal van ‘ontoereikend' of ‘slecht/voldoent niet') . Deze informatie is opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandbeoordeling. Deze zijn onderdeel van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijsssel voor de KRW en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015).

g. Samenwerking, hetgeen blijkt uit een samenwerkingsovereenkomst met één of meerdere partijen voor minimaal de projectperiode;

Is er een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen tenminste twee partijen voor minimaal de projectperiode waarin afspraken zijn vastgelegd over de uitvoering van het project.]

Artikel 3.1.1 subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied van Overijssel die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen.

Artikel 3.1.2 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  1. a. landbouwers;
  2. b. grondeigenaren;
  3. c. grondgebruikers;
  4. d. landbouworganisaties;
  5. e. natuur- en landschapsorganisaties;
  6. f. provincies;
  7. g. waterschappen;
  8. h. gemeenten;
  9. i. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.

Artikel 3.1.3 subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
  2. b. de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde;
  3. c. de kosten van tijdelijk ingehuurde adviseurs, architecten en ingenieurs;
  4. d. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
  5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies;
  6. f. computersoftware;
  7. g. niet verrekenbare of niet compensabele BTW;
  8. h. personeelskosten gemaakt voor additioneel personeel voor de duur van het project.

Artikel 3.1.4 hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.1.5 criteria

  1. 1. De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:
    1. a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW);
    2. - doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen;
    3. - zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel.
    4. b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
    5. c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; op basis van de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015).
  2. 2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het artikel 3.1.1, met een duidelijk en direct effect op agrarische activiteiten.
  3. 3. De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €100.000,-.

Artikel 3.1.6 selectiecriteria

Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel de volgende criteria:

  1. a. de kosteneffectiviteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten;
  2. b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.1.5 lid 1 sub a.;
  3. c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.1.5 lid 1 sub b.;
  4. d. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.1.5 lid 1 sub c.;
  5. e. ligging in voorkeursgebied klimaat; zoals aangegeven op kaart 1 en 2 in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
  6. f. ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn; (stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter "stikstof totaal" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater) zoals opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die onderdeel zijn van de Omgevingsvisie Overijssel;
  7. g. samenwerking, hetgeen blijkt uit een samenwerkingsovereenkomst met één of meerdere partijen voor minimaal de projectperiode.

Artikel 3.1.7 puntenmethodiek

Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.1.6 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.

  1. a. Het aantal te behalen punten voor het criterium uit:
    1. artikel 3.1.6 sub a. bedraagt maximaal 2 punten;
    2. artikel 3.1.6 sub b. bedraagt maximaal 15 punten;
    3. artikel 3.1.6 sub c. bedraagt maximaal 15 punten;
    4. artikel 3.1.6 sub d. bedraagt maximaal 5 punten;
    5. artikel 3.1.6 sub e. bedraagt 2 punten;
    6. artikel 3.1.6 sub f. bedraagt 4 punten;
    7. artikel 3.1.6 sub g. bedraagt 2 punten.
  2. b. Het criterium uit artikel 3.1.6 sub a. dient een minimumscore van 1 punt te behalen.
  3. c. Projecten dienen een minimumscore van 16 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 3.1.8 verplichting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

3.2. Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische  ondernemingen

[Toelichting: Om tot subsidiëring van projecten voor het uitvoeren van de thema's over te kunnen gaan maakt de provincie gebruik van subsidieregelingen. Met de ‘Regeling Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen' wordt fors ingezet op de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.

De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.

In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan  het realiseren van  de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.

De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:

  • Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);
  • Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;
  • Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);
  • Wanneer het project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).

Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:

1. Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).
2. Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.
3. Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad  én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.
4. Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.

De ‘Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische ondernemingen' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.

De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.

Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.

In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.

Subsidiabele activiteit (artikel 3.2.1)

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's:

a. een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);
b. klimaat adaptatie (door het tegengaan dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting);
c. behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.

Provinciale doelen (artikel 3.2.5)

De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:

a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW):
- die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen.
- het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;
b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.

Kaderrichtlijn Water
Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.

Overijssel hanteert de volgende ambities:

  • Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;
  • Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);
  • Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).

De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.

Zoetwatervoorziening Oost-Nederland
In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.

De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde "sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.

In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.

Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure "Wel goed water geven" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.

Nitraat
Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.

Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.

De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.

Tendersystematiek (artikel 3.2.6 en 3.2.7)

In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief of op verzoek van RVO.nl te kunnen doorvoeren.

Toelichting op de selectiecriteria (artikel 3.2.6)

Kosteneffectiviteit van de activiteit
De kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen?

a. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen). De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.

Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen.

b. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.

Voorbeelden van maatregelen zijn:

  • water vasthouden in/op de bodem (bv. reductie ontwateringsbasis, herprofilering watergang, functiecombinaties in natuurlijke laagtes/beekdalen en aanleg van waterretentie);
  • water vasthouden in watergangen (bv. bovenstrooms door meandering beken en peilverhoging).
  • minder gebiedsvreemd water inlaten;
  • verbeteren van de bodemstructuur.

c. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-nitraatrichtlijn

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel)  en daarin opgenomen toestandbeoordeling.

Voorbeelden van effectgerichte maatregelen zijn:

  • verhoging grondwaterstanden waardoor de uitspoeling afneemt;
  • verbetering waterhuishouding, zodat gewassen meer voedingsstoffen kunnen opnemen en daarmee de uitspoeling vermindert;
  • aanleg natuurvriendelijke oevers in/langs watergang, waardoor voedingsstoffen uit het water worden opgenomen.

d. De ligging in een voorkeursgebied klimaat

Het project dient te liggen in gebieden die zijn aangegeven op kaart 1 en 2 van het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'.

e. De ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn

Het project dient te liggen in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter ‘stikstof-totaal' niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater (toestandbeoording voor N-totaal van ‘ontoereikend' of ‘slecht/voldoet niet') . Deze informatie is opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandbeoordeling. Deze zijn onderdeel van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de KRW en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015).

f. Innovatieve karakter

In hoeverre bevat het project voldoende vernieuwende aspecten of komt het al elders in Nederland (of daarbuiten) voor? Zo kan bijvoorbeeld als innovatief aangemerkt worden een veel toegepaste innovatie in een andere sector maar die nog nieuw is voor de agrarische sector (bijvoorbeeld een nieuwe app voor de landbouw). Qua proces kan gedacht worden aan een nieuwe vorm van communicatie.]

Artikel 3.2.1 subsidiabele activiteit

  1. 1. Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen:
    1. a. voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen; of
    2. b. voor de bredere uitrol van innovaties.
  2. 2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's:
    1. a. een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;
    2. b. klimaat adaptatie;
    3. c. behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.

Artikel 3.2.2 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door landbouwers of groepen van landbouwers.

Artikel 3.2.3 subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
  2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
  3. c. de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;
  4. d. kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;
  5. e. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
  6. f. de kosten van haalbaarheidsstudies;
  7. g. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. personeelskosten;
  10. j. niet verrekenbare of compensabele BTW.

Artikel 3.2.4 hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 3.2.5 criteria

  1. 1. De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:
    1. a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW);
    2. - doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen.
    3. - doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel.
    4. b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
    5. c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.
  2. 2. De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €100.000,-.

Artikel 3.2.6 Selectiecriteria

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. a. de kosteneffectiviteit van de activiteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten;
  2. b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid1 sub a.;
  3. c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub b.;
  4. d. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub c.;
  5. e. ligging in voorkeursgebied klimaat; zoals aangegeven op kaart 1 en 2 in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
  6. f. ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn; (stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter "stikstof totaal" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater) zoals opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die onderdeel zijn van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015);
  7. g. de mate waarin de investering bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector.

Artikel 3.2.7 puntenmethodiek

Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.2.6 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.

  1. a. Het aantal punten voor het criterium uit:
    1. artikel 3.2.6  sub a. bedraagt maximaal 2 punten;
    2. artikel 3.2.6  sub b. bedraagt maximaal 15 punten;
    3. artikel 3.2.6  sub c. bedraagt maximaal 15 punten;
    4. artikel 3.2.6  sub d. bedraagt maximaal 5 punten;
    5. artikel 3.2.6  sub e. bedraagt 2 punten;
    6. artikel 3.2.6  sub f. bedraagt 4 punten;
    7. artikel 3.2.6  sub g. bedraagt maximaal 5 punten.
  2. b. Projecten dienen een minimumscore van 19 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.
  3. c. De criteria uit artikel 3.2.6 sub a. en g. dienen elk een minimumscore van 1 punt te behalen.

Artikel 3.2.8 Samenstelling subsidieplafond

In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.

Artikel 3.2.9 verplichting

Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.

3.3. Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties waterbeheer

[Toelichting: Om tot subsidiëring van projecten voor het uitvoeren van de thema's over te kunnen gaan maakt de provincie gebruik van subsidieregelingen. Met de ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' wordt fors ingezet op de kennisoverdracht met betrekking tot de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.

De regeling is gericht op de kennisoverdracht met betrekking tot investeringen en samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.

In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan  het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer. De stimulering van de kennisoverdracht kan bijdragen aan een versnelde uitvoering van innovatieprojecten.

Van belang is dat als uitvloeisel van de kennisoverdracht aansluiting wordt gezocht bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:

1. Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).
2. Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.
3. Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.
4. Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.

De ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit de Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.

Provinciale doelen (artikel 3.3.7)

De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:

a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW):
- die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen;
- het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;
b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.

Kaderrichtlijn Water

Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.

Overijssel hanteert de volgende ambities:

  • Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;
  • Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);
  • Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).

De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.

Zoetwatervoorziening Oost-Nederland

In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.

De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde "sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.

In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.

Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure " Wel goed water geven" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.

Nitraat

Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.

Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.

De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.]

Tendersystematiek (artikel 3.3.8 en 3.3.9)

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief of op verzoek van RVO.nl te kunnen doorvoeren.

Selectiecriteria (artikel 3.3.8)

a. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de doelen uit de Kaderrichtlijn Water:

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen).  De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.

Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen.

b. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening:

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.

c. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-nitraatrichtlijn;

Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de  factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel)  en daarin opgenomen toestandbeoordeling.

d. De ligging in een voorkeursgebied klimaat;

Het project dient te liggen in gebieden die zijn aangegeven op kaart 1 en 2 van het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'.

e. De ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn;

Het project dient te liggen in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter ‘stikstof-totaal' niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater (toestandbeoording voor N-totaal van ‘ontoereikend' of ‘slecht/voldoet niet') . Deze informatie is opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandbeoordeling. Deze zijn onderdeel van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de KRW en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015).

f. Kosteneffectiviteit van de activiteit;

De kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? Bij kennisoverdrachtsprojecten gaat het bijvoorbeeld om het aantal deelnemers, momenten van kennisoverdracht en de intensiteit ervan (van folder tot workshop).

g. De mate waarin de over te dragen kennis toepasbaar is en aansluit op de behoefte en ontwikkelingen in de landbouw;

In welke mate is het projectresultaat breed toepasbaar in de praktijk en vervult het een voorbeeldfunctie voor anderen?  Bevat de aanvraag een goed communicatieplan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan communicatie voor draagvlak bij stakeholders en betrokkenheid van actoren bij inrichtingsprojecten, en aan het actief communiceren van een innovatie naar derden voor opschaling.

h. De mate waarin de aanvrager beschikt over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel;

In hoeverre zijn de projectuitvoerders (en deelnemers) capabel? Denk hierbij aan mate van kennis, ervaring en motivatie.

i. De mate waarin de doelgroep zelf bijdraagt aan de activiteit;

Dit kan tot uiting komen in de eigen bijdrage door de deelnemende agrariërs in de totale projectkosten in de vorm van euro's, eigen uren of materieel.

j. Het innovatie karakter van de over te dragen kennis

In hoeverre bevat het project voldoende vernieuwende aspecten of komt het elders in Nederland (of daarbuiten) voor? Zo kan bijvoorbeeld als innovatief aangemerkt worden een veel toegepaste innovatie in een andere sector maar die nog nieuw is voor de agrarische sector. Qua proces kan gedacht worden aan een nieuwe vorm van communicatie.]

Artikel 3.3.1 subsidiabele activiteit

  1. 1. Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en tevens het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer.
  2. 2. De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en tevens het bevorderen van de toepassing rond één of meerdere van de volgende thema's:
    1. a. maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;
    2. b. klimaatadaptatie;
    3. c. behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.

Artikel 3.3.2 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer en daarvoor aantoonbaar voldoende is gekwalificeerd.

Artikel 3.3.3 aanvraag

  1. 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving, waaruit blijkt dat de aanvrager voldoende gekwalificeerd is om de activiteit uit te voeren.
  2. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving van het aantal demonstraties, trainingen, workshops en coachingstrajecten en het aantal deelnemers per onderdeel;
  3. 3. Indien het voornemen is om voor deelname aan een subsidiabele activiteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag.

Artikel 3.3.4 subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  1. a. personeelskosten van bij de uitvoering van de activiteit betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt;
  2. b. kosten en reiskosten van procesbegeleiders en adviseurs;
  3. c. materiaalkosten;
  4. d. huur van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten;
  5. e. kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites gekoppeld aan de activiteit;
  6. f. kosten van afschrijving, huur of lease voor fysieke investeringen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een demonstratieactiviteit;
  7. g. bijdrage in natura.

Artikel 3.3.5 niet subsidiabele kosten

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten niet subsidiabel:

  1. a. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis;
  2. b. kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs;
  3. c. inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de subsidiabele activiteit deel te nemen.

Artikel 3.3.6 hoogte subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten voor het thema zoals benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid aanhef en onder b.
  2. 2. De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten voor de thema's zoals benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid aanhef en onder a en c.
  3. 3. Indien er bij een subsidieaanvraag sprake is van een combinatie van thema's, als benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid, geldt het percentage van het thema met het laagste subsidiepercentage zoals bepaald in het eerste en tweede lid van dit artikel.

Artikel 3.3.7 criteria

  1. 1. De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:
    1. a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW):
    2. - doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen.
    3. - doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;
    4. b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
    5. c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.
  2. 2. De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €25.000.

Artikel 3.3.8 selectiecriteria

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. a. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de doelen uit artikel 3.3.7 lid 1 sub a.;
  2. b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de doelen uit artikel 3.3.7 lid 1 sub b.;
  3. c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de kennisoverdracht met betrekking tot de doelen uit artikel 3.3.7 lid 1 sub c.;
  4. d. de doelgroep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer aantoonbaar overwegend afkomstig uit voorkeursgebied klimaat; zoals aangegeven op kaart 1 en 2 in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
  5. e. de doelgroep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer aantoonbaar overwegend afkomstig uit een voorkeursgebied nitraatrichtlijn; (stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter "stikstof totaal" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater) zoals opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die onderdeel zijn van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015);
  6. f. de mate waarin de over te dragen kennis praktisch toepasbaar is en aansluit op de behoefte en ontwikkelingen in de landbouw;
  7. g. de mate waarin de aanvrager beschikt over voldoende gekwalificeerd en regelmatig getraind personeel en dit inzet voor de activiteit.
  8. h. de kosteneffectiviteit van de activiteit;
  9. i. de mate waarin de doelgroep zelf bijdraagt aan de activiteit;
  10. j. het innovatieve karakter van de over te dragen kennis.

Artikel 3.3.9 puntenmethodiek

Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.3.8 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.

  1. a. Het aantal punten voor het criterium uit:
    1. artikel 3.3.8 sub a. bedraagt maximaal 15 punten;
    2. artikel 3.3.8 sub b. bedraagt maximaal 15 punten;
    3. artikel 3.3.8 sub c. bedraagt maximaal 5 punten;
    4. artikel 3.3.8 sub d. bedraagt 2 punten;
    5. artikel 3.3.8 sub e. bedraagt 4 punten;
    6. artikel 3.3.8 sub f. bedraagt maximaal 5 punten;
    7. artikel 3.3.8 sub g. bedraagt maximaal 5 punten;
    8. artikel 3.3.8 sub h. bedraagt maximaal 2 punten;
    9. artikel 3.3.8 sub i. bedraagt maximaal 5 punten;
    10. artikel 3.3.8 sub j. bedraagt maximaal 5 punten.
  2. b. De criteria uit artikel 3.3.9 sub f., g., h., i. en j. dienen elk een minimumscore van 1 punt te behalen.
  3. c. Projecten dienen een minimumscore van 30 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 3.3.10 verplichting

Indien een prijs moet worden betaald om aan de subsidiabele activiteit te kunnen deelnemen is de subsidieontvanger verplicht om bij de berekening van de prijs die aan deelnemers in rekening wordt gebracht rekening te houden met de te ontvangen subsidie.

Artikel 3.3.11 Samenstelling subsidieplafond

In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.

3.4. Regeling Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers

[Toelichting: Voor boeren in Nederland is het een grote uitdaging om rendement en duurzaam produceren (rekening houdend met milieu, klimaatbestendigheid, dierwelzijn, diergezondheid/volksgezondheid,  biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit) met elkaar te combineren. De meeste boeren hebben voldoende rendement om daarin voortdurend te investeren. Voor jonge boeren levert dan na start of overname van een bedrijf vaak problemen op, ze hebben dan vanwege hoge investeringslasten te maken met een investeringsdip. Daardoor blijven zij achter met verduurzaming van hun bedrijven. Ook blijken ze te kampen met hogere financieringslasten die vaak het gevolg zijn van recente overname of start van het bedrijf. Om deze reden willen wij juist deze specifieke groep van jonge boeren steunen.

Bovendien is een ontwikkeling dat boeren op steeds hogere leeftijd pas een eigen bedrijf starten of overnemen. Dit vinden we een ongewenste ontwikkeling omdat ondernemers hiermee langer afhankelijk blijven van hun voorgangers -meestal hun ouders- waardoor een  kortere periode resteert om het bedrijf te moderniseren, de aflossingstermijn van de investeringen wordt immers sterk bekort.

Met deze regeling willen we jonge boeren stimuleren om duurzaam te investeren in hun bedrijf. Het zal voornamelijk gaan om de aanschaf van modernere installaties en machines waarmee de jonge landbouwer een achterstand kan inlopen.

Vervanging door dezelfde goederen die al op het bedrijf aanwezig waren, komen niet in aanmerking. De modernisering moet bijdragen aan verbetering van het milieu, klimaatbestendigheid, dierenwelzijn, volks-en diergezondheid, landschap/ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit.  Investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de rentabiliteit van bedrijven komen niet in aanmerking.]

Artikel 3.4.1 lijst van investeringen

  1. In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst (zie Bijlage 1) op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst  bevat geen investeringen die slechts of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf.

Artikel 3.4.2 activiteiten

  1. 1. Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1. (zie Bijlage 1 Lijst van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven)
  2. 2. Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien:
    1. a. de investering op eigen grond van het landbouwbedrijf plaats vindt; of
    2. b. er voor de investering het recht van opstal is verleend indien een derde eigenaar is van de grond waarop de investering plaats vindt.

Artikel 3.4.3 begunstigden

  1. 1. Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.
  2. 2. Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die:
    1. a. zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt;  en
    2. b. hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico's worden genomen.
  3. 3. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer:
    1. a. op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-; en
    2. b. ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.
  4. 4. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien:
    1. a. de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of
    2. b. de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde  lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd.
  5. 5. Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in afwijking van het tweede lid subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd

Artikel 3.4.4 aanvraag

  1. 1. In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie:
    1. a. de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie berekend wordt;
    2. b. KVK nummer van het landbouwbedrijf;
    3. c. de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de bv en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van alle maten;
    4. d. een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst.
  2. 2. Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat de aanvraag om subsidie tevens een accountantsverklaring. De accountantsverklaring betreft een rapport van feitelijke bevindingen (COS 4400) over gegevens van het eigen vermogen van de onderneming en de verdeling daarvan onder de bedrijfshoofden.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op artikel 1.3 nadere regels stellen omtrent de in het tweede lid bedoelde accountantsverklaring.
  4. 4. Per landbouwbedrijf wordt slechts één aanvraag om subsidie in behandeling genomen.

Artikel 3.4.5 weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de aanvrager.

Artikel 3.4.6 subsidiabele kosten

  1. 1. Subsidie voor wordt verstrekt voor:
    1. a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
    2. b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
    3. c. de kosten van architecten en ingenieurs;
    4. d. de kosten van adviseurs duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
    5. e. de kosten van haalbaarheidsstudies.
  2. 2. In afwijking van artikel 1.12, tweede lid van de regeling, wordt geen subsidie verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

Artikel 3.4.7 hoogte subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers.
  2. 2. Indien er naast jonge landbouwers ook niet- jongelandbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet- jongelandbouwer. De verlaging bedraagt maximaal 80%.
  3. 3. Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid , 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers.
  4. 4. De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.
  5. 5. Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.
  6. 6. Het minimum bedrag  aan subsidiabele kosten per fysieke investering, als bedoeld in artikel 3.4.1 is € 20.000,-.
  7. 7. Indien de subsidie wordt verlaagd op basis van het aantal niet-jonge-landbouwers als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 2 van de regeling wordt de subsidie verlaagd op basis van het aantal niet-jonge-landbouwers ten tijde van de aanvraag om subsidie.
  8. 8. Indien de subsidie wordt berekend op basis van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 3 van de regeling wordt de subsidie berekend op basis van het aandeel van het eigen vermogen ten tijde van de aanvraag om subsidie.

Artikel 3.4.8 rangschikking

Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1 een punten aantal vast.
Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 het punten aantal als bedoeld in het eerste lid en rangschikken op basis van het gemiddelde van de investeringscategorieën.

3.5 Regeling Samenwerking voor innovaties (water)

[Toelichting: Met de ‘Regeling Samenwerking voor innovaties (water)' wordt fors ingezet op het middels samenwerking  verbeteren van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel met gebruikmaking van innovatieve methoden, producten en/of technieken.

De regeling is gericht op samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die op een innovatieve wijze werken aan een project die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. De activiteit dient altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.

In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan  het realiseren van  de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.

De nadruk ligt op innovaties, waarbij verschillende wateropgaven worden geïntegreerd (zoals Schoon en Voldoende water). Hiermee kan de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:

  • Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);
  • Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;
  • Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);
  • Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).

Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:
1. Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).
2. Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.
3. Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad  én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.
4. Overige innovaties in landbouw en water. In deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.

De Regeling Samenwerking voor innovatie is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.

De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.

Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.

In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.

Basisprincipe is dat tegenover iedere Europese euro een euro nationale overheidscofinanciering  moet staan. De provincie stelt 50% van de benodigde nationale overheidscofinanciering beschikbaar.

Een private aanvrager dient bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat de andere 50% nationale overheidscofinanciering ten behoeve van het project beschikbaar is gesteld, van bijvoorbeeld een waterschap (zie artikel 1.4).

Indien de aanvrager een overheidsorgaan is, dan wordt 50% van de nationale overheidscofinanciering door die aanvrager zelf gedragen. In dat geval is hier niet verplicht een aanvullend bewijsstuk t.a.v. de nationale overheidsfinanciering te overleggen.]

Artikel 3.5.1 subsidiabele activiteit

[Toelichting: In het kader van deze openstelling streeft de provincie naar grotere integrale projecten, die gericht zijn op zowel het oprichten van een projectmatig samenwerkingsverband, het formuleren van een op innovatie gericht projectplan als het uitvoering van het innovatieve projectplan. Daarom kan bij 3.5.1 lid 1 subsidie worden verstrekt voor al deze verschillende onderdelen van een innovatief samenwerkingsverband en is er bij artikel 3.5.6 voor gekozen om een breed spectrum aan subsidiabele kosten op te nemen.

De activiteiten hebben betrekking op de voortbrenging van landbouwproducten. Een definitie van landbouwproducten is: "De voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden" (Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap artikel 38, eerste lid).]

  1. 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:
    1. a. de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband of;
    2. b. gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie of;
    3. c. uitvoering van een innovatieproject;
  2. 2. De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie in het kader van één of meerdere van de volgende thema's:
    1. a. maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;
    2. b. klimaatadaptatie;
    3. c. behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.
  3. 3. De activiteit heeft betrekking op de voortbrenging van landbouwproducten.

Artikel 3.5.2 samenwerkingsverband

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bestaat het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.5.1 eerste lid, tenminste uit twee partijen en bevat tenminste één landbouwer of een organisatie die hem vertegenwoordigt.

Artikel 3.5.3 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door:

  1. - het samenwerkingsverband of
  2. - de penvoerder van het samenwerkingsverband in oprichting.

Artikel 3.5.4 aanvraag

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:

  1. a. een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project;
  2. b. een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;
  3. c. een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;
  4. d. een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 3.5.5 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt.

Artikel 3.5.6 subsidiabele kosten

[Toelichting: Kosten voor de oprichting van een samenwerking en projectplan hebben betrekking op de oprichting van een samenwerkingsverband en het maken van een projectplan. Dus voordat het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Kosten voor samenwerking en kennisverspreiding hebben betrekking op kosten die tijdens het project worden gemaakt. ]

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten:

  1. a. de kosten voor het werven van deelnemers en het schrijven van een projectplan;
  2. b. coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;
  3. c. de kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;
  4. d. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
  5. e. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
  6. f. de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde;
  7. g. de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;
  8. h. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
  9. i. haalbaarheidsstudies;
  10. j. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  11. k. personeelskosten.

Artikel 3.5.7 niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt voor:

  1. a. voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.
  2. b. kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 3.5.8 hoogte subsidie

[Toelichting: Kosten voor de oprichting van een samenwerking en projectplan hebben betrekking op de oprichting van een samenwerkingsverband en het maken van een projectplan. Dus voordat het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Kosten voor samenwerking en kennisverspreiding hebben betrekking op kosten die tijdens het project worden gemaakt. ]

De subsidie bedraagt:

  1. a. 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub b. en sub c., en sub k. voor zover het kosten voor samenwerking en kennisverspreiding betreft;
  2. b. 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub d. tot en met sub k., voor zover het kosten van niet-productieve investeringen betreft;
  3. c. 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub d. tot en met k., voor zover het kosten van productieve investeringen betreft;
  4. d. 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onderdeel sub a. en sub b., en sub k. voor zover het kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een projectplan.

Artikel 3.5.9 criteria

[Toelichting: Kaderrichtlijn Water
Watersystemen met goede ecologische en -chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.
Overijssel hanteert de volgende ambities:

  • Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;
  • Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);
  • Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).

De KRW doelen voor Overijssel zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel, inclusief de bijbehorende factsheets van de KRW-lichamen. De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.

Zoetwatervoorziening Oost-Nederland
In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.

De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde "sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.

In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.

Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure "wel goed water geven" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.

Nitraat
Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.

Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.

De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.]

  1. 1. De activiteit dient op een innovatieve manier vanuit de landbouw via een projectmatig samenwerkingsverband een bijdrage te leveren aan  één of meer van de volgende doelen:
    1. a. het verbeteren van de waterkwaliteit, zoals beschreven in de  Kader Richtlijn Water (KRW):
    2. - deze zijn voor het oppervlaktewater uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende factsheets van de KRW-waterlichamen in Overijssel.
    3. - voor grondwater geeft Overijssel prioriteit aan het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;
    4. b. het vergroten van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten. Voor Oost Nederland zijn de hierbij behorende doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021. Gebieden die liggen in een voorkeursgebied klimaat hebben daarbij extra prioriteit. Deze voorkeursgebieden zijn aangegeven op kaart 1 en 2 in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;
    5. c. de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn. Hierbij hebben stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter "stikstof totaal" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater, extra prioriteit. Deze parameter is per waterlichaam opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling. Die factsheets zijn onderdeel van de Omgevingsvisie Overijssel;
  2. 2. De subsidiabele kosten bedragen minimaal € 100.000,-.

Artikel 3.5.10 Selectiecriteria

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief te kunnen doorvoeren.]

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria:

  1. a. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector op lokaal, regionaal of landelijk niveau.

[Toelichting: Een project scoort meer punten naar mate het project meer bijdraagt aan innovatie en modernisering van landbouwbedrijven en/of de landbouwsector op lokaal, regionaal, of landelijk niveau. Het doel is dat de innovatie en modernisering uiteindelijk leidt tot grootschalige toepassing ervan in de praktijk op lokaal, regionaal, of landelijk niveau. Dit proces kan bijvoorbeeld worden gestart door kleine actieve samenwerkingsverbanden met een schil van koplopers. ]

  1. b. de kosteneffectiviteit van de activiteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten;

[Toelichting: De kostenactiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? Bij samenwerkingsprojecten, gericht op innovatie, kan dit bijvoorbeeld worden bepaald aan de hand de projectkosten afgezet tegen het aantal deelnemende partijen en het werkgebied van de beoogde samenwerking.]

  1. c. de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht en gecommuniceerd;

    [Toelichting: De slagingskans van de beoogde samenwerking voor innovatie wordt groter naar mate meerdere van de volgende vragen positief kunnen worden beantwoord:

    • In hoeverre zijn de projectdoelen voldoende realistisch?
    • In hoeverre zijn de projectuitvoerders (en deelnemers) capabel? Denk hierbij aan mate van kennis, ervaring en motivatie?
    • In hoeverre vertegenwoordigt de aanvrager de belangen van de doelgroep? De aanvrager kan de uitvoerder zijn, anders kan de aanvrager door haar deskundigheid, netwerk en rol in het project een belangrijke bijdrage leveren aan de slagingskans van het project.
    • In hoeverre is de planning voldoende uitgewerkt en realistisch?
    • In hoeverre is de begroting reëel (onderbouwing begrotingsposten)?
    • Hoe snel kan een project van start gaan en wat is de projectduur? Hierbij kan men denken aan de mate waarin aan de randvoorwaarden is voldaan zoals: concrete afspraken binnen de projectcontext (partners), toezegging andere financiers en stand van zaken vergunningtrajecten.
    • Bevat de aanvraag een goed communicatieplan. Denk hierbij bijvoorbeeld communicatie voor draagvlak bij stakeholders en betrokkenheid van actoren bij inrichtingsprojecten, en aan het actief communiceren van een innovatie naar derden voor opschaling. ]
  2. d. de verbinding tussen praktijk en onderzoek;

[Toelichting: Een project scoort meer punten naar mate er een betere onderbouwing van de verbinding tussen praktijk en onderzoek is gegeven. Die verbinding blijkt uit de onderbouwing van de continuiteit van het veranderproces.  Hoe aannemelijk is de continuïteit van het veranderingsproces na beëindiging van het project (bevat de aanvraag een aannemelijke onderbouwing hiervoor)? ]

  1. e. de samenstelling van het samenwerkingsverband en hun rol binnen het innovatieproces;

[Toelichting: Een project scoort meer punten naar mate de verschillende relevante actoren in het samenwerkingsverband vertegenwoordigd zijn en de rol van deze partners in het project is toegelicht. In hoeverre zijn de verschillende actoren in het project betrokken? Dit geldt m.n. bij samenwerkingsprojecten waar betrokkenheid van deelnemers uit de hele agrofoodketen en eventuele andere sectoren/domeinen van belang zijn.
De provinciale beleidsdoelen zijn weergegeven in artikel 3.5.9 - criteria. De daar gehanteerde volgorde van de doelen (sub a. KRW, sub b. ZON, sub c. Nitraatrichtlijn) geeft de provinciale prioriteit weer. Dit is vertaald naar het maximaal aantal te behalen punten per doel, zoals beschreven in artikel 3.5.11 sub f., g. en h.
De provinciale beleidsdoelen geven invulling aan de POP3 thema's zoals genoemd in artikel 3.5.1 lid 2:
- KRW sluit aan bij de doelen uit lid 2 sub a en c.
- ZON sluit aan bij de doelen uit lid 2 sub b. en c.
- Nitraatrichtlijn sluit aan bij de doelen uit lid 2 sub a.]

  1. f. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.5.9 lid 1 sub a.;

[Toelichting: Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (inclusief de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen).  De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.
Een activiteit scoort meer punten naar mate er beter wordt aangesloten op de doelen uit de Kaderrichtlijn Water, zoals uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen).
Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen.]

  1. g. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.5.9 lid 1 sub b.;

    [Toelichting: Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.
    Een activiteit scoort meer punten naar mate er beter wordt aangesloten op de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland, zoals uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Ligging in het voorkeursgebied klimaat heeft prioriteit en levert punten op. Dit betekent dat wanneer uw activiteit niet in een voorkeursgebied wordt uitgevoerd, de adviescommissie niet het maximale aantal punten voor dit selectiecriterium zal toekennen.
    Voorbeelden van maatregelen zijn:

    • Water vasthouden in/op de bodem (bv. reductie ontwateringsbasis, herprofilering watergang, functiecombinaties in natuurlijke laagtes/beekdalen en aanleg van waterretentie);
    • Water vasthouden in watergangen (bv. bovenstrooms door meandering beken en peilverhoging);
    • Minder gebiedsvreemd water inlaten;
    • Verbeteren van de bodemstructuur. ]
  2. h. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.5.9 lid 1 sub c..

    [Toelichting: Het project dient een een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de  factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel)  en daarin opgenomen toestandbeoordeling.
    Een activiteit scoort meer punten naar mate er beter wordt aangesloten van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn, de uitwerking ervan in de  factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel)  en daarin opgenomen toestandbeoordeling.
    Ligging in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter "stikstof totaal" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater heeft prioriteit en levert punten op. Dit betekent dat wanneer uw activiteit niet in een dergelijk stroomgebied wordt uitgevoerd, de adviescommissie niet het maximale aantal punten voor dit selectiecriterium zal toekennen.
    Voorbeelden van effectgerichte maatregelen zijn:

    • Verhoging grondwaterstanden waardoor de uitspoeling afneemt;
    • Verbetering waterhuishouding, zodat gewassen meer voedingsstoffen kunnen opnemen en daarmee de uitspoeling vermindert;
    • Aanleg natuurvriendelijke oevers in/langs watergang, waardoor voedingsstoffen uit het water worden opgenomen. ]

Artikel 3.5.11 puntenmethodiek

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief te kunnen doorvoeren.]

  1. a. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.5.10 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.
  2. b. Het maximale aantal punten voor het criterium uit:
    1. artikel 3.5.10 lid 1a. bedraagt 7 punten;
    2. artikel 3.5.10 lid 1b. bedraagt 5 punten;
    3. artikel 3.5.10 lid 1c. bedraagt 10 punten;
    4. artikel 3.5.10 lid 1d. bedraagt 5 punten;
    5. artikel 3.5.10 lid 1e. bedraagt 7 punten.
    6. artikel 3.5.10 lid 1f. bedraagt 15 punten;
    7. artikel 3.5.10 lid 1g. bedraagt 10 punten;
    8. artikel 3.5.10 lid 1h. bedraagt 5 punten;
  3. c. Projecten dienen een minimumscore van 33 punten te behalen;
  4. d. Het criterium uit 3.5.10 sub a. en e. dient een minimumscore van 4 punten te halen om voor subsidie in aanmerking te komen;
  5. e. Het criterium uit 3.5.10 sub b. dient een minimumscore van 3 punten te halen om voor subsidie in aanmerking te komen;
  6. f. Het criteria uit 3.5.10 sub d. dient een minimumscore van 2 punten te halen om voor subsidie in aanmerking te komen;
  7. g. Het criterium uit 3.5.10 sub c. dient een minimumscore van 6 punten te halen om voor subsidie in aanmerking te komen.

3.6 Regeling Samenwerking voor innovaties in de landbouw

[Toelichting: Met de ‘Regeling Samenwerking voor innovaties in de landbouw' wordt fors ingezet op de verduurzaming en innovatie van de Agro & Food sector in Overijssel.

De regeling is gericht op investeringen en samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die betrekking hebben op verduurzaming en innovatie op het gebied van de agro en food sector in Overijssel. Op het gebied van 5 thema's kunnen innovatieprojecten worden aangevraagd. Deze thema's zijn binnen de provincie Overijssel van gelijk belang.
a. verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie. Dat wil zeggen dat samenwerkingsverbanden die uitsluitend gericht zijn op kostprijsreductie niet voor subsidie in aanmerking komen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan: een platform waar producenten hun product kunnen afzetten; een samenwerking voor natuurbeheer, waarbij ook streekproducten op de markt worden gebracht.
b. beter beheer van productierisico's, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen. Daarbij denken we aan diversificatie van van productiemethoden en productaanbod.
c. maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een platform dat gezamenlijk werkt aan duurzaam bodembeheer (gesloten kringloop en bodemvruchtbaarheid).
d. klimaatmitigatie. Daarbij denken we aan CO2 of methaan reducerende maatregelen.
e. verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier. Dit kan bijvoorbeeld zijn reductie van het antibioticagebruik en maatregelen om ziekten te voorkomen.

Het innovatieproject is gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie in een nieuw product, techniek, dienst of proces en draagt bij aan het verduurzamen van de Agro&Food sector in Overijssel.

Dit houdt in dat de kennis en innovatie dusdanig moet zijn uitgewerkt dat bij afronding van het project een prototype of werkwijze danwel dienst toepasbaar is in de praktijk. De kosten voor de brede uitrol maken dan ook geen onderdeel uit van dit project.

Onder de Agro&Food sector in Overijssel wordt een breed spectrum verstaan: van het primaire productie proces tot de afzet in de winkels en alles daarmee samenhangend, zoals medicamenten in de veehouderij en cross-overs.

De Regeling Samenwerking voor innovaties in de landbouw is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.]

Artikel 3.6.1 subsidiabele activiteit

  1. 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een innovatieproject.
  2. 2. Het innovatieproject is gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie in een nieuw product, techniek, dienst of proces en draagt bij aan het verduurzamen van de Agro&Food sector in Overijssel.
  3. 3. Het innovatieproject moet bijdragen aan verduurzaming binnen één of meerdere van de volgende thema's:
    1. a. verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;
    2. b. beter beheer van productierisico's, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;
    3. c. maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;
    4. d. klimaatmitigatie;
    5. e. verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

Artikel 3.6.2 aanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband.

Artikel 3.6.3 samenwerkingsverband

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bestaat het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.6.2 uit tenminste twee partijen, waarvan tenminste één landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt.

Artikel 3.6.4 aanvraag

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:

  1. a. een beschrijving van het uit te voeren innovatieve project;
  2. b. een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstellingen zoals omschreven in artikel 3.6.1 tweede en derde lid;
  3. c. een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten;
  4. d. een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 3.6.5 weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:

  1. a. indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt;
  2. b. voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering en/of bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 3.6.6 subsidiabele kosten

[Toelichting: In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.

Kosten voor de oprichting van een samenwerking en projectplan hebben betrekking op de oprichting van een samenwerkingsverband en het maken van een projectplan. Dus voordat het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Kosten voor samenwerking en kennisverspreiding hebben betrekking op kosten die tijdens het project worden gemaakt. ]

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten:

  1. a. coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;
  2. b. de kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;
  3. c. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
  4. d. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
  5. e. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
  6. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;
  7. g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;
  8. h. bijdragen in natura;
  9. i. afschrijvingskosten;
  10. j. personeelskosten.

Artikel 3.6.7 niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.12, tweede lid wordt geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

Artikel 3.6.8 hoogte subsidie

[Toelichting: In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.

Kosten voor de oprichting van een samenwerking en projectplan hebben betrekking op de oprichting van een samenwerkingsverband en het maken van een projectplan. Dus voordat het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Kosten voor samenwerking en kennisverspreiding hebben betrekking op kosten die tijdens het project worden gemaakt. ]

  1. 1. Indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie:
    1. a. 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6 sub b., c. en sub j., voor zover het kosten voor samenwerking en kennisverspreiding betreft;
    2. b. 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6, sub d. tot en met i., en sub j., voor zover het kosten van niet-productieve investeringen betreft;
    3. c. 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6 sub d. tot en met i., en sub j., voor zover het kosten van productieve investeringen betreft;
    4. d. 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6, sub a. en b., en sub j., voor zover het kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een projectplan.
  2. 2. Indien de subsidiabele activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de subsidie:
    1. a. 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6, sub a. tot en met h., en sub j., indien de subsidieontvanger een grote onderneming is;
    2. b. 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6, sub a. tot en met h., en sub j., indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is;
    3. c. 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6, sub a. tot en met h., en sub j.,  indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is;
    4. d. 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.6.6 sub i..
  3. 3. De percentages genoemd in het tweede lid, onder sub a. tot en met c. kunnen worden verhoogd met 15% indien:
    1. a. het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en
    2. b. een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

Artikel 3.6.9 criteria

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief te kunnen doorvoeren.]

  1. a. De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 250.000,-;
  2. b. De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €187.500,-.

Artikel 3.6.10 selectiecriteria

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief te kunnen doorvoeren. ]

Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking van de aanvragen, als bedoeld in artikel 1.15,  de volgende criteria:

[Toelichting: Per criterium kunnen maximaal 10 punten verdiend worden. De toekenning van de punten heeft de volgende betekenis:
Onvoldoende: 0 punten
Matig: 1-3 punten
Redelijk: 4-6 punten
Goed: 7-9 punten
Zeer goed: 10 punten

Om een weging in de verschillende selectiecriteria aan te geven is er per criterium een minimum punten aantal benoemd. Dit betekent dat de adviescommissie het project met minimaal dit aantal punten moet beoordelen om voor subsidie in aanmerking te komen. De minimumscores zijn weergegeven in artikel 3.6.11 lid 4 t/m 8. Alle criteria samen moeten tenminste 39 punten scoren.]

  1. a. de mate waarin aanvragen een bijdrage leveren aan  de doelstellingen zoals omschreven in artikel 3.6.1 lid 2. en lid 3.;

[Toelichting: Dat wil zeggen dat de activiteiten die gericht zijn op innovatie en verduurzaming zoals omschreven in de Statenbrief Agro & Food in Overijssel: innovatie en duurzame productie (PS/2014/1092). Daarbij gaat het om een innovatieve en concurrerende Agro& Food keten die productiemethoden zoekt die de kwaliteiten van ruimte, water, bodem en lucht versterken en waarin kringlopen zich sluiten. Door in harmonie met de omgeving en omwonenden te produceren werkt de Agro & Food keten voortdurend aan haar licence to produce.]

  1. b. de mate van innovativiteit, hetgeen blijkt uit de mate waarin het te ontwikkelen product, techniek, dienst of proces uniek is voor Nederland en waarin het zich onderscheidt van alternatieven;

    [Toelichting: De slagingskans van de beoogde samenwerking voor innovatie wordt groter naar name meerdere van de volgende vragen positief kunnen worden beantwoord:

    - In hoeverre zijn de projectdoelen voldoende realistisch?

    - In hoeverre zijn de projectuitvoerders (en deelnemers) capabel? Denk hierbij aan mate van kennis, ervaring en motivatie?

    - In hoeverre vertegenwoordigt de aanvrager de belangen van de doelgroep? De aanvrager kan de uitvoerder zijn, anders kan de aanvrager door haar deskundigheid, netwerk en rol in het project een belangrijke bijdrage leveren aan de slagingskans van het project.

    - In hoeverre is de planning voldoende uitgewerkt en realistisch?

    - In hoeverre is de begroting reëel (onderbouwing begrotingsposten)?]

  2. c. de slagingskans van de activiteiten, waarbij wordt gelet op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht en gecommuniceerd;

[Toelichting:  Is er een realistische planning gemaakt? Hoe snel kan een project van start gaan en wat is de projectduur? Hierbij kan men denken aan de mate waarin aan de randvoorwaarden is voldaan zoals: concrete afspraken binnen de projectcontext (partners), toezegging andere financiers en stand van zaken vergunningtrajecten.]

  1. d. de kosteneffectiviteit van de activiteiten, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. Bij samenwerkingsprojecten, gericht op innovatie, kan dit bijvoorbeeld tot uiting komen in het aantal deelnemende partijen en het werkgebied van de beoogde samenwerking;

[Toelichting: Dit kan bijvoorbeeld tot uiting komen in de projectkosten afgezet tegen het aantal deelnemende partijen en de omvang van het werkgebied van de beoogde samenwerking; in welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? ]

  1. e. de kwaliteit van de aanvraag, hetgeen blijkt uit de meegewogen rol van de betrokken partners in het innovatieproces en de verbinding tussen onderzoek en praktijk;

[Toelichting: Binnen dit criterium worden meerdere kwaliteitsaspecten t.a.v. de aanvraag beoordeeld, waaronder de samenstelling van het samenwerkingsverband, de rol en bijdrage van de partners, commitment (blijkt uit samenwerkingsovereenkomst) en het plan van aanpak.]

  1. f. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector op lokaal, regionaal of landelijk niveau.

[Toelichting: Een project scoort meer punten naar mate het project meer bijdraagt aan innovatie en modernisering van landbouwbedrijven en/of de landbouwsector op lokaal, regionaal, of landelijk niveau. Het doel is dat de innovatie en modernisering uiteindelijk leidt tot grootschalige toepassing ervan in de praktijk op lokaal, regionaal, of landelijk niveau. Dit proces kan bijvoorbeeld worden gestart door kleine actieve samenwerkingsverbanden met een schil van koplopers.]

Artikel 3.6.11 puntenmethodiek

  1. 1. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.6.10 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.
  2. 2. De punten voor de criteria als bedoeld in artikel 3.6.10 worden als volgt verdeeld: maximaal 10 punten per criterium.
  3. 3. Alleen aanvragen met een minimum van 39 punten komen voor subsidie in aanmerking.
  4. 4. Op het criterium genoemd in artikel 3.6.10 sub a. moet een minimum aantal van 8 punten behaald zijn om voor subsidie in aanmerking te komen.
  5. 5. Op het criterium genoemd in artikel 3.6.10 sub b. moet een minimum aantal van 2 punten behaald zijn om voor subsidie in aanmerking te komen.
  6. 6. Op het criterium genoemd in artikel 3.6.10 sub c. moet een minimum aantal van 6 punten behaald zijn om voor subsidie in aanmerking te komen.
  7. 7. Op het criterium genoemd in artikel 3.6.10 sub d. moet een minimum aantal van 5 punten behaald zijn om voor subsidie in aanmerking te komen.
  8. 8. Op de criteria genoemd in artikel 3.6.10 sub e. en sub f. moet een minimum aantal van 7 punten behaald zijn om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 3.6.12 verplichtingen aanvrager

De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken en te verspreiden.

3.7 Regeling Niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur en landschap

[Toelichting: Met de ‘Regeling niet- productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur en landschap' wordt fors ingezet op de verbetering van de kwaliteit van het agrarisch natuurbeheer door uitvoering van versterkende inrichtingsmaatregelen in Overijssel.]

Artikel 3.7.1 Definities

  1. a. Natuurbeheerplan Overijssel 2016 (verder: Natuurbeheerplan): Natuurbeheerplan zoals omschreven in de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SRNL2016) van de provincie Overijssel;
  2. b. Beheerplan: opgave van de beheeractiviteiten op perceelsniveau op basis van  het daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen systeem (SRNL2016, art 3.11, lid b);
  3. c. Leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd.

Artikel 3.7.2. Subsidiabele activiteit

[Toelichting: Hieronder volgt een toelichting op de thema's:
a. Open grasland weidevogels:

  • versterken plas-dras: betreft het nemen van inrichtingsmaatregelen (bijvoorbeeld afdammen sloot, plaatsen stuw, grondverzet) en/of de aanschaf van materiaal (bijvoorbeeld pompen) om in het voorjaar (half februari tot half april/half mei/half juni) percelen plas-dras (5-10 cm water op maaiveld)te zetten. Deze plas-dras percelen hebben een sterk aantrekkende werking voor weidevogels (voedsel, rust, foerageer- en broedgebied). De aanleg van plas-dras-percelen moet wel zodanig plaatsvinden dat er samenhang is met direct aanliggende percelen met een rustperiode (vanaf 1 april tot minimaal 1 juni) (versterking beheer weidevogelmozaïek). Doordat de grasgroei hier later op gang komt, zijn dit vaak ook belangrijke opgroeigebieden voor weidevogelkuikens.
  • verhogen waterpeil: betreft inrichtingsmaatregelen (bijvoorbeeld afdammen sloot, plaatsen stuw, grondverzet) en/of de aanschaf van materiaal (bijvoorbeeld pompen) om het waterpeil lokaal te verhogen (10-30 cm beneden maaiveld) in het voorjaar (circa half februari tot circa 1 juni). Een hoger waterpeil heeft een sterk aantrekkende werking voor weidevogels (foerageer- en broedgebied). Doordat de grasgroei hier later op gang komt, zijn dit vaak ook belangrijke opgroeigebieden voor weidevogelkuikens. De locaties met maatregelen zijn bedoeld ter versterking beheer weidevogelmozaïek.

b. Droge dooradering amfibieën: betreft aanleg en inrichting van poelen voor amfibieën, in samenhang met andere poelen ter versterking van een levensvatbare populatie van amfibieën (o.a. kamsalamander, boomkikker, knoflookpad) conform de doelsoorten benoemd in het Natuurbeheerplan Overijssel 2016 (verder: Natuurbeheerplan).
c. Droge dooradering landschap: maatregelen voor kwaliteitsverbetering van botanisch beheer (bijvoorbeeld vernattings- of verschralingmaatregelen) en aanleg van landschapselementen (bijvoorbeeld houtwal), ter versterking van, en in samenhang met, de bestaande natuur- en landschapsstructuur, die een bijdrage leveren aan de verbetering van leefomstandigheden van doelsoorten van droge dooradering in het Natuurbeheerplan. 
d. Open akkerland: inrichtingsmaatregelen ter versterking van het beheer in samenhang met bestaand akkerbeheer.
e. Maatregelen ter voorkoming predatie (vraat legsels en kuikens weidevogels): bij uitzondering kunnen bij een hoge predatiedruk (o.a. de vos) lokaal rijke weidevogelpercelen worden uitgerasterd, zodat de overlevingskansen van legsels en kuikens fors toenemen. ]

Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor biodiversiteit, natuur en landschap in Overijssel op het gebied van agrarisch natuurbeheer zoals vastgesteld in het Natuurbeheerplan met betrekking tot een of meer van de volgende thema's:

  1. a. Open grasland weidevogels: versterken plas-dras of verhogen waterpeil;
  2. b. Droge dooradering: amfibieën;
  3. c. Droge dooradering: landschap;
  4. d. Open akkerland;
  5. e. Maatregelen ter voorkoming van predatie.

Artikel 3.7.3 Aanvrager

[Toelichting: De Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer (SRNL) Overijssel 2016 regelt de subsidie voor de provinciale invulling van de het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016. Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer 2016 gaat uit van een collectieve aanpak en de inzet van agrarisch natuur- en landschapsbeheer op de meest kansrijke gebieden. Voor het agrarisch natuurbeheer zijn de beleidsdoelen biodiversiteit en water gekoppeld aan de agrarische leefgebieden.

De kern van voornoemd subsidiestelsel is dat er meer focus en samenwerking komt in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Dit leidt tot professionalisering en een grotere effectiviteit en efficiëntie door intensiever in te zetten op de meest kansrijke gebieden voor agrarisch natuurbeheer en door een meer samenhangend collectief beheer. Door een grotere verantwoordelijkheid voor de invulling van de natuurdoelen bij collectieve subsidieaanvragers neer te leggen groeit de motivatie om een optimaal resultaat te bereiken. Omdat Provincies en het ministerie van Economische Zaken hiermee het vertrouwen aan de collectieven geven, heeft de provincie ervoor gekozen de collectieven als aanvragers voor deze regeling aan te wijzen.

Agrarische collectieven (samenwerkingsverbanden) worden eindbegunstigde van de subsidie en worden in dat kader onder andere verantwoordelijk voor de subsidieaanvraag en de afspraken met hun deelnemers. Het agrarisch collectief ziet toe op de uitvoering, controleert, sanctioneert zo nodig en regelt de betalingen voor de deelnemers. Het collectief ontlast de individuen en is nodig voor een versterking van de effectiviteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. ]

Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.7.2 kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband, bestaande uit een vereniging of meerdere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan landbouwers of andere grondgebruikers van landbouwgrond deel uitmaken en daarnaast de eigenaren en pachters van de gronden waar de investeringen worden uitgevoerd.

Artikel 3.7.4 Indieningvereisten

In aanvulling op artikel 1.7 bevat de subsidieaanvraag de volgende stukken:

  1. a. Een beschrijving van de uitgangssituatie;

[Toelichting: Een beschrijving van bijvoorbeeld de ondergrond, hydrologie, flora en fauna en landschap.]

  1. b. Een beschrijving van de met de te treffen herstel- of inrichtingsmaatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij minimaal het beoogde beheertype zoals in SRNL2016, de beoogde doelsoorten zoals in SRNL2016 en de oppervlakte en lengte daarvan wordt aangegeven;
  2. c. De motivering voor het treffen van de herstel- of inrichtingsmaatregelen gebaseerd op een beschrijving van de natuurdoelen in het vigerende Natuurbeheerplan;
  3. d. Een kaart van de locatie waar de herstel- of inrichtingsmaatregel(en) gerealiseerd worden en één of meerdere topografische kaarten van de grenzen van het natuurterrein, de landbouwgrond of het landschapselement waar de herstel- of inrichtingsmaatregelen betrekking op hebben;
  4. e. Een verwijzing naar het afgesloten of af te sluiten SNL-beheerpakket, dat op het betreffende perceel is of wordt afgesloten;
  5. f. Een beheercontract dan wel een voorlopig beheercontract aangaande de percelen waarin de beheermaatregelen voor de resterende looptijd van de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) of SRNL2016 zijn opgenomen;

[Toelichting: Een kopie van het contract voor agrarisch natuurbeheer dat voor het betreffende perceel is afgesloten tussen aanvrager en pachter/eigenaar. In het geval dat er een contract wordt gesloten voor beheer nadat de herstel- of inrichtingsmaatregel is uitgevoerd, dient een kopie van een voorlopig beheercontract tussen aanvrager en eigenaar/pachter te worden ingediend.]

g. Een omschrijving van de mate waarin de herstel- of inrichtingsmaatregel bijdraagt aan de selectiecriteria in artikel 3.7.9.

[Toelichting: Hierbij wordt gedoeld op een eigen beschrijving en beoordeling van de mate waarin de herstel- en inrichtingsmaatregel bijdraagt aan agrarisch natuurbeheer, de mate van kosteneffectiviteit van de herstel- en inrichtingsmaatregel en de mate waarin de herstel- en inrichtingsmaatregel bijdraagt aan de versterking van het leefgebied zoals beschreven in het Natuurbeheerplan.]

Artikel 3.7.5 Subsidiabele kosten

[Toelichting: a. De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen. Voorbeelden van deze kosten zijn:
- maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen (o.a. houtwal, singel, poel);
- maatregelen gericht op de wijziging van de waterhuishouding (o.a. aanleg plasdras of verhogen waterpeil;
- grondverzet;
- afvoer van grond
- de verwijdering van begroeiing en beplanting;
b. De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa. Voorbeelden van deze kosten zijn:
- aanschaf van materiaal (o.a. pompen) voor realisatie van plas-dras en/of hoger waterpeil;het aanschaffen van een raster, waarbij voor het uitrasteren van waardevolle weidevogelpercelen bij uitzondering maximaal de materiaalkosten worden vergoed;
c. De kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde;
d. De kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs. Voorbeelden van deze kosten zijn:
- kosten voor het door derden laten opstellen van het inrichtingsplan;
e. De kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
f. De kosten van haalbaarheidsstudies;
g. Niet verrekenbare of niet compensabele BTW;
h. Personeelskosten. 
- als richtlijn hanteert de provincie een maximum percentage van 20% van de totale subsidiabele kosten conform SRNL2016. De adviescommissie betrekt het percentage bij de beoordeling van de projecten.]

In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:

  1. a. De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;
  2. b. De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;
  3. c. De kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde;
  4. d. De kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;
  5. e. De kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;
  6. f. De kosten van haalbaarheidsstudies;
  7. g. Niet verrekenbare of niet compensabele BTW;
  8. h. Personeelskosten.

Artikel 3.7.6 Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1:13 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  1. a. Kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;
  2. b. Kosten voor de bouw van opstallen;
  3. c. Kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen;
  4. d. Kosten voor de aanleg van parkeergelegenheid.

Artikel 3.7.7 Hoogte subsidie

[Toelichting: In dit artikel staat het subsidiepercentage vermeld voor de verschillende subsidiabele activiteiten.]

De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.7.2 bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.7.8 Criteria

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 komt in aanmerking voor subsidie als is voldaan aan de volgende criteria:

  1. a. De aanvrager beschikt over een beschikking SRNL2016 voor het beheersgebied waarvoor subsidie wordt aangevraagd of de aanvrager beschikt over een beheercontract dan wel een voorlopig beheercontract tussen aanvrager en eigenaar/pachter van de percelen waarin de beheermaatregelen voor de resterende looptijd van de subsidie SNL zijn opgenomen;
  2. b. Indien een beheercontract uit artikel 3.7.2 sub a. niet de gehele looptijd van het project bestrijkt, dient aanvrager na afloop van het beheercontract de herstel- of inrichtingsmaatregel in stand te houden;
  3. c. De subsidiabele activiteit heeft een aantoonbare directe link met landbouw.

Artikel 3.7.9 Selectiecriteria

[Toelichting: In de openstelling van de ‘Regeling Niet- productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur en landschap' is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend.

De systematiek staat niet toe dat na sluiting van de indieningtermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd.

a. De bijdrage aan de versterking van het betreffende leefgebied
1. Open grasland

  • hetgeen in geval van open grasland blijkt uit de mate van versterking van het mozaïek voor weidevogels, hetgeen blijkt uit locatie van de inrichtingsmaatregelen ten opzichte van de percelen beheer met een rustperiode. Het uitgangspunt is dat de aanvrager streeft naar een toename van weidevogels (vooral grutto en tureluur) en een hogere reproductie (meer overlevende weidevogelkuikens). Zo hebben plas-dras-plekken en vernatting van percelen een sterk aantrekkende werking op weidevogels (voedsel, slaapplaats), en bieden in combinatie met een late maaidatum, later in het seizoen vaak ook een goede plek voor kuikens om op te groeien.

2. en 3. Droge dooradering (amfibieën en landschap)

  • hetgeen in geval van droge dooradering blijkt uit de mate van versterking van het netwerk, hetgeen blijkt uit locatie van de inrichtingsmaatregelen ten opzichte van bestaande elementen (voor nieuwe poelen: afstand tot bestaande poelen).

o door aanleg van nieuwe poelen, niet te ver van bestaande poelen, kan uitwisseling tussen populaties (van b.v. de kamsalamander) plaatsvinden. Ook kunnen door aanleg van nieuwe poelen bestaande deelpopulaties met elkaar worden verbonden.
o door aanleg van nieuwe houtwallen kan het bestaande netwerk van houtwallen worden versterkt, of verbindingen worden gelegd tussen bestaande houtwalgebieden.
o door bijvoorbeeld het aanleggen van flauwe taluds langs sloten in natte graslanden, kan de verscheidenheid aan soorten flink toenemen. Vernattingmaatregelen of het plaatselijk verwijderen van de teelaardelaag kunnen ook bijdragen aan versterking van het botanisch beheer. Deze maatregelen vragen maatwerk.

Het uitgangspunt is dat de aanvrager streeft naar een toename van soorten, en specifiek de doelsoorten zoals deze zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan

4. Open akkerland

  • de wijze waarop het beheer van het akkerland is vormgegeven, moet leiden tot een beter behoud en toename van de doelsoorten voor open akker (conform Natuurbeheerplan). De wijze waarop het beheer van het akkerland is vormgegeven, moet leiden tot een beter behoud en toename van de doelsoorten voor open akker (conform Natuurbeheerplan). De belangrijkste ecologische eisen van akkersoorten zijn voldoende voedsel en rust- en broedgebieden in de zomer en voldoende voedsel en rustgebieden in de winter. De adviescommissie toetst of een aanvraag (in ecologische zin) voldoende bijdraagt aan het behoud en toename.

5. Maatregelen ter voorkoming predatie

  • hetgeen in geval van maatregelen ter voorkoming van predatie, blijkt uit:

o de tellingen van de afgelopen jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen nesten die zijn verstoord vanwege predatie en nesten die niet zijn verstoord; en
o de te verwachten verandering cq toename van het aantal niet verstoorde nesten als gevolg van de voorgenomen maatregelen.

b. De kosteneffectiviteit van de maatregel
• de kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. De adviescommissie zal aan de hand van onder meer de volgende vragen de kosteneffectiviteit beoordelen. In welke verhouding staat de gevraagde subsidie tot de totale investering en de projectdoelen? Hoe hoog zijn de totale kosten per hectare per thema als bedoeld in artikel 3.7.2? Hoe is de kostenverhouding tussen de ingediende projecten?. Hoe hoog is het percentage personeelskosten per project? ]

Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende selectiecriteria:

  1. a. De mate waarin de niet-productieve investeringen voor herstel- en inrichtingsmaatregel voor biodiversiteit, natuur en landschap in Overijssel op het gebied van agrarisch natuurbeheer zoals vastgesteld in het Natuurbeheerplan bijdraagt aan de versterking van het betreffende leefgebied hetgeen blijkt uit:
    1. 1. in geval van open grasland weidevogel: de mate van versterking van het mozaïek voor weidevogels, hetgeen blijkt uit locatie van de herstel- en inrichtingsmaatregelen ten opzichte van de percelen beheer met een rustperiode;
    2. 2. in geval van droge dooradering: amfibieën; de mate van versterking van het netwerk, hetgeen blijkt uit locatie van de inrichtingsmaatregelen ten opzichte van bestaande elementen;
    3. 3. in geval droge dooradering: landschap; de mate van versterking van het netwerk, hetgeen blijkt uit locatie van de inrichtingsmaatregelen ten opzichte van bestaande elementen;
    4. 4. in geval van open akkerland; de mate waarin de inrichting van het beheer in het gebied de samenhang van het beheer versterkt;
    5. 5. in geval van maatregelen ter voorkoming van predatie; de mate waarin predatie wordt voorkomen.
  2. b. De mate van kosteneffectiviteit van de herstel- en inrichtingsmaatregel als bedoeld in artikel 3.7.2, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten.

Artikel 3.7.10 Puntenmethodiek

[Toelichting: Lid 1 De adviescommissie beoordeelt in hoeverre deze keuze bijdraagt aan de doelstellingen uit artikel 3.7.2. Hier is sprake van een maximaal aantallen toe te kennen punten. Een project scoort meer punten naar mate de herstel- of inrichtingsmaatregel beter bijdraagt aan de realisatie van de doelen voor het agrarisch natuurbeheer zoals beschreven in het Natuurbeheerplan. Ook zal de mate van kosteneffectiviteit worden beoordeeld (3.7.9. sub b). De commissie zal een hoger aantal punten toe kennen naar mate er meer wordt bijgedragen aan de versterking van het betreffende leefgebied.

Lid 2 Voor elk project en elk selectiecriterium geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd.

Lid 3 Naast de toegekende punten uit lid 1 zal de adviescommissie vaste aantallen punten toekennen voor de keuze van het thema/de thema's uit artikel 3.7.2. De hoogte van deze punten is afgeleid van de prioriteringsvolgorde voor inzet van beheer zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan.

Lid 4 Alle projecten dienen een minimum aantal punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Voor het totale aantal punten worden de punten uit lid 1 en 3 bij elkaar opgeteld.]

De projecten worden ter beoordeling aan een adviescommissie, als bedoeld in artikel 1.14, voorgelegd. Het puntentotaal per herstel- of inrichtingsmaatregel wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van de volgende methodiek:

  1. 1. Het maximale aantal te behalen punten voor het criterium uit:
    1. o artikel 3.7.9 onder a. bedraagt 6 punten;
    2. o artikel 3.7.9 onder b. bedraagt 5 punten.
  2. 2. Het minimale aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. o artikel 3.7.9 onder a. bedraagt 4 punten;
    2. o artikel 3.7.9 onder b. bedraagt 3 punten.
  3. 3. Naast de te behalen punten uit lid 1 bedraagt de vaste score voor de niet-productieve investeringen voor herstel- en inrichtingsmaatregelen voor biodiversiteit, natuur en landschap in Overijssel op het gebied van agrarisch natuurbeheer zoals vastgesteld in het Natuurbeheerplan:
    1. o in geval van open grasland 5 punten;
    2. o in geval van droge dooradering: amfibieën 4 punten;
    3. o in geval van droge dooradering: landschap 3 punten;
    4. o in geval van open akkerland 2 punten;
    5. o in geval van maatregelen ter voorkoming van predatie 1 punten.
  4. 4. Per project dient, op basis van de in lid 1. en 3. toegekende aantal punten een minimumscore van 10 te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 3.7.11 Weigeringsgrond

Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien op basis van de subsidieaanvraag minder dan € 15.000,- aan subsidie zal worden verleend.

3.8 Regeling Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven

[Toelichting: Met de ‘Regeling investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven' wordt fors ingezet op de verbetering van de landbouwstructuur in Overijssel.

Om de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw te handhaven en te versterken is een blijvende investering in de landbouwstructuur noodzakelijk. Door deze investeringen kan de efficiëntie van de sector worden verhoogd. Dit kan worden bereikt door  de juiste aanpassingen van percelen. Naast verbetering van de bedrijfsefficiëntie kan de herstructurering van landbouwbedrijven tevens bij dragen aan de realisatie van internationale doelen rondom water en Natura-2000.

Alle projecten moeten voldoen aan de (inter)nationale wet- en regelgeving, zoals onder meer de voorwaarde dat project moet passen binnen vigerende bestemmingsplannen, waardoor negatieve effecten beperkt blijven. Een efficiëntere bedrijfsvoering kan leiden tot vermindering van de emissies. Dit heeft een direct positief effect op de kwaliteit van bodem, water en lucht. Het schoner worden van het leefmilieu, betere luchtkwaliteit, meer groen, minder geuremissies, minder verkeersbewegingen, heeft op zijn beurt weer indirecte positieve effecten op het woon- en leefklimaat.

De provincie zet met de regeling ‘investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven' in op de ontwikkeling van een duurzame en concurrerende landbouw en daarmee op werkgelegenheid en het regionaal inkomen. Voor de grondgebonden landbouw is een goede ruimtelijke structuur van de landbouwbedrijven een belangrijke voorwaarde. De provincie richt zich met de regeling op verbetering van de verkaveling (de omvang, ligging en de vorm van de kavels).

De ‘Regeling investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven' is een nadere invulling van de algemene bepalingen (hoofdstuk 1) uit de provinciale Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen tevens te voldoen aan de criteria uit hoofdstuk 1. ]

Artikel 3.8.1 begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  1. 1. Projectgebied: het door aanvrager op kaart begrensde gebied waarbinnen eigenaren en gebruikers kunnen deelnemen aan een verkaveling.

Artikel 3.8.2 subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten ter verbetering van de verkavelings-structuur van landbouwbedrijven.

Artikel 3.8.3 aanvrager

Subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 kan ten behoeve van alle deelnemende partijen aan het project worden aangevraagd door:

  1. 1. Landbouwers;
  2. 2. Grondeigenaren die geen landbouwer zijn;
  3. 3. Pachters;
  4. 4. Stichtingen voor kavelruil;
  5. 5. Landbouworganisaties;
  6. 6. Waterschappen;
  7. 7. Gemeenten.

Artikel 3.8.4  aanvraag

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:

  1. 1. Een duidelijke begrenzing en oppervlakte van het projectgebied op een kaart.

Artikel 3.8.5 subsidiabele kosten

[Toelichting: Kavelruilprojecten zijn gericht op investeringen in het landelijk gebied die bijdragen aan de verbetering van de verkaveling van de landbouwbedrijven en de daarbij behorende toegankelijkheid, bodemgesteldheid en waterhuishouding. Het gaat daarbij om de volgende concrete kosten:
In verband met proces en procedure om te komen tot verbetering van de verkaveling (artikel 3.8.5 lid 1 sub a. en b.):
- projecten gericht op draagvlakontwikkeling, inhuur van kavelruilcoördinatoren en andere experts, faciliteren aankoop ruilgronden opstellen en uitvoeren van verkavelingsplannen en verkavelingsprocedures, vacatiegelden voor gebiedscommissies, projectmanagement;

In verband met de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven (artikel 3.8.5 lid 1 sub c. en d.):
- investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken, zoals: graven en dempen van sloten, met elkaar verbinden van percelen, aanpassen van drainage, aanleg of verbetering van dammen en kavelpaden, aanpassen van het wegenstelsel, aanpassen van de waterhuishouding;
- investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen om negatieve gevolgen van het verkavelingsplan op de omgeving te voorkomen, zoals: aanbrengen van beplantingen, aanpassen van de wegen- en padenstructuur ten behoeve van het algemeen belang, aanpassen van de waterhuishouding ten behoeve van het algemeen belang.]

  1. 1. In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:
    1. a. Proceskosten verkaveling;
    2. b. Procedurekosten verkaveling;
    3. c. Investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken;
    4. d. Investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen.
  2. 2. De in het eerste lid genoemde kosten kunnen bestaan uit:
    1. a. De kosten van de verbetering van onroerende goederen;
    2. b. Algemene kosten met betrekking tot investeringen;
    3. c. Plan- en advieskosten;
    4. d. Leges voor vergunningen en procedures;
    5. e. Haalbaarheidsstudies;
    6. f. Personeelskosten.

Artikel 3.8.6 niet subsidiabele kosten

[Toelichting: Kadasterkosten kunnen uit meerdere soorten kosten bestaan. De kosten voor het uitwerken/voorbereiden van inmetingen en het uitzetten en inmeten van grenzen zijn niet subsidiabel. Andere kadasterkosten, waaronder kosten voor de inzet van kadastermedewerkers voor het maken van een ruilplan en proceskosten kadaster zijn daarmee wel subsidiabel.

Notariskosten, waaronder tevens kavelruilovereenkomsten en inschrijvingen, zijn niet subsidiabel.]

In aanvulling op artikel 1.13 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  1. 1. Kadasterkosten, zijnde het uitwerken en voorbereiden van inmetingen en het uitzetten en inmeten van grenzen; en
  2. 2. Notariskosten.

Artikel 3.8.7 hoogte subsidie

[Toelichting: In artikel 3.8.7 staan de subsidiepercentages vermeld.]

  1. 1. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten indien sprake is van kosten als bedoeld in artikel 3.8.5 eerste lid sub a en sub b.;
  2. 2. De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van de binnen het project geruilde kavels, met een maximale subsidie van € 100.000,- per bedrijf, indien sprake is van kosten als bedoeld onder artikel 3.8.5 eerste lid sub c.;
  3. 3. De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten indien sprake is van kosten als bedoeld in artikel 3.8.5 eerste lid sub d.

Artikel 3.8.8 criteria

[Toelichting: De omvang van het projectgebied wijkt bij subsidievaststelling maximaal 10% af van de bij aanvraag ingediende begrenzing op kaart (zie tevens artikel 3.8.4).]

De aanvraag om subsidie dient te voldoen aan het volgende criterium:

  1. 1. De omvang van het projectgebied waarbinnen de verkaveling plaatsvindt is minimaal 300 hectare.

Artikel 3.8.9 selectiecriteria

[Toelichting: In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De slagingskans van het project vormt hierbij een belangrijk kader. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend.

Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. ]

De systematiek staat niet toe dat na sluiting van de indieningtermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd.

Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:

  1. 1. De kosteneffectiviteit van de activiteit, hetgeen blijkt uit de totale kosten per geruilde hectare. Meegewogen worden de totale subsidiabele kosten als genoemd in artikel 3.8.5;
  2. 2. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan het beleidsdoel landbouwstructuur-verbetering, hetgeen blijkt uit de vergroting van de (huis)kavels, de kavelconcentratie, de vormverbetering van kavels en het verkorten van de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels;
  3. 3. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de natuur, hetgeen blijkt uit maatregelen die in het verkavelingsproject ten aanzien van deze doelen worden genomen.

Artikel 3.8.10 puntenmethodiek

[Toelichting: 1. De kosteneffectiviteit van de activiteit
Hierbij zijn de kosten, omgeslagen per geruilde hectare, het uitgangspunt. Meegewogen worden de proces- en procedurekosten, de kosten voor kavelinpassingsmaatregelen en de kavelverbeteringskosten (de subsidiabele kosten zoals genoemd in artikel 3.8.5). De adviescommissie zal de ingediende aanvragen per tender tegen elkaar afwegen, waarbij gelet wordt op de hoogte van de kosten per hectare verkaveling. Het project waarbij de kosten per hectare het laagst liggen zal de hoogste score behalen binnen dit criterium. De aantal punten dat  wordt toegekend bij een bepaalde prijs per geruilde hectare in lid 2 van artikel 3.8.10. Deze bedragen zijn gebaseerd op ervaringscijfers. Op deze wijze worden de aanvragen binnen dit criterium gerangschikt.

2. Bijdrage beleidsdoel landbouwstructuurverbetering
Hetgeen blijkt uit de vergroting van de (huis)kavels, de kavelconcentratie, de vormverbetering van de kavels en het verkorten van de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels.

Een goede verkaveling is een belangrijke randvoorwaarde voor de ontwikkeling van concurrerende, duurzame landbouwbedrijven. De verkaveling is voortdurend in beweging. Het instrument herverkaveling wordt ingezet voor verbetering landbouwstructuur, die met autonome ontwikkelingen niet tot stand komt, of vaak zelfs verslechtert. Herverkavelingsprojecten zijn hiervoor goede instrumenten. Het doel is bij te dragen aan de ontwikkeling van een toekomstbestendige landbouw in Overijssel. De regeling richt zich zowel op gebieden met een sectorale doelstelling voor landbouwstructuurverbetering, als ook op gebieden met een integrale doelstelling (kavelruilprojecten in het kader van de realisatie van de herijkte EHS en de Natura 2000-opgave).

Voor de berekening van de bijdrage aan het beleidsdoel landbouwstructuurverbetering is een beschrijving van:
- de 0-situatie;
- de uit te voeren maatregelen met betrekking tot de vergroting van de (huis)kavels, de kavelconcentratie, de vormverbetering van de kavels en het verkorten van de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels, en
- de te verwachten bijdrage aan de vergroting van de (huis)kavels, de kavelconcentratie, de vormverbetering van de kavels en het verkorten van de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels benodigd.

Bij het toekennen van punten aan dit criterium zal de adviescommissie kijken naar:
- het aantal doelen uit artikel 3.8.9 lid 2 waaraan het project bijdraagt (bijdragen aan 0, 1, 2, 3 of 4 van de doelen).
- daarnaast kan de adviescommissie punten toekennen aan de mate waarin wordt bijgedragen aan dit doel/deze doelen. Bij bijdrage aan 1 doel bijvoorbeeld 1 tot maximaal 3 punten.

3. De bijdrage aan de verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de natuur
De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de natuur, hetgeen blijkt uit de uit te voeren maatregelen die in het verkavelingsproject ten aanzien van deze doelen worden genomen. Beschrijf per maatregel welke positieve effecten er voor het milieu, de waterhuishouding of de natuur ontstaan door het herverkavelingsinstrument in te zetten. Hiervoor is een beschrijving van:
- de 0-situatie;
- de uit te voeren maatregelen met betrekking tot het milieu, de waterhuishouding of de natuur, en
- de te verwachten bijdrage aan het milieu, de waterhuishouding of de natuur
- benodigd.

Herverkaveling is niet alleen een instrument voor landbouwstructuurversterking. Ook voor andere inrichtingsopgaven, zoals de realisatie van de herijkte EHS, de inrichting van de Natura2000-gebieden en de aanleg van wegen, kan herverkaveling ingezet worden. Naast verbetering van de bedrijfsefficiëntie kan de herstructurering van landbouwbedrijven bijdragen aan de realisatie van internationale doelen rondom water, Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), biodiversiteit en Natura-2000.
Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.8.9 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.]

  1. 1. Het maximale aantal te behalen punten voor het criterium uit:
    1. a. artikel 3.8.9 lid 1. bedraagt 10 punten:
    2. o 0 punten indien de subsidiabele kosten per geruilde hectare hoger zijn dan  € 3.000,-;
    3. o 3 punten indien de subsidiabele kosten per geruilde hectare € 2.600,- tot € 3.000,- bedragen;
    4. o 5 punten indien de subsidiabele kosten per geruilde hectare € 2.400,- tot € 2.600,- bedragen;
    5. o 8 punten indien de subsidiabele kosten per geruilde hectare € 1.800,- tot € 2.400,- bedragen;
    6. o 10 punten indien de subsidiabele kosten per geruilde hectare lager zijn dan  € 1.800,-.
    7. b. artikel 3.8.9 lid 2. bedraagt 15 punten:
    8. o Indien bijdrage aan geen van de 4 genoemde doelen: 0 punten;
    9. o Indien bijdrage aan 1 van de 4 genoemde doelen: 1 tot 3 punten;
    10. o Indien bijdrage aan 2 van de 4 genoemde doelen: 4 tot 7 punten;
    11. o Indien bijdrage aan 3 van de 4 genoemde doelen: 8 tot 11 punten;
    12. o Indien bijdrage aan 4 van de 4 genoemde doelen: 12 tot 15 punten.
    13. c. artikel 3.8.9 lid 3. bedraagt 7 punten;
  2. 2. Het minimale aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit:
    1. a. artikel 3.8.9 lid 1. bedraagt 5 punten;
    2. b. artikel 3.8.9 lid 2. bedraagt 9 punten;
  3. 3. Per project dient een minimum score van 18 punten te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 3.8.11 aanvullend stuk bij bevoorschotting

[Toelichting: De benodigde vergunningen zijn bij een kavelruilproject over het algemeen niet bij aanvraag van het project beschikbaar. In dit artikel is daarom opgenomen dat vergunningen, voor zover investeringen vergunningplichtig zijn, bij het eerste voorschotverzoek waarin investeringskosten zijn opgenomen moeten worden overlegd. Dit zal in de meeste gevallen een omgevingsvergunning betreffen. Binnen POP3 is er sprake van bevoorschotting op basis van realisatie.]

In aanvulling op artikel 1.23 dienen aanvragers bij de aanvraag tot bevoorschotting de voor het project benodigde vergunningen te overleggen. Voorgaande is van toepassing op de eerste aanvraag die investeringskosten bevat waarbij sprake is van vergunningsplichtige investeringen.

Artikel 3.8.12 subsidievaststelling

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.27 bevat de aanvraag om subsidievaststelling een duidelijke begrenzing en oppervlakte van het projectgebied op een kaart. De omvang van het projectgebied wijkt bij subsidievaststelling maximaal 10% af van hetgeen bij de aanvraag is opgenomen.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Toezicht

[Toelichting: In artikel 4.1 wordt bepaald dat als toezichthouders op deze regeling zijn aangewezen de aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de NVWA. Deze ambtenaren zijn daartoe aangewezen op grond van de Betaalorgaanstatus van RVO.nl respectievelijk het verrichten van controles ten behoeve van RVO.nl. Daarnaast kunnen GS besluiten nog andere toezichthouders te benoemen. Subsidieverkrijgers zijn verplicht altijd alle medewerking te verlenen aan aangewezen toezichthouders. Overigens zijn subsidieverkrijgers òòk verplicht medewerking te verlenen aan controlebezoeken die door aangewezen ambtenaren van de Europese Unie uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om EU auditors, bijvoorbeeld van de Europese Commissie of van de Europese Rekenkamer.]

  1. 1. Met het toezicht op deze regeling zijn belast aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
  2. 2. Gedeputeerde staten kunnen naast de toezichthouders als bedoeld in het eerste lid, andere toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de besteding van de verstrekte subsidies en de naleving van aan subsidieontvangers opgelegde verplichtingen.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel.

Bijlage 1 Lijst fysieke investeringen

Lijst van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven
Nummer Investeringscategorie Score
1 Zonnepanelen 6
2 Windmolen 4
3 Mestvergister (inclusief mestverwerkingsinstallatie als extra mogelijke kosten, levert geen extra score op) 6
4 Warmte kracht werkend op biomassa 6
5 Warmte kracht regulier, niet geschikt voor biomassa 4
6 Kleine windturbine (zonder vergunning) 6
7 Systemen voor precisie bemesting en/of gewasbescherming inclusief GPS/GIS apparatuur 8
8 Mestscheidingsinstallatie (inclusief mestverwerkingsinstallatie, levert geen extra score op) 6
9 Machines voor niet kerende grondbewerking 10
10 Machine voor spitten en zaaien tegelijk 10
11 GPS voor koeien en automatische selectiepoort weiden 7
12 Koematras, waterbed 6
13 Varkensvriendelijke vloeren 6
14 Open water voorzieningen voor pluimvee, inclusief aanleg waterleidingen e.d. 6

Extra

Inhoudsopgave

Versies regeling

download