Rechterlijke bevoegdheid weigering wijzigingsplan
Uitspraak: Hoger beroep Raad van State (200905994/1/H1). In deze zaak wordt de vraag behandeld welke rechter bevoegd is een beslissing te nemen in een beroepszaak tegen een besluit op bezwaar van een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen.
Jurisprudentie April/Mei 2010
Rechterlijke bevoegdheid weigering wijzigingsplan
Uitspraak: Hoger beroep Raad van State (200905994/1/H1). In deze zaak wordt de vraag behandeld welke rechter bevoegd is een beslissing te nemen in een beroepszaak tegen een besluit op bezwaar van een besluit tot weigering een wijzigingsplan vast te stellen. Belangrijk moment hierbij is de dag waarop het besluit waartegen beroep is ingesteld bekendgemaakt is. Is het besluit voor 1 juli 2008 bekend gemaakt, dan ligt de bevoegdheid in dit geval ook na inwerkingtreding van de Wro bij de rechtbank. Is het besluit na 1 juli 2008 bekend gemaakt, dan is de Raad van State aan zet.
Is de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief begrensd?
Uitspraak: Raad van State (200902963/1/R3). Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden moet in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.
Dwangsom voor niet tijdig vaststellen bestemmingsplan
Uitspraak: Raad van State (201001808/1/R3). In een bestemmingsplanprocedure moet de gemeenteraad het plan binnen 12 weken na de inzagetermijn van het ontwerp vaststellen. In deze zaak voert de gemeente aan dat op grond van de Wro geen beroep mogelijk is tegen het niet tijdig vaststellen van een bestemmingsplan. De termijn van 12 weken is een termijn van orde. De Afdeling trekt een andere conclusie: tegen het niet tijdig nemen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan kan op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b Awb en artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a Wro, na een ingebrekestelling, beroep worden ingesteld door een belanghebbende.