
Het provinciehuis is ontworpen door Marius Duintjer. In 1959 schreef het bestuur van de Provincie Overijssel een prijsvraag uit voor het ontwerp van een nieuw provinciehuis. Uit de vijf inzendingen is het ontwerp van Duintjer geselecteerd. De bouw van het provinciehuis startte in 1967 en duurde in totaal vijf jaar. Rond 2005 is het provinciehuis ingrijpend gerenoveerd en in 2006 is het TOOL-concept geïntroduceerd.
Het gebouw is ontworpen door Marius Duintjer. In 1959 schreef het bestuur van de Provincie Overijssel een prijsvraag uit voor het ontwerp van een nieuw provinciehuis. Uit de vijf inzendingen is het ontwerp van Duintjer geselecteerd. De bouw van het provinciehuis startte in 1967 en duurde in totaal vijf jaar. Rond 2005 is het provinciehuis ingrijpend gerenoveerd en in 2006 is het TOOL-concept geïntroduceerd.
Duintjer was sinds 1956 hoogleraar in Delft. Zijn inaugurele rede was getiteld: ‘bouwen met hart en ziel'. Net als zijn leermeester Le Corbusier -internationaal de voorman van het nieuwe bouwen met de bijnaam ‘de betonbruut'- houdt Duintjer van eerlijke en pure materialen die voor zichzelf spreken. In het provinciehuis zie je daar voorbeelden van als het ongeschilderde beton en de ruwe leisteentegels in de trappenhuizen van het hoofdgebouw. En in het bestuurscentrum is veel onbeschilderd hout en Zweedse hardsteen toegepast.
Het hoofdgebouw en het bestuurscentrum zijn verbonden met een brug die zodanig is ontworpen, dat deze in de as van de Schuurmanstraat ligt. Als je uit de stad komt door de Schuurmanstraat kijk je onder de brug door naar het park, waar in de jaren zestig de landerijen begonnen. Het provinciehuis symboliseert zo de verbinding tussen stad en platteland. Deze opzet in een hoog en een lager bouwvolume die verbonden zijn door middel van een loopbrug die op de as van een straat geprojecteerd staat, is vrijwel identiek aan die van de bakerman van het nieuwe bouwen; het Bauhaus in Dessau.
In Duintjers ontwerp zijn nog meer duidelijke functionalistische verwijzingen zichtbaar. Duintjer werkte in de dertiger jaren bij Le Corbusier in Parijs en heeft daar kennisgemaakt met de vijf principes voor het moderne bouwen die Le Corbusier in 1926 publiceerde. Deze vijf principes, waaronder het bouwen met gewapend beton en dragende kolommen en grote glazen gevelpuien zonder dragende functie, komen stuk voor stuk in het ontwerp van het provinciehuis terug. Het provinciehuis is volgens de rijksbouwmeester een schitterend voorbeeld van bouwkunst uit de zestiger en zeventiger jaren van de twintigste eeuw.
Uitgangspunt voor het ontwerp was dat het hoofdgebouw als kantoortuin ingericht moest worden. Dat betekent grote open ruimten met lange rijen bureaus met daartussenin planten. De wanden en plafonds waren van beton, zonder akoestisch dempende voorzieningen wat op de steeds drukker wordende etages veel geluidsoverlast betekende.
In 1983-1984 is dan ook het grootste deel van het gebouw verkamerd (cellenkantoor). In 1990 is de vleugel aangebouwd en in gebruik genomen. Hier is ook een cellenkantoor ingevoerd, wat duidelijk zichtbaar is in de architectuur van het gebouw. In het midden een gangzone met dragende functie en ook de gevelpui heeft een dragende functie met kleine vensterramen. Het vloeroppervlak is hiermee niet vrij indeelbaar en er valt minder licht naar binnen dan in het hoofdgebouw.
Rond 2005 is het provinciehuis ingrijpend gerenoveerd. De etages zijn tot op het betonskelet gestript en daarna weer opgebouwd volgens de principes van het TOOL-concept. In het kantoor kan sindsdien afhankelijk van werk en voorkeuren gekozen worden uit zes soorten werkplekken. De open en gesloten werkruimten wisselen elkaar af als een meanderende rivier. Naast akoestische voordelen geeft dit visueel ook meer rust; kortere zichtlijnen en nooit meer dan acht personen in je blikveld. Het gebouw is generiek ingericht en kent daardoor een toekomstvaste inrichting. Met deze inrichting kan het gebouw weer decennia vooruit.
Op voorspraak van Duintjer werd tuinarchitect Mien Ruys (1904-1999) aangetrokken om een ontwerp voor de tuin te maken. Haar ideeën reikten verder dan alleen de tuin en samen met tuinarchitect Cornet ontwierp zij een geheel plan voor de tuinaanleg in de Weezenlanden. Tuin en terrein moesten worden aangepast aan de uitstraling van het gebouw.
De originele tuin is na de renovatie in oude luister hersteld door bureau Mien Ruys. De ‘nieuwe' tuin is een bloementuin met in alle seizoenen bloeiende planten. Het ontwerp kent een strakke verdeling, maar door de losse beplanting ontstaat een speels effect. De vijvertjes en fonteinen zijn gerestaureerd en behouden. Tuin en gebouw vormen samen een uniek bewaard geheel van jaren zestig bouw- en tuinkunst.