Weidevogelstand Overijssel blijft om aandacht vragen

Gepubliceerd op 14 november 2018

Tureluur, graspieper en gele kwikstaart weten zich in Overijssel goed te handhaven in het boerenland. Ze broeden vooral aan de randen van graslandpercelen of op akkers en hebben daardoor minder last van het vroege maaien. Wulp, kievit, grutto en scholekster hebben het moeilijk. De stand van grutto en kievit daalt nog steeds. Wulp en scholekster vertonen een licht herstel na jarenlange afname. Van de aantallen Overijsselse weidevogels uit 1994 (het eerste jaar van het meetnet) is nog 61% over.

Inspanning boeren belangrijk

Agrariërs krijgen een vergoeding van de provincie voor het later maaien van percelen met broedende weidevogels, bijvoorbeeld voor maaien na 1 juni. In deze percelen komen meer grutto’s en tureluurs voor dan in gebieden zonder deze overeenkomsten. Deze overeenkomsten leveren het meeste op als ze worden gesloten voor grote aaneengesloten gebieden. Vanaf 2010 zijn de agrarische natuurverenigingen verantwoordelijk voor de uitvoering van het weidevogelbeleid voor gebieden met relatief veel weidevogels. Samen met agrariërs, weidevogelbeschermers, wildbeheereenheden en natuurbeschermingsorganisaties wordt per gebied een weidevogelbeheerplan opgesteld. De verwachting is dat deze aanpak de komende jaren tot meer goede resultaten zal leiden. Voorbeelden van gebieden van agrarische natuurverenigingen zijn Het Lierder- en Molenbroek en delen van de polder Mastenbroek. Het blijkt dat hier herstel mogelijk is. Dit zijn locaties met plas-dras-plekken, kruidenrijke percelen en een rustperiode in het broedseizoen van 1 april tot circa half juni. Hier hebben jonge vogels veel betere kansen om  uit te vliegen. De zeldzame soorten watersnip, zomertaling en slobeend komen vooral voor in gebieden van natuurorganisaties.

Wat zijn plas-dras-plekken?

Plas dras ontstaat door lage delen land van april tot augustus, of zelfs het hele jaar rond, onder water te laten staan of onder water te zetten (0-20 cm). De aanbevolen oppervlakte is minimaal een 0,5 ha per 100 ha weidevogelgebied. Dit trekt grote aantallen steltlopers en eenden aan om er voedsel  te zoeken, te baltsen, te slapen en te ruien en er dichtbij te broeden en de kuikens op te laten groeien.

Weidevogelmeetnet

De informatie over de ontwikkelingen van de weidevogels is gebaseerd op het weidevogelmeetnet van de provincie Overijssel dat in 1994 is gestart. Het meetnet is bedoeld om de ontwikkelingen van de aantallen broedende weidevogels te volgen. Om het jaar wordt van 40 locaties, van tussen de 30-100 ha groot, de weidevogelstand vastgesteld. Vanaf 2016 worden 8 meetnethokken jaarlijks gevolgd als onderdeel van de landelijke monitoring Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).Om te weten waar welk beheer het beste past én om te zien of dat beheer effect heeft, is informatie nodig. Het verzamelen van die gegevens in het veld heet monitoring. Monitoring is van belang voor de beheerders die een beheerplan gaan opstellen. Daarvoor moeten ze weten welke dieren en planten waar in hun gebied voorkomen en in welke aantallen. Provincies moeten weten wat de effecten zijn van hun beleid: gaat de kwaliteit van de natuur er daadwerkelijk op vooruit? Het Rijk heeft een verantwoordelijkheid naar Europa: zij moet naar Europa toe rapporteren of Europese verplichtingen worden nagekomen. Monitoring van natuur en landschap gebeurt nu ook, door allerlei partijen en op heel veel verschillende manieren. Rijk en provincies hebben afgesproken dat er één gezamenlijke monitoringssystematiek komt. Belangrijke meerwaarde hiervan is dat gegevens uitgewisseld en opgeteld kunnen worden. Voor weidevogels betreft het landelijk meetnet circa 75 locaties met relatief veel beheer en 75 locaties zonder beheer..

Grutto belangrijk

Uit het weidevogelmeetnet blijkt dat het eerst vooral de grutto en de veldleeuwerik waren die in aantallen afnamen. Sinds 2000 gaat het echter ook slechter met de scholekster, kievit en wulp (zie figuur 1). In verschillende delen van Salland en Twente zijn ze nu vrijwel verdwenen. Maar ook in sommige polders in West-Overijssel is sprake van een achteruitgang. De grutto is voor het weidevogelbeleid een belangrijke soort. Van deze soort wordt het broedsucces gemeten aan de hand van het aantal paren met jongen. Als een nest uitkomt hoeft er nog geen sprake te zijn van succes. Het gaat om het aantal jongen dat opgroeit en volwassen wordt. In 2017 was 35% van de paren succesvol. Ze hadden in de laatste week van mei één of meerdere jongen. Uit onderzoek is bekend dat 60% van de paren jongen moet grootbrengen om een achteruitgang tegen te gaan. Voor de tureluur was dit 53%. Dit ligt onder de gewenste grens.

IJsseldelta

In 2017 is de hele IJsseldelta (meer dan 100 km2) op weidevogels in kaart gebracht waarbij een vergelijking gemaakt kon worden met een registratie van 10 jaar daarvoor. Van de steltlopers is een derde van de populatie verdwenen, met de grootste achteruitgang voor de kievit (40%) en grutto (38%). Het aantal paren dat met succes kuikens grootbracht is zowel voor de grutto (circa 34%) als de tureluur (48%) te laag om de populatie op de langere termijn op peil te houden. Kleine zangers als graspieper en gele kwikstaart zijn juist toegenomen, wat samenhangt met de randen van percelen waarin wordt gebroed. Opvallend is ook dat slobeend en veldleeuwerik in de IJsseldelta zijn toegenomen.

Figuur 1: Ontwikkeling aantallen weidevogels: grutto, wulp, kievit en tureluur, 1994-2017 (index 1994=100)

Figuur 1 toont de ontwikkeling aantallen weidevogels: grutto, wulp, kievit en tureluur, 1994-2017 (index 1994=100)

Bron: provincie Overijssel (provinciaal weidevogelmeetnet)

Onderzoek in 2018

Gebieden met een relatief goede stand van grutto, tureluur en wulp zijn in het Natuurbeheerplan Overijssel opgenomen als “open grasland weidevogels”. Hier is het  mogelijk om agrarisch natuurbeheer af te sluiten voor weidevogels. Daarnaast is in het Natuurbeheerplan ook nog een aantal gebieden opgenomen waar mogelijkheden zijn voor beheer voor de kievit. Om het beheer zo effectief mogelijk in te zetten, worden deze gebieden periodiek (1 x in 6-8 jaar) geïnventariseerd op weidevogels. In 2018 vindt dit in opdracht van de provincie plaats in een groot deel van de polders van Noordwest-Overijssel.

Bronnen: