(geconsolideerde versie, geldend vanaf 16-3-2009 tot 2-6-2009)
| Overheidsorganisatie | provincie Overijssel |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 |
| Citeertitel | Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 |
| Deze versie is geldig tot | 2-6-2009 |
| Vastgesteld door | gedeputeerde staten |
| Onderwerp | financiën en economie |
Bij besluit van 24 februari 2009, kenmerk 2009/0026619, hebben Gedeputeerde Staten bepaald dat haar besluit van 6 mei 2008 tot intrekking, respectievelijk aanpassing van de onderdelen Verbeteren vestigingsklimaat bedrijfsleven en Herstructurering bedrijventerreinen in hoofdstuk 3, Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme per 16 maart 2009 in werking treedt.
:
24-2-2009
:
Provinciaal Blad nr. 2009-14
Geen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
1-5-2011 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.12 | 12-4-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0080507 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 12 april 2011, kenmerk 2011/0063758 | |
13-4-2011 | 1-1-2011 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.14 | 15-2-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0072496 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 15 februari 2011, kenmerk 2011/0020676 |
1-4-2011 | Hoofdstuk 7, paragraaf 9. | 29-3-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0063245 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 29 maart 2011, kenmerk 2011/0057960 | |
29-3-2011 | Hoofdstuk 3. | 22-3-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0060939 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 22 maart 2011, kenmerk 2011/0053513 | |
27-1-2011 | Hoofdstuk 8. | 25-1-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0017212 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 25 januari 2011, kenmerk 2011/0012547 | |
1-1-2011 | Hoofdstukken 3, 5, 6, 7 en 8. | 21-12-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0212721 en Provinciaal Blad nr. 2010/0226782 | Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 14 december 2010, kenmerk 2010/0212492 en 21 december 2010, kenmerk 2010/0216117 | |
21-10-2010 | Hoofdstuk 6 | 19-10-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0177697 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 19 oktober 2010, kenmerk 2010/0178533 | |
1-10-2010 | Hoofdstuk 8 | 28-9-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0154890 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 28 september 2010, kenmerk 2010/0154890 | |
17-7-2010 | Hoofdstuk 1a, 3, 5, 6, 7, 8 | 13-7-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0122725 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 13 juli 2010, kenmerk 2010/0122725 | |
2-7-2010 | Hoofdstuk 7 | 8-6-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0103056 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 8 juni 2010, kenmerk 2010/0103056 | |
9-6-2010 | 15-12-2009 | Hoofdstuk 7 | 27-4-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0097972 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 27 april 2010, kenmerk 2010/0097972 |
4-6-2010 | Hoofdstuk 7 | 27-4-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0095686 | - | |
30-3-2010 | Hoofdstuk 3, 5 en 7 | 23-3-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0057135 | - | |
1-2-2010 | Hoofdstuk 8 | 26-1-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0007429 | - | |
23-1-2010 | Hoofdstuk 1 | 19-1-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0006386 | - | |
1-1-2010 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8 | 15-12-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-85 en 63 | - | |
7-10-2009 | Hoofdstuk 5, 7 en 8 | 22-9-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-56 | - | |
15-7-2009 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8 | 30-6-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-40/42 | - | |
3-6-2009 | Hoofdstuk 3, 5, 6 en 7 | 19-5-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-29/30 | - | |
16-3-2009 | Hoofdstuk 3 | 24-2-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-14 | - | |
11-3-2009 | Hoofdstuk 8 | 10-2-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-13 | - | |
28-1-2009 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6 en 8 | 6-1-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-4 | - | |
1-10-2008 | Hoofdstuk 3 | 15-9-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-65 | - | |
1-9-2008 | Hoofdstuk 2, 7 en 8 | 2-9-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-57 | - | |
23-7-2008 | Hoofdstuk 3, 6 en 8 | 1-7-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-50 | - | |
21-5-2008 | Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3 | 22-4-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-37 | - | |
1-5-2008 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.6 en hoofdstuk 7, paragraaf 8a | 1-4-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-36 en 41 | - | |
19-2-2008 | Hoofdstuk 6, 7, 8 | 5-2-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-16 | - | |
16-1-2008 | Hoofdstuk 1, 3, 5 en 7 | 18-12-2007 Provinciaal Blad nr. 2008-1 | - | |
1-1-2008 | Hoofdstuk 2 paragraaf 1 | 2-10-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-95 | - | |
25-7-2007 | Hoofdstuk 3, 7 en 8 | 10-7-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-53 | - | |
16-5-2007 | Hoofdstuk 8 | 27-4-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-40 | - | |
11-4-2007 | Hoofdstuk 6 | 20-3-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-23 | - | |
30-3-2007 | Hoofdstuk 8 | 6-3-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-15 | - | |
7-2-2007 | Hoofdstuk 8 | 16-1-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-5 | - | |
10-1-2007 | Hoofdstuk 7 | 19-12-2006 Provinciaal Blad nr. 2007-1 | - | |
20-12-2006 | Hoofdstuk 3, 6, 7, 8 en 9 | 11-12-2006 Provinciaal Blad nr. 2006-127 | - | |
15-11-2006 | nieuwe regeling | 31-10-2006 Provinciaal Blad nr. 2006-120 | - |
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening.
De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie. De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer. ]
Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies.
[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.]
[Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.]
Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.]
Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt.
De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb.
Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7..
Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ]
De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt.
Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde.
Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren.
Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb). ]
Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren.
[Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.]
Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.
[Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.]
Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).
In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden.
Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ]
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.
[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.]
Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
[Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.]
[Toelichting: De kern van Sisa is dat de provincie Overijssel bij het doorgeven van specifieke uitkeringen via bijvoorbeeld subsidies naar informatie vraagt die zoveel mogelijk aansluit bij de informatiebehoefte en verantwoordingsmomenten van de gemeente. Dat betekent dat de provincie in principe voldoende heeft aan een jaarverslag en de jaarrekening van de subsidieontvangende gemeente. Deze jaarstukken moeten met een bijlage, waarin de verantwoordingsinformatie staat opgenomen, ieder jaar volgend op het jaar waarover verantwoording wordt afgelegd, uiterlijk 15 juli via het CBS bij de provincie worden aangeleverd. Dit houdt in dat:
De provincie Overijssel gebruik maakt van de reguliere jaarstukken van de gemeente: het jaarverslag en de jaarrekening die een accountant heeft voorzien van een rechtmatigheidsoordeel.
Van de voor de specifieke uitkering door de accountant gecontroleerde apart voorgeschreven verantwoording wordt afgezien. In plaats daarvan wordt de noodzakelijke met name financiële beleidsinformatie per specifieke uitkering opgenomen in een bijlage bij de (reguliere) jaarrekening en tijdens de jaarrekening controle door de accountant gecontroleerd.
Met uitzondering van de onder punt b) genoemde financiële verantwoordingsplicht blijven de voorwaarden die in de beschikking of overeenkomst hebben gestaan van kracht.
Wat betreft het verantwoordingsmoment wordt aangesloten bij de procedure die voor de reguliere jaarstukken geldt: uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar of tijdvak waar over verantwoording moet worden afgelegd aan de provincie worden de stukken via het CBS bij de provincie aangeleverd.
Na ontvangst van de verantwoordingsinformatie kan de provincie Overijssel de regeling financieel vaststellen. Hierbij kan worden vertrouwd op de van de gemeente ontvangen gecertificeerde jaarstukken, welke zijn getoetst aan de afgesproken controles. Daarbij wordt ook het rapport van de bevindingen van de accountant en in het bijzonder de hierin opgenomen tabel met fouten en onzekerheden bij de vaststelling van de specifieke uitkering betrokken. Op basis van de verkregen verantwoordingsinformatie vindt vervolgens de inhoudelijke toets bij de provincie plaats. Dit kan leiden tot nadere vragen of maatregelen vanuit de provincie. ]
[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst' maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.
In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking'). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.
Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd' voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd.
De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om:
Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt.
Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen.
Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten.
In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo'n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen. ]
Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.
[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor.
Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid. ]
Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald.
[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie. Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen. Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten.
De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen. ]
Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag.
Het programma van eisen bevat in elk geval:
[Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.]
[ingetrokken]
[ingetrokken]
[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking.
Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen.]
Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria:
In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie.
De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan projecten die passen binnen:
het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.
[vervallen]
[vervallen per 1 januari 2008]
Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.12.
[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren.
Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van Overijssel werkt! en plaatsvinden in Overijssel.
Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie.
[ingetrokken met ingangvan 16 maart 2009]
[Toelichting: De provinciale benadering met betrekking tot de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen en de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen is gewijzigd. De provincie wil partijen verbinden en versnelling van het herstructureringsproces. Naast behoud van de economische functie, zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit kernbegrippen die bij herstructurering zichtbaar moeten worden. Herstructurering staat voorop in de discussie over locaties voor vestiging van bedrijven. Het provinciale Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015 heeft vooral betrekking op revitalisering en herprofilering van verouderde bedrijventerreinen.
Om de beleidsintensivering op dit dossier te doen slagen, is het financiële instrumentarium daarop aangepast. De aanvankelijk centraal staande provinciale subsidielijn, is omgebogen in verband met de oprichting van een Herstructureringsmaatschappij bedrijventerreinen Overijssel (HMO). De HMO richt zich alleen op het private deel dat zich bij herprofilering voordoet. Daarbij gaat het om aankoop, sanering en het opnieuw uitgeven van (voorheen verouderde) bedrijfskavels, waarbij het behoud van de economische functie voorop staat.
Beperkte herstructureringsvormen (de zogenoemde beperkte herstructurering en revitalisering, waarbij de economische functie van het bedrijventerrein dezelfde blijft), bestaan vooral uit investeringen in de publieke ruimte. Deze zijn primair de verantwoordelijkheid van de betrokken gemeenten en de op het betreffende bedrijventerrein gevestigde ondernemers, en vallen buiten het bereik van de HMO. Reden om de provinciale subsidie te richten op de publieke aspecten van herstructurering.
Bij de opzet van de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 (Ubs) hebben Gedeputeerde Staten niet alleen gebruikgemaakt van het advies over de financiële instrumenten voor herstructurering. Ook de praktijkervaringen met het Ubs in de afgelopen jaren, hebben een rol gespeeld bij de nieuwe opzet van deze paragraaf.
Het Ubs heeft uitsluitend betrekking op de kosten van werkzaamheden in de publieke ruimte
Het doet daarbij niet ter zake van welk type herstructurering die werkzaamheden deel uitmaken. Wel dat de werkzaamheden in de publieke ruimte verder moeten gaan dan bijvoorbeeld verbetering van het wegdek of een ander solitair aspect. Dat is vaak immers niet meer dan gewoon onderhoud. De werkzaamheden maken onderdeel uit van een herstructureringsplan, waarin alle maatregelen zijn opgenomen die de veroudering van het terrein als geheel bestrijden en de kwaliteit van het bedrijventerrein verbeteren. Aspecten als duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit zijn in het herstructureringsplan opgenomen. Subsidiëring van transformatie is van subsidieverlening uitgesloten.
Het Ubs heeft bijvoorbeeld betrekking op de volgende aspecten/werkzaamheden in de publieke ruimte
Let wel, het gaat om verouderde bedrijventerreinen. De slechte kwaliteit beslaat de voorzieningen in de publieke ruimte en die van de private eigendommen. Dit is de reden om via het Ubs, een samenhang tussen publieke voorzieningen en private voorzieningen aan te brengen. Althans, als er in de gegeven situatie maatregelen nodig zijn in zowel de publieke, als in de private ruimte. Dat kan door alleen die werkzaamheden voor de publieke ruimte te subsidiëren, die a) vooral voortvloeien uit de kwaliteitsscan, maar ook b) die onderdeel uitmaken van het gehele herstructureringsplan. Als het herstructureringsplan zowel werkzaamheden in de publieke ruimte als in de private sector omvat, dan worden deze werkzaamheden in samenhang in het herstructureringsplan beschreven en uitgevoerd. Samenhang creëert niet alleen een meer afgestemde planopzet, maar het leidt ook tot meer betrokkenheid tussen gemeente en ondernemers. ]
[Toelichting: -Herstructureringsproject
Een herstructureringsproject betreft alle voorbereidingshandelingen en uitvoeringswerkzaamheden die nodig zijn voor de herstructurering van een bedrijventerrein als opgenomen in een herstructureringsplan. Zij hebben betrekking op het totale bedrijventerrein, waarvan de begrenzing in het herstructureringsplan met een kaart is aangegeven. De intensiteit en de aard van de werkzaamheden kan binnen het begrensde gebied variëren. De subsidie wordt slechts eenmaal per bedrijventerrein verstrekt.
-Paragraaf Bedrijventerreinen
Een paragraaf Bedrijventerreinen maakt in principe onderdeel uit van een door het gemeentebestuur vast te stellen structuurvisie. Die structuurvisie is vereist op basis van de nWro. De paragraaf Bedrijventerreinen bevat een samenhangende en zorgvuldige beleidsvisie voor de lange termijn voor bedrijventerreinen waarmee een goede ruimtelijke ordening wordt bevorderd. De volgende aspecten worden daarbij uitgewerkt: inventarisatie huidige data; een reële vraagprognose, voorraad beschikbare terreinen, herijking huidig aanbod; mogelijkheden van herstructurering; toetsing van de vraagprognose aan de geactualiseerde behoeftenraming van het CBP-middenscenario; fysieke en digitale bereikbaarheid; garanties voor de aspecten duurzaamheid, zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit; grondprijzen; inhoudelijke regionale afstemming.
Mocht de betreffende gemeente bij de indiening van de subsidieaanvraag nog niet beschikken over een vastgestelde structuurvisie, dan kan zij, vooruitlopend daarop, een separaat document over bedrijventerreinen vaststellen en bij de subsidieaanvraag overleggen. Het document moet wel een gelijkwaardige status hebben als bedoelde paragraaf.
-Structureel beheer
Dit heeft tot doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein nadat er herstructurering heeft plaatsgevonden. Hierbij gaat het om beheer en onderhoud dat via een publiek-private samenwerking vorm krijgt en zorg draagt voor het op een adequaat niveau houden van voorzieningen en het beheer van een bedrijventerrein. Dat kan ook binnen de structuur van een parkmanagementorganisatie worden geregeld. De monitoring van de instandhouding van een adequaat kwaliteitsniveau kan plaatsvinden door eenmaal per drie jaar een kwaliteitsscan uit te voeren.
-Opbrengst
Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur (ook tijdelijk) en verpachting van grond, de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen en eventue(e)l(e), verkregen subsidie(s).
-Duurzaamheid, zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit
Duurzaamheid, zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit zijn belangrijke aspecten die bij herstructurering steeds meer een rol moeten gaan spelen. Deze aspecten komen al direct tot uitdrukking in de hoofddoelstelling van herstructurering. Namelijk door het bedrijventerrein kwalitatief zodanig te verbeteren dat zich nieuwe ondernemers daar vestigen en dat de gevestigde ondernemers daar blijven. Door vertrek van ondernemers te voorkomen, wordt de vraag naar nieuwe bedrijvenlocaties afgeremd. In een toelichting op een subsidieparagraaf kan op de uitwerkingsaspecten van duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit niet diep en volledig worden ingegaan. In het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015 zal dat meer tot uitdrukking gaan komen. Hoewel een bestaand bedrijventerrein in dit opzicht beperkingen heeft ten opzichte van een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein, is ook op bestaande bedrijventerreinen duurzaamheid een aspect dat meer aandacht moet hebben. De focus moet komen te liggen op de vermindering van de milieubelasting en een efficiënter ruimtegebruik. Zowel de sociaal-maatschappelijke aspecten, bescherming van het milieu en economische ontwikkeling krijgen evenwichtige aandacht. Het gaat om de waarde van het terrein voor de langere termijn, waarbij ‘waarde' niet alleen een economische maar ook een sociale en een ecologische betekenis heeft. Duurzaamheid speelt op de niveaus van de inrichting van het terrein, de samenwerking tussen de bedrijven onderling en tussen bedrijfsleven en overheid en tenslotte op individueel bedrijfsniveau.
In het kwaliteitsscoresysteem vormt duurzaamheid een relevant aspect voor de bepaling van de kwaliteit. Daarbij gaat het om zaken als, energie, duurzaam bouwen, luchtkwaliteit, bodemverontreiniging en intensief ruimtegebruik. De daarop gebaseerde kansenkaart geeft de opties aan waarmee het bedrijventerrein, ook op onderdelen van duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit, te verbeteren valt.
Bij intensief of zorgvuldig ruimtegebruik worden de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik heeft meerdere dimensies, zoals:
-Uitsluitingen
Mocht op een bedrijventerrein, waarop slechts voor een deel transformatie plaatsvindt, op andere delen van het terrein sprake zijn van (een) andere vorm(en) van herstructurering, dan is de uitsluiting niet van toepassing op dat deel waarop de andere vorm(en) van herstructurering plaatsvind(t)(en). ]
[Toelichting: Aspecten als parkmanagement en beveiliging worden niet meer specifiek gesubsidieerd. Voor nieuwe bedrijventerreinen maken dat soort voorzieningen vanzelfsprekend onderdeel uit van de exploitatie. Voor bestaande terreinen zullen dergelijke aspecten onderdeel uitmaken van het herstructureringsplan. Bedoelde aspecten zijn in de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker in beeld gekomen en in de praktijk toegepast. De mogelijkheden ervan zijn algemeen bekend. Er is geen noodzaak meer om via specifieke – vaak kleine – subsidies invoering van parkmanagement en beveiliging ingang te doen vinden. Die aspecten liggen besloten in de kwaliteitsscan en het herstructureringsplan.]
[Toelichting: Met het hanteren van een subsidiepercentage, wordt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor herstructurering benadrukt. De gemeente zal in alle gevallen een aanzienlijk deel moeten financieren.
De subsidies worden eenmaal per bedrijventerrein verstrekt. Dat wil zeggen dat binnen hetzelfde bedrijventerrein, waarvan de grenzen op een kaartje zijn aangegeven, geen eventuele deelprojecten naderhand voor subsidie in aanmerking komen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat voor hetzelfde bedrijventerrein meerdere malen subsidie moet worden toegekend. ]
[Toelichting: Gebruikelijk is dat op aanvraag om subsidie eerst een beschikking tot verlening van subsidie wordt vastgesteld. Nadat het project is afgerond, wordt op basis van overgelegde stukken, de subsidie definitief vastgesteld. Gelet op het karakter van de werkzaamheden en het feit dat de kosten van de kwaliteitscan beperkt zijn, kan op de subsidieaanvraag voor de kwaliteitsscan direct een definitieve beslissing worden genomen.]
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, sub a, geen besluit tot subsidieverlening vooraf.
[Toelichting: Gelet op de toelichting op artikel 3.31, vindt geen bevoorschotting plaats op de kosten van uitvoering van de kwaliteitsscan. Nadat de kwaliteitsscan is uitgevoerd, kan hiervan, onder overlegging van de scan en de verantwoording van de kosten, mededeling aan Gedeputeerde Staten worden gedaan. Als aan de criteria is voldaan, wordt de subsidie betaalbaar gesteld.]
In afwijking van artikel 1.17 verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening:
Aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, sub b en c, overlegt bij de aanvraag tot verlening van subsidie tevens:
Aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, sub b en c, overlegt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie tevens de resultaten van de kwaliteitsscan.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
Subsidie kan worden verleend aan projecten die passen binnen de doelstellingen van de volgende modules zoals opgenomen in de “Omnibus Decentraal” (goedgekeurd door de Europese Commissie op 3 april 2008):
Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling
Module 2: Technische haalbaarheidsstudies
Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB
Module 4: Innovatieve starters
Module 5: Proces en organisatie innovatie in dienstverlening
Module 6: Innovatie advies en innovatieondersteuning
Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel
Module 8: Innovatieclusters
De bijbehorende steunplafonds voor deze modules zijn als volgt:
| Steun- | Steun- plafond: Medium | Steun- plafond: Groot | |
|---|---|---|---|---|
| Module 1 | Industrieel ondezoek Experimentele ontwikkeling Experimentele ontwikkeling met: | 70% 80%
45% 60% | 60% 75%
35% 50% | 50% 65%
25% 40% |
| Module 2 | Technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek Technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling | 75% | 75% 50% | 65% 40% |
| Module 3 | Steun aan MKB voor kosten van verkrijging en validering van octrooien en andere industriële eigendomsrechten | Conform module 1 | Conform module 1 | n.v.t. |
| Module 4 | Steun voor innovatieve starters | € 1 mlj | n.v.t. | n.v.t. |
| Module 5 | Steun voor proces en organisatie innovatiediensten | 35% | 25% | 15% |
| Module 6 | Steun voor innovatie adviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning | € 200 k of 50% | € 200 k of 50% | n.v.t. |
| Module 7 | Uitlenen van hooggekwalificeerd personeel vanuit een onderzoeksorganisatie of grote onderneming bij MKB | 50% | 50% | n.v.t. |
| Module 8 | Investeringssteun ten behoeve van het opzetten, uitbreiden en aansturen van innovatieclusters | 35% | 25% | 15% |
In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking:
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
De subsidie bedraagt maximaal:
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
De subsidie bedraagt maximaal de percentages zoals opgenomen in artikel 3.33 voor kleine en middelgrote ondernemingen.
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
Steun voor innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning is mogelijk wanneer elk van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
Alle personeelskosten voor het inhuren van hooggekwalificeerd personeel, met inbegrip van de kosten voor het inzetten van een wervings- en selectiebureau, alsmede een mobiliteitspremie voor de gedetacheerde werknemers.
Steun voor het inhuren van hooggekwalificeerd personeel dat vanuit een onderzoeksorganisatie of een grote onderneming bij een MKB wordt gedetacheerd is mogelijk indien:
De maximum steunintensiteit bedraagt 50% van de in aanmerking komende kosten, gedurende maximaal drie jaar per onderneming en per ingeleende werknemer.
De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking:
De maximale steunintensiteit voor investeringen bedraagt 15% van de totale subsidiabele kosten. Het maximale percentage kan ingeval van middelgrote ondernemingen met 10 procentpunten en ingeval van kleine ondernemingen met 20 procentpunten worden verhoogd. .De maximale steunintensiteit voor de exploitatie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid en tweede lid zijn de volgende modules uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing:
- Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling
- Module 2: Technische haalbaarheidsstudies
- Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB
- Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel
- Module 8: Innovatieclusters
[Toelichting: Meer informatie over het Programma Economische Innovatie: http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/programma]
In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(en) te zijn ingediend.
[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennisparkt Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel.]
[Toelichting: Er kunnen diverse redenen zijn om af te wijken van artikel 1.13. ter illustratie twee redenen (er kunnen echter ook andere redenen zijn). 1. Een aanvraag kan pas bij de provincie worden ingediend nadat de Stuurgroep Kennispark daar een positief advies over heeft gegeven. Vanuit de voortgang van het project is het wenselijk dat vanaf dat moment kosten kunnen worden gemaakt. 2. Binnen Kennispark komen projecten voor die te maken hebben met intellectuele rechten en geheimhouding. Sommige projectuitvoerders mogen pas een aanvraag indienen als met de geheime gegevens naar buiten mag worden getreden. Toch worden voor deze projecten al wel activiteiten uitgevoerd en kosten gemaakt. Ook in deze gevallen kunnen kosten met terugwerkende kracht meegenomen worden.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen Gedeputeerde Staten op advies van de Stuurgroep Kennispark Twente andere eisen stellen aan de indieningstermijn van een aanvraag.
In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(en) te zijn ingediend.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van innovatieve processen in de kennisintensieve maakindustrie of het versterken van de regionale innovatie-infrastructuur voor de kennisintensieve maakindustrie in Noordwest- en Noordoost Overijssel, Salland en deventer, zoasl verwoord in hoofdstuk 2 Economische Innovatie van het Meerjarig Economisch uitvoeringsprogramma 2008-2011 Overijssel Werkt!
In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(en) te zijn ingediend.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Het programma Nano4Vitality richt zich op het versterken van industrieel onderzoek en product-ontwikkeling op het snijvlak van nanotechnologie, voeding en gezondheid in Oost-Nederland. Samengewerkt wordt met bedrijven en de universiteiten van Nijmegen, Wageningen en Twente. Overijssel is uitvoerder van de tenderregeling namens Gelderland. ook het Ministerie van Economische Zaken draagt financieel bij aan het programma.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag op een vooraf door Gedeputeerde Staten vastgestelde datum ingediend. Een subsidieaanvraag kan niet worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart.
Gedeputeerde Staten stellen twee maal per jaar een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking:
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.57 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Beoordelings- en rankingscriteria voor in te dienen projecten zijn:
Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie, dat binnen zes weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten.
[Toelichting: Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen arbeidsmarkt en tijdgebonden. De projectaanvragers dienen ook in de aanvraag aandacht te besteden aan de overdaagbaarheid van het project. ]
[Toelichting: De volgende kosten worden als niet subsidiabel aangemerkt:
a. interne kosten;
b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit;
c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;
d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetse en sanctiekosten;
e. afschrijvingskosten;
f. winstoplagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen;
g. de aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting. ]
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 25.000,--.
[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe.
Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Initiatieven dienen bij te dragen aan een samenhangend geheel van routes. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Incidenteel kunnen ook ontbrekende schakels in regionale wandelnetwerken worden ondersteund. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.
Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. ]
[Toelichting: De Subsidieregeling KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel 2008 (KITO) heeft tot doel de samenwerking op het gebied van toerisme te stimuleren met als resultaat de ontwikkeling van nieuwe en vernieuwende product-markt-combinaties/arrangementen.
De aanvragen moeten een bijdrage leveren aan een of meerdere van de Beeldverhalen (IJssel, Kop van Overijssel, Vechtdal, Salland, Twente) en passen binnen de thema's uit Overijssel Werkt! (Wellness, Natuur- en Plattelandsbeleving, Cultuurbeleving en Proeven en Ruiken). De aanvragen dienen een duurzaam karakter te hebben (minimaal drie jaar) en bij te dragen aan de toeristische structuurversterking.
De regeling wordt uitgevoerd in Tenders. Tweemaal per jaar zal deelname aan een tender mogelijk zijn (1 februari, 1 oktober). Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde op basis van de bijdrage aan Beeldverhaal, de mate van innovatie en de mate van samenwerking, waarna de subsidie wordt verleend in de volgorde van de vastgestelde prioriteit.
Per tender is een bedrag van € 125.000,-- beschikbaar voor subsidie.
De looptijd van de regeling is twee jaar, van 1 november 2008 tot 31 december 2010. ]
De subsidie als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, bedraagt maximaal 25% van de projectkosten met een maximum van € 50.000,--.
In alle externe communicatie met betrekking tot het project dient te worden vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt door de subsidie van de provincie Overijssel.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.
[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]
[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW.
In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen - meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap - of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen.
Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld.
In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit'. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.]
[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.]
[vervallen]
[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen.
Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden.
De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt.
De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.]
In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen:
[vervallen]
[vervallen
[de artikelen 3.80 en 3.81 zijn vervallen]
[de artikelen 3.82 en 3.83 zijn vervallen]
[de artikelen 3.84. t/m 3.87 zijn vervallen]
[de artikelen 3.88. t/m 3.91 zijn vervallen]
[Toelichting: De provincie Overijssel geeft een extra impuls aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen door de versnelling van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen.
De provincie Overijssel beoogt samen met een groot aantal partners uit bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden een structurele samenwerking aan te gaan in het kader van het Energiepact Overijssel. Doel van dit energiepact is een duurzame energiehuishouding en een reductie van schadelijke uitstoot te bereiken.
Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidie ter stimulering, ondersteuning en versnelling van projecten ten behoeve van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Nevendoelen zijn het stimuleren van het delen van kennis en het vergroten van het bewustzijn van de noodzaak van een duurzame energiehuishouding.
De regeling richt zich expliciet op opschaling/schaalvergroting van projecten door samenwerking tussen verschillende partijen in de keten te bevorderen en daarmee een versnelling te bewerkstellingen van de gewenste resultaten. Vanuit deze ketenbenadering willen wij met name initiatiefnemers ondersteunen die samenwerken in de keten:
De resultaten van deze studies dienen beschikbaar te zijn voor een ieder die geïnteresseerd is in de resultaten en opgedane kennis. Aanvragers kunnen in bijzondere gevallen een voorbehoud maken ten aanzien van gegevens die haar in haar commerciële of andere belangen kunnen schaden.
De regeling bevat een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld of ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het jaarlijks vast te stellen subsidieplafond dat toelaat. ]
[Toelichting: De protocollen monitoring broeikasgassen conform het Kyoto-protocol zijn te vinden op de website http://www.broeikasgasemissies.nl/.
Het protocol monitoring energiebesparing is de vinden op de website http://www.ecn.nl/.
Het protocol Monitoring Duurzame Energie is te vinden op de website http://www.senternovem.nl/. ]
In deze regeling wordt verstaan onder:
[Toelichting: De bio-energieregeling van de provincie Overijssel is per eind 2007 beëindigd. Op grond van deze regeling kan ook de komende jaren subsidie worden aangevraagd voor bio-energieprojecten.
De toepassingsgebieden kunnen als volgt worden omschreven:
Uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar de opwekking en toepassing van duurzame energievoorzieningen, energiebesparingsmaatregelen en verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Het kan hierbij gaan om haalbaarheidsstudies op economisch, sociologisch en technisch gebied of een combinatie hiervan;
Onder dit toepassingsgebied vallen investeringen in zowel innovatieve als bewezen technieken of voorbereidende activiteiten daarvoor (zoals engineeringstudies);
Het ontwikkelen en uitvoeren van projecten en programma's gericht op de bewustwording en gedragsverandering bij particulieren en bedrijven met betrekking tot energiebesparingsmaatregelen en CO2-emissiereductie en de ontwikkeling van de hiervoor benodigde activiteiten en instrumenten.
Uitgesloten van subsidiëring zijn:
Het gebruik en toepassing van biomassa en biobrandstoffen staat op het moment van publiceren van deze regeling ter discussie, omdat het ten koste kan gaan van de biodiversiteit (kappen van regenwouden) en sprake kan zijn van verdringing van voedselgewassen door biobrandstofgewassen, met hogere voedselprijzen tot gevolg. De provincie Overijssel wil voorkomen dat zij met deze regeling zou bijdragen aan genoemde problemen.
De Europese Commissie bereidt een Europese richtlijn voor de duurzaamheid van biobrandstoffen voor. Voor de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa heeft de Europese Commissie drie criteria vastgesteld:
1. de CO2-balans van de biomassa moet positief zijn, dus er moet ten opzichte van het gebruik van fossiele brandstoffen een netto CO2-emissiereductie resulteren uit de hele keten van productie, oogst, transport, bewerking en verwerking van de biomassa;
2. het gebruik van de biomassa mag de biodiversiteit niet doen afnemen (bijvoorbeeld door de kap van tropische regenwouden);
3. het gebruik van de biomassa mag er niet toe leiden dat in de bodem aanwezige koolstofvoorraden vrijkomen (bijvoorbeeld als gevolg van oxidatie van veen bij grondwaterpeilverlaging voor biomassateelt).
De Nederlandse regering wil daarnaast nog vier andere criteria hanteren:
4. geen verdringing van de teelt van voedselgewassen (tevens verbod op concurrentie met andere hoogwaardige toepassingen, zoals gebruik als constructiemateriaal);
5. het gebruik van de biomassa mag niet tot verontreiniging van het milieu leiden, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van pesticiden of kunstmest;
6. het gebruik van de biomassa moet bijdragen aan de lokale economie op de plaats van herkomst;
7. het gebruik van de biomassa mag geen afbreuk doen aan het welzijn van de lokale bevolking.
De regering is daarnaast van mening, dat niet alleen de CO2-balans, maar de totale broeikasgasbalans positief moet zijn, voor minimaal 50% (inclusief emissies van lachgas en methaangas, uitgedrukt in CO2-equivalent).
Met betrekking tot de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen volgt de provincie Overijssel het landelijke beleid. Voor brandstofproductie en energieopwekking uit biomassa geeft de provincie Overijssel de voorkeur aan het gebruik van organisch afval en natuurlijke reststromen. Biomassaprojecten die niet leiden tot voedselverdringing of aantasting van natuurgebieden worden door de provincie gestimuleerd. In afwachting van definitieve duurzaamheidscriteria zullen wij toetsen aan de meest recente inzichten.
Subsidiabele kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie.
De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voor zover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening.
De resultaten en effecten van de activiteiten dienen direct bruikbaar te zijn voor natuurlijke personen en rechtspersonen binnen de provincie Overijssel.
Projecten dienen in hoofdzaak (> 50% van de ingezette middelen) binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden. Hiermee is provinciegrensoverschrijdende samenwerking mogelijk gemaakt. Onder het starten van projecten wordt ook verstaan het maken van kosten of het aangaan van verplichtingen (opdrachtverstrekking) in het kader van de uitvoering van het project.
De doorlooptijd van de projecten in het toepassingsgebieden A en B is gesteld op maximaal 1 jaar aangezien het hier gaat om activiteiten die een relatief korte realisatietijd nodig hebben. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.
Een verzoek tot uitstel zal worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid, en of de vertraging aan de aanvrager redelijkerwijs te verwijten is, dan wel voor zijn rekening dient te komen.
Is een project, eventueel na verlening van de maximale uitsteltermijn van één jaar, niet afgesloten, dan wordt op basis van de op dat moment bekende declareerbare kosten een vaststelling gedaan. ]
Gedeputeerde Staten verstrekken deze subsidies in de vorm van een prestatiesubsidie.
De subsidie per project bedraagt maximaal € 60.000,-- voor de in artikel 3.93, lid 2, bedoelde toepassingsgebieden A en C en maximaal € 199.000,-- voor toepassingsgebied B en bedraagt ten hoogste 50% van de totale toe te rekenen kosten. De subsidie kan op een hoger percentage worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen met dien verstande dat de subsidie nimmer het maximale bedrag zal overschrijden.
In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend vóór 1 maart of vóór 1 september van het betreffende kalenderjaar.
[Toelichting: Voor indiening dient gebruik te worden gemaakt van een formulier dat bij de provincie verkrijgbaar is. Het desbetreffende formulier kan worden opgevraagd bij provincie Overijssel (team EMTB), Postbus 10078, 8000 GB Zwolle, onder vermelding van de naam van de regeling. Daarnaast kan het formulier worden gedownload van internet (www.provincie.overijssel.nl/e-loket).]
[Toelichting: Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2009 bedraagt:
- voor de tender van 1 maart 2009 € 1.500.000,-- waarvan voor toepassingsgebied A en C samen € 300.000,-- en voor toepassingsgebied B € 1.200.000,--.
- voor de tender van 1 september 2009 € 500.000,-- waarvan voor toepassingsgebied A en C samen € 100.000,-- en voor toepassingsgebied B € 400.000,--. ]
Gedeputeerde Staten stellen uiterlijk 1 december van het voorafgaande jaar het subsidieplafond vast.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling van de projecten onder meer gebruik maken van externe advisering. De aanvragen zullen worden beoordeeld op basis van een aantal criteria zoals in dit artikel weergegeven. ]
[Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.]
Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.
De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]
[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.]
In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Vanuit het Rijk is het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) ingesteld om in steden de leefbaarheid te verbeteren, de aantrekkelijkheid te vergroten en achterstanden in sommige buurten en wijken helpen op te lossen. Jey ISV is een bijdrage, bedoeld voor het nemen van fysieke maatregelen op de terreinen ruimte, wonen, milieu, grootschalig groen en cultuur. Op provincieel niveau wordt er een onderscheid gemaakt in programmagemeenten en projectgemeenten.
Projectgemeenten kunnen op grond van de subsidieregeling Stedelijke Vernieuwing Overijssel het hele jaar subsidieaanvragen indienen voor stedelijke vernieuwingprojecten (tot het subsidieplafond is bereikt). De projectaanvragen moeten voldoen aan het Rijks- en Provinciaal belediskader ISV II. In het Provinciaal Beleidskader is opgenomen dat de provincie de hoogste prioriteit geeft aan de volgende thema's:
- Het realiseren van voldoende geschikte woonruimte voor starters en ouderen in de plattelandsgemeenten.
- Het handhaven waar mogelijk van een veilige en gezonde leefomgeving. ]
Gemeenten dienen bij afronding van het project een apart verzoek om vaststelling van de subsidie in en overleggen bij dit verzoek een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan.
[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen.
Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal.
Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed.
Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]
[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij?
In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord.
Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen:
De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.
In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.
Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;
Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;
Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de subsidieaanvraag voor een transformatieplan tevens:
[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag voor subsidie ten behoeve van een transformatieplan is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Vóór indiening van een subsidieaanvraag dient overleg plaats te vinden met het programmateam. ]
[Toelichting: De werkzaamheden voor het opstellen van een transformatieplan, dan wel voor de uitvoering ervan, moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. Een transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond.
In de rapportage(s) van het project wordt duidelijk vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. ]
[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over:
[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband.
Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor gedragsbeïnvloedingsprojecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ]
[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking.
De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties die voorkomen op de laatst uitgegeven VOC-lijst Overijssel. Deze lijst is een gezamenlijke uitgave vande provincie Overijssel en de Regio Twente. ]
[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.]
[Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor gedragsbeïnvloedingsprojecten.]
In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.
In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.
[Toelichting: Subsidies Bouwimpuls Overijssel worden beschikbaar gesteld om een snellere uitbreiding en/of ver-vanging van de woningvoorraad voor betaalbare woningen voor starters en ouderen te realiseren, evenals om woningbouwprojecten voor bijzondere/specifieke doelgroepen met een achterstand op de woningmarkt.
In het Coalitieakkoord 2007-2011 is opgemerkt dat de komende collegeperiode de aandacht steeds meer komt te liggen op doelgroepen als ouderen en starters, statushouders en dak- en thuislozen. Integratie in de woonwijk of buurt staat daarbij voorop. Contacten met buurtbewoners kunnen wor-den bevorderd wanneer deze ook toegang krijgen tot de gemeenschappelijke ruimte, en wanneer er in de gemeenschappelijke ruimte activiteiten worden georganiseerd waar omwonenden bij betrok-ken worden. Voor deze categorie gemeenschappelijke ruimten is de prestatiesubsidie van maximaal € 150.000,-- bedoeld. Gemeenschappelijke ruimten zonder wijkfunctie zijn uitsluitend gericht op be-vordering van contacten van de bewoners onderling. Ook daarvoor kan subsidie worden aange-vraagd, maar deze bedraagt maximaal € 25.000,-- per project, en heeft het karakter van een stimu-leringssubsidie.
Verder wil de provincie - in aansluiting op initiatieven vanuit het ministerie van VROM - het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap sterker dan voorheen stimuleren. De daarvoor bestemde rijksmidde-len worden via de Bouwimpuls beschikbaar gesteld voor initiatieven van georganiseerde groepen huishoudens die gezamenlijk de bouw van hun toekomstige woningen ter hand nemen. Zij kunnen deskundige procesondersteuning, en bijvoorbeeld een architect, inschakelen ter voorbereiding van hun woningbouwplan, voor maximaal € 10.000,-. Verder kunnen gemeenten een subsidie krijgen voor de stimulering van initiatieven voor CPO-projecten. ]
[Toelichting: Start: Onder start van het woningbouwproject wordt verstaan de uitvoering van de bouwwerkzaam-heden (de ‘spa in de grond’).]
Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.20 lid 2 sub b, lid 3 en lid 4 in de vorm van een stimuleringssubsidie.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.20 lid 1 en 5.20 lid 2:
[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010.
Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken).
De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum.
De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen.
De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld. ]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.
[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.]
[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen.
De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems.
Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.”
Onder wenselijke ontwikelingen wordt onder meer verstaan economische ontwikkelingen, woningbouw en natuurontwikkeling. Het gaat niet alleen om grootschalige projecten maar juist ook om stimulering van kleinschalige projecten (bijvoorbeeld kleinschalige stads- en dorpsvernieuwing of de ontwikkeling van kleinere bedrijventerreinen).
Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]
[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan.
Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987.
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten.
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend:
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever. ]
[Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven (projectvoorstel). In het projectvoorstel moet o.a. een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden/activiteiten worden opgenomen, een onderbouwing van de kosten, de aanleiding van het onderzoek en een motivatie van het maatschappelijk belang. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.]
[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen. Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is.
Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn.
Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema's of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype. Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn. ]
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:
[Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.
[vervallen]
[vervallen]
Voor toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten en projecten die zijn opgenomen in het “Uitvoeringsprogramma Vecht en Vechtdal” van het programma Ruimte voor de Vecht.
In afwijking van artikel 1.13 kan de aanvraag voor subsidie gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Op 18 juni 2008 is door Provinciale Staten de beleidsnota ‘Samen & Overijssel - Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012' vastgesteld. In deze nota is het beleid voor de provincie, op de terreinen van jeugd, sociale infrastructuur en cultuur vastgesteld voor de periode 2009 - 2012. Deze nota vervangt de nota Sociale Actie 2005-2008. In het nieuwe beleid richt de provincie zich op de versterking van sociale cohesie en participatie. Voor wat betreft het cultuurbeleid kiest de provincie nadrukkelijk voor cultuur als factor voor een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. In het beleid zijn scherpe keuzes gemaakt en dat geldt ook voor de instrumenten die worden gebruikt bij de uitvoering.
Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems' is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. ‘Nieuwe Bezems' staat in de eerste plaats voor de vernieuwingen in het provinciale Jeugdbeleid. Provinciale Staten wil dat er in de jeugdzorg en het preventieve Jeugdbeleid sneller en meer resultaten worden geboekt. Daarvoor zijn nieuwe werkwijzen nodig, nieuwe instrumenten, nieuwe attitudes en nieuwe verhoudingen.
Gedeputeerde Staten moeten regels stellen om de uitwerking van deze nota, onder andere het verstrekken van subsidies, goed te laten verlopen. De uitwerking van de nota Samen & Overijssel 2009 - 2012 is geregeld in hoofdstuk 7 van dit Uitvoeringsbesluit. De uitwerking van ‘Nieuwe Bezems' is nog niet geregeld in hoofdstuk 7 van dit Uitvoeringsbesluit. Wel is paragraaf 3 bestemd voor jeugdzorg. In deze paragraaf is paragraaf 12 van de vorige versie van het Uitvoeringsbesluit, ongewijzigd overgenomen. In 2009 zal paragraaf 3 jeugdzorg aangepast worden aan ‘Nieuwe Bezems'.
Niet alleen hoofdstuk 7 is belangrijk. In hoofdstuk 1 zijn de algemene bepalingen geregeld die ook op dit hoofdstuk van toepassing zijn. Wanneer er in hoofdstuk 7 niet nadrukkelijk wordt afgeweken van hoofdstuk 1, zijn die bepalingen rechtstreeks van toepassing op dit hoofdstuk. ]
[Toelichting: In deze paragraaf zijn de bepalingen genoemd die voor heel hoofdstuk 7 van toepassing zijn. Deze bepalingen hebben een algemeen karakter.]
[Toelichting: In dit artikel worden algemene begrippen die in hoofdstuk 7 met enige regelmaat terugkomen en om een nadere verklaring vragen toegelicht. Op 18 juni 2008 hebben Provinciale Staten de beleidsnota ‘Samen & Overijssel – Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012’ vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten, doelen en hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de periode 2009-2012 vastgelegd. Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems’ is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. Hoofdstuk 7 van het Uitvoeringsbesluit Subsidies 2007 is door Gedeputeerde Staten vastgesteld om uitvoering te geven aan deze Nota. De uitvoering van het Jeugdbeleid is nog niet geregeld in dit hoofdstuk. Dit zal naar verwachting in de tweede helft van 2009 gebeuren.]
Nota: beleidsnota ‘Samen & Overijssel- Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012’.
[Toelichting: Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten slechts die activiteiten kunnen bekostigen die passen binnen de doelen en kaders van de Nota of de provinciale begroting.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de doelen en kaders:
[Toelichting: Dit artikel regelt dat de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden niet gesubsidieerd worden. Wanneer bijvoorbeeld de uitvoering van een project start op 1 september 2008, op 1 oktober 2008 de subsidieaanvraag ingediend is, zullen de reeds gemaakte kosten van 1 september tot en met 1 oktober 2008 niet door Gedeputeerde Staten bekostigd worden.]
In aanvulling op artikel 1.6 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.
[Toelichting: Dit artikel regelt dat een subsidieaanvraag voor de start van de activiteit ingediend moet worden. Hiermee wijken Gedeputeerde Staten af van de 13 weken zoals geregeld in artikel 1.13 Wel wordt de aanvrager geadviseerd om de termijn van 13 weken aan te houden, omdat Gedeputeerde Staten 13 weken de tijd hebben om te beslissen over de subsidieaanvraag. Wanneer zeer kort voor de start van het project wordt ingediend, dan loopt de aanvrager het financiële risico dat een gedeelte van de activiteiten niet door Gedeputeerde Staten gesubsidieerd worden, zie artikel 7.3.]
In afwijking van artikel 1.13. wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders anders is bepaald.
[Toelichting: In sommige gevallen raadplegen Gedeputeerde Staten een onafhankelijke adviescommissie omtrent een subsidieaanvraag. In dat geval wordt afgeweken van de reguliere behandeltermijn van 13 weken. Gedeputeerde Staten beslissen dan in ieder geval binnen acht weken nadat het advies van de adviescommissie is ontvangen.]
In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd over een aanvraag binnen acht weken nadat het advies is ontvangen.
[Toelichting: Wanneer Gedeputeerde Staten de subsidieaanvraag positief beoordelen, en daarmee de subsidie verleend wordt, kan de subsidieontvanger starten met het project. Deze start moet echter uiterlijk binnen zes maanden nadat de verleningsbeschikking door Gedeputeerde Staten is verzonden plaatsvinden. Dit betekent dat wanneer Gedeputeerde Staten op 1 september 2008 een verleningsbeschikking verzenden, de activiteiten uiterlijk op 1 maart 2009 starten. Elke vertraging hierin moet door de subsidieontvanger onmiddellijk aan Gedeputeerde Staten worden gerapporteerd.]
De activiteiten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij in de beschikking tot verlening van de subsidie, anders is bepaald.
[Toelichting: De aanvraag tot subsidievaststelling van een prestatiesubsidie wordt binnen zes maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak ingediend. Gedeputeerde Staten hebben deze termijn verruimd van vier maanden tot zes maanden, om hiermee de subsidieaanvrager meer tijd te geven om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in dienen. Echter Gedeputeerde Staten adviseren om de aanvraag tot vaststelling zo snel mogelijk in te dienen, want het resterende subsidiebedrag kan pas ontvangen worden als de prestatiesubsidie is vastgesteld. Bij subsidieverlening wordt namelijk maximaal 80% van het subsidiebedrag als voorschot uitbetaald. De overige 20% ontvangt de subsidieontvanger na vaststelling van de subsidie.
Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. ]
In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen zes maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
[Toelichting: In deze paragraaf is geregeld hoe Gedeputeerde Staten organisaties inzetten om steunfunctietaken uit te voeren (de tweedelijnsorganisaties) (Hoofdstuk 6 Nota). Organisaties die het maatschappelijke veld en gemeenten (de eerstelijnsorganisaties) ondersteunen, kunnen door Gedeputeerde Staten worden uitgenodigd om een subsidieaanvraag in te dienen. Gedeputeerde Staten nodigen organisaties met rechtspersoonlijkheid met de kaderbrief ‘Steunfunctietaken 2009-2012' uit om voor 1 oktober 2008 een subsidieaanvraag in te dienen. Gedeputeerde Staten vragen deze organisaties aan te geven welke activiteiten zij zullen ondernemen in de periode 2009-2012 om aan de steunfunctietaken uit de Nota uitvoering te geven. De uitvoering van die steunfunctietaken draagt bij aan de instandhouding en versterking van de sociale en culturele infrastructuur in Overijssel. De organisaties die steunfunctietaken uitvoeren ondersteunen het maatschappelijke veld en de gemeenten. Het accent ligt op ondersteunen en nadrukkelijk niet op het uitvoeren van activiteiten die tot de taken van de uitvoerende organisaties behoren.
Gedeputeerde Staten verlenen een subsidie voor de periode 2009-2012. In 2013 zal de subsidie echter worden vastgesteld. Daarom kan de organisatie die steunfunctietaken verricht de subsidie flexibel inzetten. De organisaties ontvangen een doorlopend voorschot. Gedeputeerde Staten passen de bevoorschotting jaarlijks aan, aan de gehanteerde index voor subsidies van de provinciale begroting van dat jaar. De organisaties worden over deze aanpassing voor 1 januari schriftelijk geïnformeerd. ]
[Toelichting: Een organisatie kan verschillende steunfunctietaken uitvoeren.
Onder advies en informatieverstrekking wordt verstaan: het op verzoek van de uitvoerende organisaties geven van voorlichting, advisering en documentatie- en informatieverstrekking. Tot deze taak behoort ook het fungeren als expertisecentrum voor het maatschappelijke veld en de gemeenten.
De steunfunctietaak onderzoek en innovatie betekent het adviseren en ondersteunen van het maatschappelijk veld en de gemeenten bij innovatieve projecten en experimenten. Deze steunfunctietaak is vooral gericht op het ontwikkelen van nieuwe methodieken.
De steunfunctietaak deskundigheidsbevordering en professionalisering is gericht op het beter in staat stellen van vrijwilligers(organisaties) hun vrijwilligerswerk te doen en projecten uit te voeren door middel van trainingen en begeleiding. Met deze steunfunctietaak wordt een beroep gedaan op de specifiek aanwezige ervaring en deskundigheid bij de organisatie die een steunfunctietaak uitvoert.
De steunfunctietaak onderhouden van netwerken in de Overijsselse samenleving richt zich er op dat de organisatie die steunfunctietaken uitvoert de uitvoerende instellingen, gemeenten en andere relevante organisaties in de provincies kent. Het verwerven en behouden van een kennisnetwerk is van groot belang. Contacten tussen verschillende organisaties worden bevorderd en kennisuitwisseling en afstemming wordt gestimuleerd. Dit vereist van organisaties die steunfunctietaken verrichten regionale kennis, inzichten in netwerken en verhoudingen en een proactieve houding. ]
[Toelichting: In artikel 7.9 worden een drietal criteria opgesomd waaraan een organisatie die steunfunctietaken uitvoert moet voldoen. Deze opsomming is limitatief, dit betekent dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan. Hierop gelden geen uitzonderingen. Gezien de aard van de steunfunctietaken is het noodzakelijk dat de organisatie die steunfunctietaken uitvoert beschikt over ervaring in de provincie Overijssel. De organisatie ondersteunt gemeenten en uitvoerende organisaties. Deze ondersteuning kan alleen dan goed verlopen indien de organisatie voldoende ervaring heeft in de provincie Overijssel met betrekking tot de uitvoering van die steunfunctietaak. De organisatie moet deze expertise kunnen aantonen door bijvoorbeeld te beschrijven sinds wanneer de organisatie actief met betrekking tot deze steunfunctietaak in de provincie Overijssel werkzaam is. Ook moet er een effectief netwerk zijn dat ook op de langere termijn wordt onderhouden. Daarnaast staat het de organisaties vrij om ook andere activiteiten te ondernemen en andere geldstromen te genereren. Ook kunnen zij subsidie aanvragen voor de uitvoering van activiteiten die niet tot de steunfunctietaken behoren. Een en ander mag niet leiden tot een ongewenste belangenverstrengeling.]
Een rechtspersoon die steunfunctietaken uitvoert:
[Toelichting: In de eerste plaats moeten bij de aanvraag de gegevens worden verstrekt zoals die van de subsidieaanvrager in artikel 1.14 worden gevraagd. Naast die gegevens verstrekt de subsidieaanvrager ook een plan van aanpak waarin wordt beschreven door middel van welke prestaties een steunfunctietaak zoals bepaald in artikel 7.8 uitgevoerd wordt en hoe die prestaties bijdragen aan de provinciale beleidsdoelen zoals omschreven in de Nota.
In de tweede plaats omschrijft de subsidieaanvrager in het plan van aanpak op welke wijze de tevredenheid onder de afnemers, dus de gemeenten en het veld, jaarlijks gemeten wordt. De steunfunctietaken worden nadrukkelijk uitgevoerd ter ondersteuning van het maatschappelijke veld en de gemeenten. Daarom is het belangrijk dat de afnemertevredenheid gemeten wordt. Wanneer een organisatie reeds over een dergelijke kwaliteit- of klanttevredenheidsmeting beschikt dan kan daarbij worden aangesloten. Ook verstrekt de subsidieaanvrager een begroting met betrekking tot de uitvoering van de steunfunctietaak: Gedeputeerde Staten willen inzicht hebben in de kosten van de steunfunctietaken. Er kan worden volstaan met een zo goed mogelijke toedeling per steunfunctietaak en een toelichting daarop. Wanneer er een direct verband bestaat tussen de kosten en de steunfunctietaak zullen deze kosten rechtstreeks aan de steunfunctietaak worden toegerekend. Als er sprake is van indirecte kosten, zoals de kosten van huisvesting, dan worden deze kosten door middel van verdeelsleutels naar redelijkheid aan de betreffende steunfunctietaken toegerekend. In de toelichting van de begroting wordt melding gedaan van de samenstelling van de gemiddelde uurprijs voor de te leveren uren ondersteuning en de gehanteerde verdeelsleutel ten aanzien van de toerekening van indirecte lasten. Ook moet worden beschreven hoe aan de criteria uit artikel 7.9 wordt voldaan. ]
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de rechtpersoon bij de subsidieaanvraag in ieder geval:
[Toelichting: Wanneer Gedeputeerde Staten hebben besloten de subsidie te verlenen dient de subsidieontvanger jaarlijks voor 1 februari, dus voor het eerst uiterlijk voor 1 februari 2010, een rapportage in. Dit houdt verband met de jaarlijkse rapportage aan Provinciale Staten. In deze rapportage komen een tweetal elementen terug. In de eerste plaats wordt gerapporteerd over de inhoudelijke voortgang met betrekking tot de uitvoering van de steunfunctietaken. In de tweede plaats worden de uitkomsten van de meting bij de afnemers over de tevredenheid genoemd. Deze afnemertevredenheid weegt mee bij de beoordeling van de voortgang van de prestatieafspraken.]
De rechtspersoon overlegt jaarlijks, voor 1 februari een rapportage van:
[Toelichting: Gezien de lange periode waarvoor de subsidie wordt verleend kunnen omstandigheden zich voordoen die een tussentijdse wijziging van de afspraken afdwingen. Dit artikel regelt onder welke omstandigheden de prestatieafspraken gewijzigd kunnen worden. In de eerste plaats kunnen Gedeputeerde Staten de prestaties in overleg met de subsidieontvanger wijzigen als daar op grond van de besluitvorming van Provinciale Staten of de jaarlijkse voortgangsrapportage als bedoeld in het vorige artikel aanleiding toe is. In de tweede plaats kan de subsidieontvanger in overleg met Gedeputeerde Staten de prestatieafspraken wijzigen als de prestatieafspraken niet effectief gerealiseerd kunnen worden door de gewijzigde vraag bij de afnemers of gemeenten. Wanneer deze wijziging minder dan 10% van het jaardeel van de subsidie bedraagt, dan is er geen overleg vereist met Gedeputeerde Staten, maar kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan Gedeputeerde Staten.]
[Toelichting: Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems' is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. ‘Nieuwe Bezems' staat in de eerste plaats voor de vernieuwingen in het provinciale Jeugdbeleid. Provinciale Staten wil dat er in de jeugdzorg en het preventieve Jeugdbeleid sneller en meer resultaten worden geboekt. Daarvoor zijn nieuwe werkwijzen nodig, nieuwe instrumenten, nieuwe attitudes en nieuwe verhoudingen.
De uitwerking van ‘Nieuwe Bezems' is nog niet geregeld in deze paragraaf. Deze paragraaf is ongewijzigd overgenomen en zal naar verwachting in de tweede helft van 2009 worden aangepast. Wel is de nummering van de paragraaf en artikelen aangepast en achterhaalde informatie uit de oorspronkelijke toelichting gehaald. Deze paragraaf was eerder paragraaf 12 van hoofdstuk 7 van het Uitvoeringsbesluit.
De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het subsidiëren van de activiteiten van Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJzO) en het zorgaanbod jeugdhulpverlening. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast. De voor de diverse organisaties maximaal beschikbare bedragen zijn opgenomen in het (ontwerp) Uitvoeringsprogramma jeugdzorg Overijssel 2009.
BJzO
De provincie ontvangt van het Rijk een Doeluitkering Bureau Jeugdzorg. Voor de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de zogenaamde justitiële taken van Bureau Jeugdzorg in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering. In de doeluitkering is hiervoor een bedrag opgenomen dat resulteert door vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde justitiële taken (Q) in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de doeluitkering betrekking heeft (de zogenaamde t-1 systematiek, gebaseerd op een 12-maandsgemiddelde). Voor de overige niet-justitiële taken van BJzO is in de doeluitkering een bedrag begrepen dat is gebaseerd op landelijk vastgestelde normprijzen.
De provinciale subsidiesystematiek van BJzO is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerde P maal-Q-systematiek bij het vaststellen van de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg. De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de vaststelling van de provinciale subsidie aan BJzO.
BJzO moet bij het uitvoeren van de taken zoveel mogelijk in staat worden gesteld aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte gedurende het jaar. Daarom moet de subsidieaanvraag gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de verschillende taken van het bureau. Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke kwantitatieve inzet van taken hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de prestatiesubsidie gaat de provincie uit van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor bij de subsidieverlening gehanteerde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde taken, vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal verleende prestatiesubsidie. Alleen wanneer het langs deze weg becijferde totale bedrag lager is dan de maximaal verleende subsidie, kan een lagere prestatiesubsidie worden vastgesteld. Met deze systematiek wordt een maximale flexibiliteit voor BJzO gerealiseerd, om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de verschillende taken.
BJzO wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de aan haar door de provincie maximaal verleende subsidie.
Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de bepaling van de doeluitkering door het Rijk wordt vanaf het moment dat hiervoor de landelijke normtarieven bekend zijn door de provincie voor deze taak een prestatiesubsidie berekend op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.
Zorgaanbod
Voor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een ‘doeluitkering zorgaanbod' van het Rijk. Dit betekent dat deze uitkering gebaseerd wordt op de te verwachten aantallen geïndiceerde zorgeenheden, vermenigvuldigd met een landelijke normprijs voor die zorgeenheden/bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q). Deze zorgeenheden worden landelijk omschreven en vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de bij provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden.
Met de invoering van de WJZ is onder meer beoogd te komen tot meer marktwerking in het zorgaanbod, onder andere met als doel een zo efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod te bereiken. Daarom zijn de landelijke normprijzen voor de te leveren zorgeenheden niet bindend voor de te hanteren tarieven bij de subsidiëring van de zorgeenheden door de provincie. De uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder kunnen verschillen. Dit kan als prikkel worden gebruikt om een zo efficiënt mogelijke uitvoering van zorg te realiseren.
Wel vormt het - op basis van de landelijke normprijzen vastgestelde - provinciale totaalbudget voor het zorgaanbod het maximale financiële kader, waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie gesubsidieerd moet worden.
Binnen de doeluitkering zorgaanbod moet de provincie voldoende zorgaanbod ‘inkopen' bij zorgaanbieders, om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de door BJzO geïndiceerde zorgeenheden en over de ontwikkeling hiervan.
In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan, voor welke zorgeenheden de subsidie wordt aangevraagd. Ook geeft de zorgaanbieder aan voor hoeveel en tegen welk tarief voor de verschillende zorgeenheden subsidie wordt aangevraagd. Daarmee heeft de aanvraag het karakter van een offerte.
Mede op basis van de subsidieaanvraag en het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke, hoeveel en tegen welk tarief zij zorgeenheden wenst in te kopen bij de zorgaanbieder. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de aanvraag/offerte heeft opgenomen. De zorgaanbieder en provincie kunnen hierover onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast waartegen zij de desbetreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren betrokken worden.
In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan welke, hoeveel en tegen welk tarief zorgeenheden worden gesubsidieerd. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor de verschillende zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de zorgeenheden kan afwijken van de landelijk vastgestelde eenheden. Wel moeten de tarieven van de eenheden gedetailleerder zijn opgebouwd en op een transparante en controleerbare manier vertaald kunnen worden naar het niveau van de eenheid van het Rijk. De op deze manier berekende maximale subsidie wordt in principe alleen verleend voor de taken, waarop de subsidie betrekking heeft, die worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de provincie Overijssel.
De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder moet gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de verschillende zorgeenheden. Om zorgaanbieders bij het uitvoeren van de zorg zoveel mogelijk in staat te stellen om gedurende het jaar aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de vraag, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden. Afhankelijk van de feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van de werkelijk geleverde aantallen zorgeenheden en de daarvoor bij de verlening van subsidie vastgestelde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen eenheden, vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de maximaal verleende subsidie. Wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, wordt een lagere subsidie vastgesteld. Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de door BJzO in de indicatie vastgestelde behoefte aan zorg.
Een zorgaanbieder wordt daarmee, binnen de grenzen van de hen door de provincie maximaal verleende subsidie, uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op haar zorgplicht, die zorg te bieden die gelet op de vraag nodig is.
Wel is het zo dat zorgaanbieders in beginsel slechts die zorgeenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidieverlening door de provincie zijn aangegeven. Met andere woorden indien bij een zorgaanbieder geen zorgeenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt het uitvoeren van dergelijke eenheden in beginsel niet voor subsidiëring door de provincie in aanmerking. Voor het uitvoeren van voor de zorgaanbieder nieuwe zorgvormen is vooraf toestemming van de provincie nodig, die zich hierbij laat adviseren door BJzO.
Ten slotte komen alleen zorgeenheden in aanmerking voor subsidie indien hieraan een geldige indicatie van BJzO aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bepaald in artikel 7.23.]
[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald. Het onderdeel d heeft betrekking op het begrip zorgeenheid. In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg is op basis van het advies van Deloitte ‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod', besloten tot invoering van een bekostigingsstelsel voor de provinciale doeluitkering zorgaanbod op basis van een systematiek van zorgeenheden.
Op grond van de WJZ zijn in het Besluit jeugdzorgaanspraken drie aanspraken op jeugdzorg vastgesteld: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. Deze algemeen geformuleerde aanspraken worden door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg gevestigd. Het indicatiebesluit geeft daarbij een nadere concretisering van de aanspraken op basis van de eisen die daaraan in het Besluit indicatiestelling zijn gesteld. Dit kan leiden tot meerdere concrete pakketjes van zorg die door de zorgaanbieder dienen te worden geleverd en die tevens als eenheid dienen voor de subsidiëring van het zorgaanbod. ]
[Toelichting: Dit artikel bevat de criteria voor het verlenen van prestatiesubsidies voor experimenten.]
Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.
[Toelichting: Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening. Voor subsidiëring van BJzO komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 (indicatiestelling e.d.) en 10 (justitiële taken) van de WJZ. De subsidiëring van de overige uit de WJZ voortvloeiende taken maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ. ]
De stichting
Zorgaanbieder
Algemeen
[Toelichting: Hierin is bepaald welke gegevens in de aanvraag moeten zijn opgenomen en welke documenten moeten worden gevoegd bij de subsidieaanvraag.]
[Toelichting: In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over het afsluiten van bepaalde verzekeringen en het voeren van de (cliënten)administratie. Zo zal het boekjaar samen moeten vallen met het kalenderjaar en zal een betrouwbaar beeld moeten ontstaan over de gegevens van cliënten, de omvang van de uitgevoerde zorgeenheden en hieraan ten grondslag liggende indicatiebesluiten en financiële gegevens.]
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.23 en 7.7 wordt een aanvraag tot vaststelling van een per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie ingediend uiterlijk op 1 april van het jaar, volgend op het jaar waarvoor subsidie is verleend.
[Toelichting: Dit artikel regelt de inhoud waaraan het (inhoudelijke) verslag van de geleverde prestaties minimaal dient te voldoen.
Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende gegevens vragen over de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Deze vragen mogen geen wezenlijke verstoring van de dagelijkse werkzaamheden teweegbrengen. ]
[Toelichting: Dit artikel regelt de voorwaarden waaraan de financiële verantwoording minimaal dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Ook wordt bepaald dat de verantwoording moet worden voorzien van een accountantsverklaring die wordt ingericht volgens het model uit de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg.
De jaarrekening van de subsidieontvanger moet voldoen aan de ministeriële richtlijnen. ]
[Toelichting: In dit artikel zijn bepalingen over het toestaan van reserveringen en het vormen van vermogen opgenomen.]
In aanvulling op artikel 1.21 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie naar rato lager vaststellen wanneer de werkelijke gemiddelde behandelduur per zorgeenheid de vooraf afgesproken normen overschrijdt.
[Toelichting: In het huidige seniorenbeleid van de provincie staat het versterken van de zelfredzaamheid van senioren centraal. Kennis en levenservaringen van senioren in de maatschappij worden zo lang mogelijk ingezet op verschillende terreinen zoals: vrijwilligerswerk, mantelzorg en zelfstandigheid. Dit kan worden gerealiseerd door middel van de subsidieregeling voor senioren. De subsidie is een prestatiesubsidie. Dit betekent dat paragraaf 3 van hoofdstuk 1 van toepassing is op deze subsidie.]
[Toelichting: In dit artikel worden enkele begrippen die om een nadere verklaring vragen toegelicht. Voor wat betreft het begrip onder b. moet het gaan om die zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk]
[Toelichting: Een subsidie kan worden verleend voor het verrichten van een of meer van de in artikel 7.25 genoemde activiteiten. Een groot deel van de senioren doet vrijwilligerswerk of overweegt dit te gaan doen. Vrijwilligerswerk is een middel tegen eenzaamheid en vergroot de eigen kracht van de senioren. Daarom ondersteunen Gedeputeerde Staten activiteiten die zich richten op het behoud en verwerving van seniore vrijwilligers. Bestaande organisaties kunnen meer senioren aantrekken wanneer de vraag naar en aanbod van vrijwilligerswerk beter op elkaar afgestemd worden. Gedeputeerde Staten ondersteunen organisaties, gemeenten en instellingen daarbij. Veel senioren zijn mantelzorgers. Oudere mantelzorgers lopen echter een vergroot risico op overbelasting. Wanneer zij voldoende ondersteund worden zijn zij in staat het langer vol te houden. Respijtzorg is een verzamelterm voor een scala van voorzieningen dat mantelzorgers in de gelegenheid stelt hun zorgtaken af en toe of regelmatig even helemaal over te laten aan een beroepskracht of een vrijwilliger. Gedeputeerde Staten ondersteunen activiteiten die dergelijke voorzieningen ontwikkelen of aanvullen. Gedeputeerde Staten ondersteunen partijen in het maatschappelijke veld die samenwerken en netwerken vormen zodat vrijwilligerswerk, mantelzorg en palliatieve zorg beter op elkaar aansluiten.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van één of meerdere activiteiten die zich richten op:
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen niet de totale kosten van de activiteiten subsidiëren. De subsidieaanvrager moet altijd kunnen voorzien in 25% van de kosten. Het kan zijn dat deze 25% uit eigen middelen bestaat, echter kan het ook zijn dat een andere partij 25% van de kosten draagt. Wanneer een andere partij voorziet in 25% van de kosten moet dat blijken uit de begroting Wanneer Gedeputeerde Staten reeds eerder een subsidie hebben verleend dan geldt deze subsidie in ieder geval niet als cofinanciering. De activiteiten moeten plaats vinden in minimaal 3 Overijsselse gemeenten. De gevraagde en de te verlenen subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--. Gedeputeerde Staten streven naar grotere projecten. Daarom worden subsidieaanvragen onder een bedrag van € 10.000,-- niet in behandeling genomen. Naast deze criteria moet een subsidieaanvraag ook voldoen aan de criteria genoemd in artikel 1.14.]
Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 7.25 voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: De provincie richt zich op de ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers op regionaal niveau. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vrijwilligerswerk op lokaal niveau. Dit is geregeld in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Met als uitgangspunt integratie en innovatie zet de provincie vrijwilligerswerk ook in op verschillende terreinen zoals jeugd en cultuur, zoals blijkt uit deze subsidieregeling.]
[Toelichting: Dit artikel regelt op welke thema’s Gedeputeerde Staten activiteiten subsidiëren. In de Nota Samen & Overijssel wordt het vrijwilligerswerk breed ingezet.
Gedeputeerde Staten ondersteunen initiatieven die leiden tot een toename van het aantal vrijwilligers in Overijssel, dit wordt onder andere bereikt door het verbeteren van het imago van het vrijwilligerswerk.
De professionalisering en deskundigheidsbevordering van het vrijwilligerswerk wordt bereikt door de inzet van verschillende instrumenten, zoals een kennisconsortium, een vrijwilligersprijs en het opzetten van steunpunten. Gedeputeerde Staten ondersteunen initiatieven die hieraan bijdragen. Het ontwikkelen van een provinciaal masterplan “promotie en innovatie vrijwillige inzet/vrijwilligerswerk” is hiervan een voorbeeld.
Daarnaast worden ook activiteiten ondersteund die zich richten op de groei van het aantal jeugdige vrijwilligers. Daarmee worden initiatieven ondersteund die het vrijwilligerswerk ten behoeve van jongeren bevorderen. De maatschappelijke stage is een belangrijk instrument voor deze beoogde groei. Daarom worden eveneens initiatieven ondersteund die leiden tot een groei van maatschappelijke stages.
Ook worden initiatieven ondersteund die leiden tot een toename van het aantal vrijwilligers in de culturele sector. Gedeputeerde Staten ondersteunen daarom ook die initiatieven die leiden tot professionalisering van de vrijwilligers in de culturele sector.
Gedeputeerde Staten subsidiëren activiteiten die bijdragen aan een provinciaal dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen voor mantelzorgers.
Daarnaast ondersteunen Gedeputeerde Staten activiteiten die zich richten op het behoud en het versterken van vrijwilligers in de palliatieve zorg. Het begrip palliatieve zorg is toegelicht in paragraaf 4, artikel 7.24 onder c.
Activiteiten die zich richten op de groei van het vrijwilligerswerk door en voor minderheden worden tot slot ook door Gedeputeerde Staten ondersteund. Het begrip minderheid moet in deze zin breed worden opgevat: mensen met andere leefwerelden, opvattingen, gewoonten of culturen en mensen die vanwege hun seksuele geaardheid, handicap, afkomst of geloof minder zijn opgenomen in onze samenleving worden ook onder dit begrip verstaan.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van één of meerdere activiteiten die zich richten op:
[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen niet de totale kosten van de activiteiten subsidiëren. De subsidieaanvrager moet altijd kunnen voorzien in 25% van de kosten. Het kan zijn dat deze 25% uit eigen middelen bestaat, echter kan het ook zijn dat een andere partij 25% van de kosten draagt. Wanneer een andere partij voorziet in 25% van de kosten moet dat blijken uit de begroting. Wanneer Gedeputeerde Staten reeds eerder een subsidie hebben verleend dan geldt deze subsidie in ieder geval niet als cofinanciering. De activiteiten moeten plaats vinden in minimaal 3 Overijsselse gemeenten. De gevraagde en de te verlenen subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--. Gedeputeerde Staten streven naar grotere projecten. Daarom worden subsidieaanvragen onder een bedrag van € 10.000,-- niet in behandeling genomen. Naast deze criteria moet een subsidieaanvraag ook voldoen aan de criteria genoemd in artikel 1.14. Gedeputeerde Staten willen door het verlenen van deze subsidie een groei van minstens 10% zien van het aantal vrijwilligers wanneer de activiteiten zich richten op de onder a, d, e, j, en k genoemde prioriteiten.]
[Toelichting: Een vrijwilligersorganisatie kan subsidie ontvangen als bijdrage in de bestuurskosten, de kosten van de activiteiten en de kadertraining. Reeds gevestigde vrijwilligersorganisaties in Overijssel worden hierdoor gestimuleerd om meer vrijwilligers te werven en behouden. De subsidie wordt bij de verlening direct vastgesteld en uitbetaald. Er hoeft achteraf geen verantwoording te worden afgelegd. Of de activiteiten passen binnen de Nota Samen & Overijssel wordt bij de aanvraag getoetst.]
Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die niet over een betaalde formatieplaats beschikt.
[Toelichting: Dit artikel geeft aan dat ook paragraaf 2 van hoofdstuk 1 van toepassing is op deze subsidieregeling. Wanneer er niet nadrukkelijk van de bepalingen in paragraaf 2 van hoofdstuk 1 wordt afgeweken, dan zijn die artikelen rechtstreeks van toepassing.]
Gedeputeerde Staten verstrekken deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.
[Toelichting: In dit artikel staan de criteria waaraan voldaan moet worden om voor deze subsidie in aanmerking te komen. Het eerste criterium geeft aan dat de organisatie gevestigd moet zijn in de provincie Overijssel. Het tweede criterium geeft aan dat de organisatie hoofdzakelijk werkzaam is in minimaal drie Overijssels gemeenten. Landelijke organisaties zijn uitgesloten van deze subsidieregeling.]
De vrijwilligersorganisatie:
Gedeputeerde Staten kunnen aan een vrijwilligersorganisatie voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten, de kosten van activiteiten of van kadertraining, opdat meer vrijwilligers kunnen worden geworven en behouden.
[Toelichting: Een subsidieaanvraag moet uiterlijk op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft ingediend worden. Aanvragen die na 1 oktober worden ingediend worden niet in behandeling genomen. Wanneer de organisatie in 2010 in aanmerking wil komen voor deze subsidie dan moet de aanvraag uiterlijk op 1 oktober 2009 ingediend zijn.]
In afwijking van artikel 1.9. kan een subsidieaanvraag voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft vanaf 1 oktober voorafgaand aan dat jaar worden ingediend.
[Toelichting: Aanvullend op hetgeen geregeld in artikel 1.10, moet bij de aanvraag een opgaaf worden gedaan van het gemiddelde aantal vrijwilligers van de organisatie van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft ]
Onverminderd artikel 1.10. overlegt de aanvrager bij de aanvraag het gemiddelde aantal vrijwilligers van die organisatie in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie aangevraagd wordt.
[Toelichting: In artikel 1.11 is vermeld dat Gedeputeerde Staten binnen acht weken na ontvangst van de subsidieaanvraag beslissen omtrent de subsidievaststelling. In dit artikel wordt hier nadrukkelijk van afgeweken. Gedeputeerde Staten beslissen binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken. In artikel 7.33 is bepaald dat de aanvraag uiterlijk op 1 oktober ingediend moet zijn. Binnen acht weken na 1 oktober, dat is dus uiterlijk 26 november, hebben Gedeputeerde Staten een beslissing genomen omtrent de subsidieaanvraag.]
In afwijking van artikel 1.11. beslissen Gedeputeerde Staten omtrent subsidievaststelling binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen dat er ingespeeld wordt op de behoeften van zorgvragers. De zorg moet vraaggericht zijn. Daarom worden initiatieven die leiden tot een goede belangenbehartiging in zorg en welzijn ondersteund. Samenwerking en de bundeling van belangenbehartiging zullen leiden tot een betere kwaliteit van zorg.]
[Toelichting: In dit artikel worden de activiteiten genoemd die voor een subsidie in aanmerking komen. Belangen worden beter behartigd wanneer de zorg vraaggericht is. Onder zorg wordt zowel de feitelijk geleverde zorg bedoeld als de organisatie van de zorg. Initiatieven die leiden tot een vraaggericht aanbod van zorg kunnen door Gedeputeerde Staten worden ondersteund. Ook willen Gedeputeerde Staten een verregaande samenwerking en een bundeling van de belangenbehartiging voor iedere doelgroep: senioren, allochtonen, mantelzorgers en jeugd. Zoveel mogelijk gebeurt dit aan de hand thema’s mobiliteit, participatie, kwaliteit, keuzevrijheid en palliatieve zorg. Dit komt namelijk de kwaliteit van zorg ten goede.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op één of meer van de volgende doelen:
[Toelichting: Een aanvraag voldoet aan de criteria genoemd in artikel 7.37: met het IZIT-programma (Innovatie van Zorg door ICT Twente) is in het verleden een flinke impuls gegeven aan de innovatie in de zorg. Via het innovatieprogramma worden innovatieve projecten in de zorg ondersteund, met name wanneer deze gericht zijn op de inzet van vernieuwende technologie. Gedeputeerde Staten zullen niet de totale kosten van de activiteiten subsidiëren. De subsidieaanvrager moet altijd kunnen voorzien in 25% van de kosten. Het kan zijn dat deze 25% uit eigen middelen bestaat, echter kan het ook zijn dat een andere partij 25% van de kosten draagt. Wanneer een andere partij voorziet in 25% van de kosten moet dat blijken uit de begroting Wanneer Gedeputeerde Staten reeds eerder een subsidie hebben verleend dan geldt deze subsidie in ieder geval niet als cofinanciering. De activiteiten moeten plaats vinden in minimaal 3 Overijsselse gemeenten. De gevraagde en de te verlenen subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--. Gedeputeerde Staten streven naar grotere projecten. Daarom worden subsidieaanvragen onder een bedrag van € 10.000,-- niet in behandeling genomen. Naast deze criteria moet een subsidieaanvraag ook voldoen aan de criteria genoemd in artikel 1.14.]
Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.36. voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: Artikel 7.39 bepaalt dat Gedeputeerde Staten ook subsidie kunnen verlenen voor het doen van een archeologisch vooronderzoek op locatie. Dit vooronderzoek kan bestaan uit een bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen. Andere vormen van vooronderzoek worden niet door Gedeputeerde Staten gesubsidieerd.]
Vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de activiteiten genoemd in dit artikel. De provincie wil in het kader van het Maltaverdrag het belang van de archeologie meer uitdragen en steunt daartoe projecten en activiteiten die tot doel hebben de bevolking te betrekken dan wel kennis te laten nemen van de vondsten. Het betreft hier de artefacten, maar ook historische gevormde landschappelijke overblijfselen. Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt zoals gevraagd in artikel 1.14.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:
[Toelichting: Subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.39 moeten voldoen aan het criterium dat een deskundige organisatie voldoende betrokken is bij het project.]
[Toelichting: In dit artikel staat de grondslag van de subsidie. Gedeputeerde Staten verlenen voor verschillende activiteiten subsidie. Daarom is er per activiteit een verschillende subsidiegrondslag. Tevens staan in dit artikel de maximale te verlenen subsidiebedragen vermeld. Een subsidie onder deze subsidieregeling zal nooit meer bedragen dan de bedragen genoemd in dit artikel.]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieaanvraag ter advisering voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie. De monumentencommissie brengt binnen zes weken advies uit aan Gedeputeerde Staten. Wanneer Gedeputeerde Staten het advies van de Monumentencommissie hebben ontvangen zullen zij binnen acht weken een besluit nemen over de subsidieaanvraag.]
Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieaanvraag voor advies voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie, die binnen zes weken advies aan hen uitbrengt.
[Toelichting: Een aantal Overijsselse rijksmonumenten kampt nog met een restauratieachterstand waardoor zij niet kunnen instromen in de onderhoudsregeling van het Rijk. Met deze subsidie kunnen rijksmonumenten die achterstand wegwerken zodat zij kunnen instromen in de onderhoudsregeling van het Rijk op grond van het Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten (BRIM).]
[Toelichting: In dit artikel worden enkele begrippen uit deze subsidieregeling toegelicht. Deze subsidie is bedoeld om in te kunnen stromen in de onderhoudsregeling van het Rijk. Onder rijksbijdrage wordt verstaan een subsidie op grond van de Regeling Rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand 2006/2007. Slechts die kosten die in de Rijksregeling expliciet genoemd worden zijn subsidiabel. Een voorbeeld van de subsidiabele kosten zijn de kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade. In ieder geval niet subsidiabel zijn de kosten die voortvloeien uit veranderd gebruik of gericht zijn op comfortverbetering.]
[Toelichting: Wanneer een rijksmonument onder de definitie van artikel 7.43 onder a. valt dan kunnen Gedeputeerde Staten voor dat rijksmonument een subsidie verlenen, wanneer het tenminste voldoet aan de criteria genoemd in artikel 7.44. Voorwaarde voor het ontvangen van een subsidie is dat het te restaureren object reeds een toegezegde rijksbijdrage heeft of dat de financiering voor 85% anders is geregeld. Een subsidieaanvraag moet in ieder geval voordat de restauratie start ingediend zijn bij de provincie. De provincie subsidieert alleen die monumenten waarvan de restauratie nog niet is begonnen. De restauratie van het rijksmonument moet nog niet zijn begonnen, maar het restauratieplan moet wel klaar zijn. Wanneer Gedeputeerde Staten hebben besloten om de subsidie te verlenen, dan moet binnen een jaar nadat de subsidieaanvrager deze beschikking heeft ontvangen, gestart worden met de restauratie.]
[Toelichting: Deze subsidie bedraagt ten hoogste 15% van de restauratiekosten. Dit betekent dat wanneer de restauratie van een Rijksmonument € 10.000,-- bedraagt, de provincie voor ten hoogste € 1.500,-- een subsidie kan verlenen.]
De subsidie als bedoeld in artikel 7.44, eerste lid, bedraagt ten hoogste 15% van de subsidiabele restauratiekosten.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen ervoor zorgen het Oost-Nederlandse gesubsidieerde kwalitatief hoogwaardige aanbod van podiumkunsten meer publiek bereikt. De gemeenten dragen zorg voor accommodaties en de basisprogrammering, het Rijk zorgt voor een divers aanbod. De provincies zorgen voor distributie, afstemming, kwaliteitsbevordering en voldoende spreiding van aanbod. Daarom zet de provincie Overijssel in op het versterken van het publieksbereik en borduren wij voort op bestaande successen. Daarnaast wordt ingezet op het versterken van de samenwerking tussen Oost-Nederlandse producerende instellingen en kleinschalige theater. ]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen ervoor zorgen dat het gesubsidieerde Oost-Nederlandse aanbod meer publiek bereikt en hebben daarom deze regeling opgesteld. Dit moet leiden tot een toename van 35% van dit aanbod op de Overijsselse podia in 2012.]
Gedeputeerde Staten kunnen kleine podia uitnodigen een subsidie aan te vragen om het gesubsidieerde Oost-Nederlands podiumkunstenaanbod te programmeren per kalenderjaar.
[Toelichting: Dit artikel is bedoeld om enerzijds enige mate van professionaliteit van de aanvragende podia te waarborgen en anderzijds de regeling te beperken tot de kleinere podia, omdat die qua structuur en organisatie deze regeling verreweg het hardste nodig hebben. Van de deelnemers wordt een actieve rol binnen het OKTO gevraagd om te waarborgen dat het theater betrokken acteert in de onderlinge samenwerking en afstemming en organisaties elkaar kunnen ondersteunen en van elkaar kunnen leren op dit gebied.]
De subsidieaanvraag van een podium voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: Voor uitkoopsom kan ook garantiebedrag worden gelezen (ingeval het theatergezelschap niet wordt uitgekocht, maar op basis van recette-opbrengst wordt betaald).]
De subsidie op grond van artikel 7.46 bedraagt maximaal 50% van de gemiddelde uitkoopsom van de producties.
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij zijn subsidieaanvraag een:
1. plan van aanpak waarin wordt beschreven op welke wijze aan de criteria, zoals genoemd in artikel 7.47, wordt voldaan;
2. meerjarenplan waarin wordt beschreven op welke wijze het podium zijn meerjarige artistieke visie en programmering, en de marketingstrategie ten aanzien van het publiekbereik tot 2012 realiseert;
3. begroting met betrekking tot het door hem geprogrammeerde gesubsidieerde Oost-Nederlandse podiumkunstenaanbod.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen een adviescommissie van deskundigen instellen, een opdracht verlenen aan een kunstmarketeer, of op andere wijze voorzien in de monitoring en visitatie met betrekking tot het realiseren van het meerjarenplan. Subsidieontvangers dienen mee te werken aan de onderzoeken die door deze deskundigen worden opgezet en uitgevoerd.]
De subsidieontvanger werkt mee aan monitoring en visitatie met betrekking tot het realiseren van het meerjarenplan, als bedoeld in artikel 7.49, tweede lid.
[Toelichting: De provincie wil activiteiten ondersteunen die op een bijzondere manier een breed of nieuw publiek bereiken. Van een nieuw publiek is sprake als het beoogde publiek nog niet of nauwelijks bekend is met de cultuuruitingen die worden aangeboden. Een breed publiek is een divers samengesteld publiek, waaronder zich ook nieuw publiek bevindt. Een breed publiek is dus méér dan een goot publiek. Het is belangrijk dat de aanvrager goed weet welke publieksgroepen hij/zij wil bereiken en welk deel daarvan nieuwe publiek is. De manier waarop het publiek wordt getrokken, moet ongebruikelijk en verrassend zijn en nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen cultuur en (potentieel) publiek.]
Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan één van de volgende doelstelling(en):
1. meer Overijsselaars nemen kennis van cultuur van goede kwaliteit en hebben de intentie om meer aan kunst en cultuur deel te nemen;
2. culturele instellingen werken doelgroepgericht;
3. de culturele projecten die worden gesubsidieerd vanuit cultuurbereik worden verankerd in het beleid van de instelling;
4. culturele instellingen professionaliseren en de projecten worden sterker;
5. onderwijsinstellingen hebben nagedacht over hoe ze hun leerlingen kennis willen laten maken met kunst en cultuur van goede kwaliteit en dit in hun leerplan verwoord;
6. leerlingen komen tijdens hun gehele schoolloopbaan meer in contact met kunst en cultuur van goede kwaliteit;
7. gemeenten zijn meer verantwoordelijk voor het cultuurbereik en cultuurbeleid binnen hun grenzen.
[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
Voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. De provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeenten Enschede, Hengelo of Zwolle. ]
Onder publieksbereik wordt verstaan het inzetten van voor de aanvrager nieuwe methode(n) gekoppeld aan specifieke geselecteerde doelgroepen, waardoor nieuwe inzichten kunnen worden afgeleid over de samenhang tussen deze methode(n) en doelgroepen.
[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.]
[Toelichting: Dit hoofdstuk regelt de subsidies die annex zijn met de uitvoering van het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied, kortweg het pMJP. Het pMJP heeft z’n basis in de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). De komst van de WILG biedt de mogelijkheid om op een andere manier ontwikkelingen in het landelijk gebied te sturen.
Het landelijke gebied in Overijssel is sterk in ontwikkeling. De instrumenten van de verschillende overheden om die ontwikkelingen in de politiek gewenste banen te leiden waren erg ingewikkeld. Met alle goede bedoelingen was een veelheid aan regels, eisen en voorwaarden ontstaan. Het leidde tot tegenstrijdigheden, te weinig samenhang van projecten en een versnipperde sturing.
In juli 2004 hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gezamenlijk afspraken gemaakt om hier verandering in te brengen. De verschillende potjes die het Rijk had voor het landelijk gebied zijn bij elkaar gevoegd in één budget. Over de inzet van het geld spreekt de provincie met het Rijk doelen af voor een zevenjarige periode, die we samen met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties proberen te bereiken. Het Rijk bemoeit zich niet met de uitvoering van de plannen. Daarmee is het ILG niet alleen een nieuw financieringssysteem, maar ook een nieuwe werkwijze én een verandering in bestuurlijke verhoudingen.
Zoveel mogelijk lopen daarin ook mee de subsidies die de provincie verstrekt uit EU-fondsen, met name het ELFPO (de opvolger van het landbouwfonds EOGFL) waaruit middelen worden beschikt op basis van het plattelandsontwikkelingsprogramma.
Om hieraan vorm te geven wordt in Overijssel aangesloten bij de – sinds april 2004 – ontwikkelde systematiek van gebiedgericht werken. Door gebiedgericht samen te werken met de besturen van gemeenten en waterschappen kan (provinciaal) beleid sneller en beter worden uitgevoerd. Voorheen werd gewerkt vanuit de verschillende beleidseenheden binnen de provincie. Dit droeg het risico met zich mee dat afdelingen langs elkaar heen werkten. Bij gebiedsgericht werken staat het gebied centraal en wordt vanuit verschillende afdelingen en samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties gezocht naar oplossingen voor knelpunten in dat gebied.
In elk gebied wordt met een vaste regelmaat een Bestuurlijk Gebiedsoverleg (BGO) georganiseerd om kansen en knelpunten te signaleren. In dit overleg zitten bestuurders van de provincie, gemeenten en waterschappen. Elk BGO luistert goed naar maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en belangengroepen in haar gebied. Deze partijen hebben grote invloed op de onderwerpen die aan bod komen, maar maken geen deel uit van het BGO. De BGO’s worden ondersteund door zogenaamde aanjaagteams. De aanjaagteams zijn gevestigd in het gebied en moeten ervoor zorgen dat projecten daadwerkelijk van de grond komen door mensen en organisaties met elkaar in contact te brengen. De aanjaagteams bestaan uit medewerkers van de provincie, van gemeenten en waterschappen.
De gebieden krijgen een sleutelrol bij de uitvoering van het pMJP. In jaarlijks door Gedeputeerde Staten vast te stellen gebiedsprogramma’s wordt de uitvoering geprogrammeerd. Het gebiedsprogramma komt tot stand in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied. Dat overleg is in beginsel gericht op consensus; veeleer is sprake van een gezamenlijk gebiedsprogramma dat ook gezamenlijk wordt opgesteld. Het programma verwoordt de visie op sociale, ruimtelijke en economische ontwikkeling in het betreffende gebied en geeft zo concreet mogelijk aan welke activiteiten kunnen bijdragen aan het realiseren daarvan.
Naast het pMJP zelf is het gebiedsprogramma de belangrijkste toetssteen voor aanvragen van gemeenten en waterschappen zelf, maar ook voor tal van maatschappelijke partners die bijdragen aan de ontwikkeling van het landelijk gebied.
De gezamenlijkheid van het gebiedsprogramma kan worden bekrachtigd door het sluiten van een convenant waarin Gedeputeerde Staten en de dagelijkse besturen van gemeenten en waterschappen zich committeren aan het programma en waarin afspraken vastliggen over de manier waarop dagelijks besturen hun bevoegdheden op verschillende beleidsterreinen zullen inzetten om het pMJP te realiseren. De ILG-filosofie (sturing op doelen/prestaties, vrijheid in realisatie) wordt doorvertaald naar de bestuurlijke gebiedspartners in de vorm van wederzijdse afspraken over resultaten, inzet en financiering. Het convenant is tevens de basis voor subsidieverlening door Gedeputeerde Staten aan gemeenten en waterschappen in een gebied.
Bij het opstellen van dit hoofdstuk is deregulering en ontbureaucratisering een belangrijk aandachtspunt geweest. Onze ambitie daarbij is dat we de overheid organiseren rond de problemen in de samenleving en niet andersom. Dat betekent dat (bij de administratieve behandeling) de aanvrager en zijn activiteiten centraal staan en niet onze opdeling in verschillende overheden, sectoren en budgetten. Als er voor de aanvrager een samenhang is tussen activiteiten in een project of tussen verschillende projecten in een programma moet dat project/programma zoveel mogelijk in één aanvraag en in één verleningsbeschikking bij één overheid worden behandeld. Hetzelfde geldt voor de verantwoording en de uiteindelijke subsidievaststelling. De aanvrager kan overigens zélf bepalen of projecten gezamenlijk worden ingediend of dat een ‘knip’ in de aanvraag en de verantwoording gewenst is.
Over de uitvoering van projecten en de besteding van subsidies zal in beginsel alleen in hoofdlijnen verantwoording worden gevraagd, met name gericht op de vraag of de afgesproken prestaties zijn gerealiseerd.
Voorlopig zijn hierop twee belangrijke uitzonderingen. Indien Europese cofinanciering plaatsvindt kunnen we ons niet beperken tot de hoofdlijn. Daarnaast geldt dit voor het bestaande LNV Programma Beheer (de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000). Dit gaat wel over naar de provincies maar blijft in z’n huidige vorm bestaan, dat wil zeggen met de huidige criteria en de bestaande uitvoeringsorganisatie (de Dienst Regelingen). Inhoudelijk volgt dit hoofdstuk het pMJP. In jaarlijks door ons vast te stellen gebiedsprogramma’s wordt de uitvoering van het pMJP geprogrammeerd. Aanvragen moeten passen in de gebiedsprogramma’s die tot stand komen in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied. Het programma verwoordt de visie op sociale, ruimtelijke en economische ontwikkeling in het betreffende gebied en geeft zo concreet mogelijk aan welke activiteiten kunnen bijdragen aan het realiseren daarvan.
Procedures
Bij de hele afwikkeling van de subsidies staan de prestaties centraal. De procedurele bepalingen voor onderhavige subsidies staan in hoofdstuk 1. Belangrijk is of de subsidie per boekjaar wordt verstrekt. Zo ja, dan verwijst het uitvoeringsbesluit voor de spelregels naar afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor andere prestatiesubsidies gelden de procedurele bepalingen van de artikelen 1.10 tot en met 1.19 van het Uitvoeringsbesluit subsidies. Sterk verkort zijn dit de hoofdpunten. LET OP: in de bijzondere bepalingen kan hiervan worden afgeweken.
| per boekjaar | niet per boekjaar | |
|---|---|---|
| Indieningstermijn | - Dertien weken voor boekjaar (4:60 Awb) | - Dertien weken voor subsidietijdvak (1.13 Ubs) tenzij anders bepaald. |
| Gegevens bij aanvraag | - activiteitenplan en begroting tenzij niet van belang voor de hoogte; - statuten + laatst opgemaakte jaarrekening. Geldt niet voor gemeenten en waterschappen. Bovendien mogelijkheid ontheffing door GS (4:61-4:65 Awb). | - plan van te leveren prestaties en beschrijving effecten in relatie tot provinciaal beleid; - gevraagde subsidie en onderbouwing daarvan; - begroting, alleen indien van belang voor vaststellen van de hoogte van de subsidie; de minimis-verklaring (1.14 Ubs) |
| Subsidiabele kosten | - alleen kosten die rechtstreeks | - idem |
| Beslistermijn | - dertien weken na indiening (1.23, lid 2, juncto 1.16 Ubs) | - dertien weken na uiterste indieningdatum of dertien weken na indiening (afhankelijk van keuze voor prioriteren van aanvragen of behandeling op volgorde van binnenkomst (1.16 Ubs) |
| Plafond | - per subsidieontvanger bepalen in productbegroting (4:23 lid 3 sub c Awb) dan wel per gebied of per doelstelling. Mogelijkheid onderverdeling in tranches (4:25 en verder Awb). | - Per gebied of per doelstelling, bekend maken voor aanvang tijdvak. Mogelijkheid onderverdeling in tranches (4:25 en verder Awb). |
| Voorschot | - 100% (1.26 Ubs) | - 80% (1.17 Ubs) |
| Meerjarigheid | - Is mogelijk, bij verlening tussentijdse rapportages regelen (4:67 Awb) | - Is mogelijk, uit budget jaar 1 of met begrotingsvoorbehoud voor jaren 2 en verder (4:34 Awb) |
| Aanvraag vaststelling | - Binnen 6 maanden na afloop boekjaar (4:74 Awb) | - Binnen 4 maanden na afloop activiteit (1.18 Ubs) |
| Gegevens bij verantwoording | - Activiteitenverslag en financieel | - Nadruk op prestaties. Financieel verslag alleen als de kosten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie. Indien financieel verslag dan boven 25.000 ook accountantsverklaring (1.19-1.20 Ubs). |
| Reservevorming | - Ontvanger vormt egalisatiereserve. GS kunnen bij verlening ontheffing geven (1.24 Ubs juncto 4:72 Awb) | - GS kunnen bij subsidieverlening bepalen dat eventueel positief exploitatieresultaat wordt besteed in verlengde van doelstelling subsidie (1.15 Ubs) |
| Beslistermijn | - dertien weken na indiening (1.23 lid 2 junct0 1.22 Ubs) | - dertien weken na indiening (1.22 Ubs) |
In de meeste gevallen is de hoogte van de subsidie een percentage van de kosten van de activiteiten. Tegelijk hebben we als uitgangspunt dat we sturen op prestaties. Daarbij past geen bemoeienis met de bedrijfsvoering van subsidieontvangers waaronder de ‘kostenkant’.
De oplossing die we hiervoor kiezen is in wezen vergelijkbaar met de situatie waarin u privé een offerte vraagt voor de bouw van een garage. Bij de aanvraag moet de prestatie duidelijk worden omschreven en verlangen we een globale begroting als onderbouwing van het gevraagde bedrag. Gedeputeerde Staten beoordelen deze ‘offerte’ op redelijkheid. In het algemeen zijn alleen kosten subsidiabel die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de activiteiten, ook als die kosten zijn gemaakt voordat een aanvraag werd ingediend (voorbereiding, planvorming, onderzoek of voorlichting).
Verder ligt het voor de hand dat geen subsidie wordt verleend voor die onderdelen waarvoor subsidie is of kan worden verleend door andere overheden en die subsidiemogelijkheid ligt meer voor de hand, bijvoorbeeld omdat het daar gaat om reguliere sectorale financiering (bijvoorbeeld bodemsanering).
Bij de vaststelling hoeft vervolgens alleen verantwoording te worden afgelegd over de prestaties.
Bij de bouw van de garage gaan je ook niet na wat nu precies de inkoopprijs was van de aannemer van alle materialen of het salaris van de directie. Als voor de subsidieontvanger de kosten van bijvoorbeeld externe adviseurs hoger of lager zijn dan begroot dan is dat in het nadeel respectievelijk in het voordeel van de projectuitvoerder (tenzij er een verplichting is voor het aanhouden van een egalisatiereserve).|Het bovenstaande geldt niet bij cofinanciering uit Europese Fondsen. Europese regels bevatten vaak gedetailleerde bepalingen over welke kosten wel en niet voor subsidie in aanmerking komen. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Algemene Subsidieverordening Overijssel geven we dan voorrang aan de Europese regels.
Vaak draagt een activiteit bij aan meerdere doelstellingen van het pMJP. Stel dat dit het geval is bij twee doelstellingen en het uitvoeringsbesluit geeft in het ene geval aan dat maximaal 40% van de kosten kan worden bijgedragen en in het andere geval maximaal 50%, welk percentage geldt dan? Kunnen de percentages eenvoudig worden gestapeld tot 90%? In een enkel geval beantwoorden we die vraag in de tabel. In niet voorziene gevallen gelden de volgende uitgangspunten, die Gedeputeerde Staten eerder hebben vastgesteld:
• als de doelstellingen in elkaars verlengde liggen kijken Gedeputeerde Staten naar de reden waarom maxima zijn gesteld. Is de reden daarvoor dat een bepaald aandeel in de financiering wordt verlangd van de aanvrager en/of derden dan is het in beginsel niet mogelijk te stapelen;
• als de activiteit aan verschillende doelstellingen bijdraagt kan alleen boven de gestelde maxima worden gestapeld voor zover een extra prestatie moet worden geleverd om ook aan de ‘bijkomende doelstelling’ bij te dragen.
Gedeputeerde Staten maken voor aanvang van het boekjaar bekend hoeveel geld beschikbaar is voor uitvoering van het pMJP. Daarbinnen kan onderscheid worden gemaakt per gebied en/of per (sub)doelstelling uit het pMJP.
Als op enig moment in de 7-jarige looptijd van het pMJP een bepaalde doelstelling (vrijwel) volledig is gerealiseerd kan in de jaren daarna voor dat doel geen of minder budget worden gereserveerd.
Omgekeerd kan Gedeputeerde Staten met dit artikel de uitvoering van bepaalde onderdelen naar voren halen door daarvoor in de eerste jaren relatief meer geld beschikbaar te stellen.
De verdeling van het budget over de ingediende aanvragen hangt af van de kwaliteit van de aanvragen in relatie tot de doelstellingen van het pMJP. Anders gezegd: het geld gaat naar die aanvragen die het beste/meeste bijdragen aan het realiseren van het pMJP. Daarbij zullen Gedeputeerde Staten ook rekening houden met de mate waarin bepaalde doelstellingen op het moment van het beoordelen van de aanvraag (al) zijn gerealiseerd. Aangezien de provincie een prestatieverplichting heeft naar het Rijk is het zaak de inzet over de hele planperiode te richten op de volle breedte van het pMJP.
Het bovenstaande is niet van toepassing voor aanvragen die het hele jaar kunnen worden ingediend; die worden ‘gewoon’ op volgorde van binnenkomst behandeld. ]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
[Toelichting: Dit artikel bevat heel eenvoudig de basis voor de beoordeling van alle subsidieaanvragen, namelijk het pMJP en het gebiedsprogramma. Dat een bepaalde activiteit niet is opgenomen in een gebiedsprogramma betekent niet dat deze niet voor subsidie in aanmerking komt. Alleen als sprake is van strijdigheid met het gebiedsprogramma of verdringing van prioriteiten levert het gebiedsprogramma een weigeringsgrond op.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van het pMJP en die passen in een gebiedsprogramma.
[Toelichting: Het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (afgekort POP2) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op:
Het gaat hierbij om middelen uit het bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 opgerichte Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), de opvolger van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor Landbouw (EOGFL). Het doel dat Nederland met het POP-2 wil bereiken, is: een goed evenwicht tussen de kwaliteit van natuur en landschap en het gebruik daarvan voor wonen, recreatie, gezondheid en persoonlijk welbevinden. Ook wordt geld ingezet voor de versterking van de concurrentiekracht van de land- en bosbouwsector. De Europese Commissie heeft het programmadocument POP 2007-2013 op 20 juni 2007 officieel goedgekeurd. Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als beheersautoriteit voor de POP subsidies in Overijssel. Betaalautoriteit zijn Dienst Landelijk Gebied en Dienst Regelingen. Het POP2-programma is het vervolg op het POP 2000 t/m 2006.
POP2 is opgebouwd uit vier assen. Deze assen vormen samen de doelstellingen van het programma. Onder de assen zijn verschillende maatregelen mogelijk. De POP-maatregelen worden ingezet om de doestellingen van het provinciaal Meerjarenprogramma voor het platteland (pMJP) te realiseren. Vanuit dat programma wordt ook de nationale financiering geregeld die nodig is om aanspraak op POP-subsidie te kunnen maken. Een aanvraag moet dus ook inhoudelijk en financieel binnen het pMJP passen.
As 1: versterking van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.
De maatregelen onder deze as zijn bijna allemaal gericht op het ondersteunen van agrarisch ondernemers bij het aanpassen en innoveren van hun bedrijf. Het gaat dan om de kwaliteit van grond en kavelstructuur, gebouwen en machines, maar ook om nieuwe productiemethoden en het kunnen inspelen op ontwikkelingen vanuit de markt.
As 2: verbetering van het milieu en het platteland.
Het doel van de maatregelen onder as 2 is het verhogen van duurzaam gebruik van landbouwgrond. Agrarische ondernemers kunnen bijvoorbeeld gesubsidieerd worden als zij investeren in maatregelen tegen verdroging van hun grond.
As 3: verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.
Het doel van de maatregelen onder as 3 is het bevorderen van een toegankelijk, vitaal en dynamisch platteland waar de landbouw niet meer de enige economische drager is. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden met investeringen in kleinschalige ondernemingen die zich richten op toerisme en recreatie, in leefbaarheidsvoorzieningen, in dorpsvernieuwing en in het landelijk erfgoed.
As 4: uitvoering van de LEADER-aanpak.
De aanpak van huidige LEADER+-programma vindt een vervolg in POP2. De LEADER-aanpak werkt met zogenaamde plaatselijke groepen (PG's). Deze PG's zijn gerelateerd aan het Bestuurlijk Gebiedsoverleg (BGO): afstemming vindt plaats in taken en verantwoordelijkheden en een aantal personen is in beide gremia vertegenwoordigd. De PG richt zich met name op de verbetering van de sociale en economische vitaliteit van het platteland. De PG's hebben plaatselijke ontwikkelingsstrategieën gemaakt voor hun gebied. Hierin geven ze voor de komende programmaperiode aan: doelen, strategie, inzet van de beschikbare middelen en de wijze van uitvoering. Samenwerking en innovatie staan daarbij centraal. Het gaat dan om samenwerking binnen het LEADER-gebied, tussen de leden van de Plaatselijke Groep en projectuitvoerders, maar ook om samenwerking tussen LEADER-gebieden in binnen- en buitenland.
LEADER biedt kansen voor innovatieve vormen van beleidsvorming en -uitvoering: een aanpak ‘van onderop', met een belangrijke rol voor de plaatselijke groep. In Overijssel zijn zes LEADER-gebieden aangewezen, te weten Noordwest-Overijssel, Noordoost-Overijssel, Salland, Noordoost-Twente, West-Twente en Zuid-Twente
Doelstellingen onder as 1 t/m 3 kunnen binnen LEADER uitgevoerd worden.|
In hoofdstuk 8 zijn de volgende POP-maatregelen gekoppeld aan pMJP-prestaties:
| De nummering betreft de maatregelen zoals opgenomen in de bijlage van het programmadocument POP 2007-2013* | pMJP-prestatie | De correlerende artikelen uit dit hoofdstuk |
|---|---|---|
| Maatregelen as 1 | ||
| 111: Beroepsopleiding en voorlichting | 1.3.1 | Artikel 8.33, lid 8 |
| 121: Modernisering landbouwbedrijven | 1.3.2 | Artikel 8.33, lid 8 |
| 125: Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw | 1.1.5 | Artikel 8.19, lid 3 |
| Maatregelen as 2 | ||
| 216: Niet productieve investeringen | 2.2.6 | Artikel 8.46, lid 3 |
| Maatregelen as 3 | ||
| 311: Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten | 1.2.2 | Artikel 8.33, lid 7 |
| 323: Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed | 2.3.1,2.3.2,2.3.6 | Artikel 8.67, lid 8 |
| Maatregelen as 4 | ||
| 411: Verbetering van het concurrentievermogen in de land- en bosbouwsector | 1.2.1 | Artikel 8.3a, lid 2 |
| 413: De leefbaarheid op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie | 3.1.2, 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4, 3.2.6, 4.1.1, 4.1.2, 4.3.2 | Artikel 8.3a, lid 2 |
| 421: Uitvoering van samenwerkingsprojecten | Artikel 8.3a, lid 2 | |
| 431: Beheer van de Plaatselijke Groep | Artikel 8.3a, lid 2] |
[Toelichting: Op grond van artikel 87 van het EG-verdrag is het in beginsel verboden subsidie te verstrekken aan ondernemingen als daardoor de concurrentieverhoudingen op een internationale markt worden verstoord.
Lid 1 bevat het verbod op staatssteun: "Behoudens afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt."
Het begrip onderneming wordt door het Europese Hof van Justitie ruim uitgelegd: "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd". Dit betekent dat ook stichtingen en verenigingen als onderneming kunnen worden gezien als hun activiteiten ook op een markt (kunnen) worden aangeboden.
Bij subsidies op grond van het onderhavige hoofdstuk is dikwijls sprake van staatssteun. Dit wil nog niet zeggen dat geen subsidie kan worden verleend. Als de aanvraag past binnen één van de zogenaamde vrijstellingsverordeningen van Europese Commissie kunnen Gedeputeerde Staten positief beschikken op een aanvraag. Er gelden dan wel aanvullende criteria, beperkingen ten aanzien van de hoogte van de subsidie en aanvullende voorschriften. In de zogenaamde factsheets in de bijlagen wordt steeds verwezen naar de voor dat onderdeel relevante regelingen en bepalingen.
Het voert te ver om op deze plaats alle verordeningen uitvoerig te belichten. Voor de precieze inhoud wordt u verwezen naar de website van Europa Decentraal: http://www.europadecentraal.nl/. Hier kunt u onder andere de brochure ‘Europese regelgeving over staatssteun' downloaden.
Op deze plaats wordt volstaan met een korte toelichting op de volgende vrijstellingsverordeningen:
* De minimis
Deze ‘meest beroemde' verordening bepaalt slechts dat indien er sprake is van staatssteun, dit niet bij de Commissie behoeft te worden gemeld als het totaal aan subsidie voor de onderneming over een periode van drie belastingjaren niet meer dan € 200.000,-- bedraagt. Indien dit maximum door de toekenning van de nieuwe subsidie wordt overschreden moet dit wel worden gemeld. U dient dus te onderzoeken hoeveel subsidie (inclusief de Europese) de onderneming in de laatste drie jaren al heeft ontvangen. Sinds 1 januari 2007 is de (de-minimis) vrijstelling ook van toepassing op de afzet en verwerking van landbouwproducten. Voor de primaire productie van landbouwproducten en visserij geldt een eigen de-minimisdrempel, net als voor ondernemingen actief in de sector wegvervoer.
* MKB; nr. 70/2001
Deze verordening biedt de mogelijkheid om aan kleine en middelgrote bedrijven steun te verlenen zonder dit te hoeven melden. Voor kleine bedrijven geldt een maximum van 15% van de totale subsidiabele kosten; voor middelgrote bedrijven ligt dit maximum op 7,5%. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd. Van de vrijstelling kan geen gebruik worden gemaakt als landbouwbedrijven eindbegunstigde zijn.
* Opleidingssteun; nr.68/2001
Indien bedrijven hun werknemers een scholingstraject willen aanbieden kunnen ze hiervoor een subsidie aanvragen (indien het provinciaal beleid dit toelaat). Deze subsidies hoeven niet te worden gemeld indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In de verordening wordt een onderscheid gemaakt tussen specifieke opleidingen en algemene opleidingen. Voor de opleidingen gelden verschillende maximale plafonds. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Werkgelegenheidssteun; nr. 2204/2002
Voor het scheppen van werkgelegenheid kunnen bedrijven subsidies aanvragen. Hiervoor gelden de volgende maximale percentages: 15% voor kleine ondernemingen en 7,5% voor middelgrote ondernemingen. Indien de subsidies binnen de maximale percentages blijven, geldt een vrijstelling van de meldingsplicht. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Kaderregeling milieu; 2001/C 37/03
Deze regeling maakt het mogelijk om sommige milieubeschermende maatregelen zonder meldingsplicht te subsidiëren. Milieumaatregelen zijn maatregelen die gericht zijn op preventie of herstel van schade aan natuurlijke hulpbronnen en omgeving, dan wel rationeel gebruik van hulpbronnen. Deze vrijstelling geldt indien binnen de voorgeschreven maxima wordt gewerkt. Belangrijke voorwaarde is dat slechts die kosten die gemaakt worden om de milieudoelstelling te bereiken voor subsidie in aanmerking komen.
* Landbouwverordening
Deze verordening is van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Deze producten staan opgesomd in Bijlage I van het Europees verdrag. Ondernemingen die aan de criteria voldoen vallen automatisch onder deze regeling. De overige regelingen zijn op deze bedrijven dan ook niet van toepassing. Indien binnen de maximale steunpercentages wordt gewerkt, geldt een vrijstelling van aanmeldingsplicht voor verschillende soorten steun. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd (artikel 19, lid 4).
* Cultureel Erfgoed
Ondanks het feit dat er sprake kan zijn van staatssteun, (onderneming, enz.) geeft artikel 87, lid 3d, de Europese Commissie de mogelijkheid om goedkeuring te verlenen aan steun ten behoeve van de instandhouding van het culturele erfgoed. De laatste jaren heeft de Commissie dit artikel gebruikt om enkele grote projecten goed te keuren. Dit artikel is vooral van toepassing voor steun aan musea, maar ook andere culturele erfgoederen (monumentale boerderijen/oude schepen, enz.) kunnen worden gesubsidieerd. De subsidie moet noodzakelijk zijn voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het object. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Diensten van algemeen economisch belang
Dit zijn economische activiteiten (bijvoorbeeld Groene en Blauwe diensten) die door bedrijven in opdracht voor de provincie in het algemeen belang worden uitgevoerd. Om concurrentievervalsing te voorkomen gelden hier ook de staatssteunregels.
De Europese Commissie heeft bepaald dat staatssteun niet hoeft te worden gemeld indien de compensaties de € 30 miljoen niet overschrijden en de omzet van het bedrijf beneden de € 100 miljoen per jaar blijft. Wel gelden onder andere de volgende voorwaarden:
[Toelichting: Om de administratieve lasten voor gemeenten en waterschappen te beperken hoeft naast de ondertekening van het convenant niet nog eens een aparte aanvraag te worden ingediend. Voorwaarde is wel dat het gebiedsprogramma + het convenant voldoen aan de normale eisen die gelden voor een aanvraag voor subsidie. Dat betekent in ieder geval dat de aanvraag wordt ondertekend door het dagelijks bestuur van de gemeente of het waterschap namens de publiekrechtelijke rechtspersoon. Ondertekening door de portefeuillehouder of de burgemeester alleen is onvoldoende (tenzij een ondertekeningsmandaat is verleend).
Voor het overige gelden de eisen uit het Awb (artikelen 4.61-4.65) en eventueel aanvullende eisen op grond van artikel 8.3 voor de onderdelen waarvoor ook Europese middelen worden verstrekt.]
Indien op grond van artikel 9 van de Wet Inrichting Landelijk gebied de bestuursovereenkomst tussen rijk en Gedeputeerde Staten van Overijssel wordt gewijzigd kan de subsidieverlening ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.
[Toelichting: De regels over verantwoording en de controleprotocollen schrijven voor dat de provincie zich jaarlijks verantwoordt naar het rijk. Om daaraan te kunnen voldoen is het nodig dat jaarlijks een goed overzicht wordt verkregen van de stand van de verplichtingen vergezeld van een accountantsverklaring. Overigens geldt voor prestaties die ook Europese subsidie ontvangen een bijzondere regeling voor voortgangsrapportages en verantwoording (zie artikel 8.3).]
[Toelichting: De inzet van de provincie is dat met de partners in de gebieden in één keer voor de hele periode afspraken worden gemaakt over de te leveren prestatie en de provinciale subsidie die daar tegenover staat. In jaar 1 wordt op basis van die afspraak in één keer subsidie verleend voor alle prestaties. Het is dan in beginsel aan de subsidieontvanger om te bepalen in welk jaar de prestatie wordt gerealiseerd. Wel wordt daarvan vooraf een inschatting gevraagd. Daarmee wordt het subsidiebedrag bij verlening verdeeld in jaarschijven. Op basis van de indeling in jaarschijven én de feitelijke voortgang worden voorschotten verleend op het subsidiebedrag.
Ieder jaar wordt er een verantwoording verwacht over de prestaties die in dat jaar zijn gerealiseerd, mede in verband met de verantwoordingsplicht van de provincie naar het Rijk (artikel 8.6). Deze informatie kan aanleiding zijn om de subsidieverlening te wijzigen.]
[Toelichting: De Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel geeft het kader op basis waarvan Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat het Bureau Beheer Landbouwgronden een koopovereenkomst met een ondernemer, die zijn intensieve veehouderij wil verplaatsen vanuit een extensiveringsgebied naar een duurzame locatie, te laten sluiten. Met de koop van de bedrijfsgebouwen en de ondergrond worden niet alle met de verplaatsing gepaard gaande kosten gedekt. Om de verplaatsingen daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen achten Gedeputeerde Staten het wenselijk ook een bijdrage in de verplaatsingskosten en de sloop van de bedrijfsgebouwen op de oude locatie en onder voorwaarden ook op de hervestigingslocatie te kunnen leveren. Hiervoor zijn in deze paragraaf subsidiebepalingen opgenomen met betrekking tot de verplaatsingskosten van intensieve veehouderijen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het te verplaatsen van bedrijven (of delen daarvan) waarvoor een voorlopige koopovereenkomst met de provincie Overijssel is gesloten, als bedoeld in de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005.
De subsidie moet voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.
[Toelichting: Om de eenvoud van de uitvoering en transparantie is voor de sloopkostenvergoeding, onder sub a en sub c, gekozen voor normbedragen. De hoogte van de bedragen is ontleend aan de uitvoeringspraktijk, met name de onteigeningspraktijk.]
De subsidie bedraagt:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Deze subsidiemogelijkheid is bedoeld voor het versterken van de grondgebonden landbouw in extensiveringsgebied en het tegelijkertijd wegnemen van intensieve veehouderij (IV).
Er is subsidie mogelijk voor de volgende onderdelen:
1. advies: maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-- per onderneming per jaar;
2. investeringen versterking grondgebonden landbouw: maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering;
3. investeringen diversificatie (inclusief planvorming) naar niet agrarische activiteiten: maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering;
De subsidieonderdelen 1 en 2 zijn bij de Europese Commissie gemeld onder de zogenaamde Vrijstellingsverordening Landbouw.
De investering (conform EU-verordening) moet gericht zijn op een van de volgende doelstellingen:
a. verlaging van de productiekosten;
b. verbetering en omschakeling van de productie;
c. verhoging van de kwaliteit;
d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen inzake dierenwelzijn.
Subsidiabele kosten voor investeringen zijn:
1. de (ver)bouw of verbetering van onroerende goederen;
2. de koop of huurkoop van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa; andere kosten in verband met huurkoopcontract zijn geen in aanmerking komende uitgaven;
3. algemene kosten, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en voor het verkrijgen van octrooien en licenties tot maximaal 12% van de onder 1 en 2 bedoelde uitgaven. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen, e.d.) vallen hier niet onder. Op grond van artikel 19 van de Vrijstellingsverordening Landbouw is stapeling met andere subsidies niet toegestaan boven het in artikel 8.13, lid 2, genoemde subsidiepercentages voor investeringen. Het totale subsidiebedrag (ook uit andere regelingen) mag niet uitkomen boven het in dit artikel genoemde subsidiepercentage.
Stapeling is dus alleen mogelijk, indien het totale subsidiebedrag niet boven het genoemde percentage uitkomt.
Ter voldoening aan de voorschriften uit de (vrijstellings)verordening overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie ten behoeve van investeringen, in aanvulling op artikel 1.14, tevens de volgende documenten of informatie:
a. een beschrijving van de huidige situatie van de betrokken bedrijven;
b. een beschrijving van de beoogde structuurverbetering van de betrokken bedrijven na voltooiing van het plan;
c. een overzicht van de eventuele gevolgen van de structuurverbetering voor de personele bezetting;
d. een verklaring van een financierende derde, niet zijnde bloed- of aanverwant, in het geval de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd door deze derde geheel of ten dele zal worden gefinancierd. Hieruit dient de haalbaarheid van de gewenste investeringen ook in relatie tot de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf te blijken;
e. indien geen financieringsverklaring, zoals onder sub d wordt bedoeld, kan worden overgelegd, dient bij de aanvraag tot subsidieverlening een exploitatiebegroting te worden overgelegd over het boekjaar volgend op het jaar waarin de subsidieaanvraag plaatsvindt, alsmede een meerjarenbegroting over een periode van 5 jaar. Uit de exploitatiebegroting dient te blijken dat het eigen vermogen nadat de investering waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, heeft plaatsgevonden, niet minder dan 15% van het totale vermogen uitmaakt. Gegevens waaruit blijkt dat het bedrijf waarvoor subsidie wordt aangevraagd gedurende de drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag, niet meer dan gedurende één jaar verlies heeft geleden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen de omvorming van intensieve veehouderijbedrijven steunen door:
[Toelichting: Indien de subsidie niet past binnen het Nederlandse programma voor plattelandsontwikkeling dan dient voor onderdeel 1 te worden voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EG) 1857/2006 Pb L 358/3 (landbouwvrijstelling) of enige andere vrijstellingsverordening. In de landbouwvrijstelling geldt bij gebruik van adviesdiensten (technische ondersteuning) artikel 15. Voor onderdeel 2 bij steun voor investeringen in landbouwbedrijven (artikel 4) geldt een maximum van 40%, waarbij de steun uitsluitend ten goede mag komen aan landbouwbedrijven die geen ondernemingen in moeilijkheden zijn, waarvan de exploitatie voldoet aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn.
De ‘bewijslast' voor genoemde zaken ligt bij de aanvrager. Die zal documenten moeten laten zien waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente is vastgelegd dat in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's) ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van een toekomstgerichte intensieve veehouderij.
Hiervoor kan het het onder meer nodig zijn:
1. de inrichting van LOG's te verbeteren;
2. de randvoorwaarden voor de duurzame ontwikkeling van de intensieve veehouderij en het LOG in brede zin te verbeteren.
Het voortouw voor de ontwikkeling van de LOG's ligt bij gemeenten en bedrijfsleven. De provincie
stimuleert de duurzame ontwikkeling van LOG's door de subsidiemogelijkheden voor:
1. het opstellen van LOG-ontwikkelingsplannen door gemeenten;
2. modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen (mestverwerking, afvalverwerking, enz.)
Het uiteindelijke ontwikkelingsplan moet voldoen aan een aantal eisen, zoals opgenomen in artikel 8.16, lid 3. Op de subsidiëring van uitvoeringsactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 8.15, sub 2 (modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen), is de zogenaamde (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'. ]
Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van de duurzame ontwikkeling van de landbouw-ontwikkelingsgebieden in het Reconstructiegebied Salland-Twente subsidie verlenen voor:
Ingeval de aanvraag afkomstig is van een gemeente overlegt zij in aanvulling op artikel 1.14 tevens het ontwikkelingsplan voor een LOG zoals bedoeld in artikel 8.16, lid 3.
In afwijking van artikel 1.4 behouden Gedeputeerde Staten zich het recht voor aanvragen te prioriteren, indien het beschikbare budget voor subsidies in verhouding tot de aanvragen voor subsidies beperkt is. Gedeputeerde Staten geven daarbij prioriteit aan ctiviteiten gericht op de ontwikkeling van intensieve veehouderijen die zich verplaatsen vanuit een extensiveringsgebied of vanuit een verwevingsgebied voor het oplossen van een stankknelpunt.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor
[Toelichting: Voor de grondgebonden landbouw is een goede ruimtelijke structuur van de landbouwbedrijven een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een duurzame en concurrerende landbouw. In dit kader richt het provinciaal beleid zich op de verbetering van de verkaveling (de omvang, ligging en de vorm van de kavels.
In kader van dit doel worden de volgende twee instrumenten ingezet:
1. wettelijke herverkaveling;
2. vrijwillige kavelruil (twee vormen: ‘losse’ ruil en planmatige ruil).
Voor het opstellen en uitvoeren van deze herverkavelingsprojecten kan subsidie worden verleend.
Op deze maatregel vindt cofinanciering vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 125 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Op de subsidieverlening voor ‘losse’ kavelruilprojecten is geen cofinanciering vanuit POP 2. De bovengenoemde EG-verordening is hierop niet van toepassing. In artikel 8.20 staan de maximale subsidiepercentages vermeld voor de onderscheidende instrumenten en voor de onderscheidende aanvragers c.q. eindbegunstigden. Voor niet-overheden kan ten hoogste 40$ van de subsidiabele kosten worden vergoed omdat deze kosten voor de Vrijstellingsverordening landbouw als investeringsmaatregelen moeten worden aangemerkt. Overigens mogen deze kosten wel volledig worden meegenomen ter bepaling van de omvang van de investeringskosten.
De redelijkheid van de door de aanvrager opgevoerde uitvoeringskosten van activiteiten zal worden beoordeeld aan de hand van de Notitie ‘Normkosten landbouw. Analyse van de kosten van herverkaveling voor de verbetering van de landbouwstructuur, IPO/LNV, mei 2006’.
Vrijwillige kavelruil zonder planmatig karakter is geregeld in de artikelen 85 tot en met 88 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben hiervoor in artikel 8.18, onder c van het Uitvoeringsbesluit Subsidie Overijssel 2007 (Ubs) een subsidiemogelijkheid gecreëerd.
Deze subsidiemogelijkheid uit het Ubs heeft tot doel op een snelle en goedkope wijze via een eenvoudige procedure op basis van vrijwilligheid tot een betere verkaveling te komen. Het gaat daarbij om kleinere projecten van administratieve aard. Een betere verkaveling moet in het belang zijn van landbouw al dan niet in samenhang met natuur of landschap.
Om voor deze subsidie in aanmerking te komen, moet een kavelruil minimaal voldoen aan enkele criteria. Deze zijn ontleend aan de artikelen 85 tot en met 88 van de WILG en artikel 8.18, onder c
van het Ubs. Deze criteria zijn:
• ten minste drie partijen dienen onroerende zaken in te brengen;
• ten minste twee partijen daarvan onroerende zaken krijgen toebedeeld; eventueel kan de derde partij volstaan met het bedingen van slechts een geldsom;
• er moet in elke kavelruil ruiling van grond plaatsvinden;
• de ruil moet leiden tot verbetering van de verkaveling van landbouwbedrijven (bijvoorbeeld afstandsverkorting, perceelsvergroting of perceelsvorm).
Conform artikel 85 van de WILG zijn koop-/verkooptransacties tussen eigenaren binnen een kavelruil mogelijk. De strekking van de wet is evenwel niet om bij koop-/verkooptransacties de notariskosten zonder meer te subsidiëren. Bij een kavelruilovereenkomst, waarin koop- en verkooptransacties zijn opgenomen die los staan van het ruilproces en die evengoed plaats kunnen vinden buiten kavelruil, zullen deze transacties niet gesubsidieerd worden. Van (grond)ruil is sprake wanneer een partij grond afstoot én terug krijgt. Alleen de kosten van de in de overeenkomst opgenomen ruilingen en transacties komen in aanmerking voor subsidiëring.
Het is gewenst bij kavelruil aanwezige natuurwaarden alsmede landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behouden. Daartoe moet bij het ruilen zoveel mogelijk rekening gehouden worden met bestaande topografische grenzen, zoals bijvoorbeeld sloten, structuurlijnen, kavelgrensbeplantingen en verschillen tussen hoog en laag. Het initiatief voor kavelruilen moet door de betrokken partijen zelf worden genomen.
De partijen stellen zelf een conceptovereenkomst op. In de overeenkomst zijn in ieder geval opgenomen een overzicht per deelnemer van inbreng en toedeling alsmede een kaart van de bestaande situatie (situatiekaart) en een kaart van de toekomstige situatie (kavelkaart). De conceptovereenkomst wordt toegezonden aan de door partijen aangewezen notaris, die deze beoordeelt en vóór de ondertekening kadastraal en hypothecair rechercheert en een titelonderzoek instelt. Na de ondertekening draagt de notaris zorg voor het inschrijven van de overeenkomst in de openbare registers. Door de inschrijving van de overeenkomst wordt de overeenkomst mede verbindend voor degenen die na de inschrijving onder bijzondere titel in de rechten van de eigenaren opvolgen (artikel 86 van de WILG).
Een kavelruil moet in beginsel uitsluitend bestaan uit gronden die geheel van eigenaar veranderen.
Indien in een kavelruilovereenkomst gedeeltelijke percelen worden ingebracht (en toegedeeld) dan
geldt de volgende procedure, zodat er uiteindelijk gehele percelen worden overgedragen. Deze
betreffende perceelsgedeelten worden op kaart aangegeven. In voorkomende gevallen draagt de
notaris zorg voor de aanvraag van perceelssplitsing bij het kadaster (meting en kadastrale toepassing van de door partijen overeengekomen nieuwe grenzen). Hierdoor worden in de akte uitsluitend gehele percelen ingebracht en toegedeeld en kan, indien van toepassing, de over- en ondermaat van de in de overeenkomst ingebrachte perceelsgedeelten worden bepaald en zo nodig verrekend. Indien de kavelruil gelegen is in een landinrichtingsproject respectievelijk een gebied waar planmatige vrijwillige kavelruil plaatsvindt moeten partijen in een vroegtijdig stadium overleg plegen met de desbetreffende commissie (landinrichtings-, voorbereidings- of uitvoeringscommissie), respectievelijk de verantwoordelijke voor de planmatige vrijwillige kavelruil om instemming van deze commissie te verkrijgen.
De overeenkomst moet aan de eisen voldoen uit de AMvB ex artikel 88 van de WILG.
De bij de ruilovereenkomst betrokken partijen kunnen (gezamenlijk) een aanvraag voor subsidie indienen bij de Dienst Landelijk gebied.
Deze betrokkenen kunnen eventueel de betreffende notaris machtigen om een subsidieaanvraag in te dienen.
De volgende notariële kosten worden vergoed:
a. het verstrekken van kadastrale en hypothecaire informatie door het kadaster aan de notaris ten behoeve van kavelruilovereenkomst en –akte;
b. het opstellen van de kavelruilovereenkomst en –akte en het inschrijven ervan in de openbare registers;
c. (eventuele) perceelssplitsingen die in de overeenkomst zijn opgenomen en voorzover door de notaris aangevraagd. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 8.18, sub c, tevens een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden.
[Toelichting: Deze subsidieparagraaf biedt een basis voor de subsidieverlening voor de verplaatsing van bedrijven. Verplaatsing van landbouwbedrijven worden gestimuleerd ten behoeve van de realisatie van provinciale doelen natuur, recreatie, water of landschap en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw. De provincie verwerft gronden voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Daarbij streeft de provincie ernaar om in zoveel mogelijk situaties op vrijwillige basis gronden te verwerven op een zodanige wijze dat daarvan geen marktverstorende werking uitgaat. Op grond van deze subsidiebepalingen kan een extra stimulans gegeven worden aan vrijwillige verplaatsing van bedrijven ten behoeve van de grondverwerving voor de realisatie van bovengenoemde provinciale doelen, zodat inzet van het onteigeningsinstrumentarium zo min mogelijk nodig is. Subsidie is mogelijk in heel Overijssel, met uitzondering van het zogenaamde NURG-gebied (Nadere Uitwerking Rivierengebied). De grondverwerving in het NURG-gebied is een verantwoordelijkheid van het Rijk (artikel 8.23, lid 2).
Subsidie kan worden verleend:
a. bij aankoop in een bij het besluit gevoegd aangewezen gebied of
b. bij levering van EHS-grond wanneer de gronden zijn gelegen buiten de aangewezen gebieden.
Een belangrijke voorwaarde voor subsidie voor verplaatsing van een landbouwbedrijf is dat:
o tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie (op grond van de Landinrichtingswet) of
o tussen de aanvrager en Gedeputeerde Staten (Reconstructiewet of vanaf 1 januari 2007 Wet Inrichting Landelijk Gebied) inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling, of
Het toepassen van een ondergrens van 10 ha te leveren bedrijfsgrond, of buiten de aangewezen gebieden te leveren EHS-grond, is bepaald zodat de bijdrage aan de provinciale doelen in enige verhouding staat met de geleverde grond. Op grond van artikel 8.23, lid 10, kunnen Gedeputeerde Staten hier in bijzondere gevallen van afwijken. Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een klein bedrijf een schakelfunctie vervult tussen natuurgebieden.
Subsidie voor verplaatsing heeft alleen betrekking op hele landbouwbedrijven, en is niet bedoeld voor gedeelten, aangezien dat splitsing van bedrijven tot gevolg zou hebben.
Op grond van artikel 8.23, lid 10, kunnen Gedeputeerde Staten ook hier in bijzondere gevallen van afwijken doordat een bedrijf verplaatst naar een veldkavel van dat bedrijf, waarbij er geen belang is om dat veldkavel door BBL te laten verwerven. Voorop staat hierbij dat de grond, die in die laatstgenoemde situatie geen deel van de koopovereenkomst zal gaan uitmaken, niet van belang is voor de realisatie van het provinciaal doel waarvoor subsidie wordt verleend. Indien dit aan de orde is, wordt de subsidie naar evenredigheid van de aan BBL over te dragen grond, als percentage van de totale grondoppervlakte van het te verplaatsen bedrijf, berekend.
Een andere voorwaarde voor verplaatsing op grond van het vijfde lid van artikel 8.23 is dat de hervestiging van een volwaardig bedrijf moet plaatsvinden binnen 24 maanden na de transactie als bedoeld in het vierde lid van artikel 8.23, op een voor landbouwdoeleinden aangewezen duurzame locatie.
Voor de toepassing van de regeling stelt de provincie jaarlijks een subsidieplafond vast.
Binnen het subsidieplafond kan een ieder die daarvoor in aanmerking denkt te kunnen komen een aanvraag indienen. Afhandeling gebeurt op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvraag. Aanvragen die in een jaar niet kunnen worden gehonoreerd, kunnen als de aanvrager dat wil meelopen in een volgend jaar en zijn dan de eerst ingediende aanvragen.
Voor een volwaardig bedrijf geldt een ondergrens van 50 NGE, te bepalen aan de hand van de meitelling zoals die wordt uitgevoerd door het Landbouw-Economisch Instituut. De subsidie voor verplaatsing vormt een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de verplaatsing van het bedrijf.
1. De subsidie voor verplaatsing vanuit een aangewezen gebied bestaat uit 2 onderdelen, namelijk:
a. 100% van de daadwerkelijke gemaakte verplaatsingskosten tot een maximum van € 100.000,--;
b. maximaal 40% van het verschil tussen de investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en de door DLG getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie, waarbij € 10.000,-- per geleverde ha (ruil)grond wordt toegekend tot een maximum van € 300.000,--. In de dekking moet worden voorzien door middel van het subsidieplafond.
2. De subsidie voor aanvragen buiten een aangewezen gebied wordt alleen verstrekt als een bedrijf door verplaatsing meer dan 10 ha Ecologische Hoofdstructuur realiseert. Per gerealiseerde ha EHS wordt € 10.000,-- subsidie verstrekt.
3. Indien verplaatsing plaatsvindt binnen een kavelruilgebied is de maximale subsidie conform de leden a en b € 130.000,--.
Als verplaatsingskosten (onder a) worden aangemerkt:
Investeringskosten op de hervestigingslocatie (onder b), buiten het huidige landinrichtings-, herverkavelings- of natuurontwikkelingsgebied, betreffen:
Er wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruik heeft gemaakt van het provinciale Beleidskader Rood voor Rood, indien aanvrager voor hetzelfde onderdeel daaruit financiële middelen verkrijgt. Ook wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruikmaakt van het uitvoeringskader Nieuwe Landgoederen of de Beleidsregel Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005 of indien de aanvrager een volledige wettelijke of vrijwillige schadeloosstelling heeft ontvangen voor de betreffende bedrijfsgebouwen en bijbehorende gronden.
De subsidie (inclusief die op grond van andere regelingen zijn of worden verleend) en het aankoopbedrag gezamenlijk mogen op grond van het achtste lid van artikel 8.23 niet meer bedragen dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling. Dit bedrag kan door taxatie door een onafhankelijk beëdigd taxateur worden vastgesteld. Op deze manier wordt voorkomen dat een aanvrager meer subsidie of vergoedingen kan krijgen dan de werkelijke kosten die hij maakt voor de hervestiging van het bedrijf. De subsidie voor hervestiging op grond van deze regeling betreft immers, zoals hiervoor aangegeven, een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de hervestiging van het bedrijf. Deze subsidiemogelijkheid is bij de Europese Commissie gemeld onder artikel 6 van de zogenaamde (Vrijstellings)verordening Landbouw. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:
[Toelichting: De Overijsselse landbouw kan zijn internationale concurrentiepositie in West-Europa en mondiaal alleen behouden en versterken door continu te innoveren op het gebied van producten, productiewijzen en productiemiddelen om zo betere producten te maken en/of de productiekosten te verlagen. Innovaties kunnen ook gericht zijn op het verlagen van de milieudruk van de landbouw en/of het inspelen op maatschappelijke wensen en eisen ten aanzien van landbouwproducten en productiewijzen. Veel innovaties zullen waarschijnlijk een combinatie van zowel concurrentieversterking als verduurzaming in zich hebben.
Voor het oppakken van deze innovatieopgaven is samenwerking tussen de betrokken partijen in ketens en gebieden en kennisinstellingen belangrijk. In de praktijk blijkt het dat samenwerking tussen keten- en gebiedspartijen en kennisinstellingen en de andere genoemde partijen, zeker als het om nieuwe ontwikkelingen gaat, niet altijd gemakkelijk van de grond komt. In ons beleid geven wij speciale aandacht aan het versterken van deze samenwerking. In dit kader streven wij ernaar om in samenwerking met het landbouwbedrijfsleven, ketenpartijen en kennisinstellingen een innovatieagenda met bijbehorend uitvoeringsprogramma voor het agrocluster opstellen.
In de uitvoering richten wij ons vooral op de volgende punten:
1. de vorming en professionalisering van clusters, ketens en netwerken van bedrijven gericht op innovatie, kennisontwikkeling en kennisspreiding in het agrocluster;
2. gebruik van adviesdiensten en/of kennisinstellingen door (een) landbouwondernemer(s) voor een op innovatie gericht project;
3. het stimuleren van samenwerkingsproject van landbouwondernemers of van (een) landbouwondernemer(s) met andere partners (keten- en/of gebiedspartijen) en/of kennisinstellingen, gericht op product-, proces- en systeeminnovaties in de landbouw en het agrocluster.
Subsidiemogelijkheden zijn er voor:
1. activiteiten gericht op het versterken van het innovatieve vermogen van de agrarische bedrijven en samenwerkingsverbanden van agrarische bedrijven en andere bedrijven;
2. samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling van nieuwe producten, productiewijzen en/of technologieën.
Op de subsidieverlening is de zogenaamde (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing.
Met betrekking tot subsidieonderdeel 2 is artikel 4 van de genoemde vrijstellingsverordening van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'.
Er wordt 2 keer per jaar een tender georganiseerd, namelijk rond 1 april en 1 oktober.
De subsidieaanvragen zullen worden voorgelegd aan een externe adviescommissie om het innovatieve en kansrijke aspect te beoordelen. De meest innovatieve en kansrijke aanvragen zullen worden gehonoreerd. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 worden subsidieaanvragen voor 1 september van het betreffende kalenderjaar ingediend.
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.
[Toelichting: Toekomstgericht ondernemerschap is een belangrijke voorwaarde voor de succesvolle ontwikkeling van landbouwondernemingen. Meer dan in het verleden zal ondernemerschap de komende jaren
voor Nederland de bepalende succesfactor zijn voor ondernemingen in de landbouw, voedsel en bosbouw om zich aan te (kunnen) passen aan de wensen en eisen van markt, samenleving en overheid (bijvoorbeeld nieuwe overheidsregels en -normen inzake milieu, waterbeheer, veterinaire
en sanitaire eisen, fytosanitaire eisen, dierenwelzijn; veranderingen in de vraag naar producten) en ontwikkelingen in de fysieke, sociale en technische omgeving (bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen, veranderende managementopvattingen, veranderingen in de waterhuishouding, veranderingen van functies in de omgeving van de onderneming). De relatief hoge productiekosten in Overijssel maken het nodig om, op individuele ondernemingen en in samenwerkingsverbanden, enerzijds mogelijkheden die er zijn om efficiënter te werken te benutten en anderzijds producten en productiewijzen op ondernemingen te ontwikkelen en introduceren die meerwaarde (economisch,
ecologisch en/of sociaal) opleveren. Dit kan op individuele ondernemingen, maar ook in samenwerking met anderen. Dit vereist een hoog niveau van inzicht, kennis en vaardigheden van ondernemers.
Het aanpassen aan veranderende wensen en eisen en nieuwe ontwikkelingen vereist van mensen werkzaam in de landbouw en bosbouw dat zij zich met enige regelmaat laten voorlichten en bijscholen, en dat zij kennis nemen van nieuwe ontwikkelingen en wat dat betekent dan wel kan gaan betekenen voor hun bedrijf.
De provincie wil de ontwikkeling van het ondernemerschap in de landbouw steunen. Hierbij richt de provincie zich op
1. projecten gericht op het opstellen van toekomstgerichte bedrijfsplannen voor landbouwondernemers;
2. (samenwerkings)projecten gericht op investeringen in duurzaamheid van de leefomgeving. Dit moet gaan om investeringen die verder gaan dan wettelijk vereist is of vooruitlopen op nieuwe wetgeving;
3. diversificatie naar niet agrarische activiteiten.
De versterking van ondernemerschap betreft zowel de gangbare landbouw, de verbrede landbouw (zoals agrotoerisme, duurzame energie, landbouw en zorg) en de biologische landbouw.
Om voor subsidie in aanmerking te komen moet het landbouwbedrijf een minimale bedrijfsgrootte
van 40 NGE hebben. Op de subsidieverlening voor de genoemde subsidiemogelijkheden 1 en 2 is de zogenaamde Vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing.
Met betrekking tot subsidiemogelijkheid 2 (investeringen in landbouwbedrijven) is artikel 4 van de genoemde vrijstellingsverordening van toepassing. Dit heeft de volgende consequenties voor de subsidieaanvraag en -verlening. De investering moet gericht zijn op een van de volgende doelstellingen:
a. het beschermen en het verbeteren van het milieu die verder gaan dan wat wettelijk vereist is;
b. het beschermen en verbeteren van het dierenwelzijn;
c. de verhoging van de toegevoegde waarde van de agrarische productie.
Voor de beschrijving van de overige consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'.
Op grond van artikel 19 van de bovengenoemde vrijstellingsverordening is stapeling met andere subsidies niet toegestaan boven het in artikel 8.34, lid 2, genoemde subsidiepercentage van 40% voor investeringen. Het totale subsidiebedrag (ook uit andere regelingen) mag niet uitkomen boven het in dit artikel genoemde subsidiepercentage. In artikel 8.34, lid 3, is stapeling boven het genoemde maximum van € 100.000,-- uitgesloten. Bij samenloop met andere subsidiemogelijkheden uit subparagraaf 8.21 (vrijkomende agrarische bebouwing) mag het maximaal genoemde subsidiebedrag van € 100.000,-- niet worden overschreden.
De subsidiemogelijkheid ‘Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten' wordt gecofinancierd vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 311 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013). Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. In september 2006 heeft de provincie een eenmalige tender uitgeschreven waarbij gegadigden zijn uitgenodigd om met ambitieuze voorstellen te komen voor pilot projecten voor de toepassing van agrobiodiversiteit en duurzame landbouw in Overijssel door:
Specifiek voor agrobiodiversiteit moeten de projectvoorstellen voldoen aan de volgende criteria:
Het samenwerken met andere (maatschappelijk) organisaties verdient sterk de voorkeur. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april dan wel voor 1 oktober.
[Toelichting: De biologische landbouw heeft een belangrijke voortrekkersrol voor de verduurzaming van de gehele landbouw. De biologische landbouw versterkt landschapswaarden en leidt vaak tot functionele verweving van landbouw, natuur en landschap. Dit biedt kansen voor de ontwikkeling van duurzame landbouw in kwetsbare gebieden. Om deze redenen willen wij de ontwikkeling van de biologische landbouw ondersteunen. Daarvoor hebben wij het plan van aanpak ‘Biologische landbouw 2005-2007' opgesteld. Wij richten ons hierbij vooral op het grootste knelpunt: de verbetering van de afzet.
De subsidiemogelijkheden zijn voor:
1. samenwerkingsprojecten van agrarische ondernemers en ketenpartijen;
2. algemene promotie van biologische producten.
Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten (o.a. kosten voor advies).
De eindbegunstigden zijn bij deze subsidiebepalingen niet eenduidig. Vaak zal de eindbegunsigde een onderneming zijn. Bij de beoordeling van deze subsidieaanvragen wordt met name rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Indien de eindbegunstigde een landbouwonderneming is, is artikel 15 van de (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing.
Op grond van artikel 15 van de genoemde vrijstellingsverordening geldt de beperking voor technische ondersteuning dat de in een driejarige periode toegekende subsidie niet meer dan € 100.000,-- per eindbegunstigde mag bedragen. Dit maximum moet ook bij stapeling van subsidies in acht worden genomen. ]
Subsidie kan worden verleend voor activiteiten voor de bevordering van de afzet van biologische producten. Het gaat hierbij met name om:
Subsidie voor het bevorderen van de afzet van biologische producten moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw danwel aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten, met een maximum subsidiebedrag van € 100.000,-- per driejarige periode per eindbegunstigde.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: De algemene lijn is dat er subsidie beschikbaar is voor de aankoop van nieuwe natuur. Via het Programma Beheer (Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel) is een subsidiemogelijkheid gecreëerd voor particulieren die grond willen verwerven en beheren indien deze gronden in de provinciale natuurgebiedsplannen zijn begrensd als nieuwe natuur.
Deze paragraaf heeft betrekking op de verwerving van grond door de particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. Dit zijn Landschap Overijssel en de Vereniging Natuurmonumenten. Voorwaarde is dat de grond gelegen moet zijn in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de grond moet zijn begrensd als nieuwe natuur in de natuurgebiedsplannen.
Eerstgegadigdenkaart
In de Eerstgegadigdenkaart zijn de invloedssferen van de natuurbeschermingsorganisaties Vereniging Natuurmonumenten, Landschap Overijssel en Staatsbosbeheer in Overijssel weergegeven. Deze kaart is bepalend voor welke natuurbeschermingsorganisatie een perceel grond, dat op de markt wordt aangeboden, aan zal gaan kopen.
De Eerstgegadigdenkaart is van belang bij de beoordeling of de subsidieaanvrager als eerste in aanmerking komt voor aankoop van de betreffende grond. Als gevolg van belangrijke wijzigingen die ten behoeve van ruimere mogelijkheden voor particulier beheer worden doorgevoerd, kunnen
Gedeputeerde Staten wijzigingen op deze kaart aanbrengen.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de verwervingskosten en eventueel de vergoeding van de kosten voor beëindiging van pachtovereenkomsten.
Indien er pachtgrond wordt verworven moet de pacht die op deze grond rust binnen een periode van drie jaar zijn beëindigd. Indien hier niet aan wordt voldaan, zal de gehele subsidie voor de verwerving van desbetreffende grond (dus ook de verwervingssubsidie) moeten worden terugbetaald.
In artikel 8.42 is aangegeven welke kosten subsidiabel zijn.
Niet subsidiabel zijn de aankoopkosten van productiequota. ]
Gedeputeerde Staten kunnen voor de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en/of Robuuste verbindingszones subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het stimuleren van aanleg en/of particulier beheer van nieuwe natuur op landgoederen in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en Robuuste verbindingszones.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: In het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel worden in natuurgebiedsplannen natuurgebieden aangewezen.
Afhankelijk van het te realiseren natuurdoel moet de aangekochte cultuurgrond ingericht worden. Inrichting is vaak pas mogelijk als samenhangende gebieden zijn aangekocht.
Subsidie voor inrichting van deze gebieden is in eerste instantie op grond van de genoemde Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel mogelijk. Voor die situaties, waarbij op grond van deze subsidieregeling geen subsidie mogelijk is, fungeren de betreffende subsidiebepalingen als een vangnet voor inrichting. Staatsbosbeheer valt niet onder de Subsidieregeling Natuurbeheer (Overijssel). Deze organisatie kan een beroep doen op de onderhavige subsidiebepalingen.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet het gaan om gronden die als nieuwe natuur zijn begrensd in het Natuurgebiedsplan Overijssel en/of de aangrenzende bestaande natuurgebieden waar in samenhang met de nieuwe natuurgebieden inrichtingsmaatregelen nodig zijn om de beoogde natuurdoelen te kunnen bereiken. Vereiste daarbij is tevens dat de gronden binnen de Ecologische Hoofdstructuur c.q. binnen de Robuuste Verbindingszones, zijn gelegen.
Op grond van artikel 8.47, lid 1, bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten. In lid 2 van dat artikel is aangegeven welke kosten tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Onder inrichtingskosten worden ook inpassingmaatregelen ten behoeve van de landbouw gerekend.
De redelijkheid van de door de aanvrager opgevoerde inrichtingskosten zal worden beoordeeld aan de hand van de normkosten, die voor inrichten EHS zijn opgesteld. De maximaal subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.45 lid 1 zijn per klasse vastgesteld (prijspeil 2004).
Voor de inrichting van nieuwe natuur in deze toplijstgebieden is € 2.500,-- per hectare extra beschikbaar voor hydrologische inrichtingsmaatregelen, bovenop de eerdergenoemde maximaal subsidiabele kosten. Dit wordt gecofinancierd vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 216 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013). Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing.
| klasse | natuurdoelen (overeenkomstig vigerende Natuurgebiedsplan Overijssel) | maximaal subsidiabele kosten per ha (in €) |
|---|---|---|
| 1 | 1, 10, 11, 12, 13, 17, 24, 25 | 4.900 |
| 2 | 5a, 5b, 5c, 9b, 23 | 7.400 |
| 3 | 3, 6, 9a, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 26, 27 | 10.200 |
| 4 | 2, 4, 7a, 7b, 8 | 24.000 |
Voor de kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur is het oplossen van verdroging en vermindering van de ammoniakdepositie belangrijk. Het onderzoek naar milieutekorten binnen de EHS toont aan dat circa 60% van het verdroogde areaal in de Natura 2000 gebieden binnen de EHS ligt. Omdat niet alles tegelijk kan worden gerealiseerd heeft verdrogingsbestrijding in de Natura 2000 gebieden binnen de EHS de voorkeur. Er is een nadere prioritering van deze gebieden gemaakt. Deze gebieden vormen de zogenaamde TOP-lijstgebieden. Deze is opgenomen in het pMJP. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
| klasse | natuurdoelen (overeenkomstig vigererende Natuurgebiedsplan Overijssel | maximaal subsidiabele kosten per ha (in €) |
|---|---|---|
| 1 | 1, 10, 11, 12, 13, 17, 24, 25 | 4.900 |
| 2 | 5a, 5b, 5c, 9b, 23 | 7.400 |
| 3 | 3, 6, 9a, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 26, 27 | 10.200 |
| 4 | 2, 4, 7a, 7b, 8 | 24.000 |
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: Het soortenbeleid is een zelfstandig onderdeel binnen het algemene natuurbeleid. Naast de instrumenten van de gebieds- ofwel ecosysteembenadering zijn specifieke soortgerichte maatregelen noodzakelijk. Voor het onderdeel soortenbescherming hebben de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de provincies en de soortenbeschermende organisaties in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid (MJP) 2000-2004 aangegeven hoe zij gezamenlijk uitvoering zullen geven aan het soortenbeleid in de periode 2000-2004. Inmiddels is deze periode verlengd tot en met 2006. Door de gezamenlijke aanpak wordt beoogd te komen tot een goed evenwicht en goede afstemming van landelijke en provinciale activiteiten. Daarnaast is het doel die maatregelen te treffen voor de soorten waarvoor de situatie op het moment het meest urgent is. Op basis van het DI-akkoord 1996 en de Bestuursovereenkomst IPO/LNV/VROM worden de bij het uitvoeringsprogramma behorende financiële middelen door het Rijk aan de provincie overgemaakt. Daarbij schenkt de provincie in haar beleid ook zelf aandacht aan provinciaal bedreigde soorten en stelt zij hiertoe financiële middelen beschikbaar. Op grond van haar eigen begroting zet de provincie ook zelf provinciale middelen in. Voornoemde geldstromen worden voor een deel (50%) via de provinciale begroting als subsidie naar de betrokken partijen weggezet en een deel als opdracht (50%).
Er wordt enkel subsidie verleend voor activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Soortenbeleid 2000-2004 en voor soorten die zijn aangemerkt als provinciale aandachtssoort (Nota Natuur en Landschap). Op deze wijze wordt de gebundelde bijdrage van de bij het soortenbeleid betrokken partijen gewaarborgd en wordt versnippering van inspanningen voorkomen. De regeling staat open voor aanvragen voor iedereen. In de praktijk zullen vooral ondernemingen of overheden eindbegunstigden zijn. Natuur- en terreinbeherende organisaties vallen ook onder het overheidsbegrip. Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Voor landbouwondernemingen wordt bij de beoordeling rekening gehouden met de (Europese) ‘de minimis'-regeling voor landbouw en visserij van de Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004. Subsidie kan worden verleend ten behoeve van een landbouwonderneming waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 3.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 3.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Aanvragen beneden de € 500,-- worden niet behandeld: de kosten die met de behandeling zijn gemoeid staan niet in verhouding tot het bedrag waarvoor subsidie wordt verleend. Met het hanteren van deze ondergrens wordt afgezien van het heffen van leges.
Een aantal kostencategorieën is uitgesloten van subsidiëring, de zogenaamde niet subsidiabele kosten, die zijn opgenomen in artikel 8.51, lid 2 van dit besluit. Voor zover deze kosten onderdeel uitmaken van de aanvraag worden ze bij de eventuele subsidieverlening buiten beschouwing gelaten. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 worden subsidieaanvragen voor 1 april van het betreffende kalanderjaar ingediend.
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.
[Toelichting: Het gaat niet goed met de weidevogelstand. Met name de grutto gaat sterk achteruit. Vooral in de kuikenfase is deze soort erg kwetsbaar voor maaien. Daarnaast worden vaak grote oppervlaktes in één keer gemaaid, waardoor gruttokuikens geen dekking tegen predatoren (lang gras) en voedsel (insecten zitten in het lange gras) meer kunnen vinden. Hierdoor worden veel te weinig grutto's vliegvlug. Plaatselijk speelt daarbij ook predatie een belangrijke rol. Voor de grutto heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid. In het Actieplan ‘Boeren met weidevogels' heeft de provincie Overijssel in 2003 aangegeven in te willen zetten op extra maatregelen om de weidevogelstand te verbeteren, met name voor kwetsbare soorten als grutto en tureluur. Het weidevogelbeheer kent diverse pijlers. Een daarvan is de Natuurproductiebetaling. Dat is een vergoeding voor daadwerkelijk uitgekomen legsels van bedreigde weidevogels. Het gaat om de grutto, tureluur, wulp, slobeend, zomertaling, watersnip en kemphaan. De vergoeding van € 70,-- wordt uitgekeerd voor de extra inspanning die de ondernemer moet verrichten voor het beschermen van het legsel. Boeren die de legselbescherming combineren met een beheerovereenkomst ontvangen € 100,-- per succesvol legsel.
Uit onderzoek komt naar voren dat actieve bescherming van de weidevogelnesten leidt tot een beter broedresultaat. Het blijkt dat bij bescherming 30% meer legsels succesvol uitkomen. Steun aan de weidevogels is zeer urgent vanwege afname van aantallen in het agrarisch gebied en ook in de natuurgebieden.
Eén andere maatregel is het project Koplopers weidevogelboeren. In dit project worden extra maatregelen voor weidevogels mogelijk gemaakt. Grondgebruikers kunnen subsidie aanvragen indien zij extra maatregelen treffen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels.
Deze maatregelen zijn vooral gericht op het verhogen van de kuikenoverleving. Dit project werd in 2005 opgestart en gefinancierd door de provincie (€ 100.000,--) en vanuit een fonds (€ 430.000,-- voor 10 jaar), dat door Rijkswaterstaat beschikbaar is gesteld voor extra maatregelen voor weidevogels ter compensatie van de aanleg van de N 50.
In Overijssel zijn de gebieden, waar nog relatief veel kritische soorten weidevogels (o.a. grutto, tureluur) voorkomen, op grond van het Programma Beheer begrensd als beheersgebied of nieuwe natuur voor weidevogels. Het accent ligt hier op het IJsseldeltagebied en Noordwest-Overijssel. Daarnaast liggen er verspreid in Salland en Twente een aantal beheersgebieden voor weidevogels. Dit betekent dat hier subsidies mogelijk zijn voor weidevogels volgens de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (Overijssel) of de Subsidieregeling Natuurbeheer (Overijssel). Dit levert tot nog toe onvoldoende resultaat op. De weidevogelstand gaat nog steeds hard achteruit. Daarom willen we komen tot meer maatwerk en extra maatregelen voor behoud van de weidevogelstand. Deze maatregelen voor weidevogels willen we uitvoeren bij die boeren die nu door veel inzet nog hoge dichtheden aan weidevogels, en m.n. grutto's, op hun bedrijf hebben (‘de koplopers in het gebied'). Hier zullen aanvullende maatregelen het meeste rendement opleveren.
De aanvullende maatregelen zullen m.n. gericht zijn op het verhogen van het broedsucces en de kuikenoverleving (o.a. strokenbeheer, mozaïekbeheer). We maken daarbij gebruik van de ervaringen van het landelijk project ‘Nederland - Gruttoland'. In het project ‘Nederland-Gruttoland' is ervaring opgedaan met aanvullende maatregelen voor weidevogels (m.n. de grutto) bij een aantal boeren (53) in 6 clusters (Agrarische Natuurverenigingen) verspreid over Nederland (totaal 1.600 hectare). Op basis van deze ervaringen én eigen ervaringen is het Koploperproject uitgewerkt in een aantal maatregelen dat sterk gericht is op het verhogen van de kuikenoverleving. Door een gezamenlijke aanpak, meer maatwerk en aanvullende maatregelen voor weidevogels (mozaïekbeheer) moet dit resulteren in een hogere reproductie (meer vliegvlugge weidevogelkuikens) en een toename van de weidevogelstand met 25% in 5 jaar bij de deelnemende bedrijven. Tevens geldt het als een voorbeeldfunctie voor andere gebieden. Deze regeling is als experiment opgezet. We streven er naar om de uitvoering van het project in de loop der jaren over te dragen aan bestaande of nog op te richten samenwerkingsverbanden van agrariërs in het gebied, waarbij de provincie meer een sturende en ondersteunende rol gaat spelen.
De maatregelen voor bescherming van weidevogels passen binnen de systematiek van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten. Deze catalogus geeft inzicht in welke maatregelen en welke vergoedingen zijn toegestaan binnen de communautaire richtsnoeren voor staatssteun. ]
[Toelichting: Het uitvoeringsbesluit schrijft in artikel 1.13 voor dat aanvragen voor prestatiesubsidies worden ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Juist het specifieke onderwerp waarop deze regeling betrekking heeft, noodzaakt tot een andere indieningstermijn. Vanaf circa 1 april start het broedseizoen van de kwetsbare soorten weidevogels. Met inachtneming van een korte behandeltermijn zullen de aanvragen dan ook voor 1 april moeten zijn ingediend. Voor Natuurproductiebetaling geldt een termijn van 6 dagen na uitkomen van het legsel.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag:
[Toelichting: In afwijking van hoofdstuk 1 wordt geen voorschot uitgekeerd.]
In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid.
[Toelichting: Monitoring van de resultaten van de activiteiten vindt o.m. plaats door intekening van de legsels op een bedrijfskaart. Gedeputeerde Staten zorgen in beginsel voor verstrekking van de kaarten. Ook zullen Gedeputeerde Staten tussentijds willen weten hoe bepaalde activiteiten zich ontwikkelen, welke resultaten zijn geboekt, enz. Om deze controle mogelijk te maken dienen de kaarten op het bedrijf zelf aanwezig te zijn.]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart.
In afwijking van artikel 1.22 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid.
[Toelichting: Nationale parken zijn aaneengesloten gebieden van tenminste duizend hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzondere landschappelijke gesteldheid en planten- en dierenleven. Er zijn goede mogelijkheden aanwezig voor recreatief medegebruik. In de nationale parken worden natuurbeheer en natuurontwikkeling geïntensiveerd, natuur- en milieueducatie sterk gestimuleerd en vormen van natuurgerichte recreatie, alsook onderzoek bevorderd.
De nationale parken behoren tot de kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het stelsel van natuur- en bosgebieden met hun rand- en verbindingszones, de groene ruggengraat van de Nederlandse natuur.
In Overijssel zijn er 2 nationale parken, namelijk De Weerribben-Wieden in opriching en De Sallandse Heuvelrug.
De eigenaren/beheerders en de betrokken instanties (provincies en gemeenten) zijn vertegenwoordigd in een overlegorgaan. De minister van LNV installeert zo'n overlegorgaan bij de instelling van een nationaal park. De eigenaren/beheerders, instanties en organisaties die hierin zijn vertegenwoordigd, binden zich aan de uitgangspunten die de minister van LNV heeft opgesteld.
De eerste taak van het overlegorgaan is het opstellen van een gemeenschappelijk Beheers- en Inrichtingsplan voor het parkgebied in zijn totaliteit. Als de minister zijn goedkeuring voor dit plan heeft gegeven, is het overlegorgaan verantwoordelijk voor de uitvoering.
In het overlegorgaan zetten partijen zich in voor:
1. versterken samenwerking tussen eigenaren, beheerder en overheden t.b.v. integraal beheer;
2. stimuleren educatieve functie van de parken;
3. stimuleren van passende op natuurbeleving gerichte recreatievormen.
Voor de uitvoering stelt het overlegorgaan jaarlijks een bestedingenplan op. De realisatie van de geprogrammeerde activiteiten hierin vinden deels plaats via subsidieverlening. De subsidieregels hiervoor staan in deze paragraaf.
Het betreft activiteiten op het gebied van beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek. De regeling staat open voor aanvragen voor iedereen. In de praktijk zullen vooral ondernemingen of overheden eindbegunstigden zijn. Natuur- en terreinbeherende organisaties vallen ook onder het overheidsbegrip.
Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Voor landbouwondernemingen wordt bij de beoordeling rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling voor landbouw en visserij van de Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004. Subsidie kan worden verleend ten behoeve van een landbouwonderneming waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 3.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend . Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 3.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Voor de beoordeling van de ‘de minimis'-steun wordt gekeken naar de eindbegunstigde van de subsidie. Ondernemingen en landbouwondernemingen moeten hiertoe bij de subsidieaanvraag een zogenaamde ‘de minimis'-verklaring overleggen.
Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek van nationale parken de Sallandse Heuvelrug of De Weerribben-De Wieden in oprichting.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: In het landschap vinden vele en veelsoortige ontwikkelingen plaats. Zo stelt bijvoorbeeld de moderne landbouw andere eisen aan het landschap en krijgen nieuwe functies als wonen, niet-agrarische bedrijvigheid en recreatie een steeds belangrijker plek in het landelijk gebied. Dit heeft invloed op de verschijningsvorm en de belevingswaarde van het landschap. Met andere woorden de landschappelijke kwaliteit is in het geding.
De prestatie Kwaliteit Cultuurlandschap stimuleert projecten die gericht zijn op vormgeving en herstel/realisering van landschappelijke kwaliteit en Groen om de grote steden en kernen. Daarbij onderscheiden we vier categorieën:
1. Prestaties gericht op planvorming t.b.v. ontwikkelings- en inrichtingsvraagstukken in relatie tot de landschappelijke kwaliteit.
Voorbeelden hiervoor zijn Landschapsontwikkelingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en Landgoedversterkingsplannen (voor landgoederen ouder dan 50 jaar en groter dan 25 ha). Voorwaarde is dat er een stevige relatie wordt gelegd met de uitvoering, bijvoorbeeld via een concreet uitvoeringsprogramma.
2. Prestaties gericht op concrete uitvoering (fysieke maatregelen) ter versterking van de landschappelijke kwaliteit van het cultuurlandschap. Het gaat hierbij alleen om niet productieve elementen d.w.z. elementen die niet direct bijdragen aan economische activiteiten. Om voor deze subsidie in aanmerking te komen moet een project passen binnen de volgende thema's:
3. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van recreatief groen (onder andere voor recreatie medegebruik) in robuuste structuren (>2 ha) in een gebied tot 5 km buiten de bebouwde kom van grote steden en stedelijke agglomeraties > 50.000 inwoners (Deventer, Almelo/Hengelo/Enschede/Borne/Oldenzaal).
4. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van groene elementen ten behoeve van b.v. landschappelijke inpassing van rommelige randen van kernen. Dit groen is bedoeld om bijv. verrommelde randen door bedrijfsterreinen te maskeren. Voor nieuw te realiseren uitbreidingen dient het landschappelijk groen integraal onderdeel van de planvorming en exploitatie uit te maken. Hiervoor is deze subsidie niet bedoeld.
Op subsidie categorie 2 kan cofinanciering vanuit POP 2 plaats vinden, bij subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten meer bedragen dan € 150.000,--. Dit op basis van Verordening (EG) 1698/2005 PbL 277 van de Raad (welke Raad)van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 323 en 125 voor onderdeel e. (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Dit betekent dat een subsidieaanvraag volgens de POP-procedure moet worden aangevraagd.
In de subsidie categorie 2 zijn kosten van grondverwerving - overeenkomstig maatregel 323 - be-perkt subsidiabel. Deze kosten mogen niet meer dan 10% van de subsidiabele kosten bedragen. Voor de overige subsidiecategorieën komen kosten voor grondverwerving niet in aanmerking voor subsidie. Indien de prestatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoet aan de subsidiecriteria uit paragraaf 8.18 Uitvoering groene en blauwe diensten, dan wordt de subsidie-aanvraag in dat ka-der behandeld. Op grond van deze prestatie is subsidie in die gevallen uitgesloten (artikel 8.67, lid 3).
Voor de omrekening van lijnelementen naar ha's kan onderstaande tabel worden gehanteerd.
| landschap | berekening |
|---|---|
| houtwal - singel | lengte * 3,5 m breed |
| haag | lengte * 1,5 m breed |
| laan - bomenrij | lengte * 5 m breed |
]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor prestaties in het buitengebied die gericht zijn op:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die passen in het ontwikkelingsprogramma van een Nationaal Landschap.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De kwaliteit van het Overijsselse landschap is een belangrijke factor die bijdraagt aan een goed woon-, werk- en leefklimaat van Overijssel. Gezondheid, rust en ruimte maar ook ecologische en natuurwaarden (en ook: de intrinsieke waarde) zijn gediend met een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied. En niet in de laatste plaats is een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied belangrijk voor de regionale economie en de streekeigen identiteit van Overijssel. De provincie is samen met het Rijk en gemeenten verantwoordelijk voor een duurzaam beheerd en toegankelijk landelijk gebied. Het beheer staat onder druk. De toegankelijkheid wordt als onvoldoende ervaren. De vermeende tegenstelling tussen economische ontwikkeling en behoud van natuur en landschap en waterbeheer kan meer worden omgezet in een win-winsituatie. In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland geeft het Rijk aan dat zij de ambities voor natuur en landschap beperkt tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen. Het kabinet wil buiten deze gebieden geen middelen meer beschikbaar stellen voor het beheer van natuur en landschap. De verantwoordelijkheid voor behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit buiten de EHS en de Nationale Landschappen wordt neergelegd bij provincies en gemeenten. In het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006 (hierna het beleidskader), heeft de provincie haar positie en prioriteiten bepaald die zij voor de realisatie van Groene en Blauwe diensten ambieert. Deze regeling geeft de wettelijke basis voor de financiële ondersteuning van dit beleidskader. De regeling maakt onderdeel uit van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2005. Dit betekent ook dat dit onderdeel in deze samenhangende systematiek moet worden bezien. In deze paragraaf (15) staan de bijzondere bepalingen, aanvullingen of afwijkingen ten opzichte van de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 en van hoofdstuk 8.
Catalogus Groen-Blauwe diensten
Voor het bepalen van maatregelpakketen en de maximale vergoeding van Groene en Blauwe diensten is de zogenaamde Catalogus Groen-Blauwe diensten (hierna de catalogus) opgesteld. De catalogus is een gereedschapskoffer waarmee overheden een regeling met maatregelen/pakketten kunnen ontwikkelen op het gebied van aanleg en beheer van natuur, landschap, water, recreatie en cultuurhistorie. Indien de overheden conform de catalogus het beheer vormgeven mag er van uit gegaan worden dat het beheer voldoet aan de voorwaarden op het gebied van staatssteun van de Europese Commissie. Het stelt overheden (de toekomstige regelingseigenaar) in staat om gebiedsspecifiek duidelijkheid te geven welke maatregelen en welke maximale vergoedingen zijn toegestaan binnen de communautaire richtsnoeren voor staatssteun. De catalogus is in 2007 goedgekeurd. Aanpassing van de Catalogus kunnen landelijk één keer per jaar worden ingediend bij de Europese Commissie. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft de titel voor de subsidieverlening voor Groene en Blauwe diensten. Voor de definitie van Groene en Blauwe diensten is aangesloten bij die van de Raad voor het Landelijk Gebied. Kern van deze definitie is dat Groene en Blauwe diensten worden verleend door particulieren zoals landbouwers, landgoederen en recreatiebedrijven. Hierbij gaat het om bovenwettelijke activiteiten, dus meer dan Goede Landbouwpraktijk. Het betreft een actief beheer zodat het zich onderscheid van een schaderegeling. De dienstverlening is niet verplicht en kan zowel betaald als onbetaald zijn. Als dienst spelen zij in op de publieke, collectieve vraag naar landschap, natuur en water waarvoor de overheden - Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen - een verantwoordelijkheid dragen. De provincie wil een duurzame financiering van het beheer stimuleren en waarborgen. Zij draagt hiertoe bij in fondsen die geldstromen bundelen om Groene en Blauwe diensten duurzaam te financieren. Op grond van dit besluit kan alleen aan rechtspersonen subsidie worden verleend. Voor Groene en Blauwe diensten is steeds een heldere en doorzichtige organisatiestructuur nodig omdat op dit (organisatie)niveau de geldstromen worden gebundeld en het fondsbeheer gestalte krijgt. In dit verband is het niet wenselijk dat ook informele verenigingen of organisatievormen anderszins die niet over een duidelijke bevoegdheidsverdeling e.d. beschikken, op grond van dit besluit worden gesubsidieerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat er (democratisch gelegitimeerde) controle en verantwoording over de besteding van de in het fonds opgenomen overheidsmiddelen kan plaatsvinden en dat het fonds in haar rechtspersoonlijkheid kan worden aangesproken op haar verrichtingen. Aan rechtspersonen in oprichting kan geen subsidie worden verleend. De te subsidiëren rechtspersoon moet eerst, eventueel in overleg met Gedeputeerde Staten, daadwerkelijk worden opgericht. Voor wat betreft het financiële beheer is als eis gesteld dat een bancaire instelling de middelen beheert. Zij voert het financieel beheer uit overeenkomstig de eisen die het fondsbestuur, de subsidieontvanger, stelt. Rendement en kosteneffectiviteit zijn zwaarwegende redenen voor deze eis. De provincie stelt als voorwaarde aan haar subsidie dat het Nationaal Groenfonds het financieel beheer van het fonds voert. De keuze voor het Groenfonds is gebaseerd op het feit dat deze instelling (stichting zonder winstoogmerk) is opgericht ten behoeve van de groene financiering met overheidsgelden en daarin veel expertise heeft opgebouwd. Zij zijn bekend met de financiële eisen die vanuit wet- en regelgeving aan overheden gelden. Privaat en publiek geld blijven gescheiden in verband met de staatssteuneisen. Daarnaast beheert het Groenfonds de rijksgelden (POP/LNV) binnen het zgn. geïntegreerd middelenbeheer van de Rijkscomptabiliteitswet. De ILG-gelden lopen via het Groenfonds. De bundeling van overheidsgelden levert een hoger rendement op dan wanneer alle budgetten afzonderlijk worden beheerd. Ten slotte heeft het Groenfonds een goede toegang tot de ‘groene' kapitaalmarkt. Uitgesloten van deze subsidie zijn activiteiten waarvoor andere (subsidie)mogelijkheden bestaan, i.c. de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel en de Subsidieregeling Natuur Overijssel in het kader van Programma Beheer. Het Rijk heeft aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het beheer van natuur en landschap in de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen. Daartoe gebruiken zij het voornoemd Programma Beheer dat voorziet in 100% financiering van de feitelijke beheerskosten. Vanaf 1 januari 2007 maken deze regelingen onderdeel uit van het ILG. De provincie wordt de bestuurslaag die vanaf die datum aan de regelingen uitvoering gaat geven. De uitvoering van beide regelingen blijft tot en met 2008 ongewijzigd. Zoals in het beleidskader aangegeven zijn groene en blauwe diensten complementair aan deze subsidiemogelijkheden. De subsidieverlening voor weidevogels wordt uitgevoerd via paragraaf 8.13 van dit besluit. Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel, de Vereniging Natuurmonumenten en de waterschappen zijn uitgesloten van een subsidiemogelijkheid voor beheer. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenoverstaat. De genoemde organisaties worden op andere wijze gefinancierd voor de uitvoering of begeleiding van hun eigen terreinen. Ook het met dit beleid belonen van beheer door waterschappen die landschapselementen in bezit hebben, vindt de provincie te zeer afwijken van het doel van het beleidskader. Deze organisatie vervullen overigens wel een rol in de uitvoering van het beleid.
De provincie wil de provinciale sturing op individuele projectvoorstellen gefaseerd loslaten en overlaten aan gemeenten. Hiervoor wil de provincie over de uitvoering van Groene en Blauwe Diensten de komende jaren samen met gemeenten en waterschappen overkoepelende afspraken maken op basis van gemeentelijke landschapsontwikkelingplannen (of vergelijkbare plannen) en deze vast te leggen in de bestuursconvenanten.
In dit plan is de landschapsvisie beschreven op basis waarvan de keuzes welke diensten - bij voorrang - gecontracteerd worden. In een landschapsontwikkelingsplan of hiermee vergelijkbare planvorm geeft de aanvrager voor haar hele grondgebied in ieder geval aan welke prestaties, waar en wanneer worden via Groene en Blauwe Diensten worden gerealiseerd. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het landschapsplan (bijvoorbeeld een Landschapsontwikkelingsplan, LOP) hanteert de provincie de handreiking voor het LOP als referentie (http://www2.minlnv.nl/thema/groen/ruimte/ols/gemeente/lop/werkproces_lop.pdf). Het gevraagde bedrag zal in relatie moeten worden gebracht met de te leveren prestaties . Prestatie-prijsverhouding zal worden beoordeeld op grond van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten en het in het pMJP gehanteerde prijs-prestatiebedrag ]
[Toelichting: Dit artikel geeft de titel voor de subsidieverlening voor Groene en Blauwe diensten. Voor de definitie van Groene en Blauwe diensten is aangesloten bij die van de Raad voor het Landelijk Gebied. Kern van deze definitie is dat Groene en Blauwe diensten worden verleend door particulieren zoals landbouwers, landgoederen en recreatiebedrijven. Hierbij gaat het om bovenwettelijke activiteiten, dus meer dan Goede Landbouwpraktijk. Het betreft een actief beheer zodat het zich onderscheid van een schaderegeling. De dienstverlening is niet verplicht en kan zowel betaald als onbetaald zijn. Als dienst spelen zij in op de publieke, collectieve vraag naar landschap, natuur en water waarvoor de overheden - Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen - een verantwoordelijkheid dragen. De provincie wil een duurzame financiering van het beheer stimuleren en waarborgen. Zij draagt hiertoe bij in fondsen die geldstromen bundelen om Groene en Blauwe diensten duurzaam te financieren. Op grond van dit besluit kan alleen aan rechtspersonen subsidie worden verleend. Voor Groene en Blauwe diensten is steeds een heldere en doorzichtige organisatiestructuur nodig omdat op dit (organisatie)niveau de geldstromen worden gebundeld en het fondsbeheer gestalte krijgt. In dit verband is het niet wenselijk dat ook informele verenigingen of organisatievormen anderszins die niet over een duidelijke bevoegdheidsverdeling e.d. beschikken, op grond van dit besluit worden gesubsidieerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat er (democratisch gelegitimeerde) controle en verantwoording over de besteding van de in het fonds opgenomen overheidsmiddelen kan plaatsvinden en dat het fonds in haar rechtspersoonlijkheid kan worden aangesproken op haar verrichtingen. Aan rechtspersonen in oprichting kan geen subsidie worden verleend. De te subsidiëren rechtspersoon moet eerst, eventueel in overleg met Gedeputeerde Staten, daadwerkelijk worden opgericht. Voor wat betreft het financiële beheer is als eis gesteld dat een bancaire instelling de middelen beheert. Zij voert het financieel beheer uit overeenkomstig de eisen die het fondsbestuur, de subsidieontvanger, stelt. Rendement en kosteneffectiviteit zijn zwaarwegende redenen voor deze eis. De provincie stelt als voorwaarde aan haar subsidie dat het Nationaal Groenfonds het financieel beheer van het fonds voert. De keuze voor het Groenfonds is gebaseerd op het feit dat deze instelling (stichting zonder winstoogmerk) is opgericht ten behoeve van de groene financiering met overheidsgelden en daarin veel expertise heeft opgebouwd. Zij zijn bekend met de financiële eisen die vanuit wet- en regelgeving aan overheden gelden. Privaat en publiek geld blijven gescheiden in verband met de staatssteuneisen. Daarnaast beheert het Groenfonds de rijksgelden (POP/LNV) binnen het zgn. geïntegreerd middelenbeheer van de Rijkscomptabiliteitswet. De ILG-gelden lopen via het Groenfonds. De bundeling van overheidsgelden levert een hoger rendement op dan wanneer alle budgetten afzonderlijk worden beheerd. Ten slotte heeft het Groenfonds een goede toegang tot de ‘groene' kapitaalmarkt. Uitgesloten van deze subsidie zijn activiteiten waarvoor andere (subsidie)mogelijkheden bestaan, i.c. de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel en de Subsidieregeling Natuur Overijssel in het kader van Programma Beheer. Het Rijk heeft aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het beheer van natuur en landschap in de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen. Daartoe gebruiken zij het voornoemd Programma Beheer dat voorziet in 100% financiering van de feitelijke beheerskosten. Vanaf 1 januari 2007 maken deze regelingen onderdeel uit van het ILG. De provincie wordt de bestuurslaag die vanaf die datum aan de regelingen uitvoering gaat geven. De uitvoering van beide regelingen blijft tot en met 2008 ongewijzigd. Zoals in het beleidskader aangegeven zijn groene en blauwe diensten complementair aan deze subsidiemogelijkheden. De subsidieverlening voor weidevogels wordt uitgevoerd via paragraaf 8.13 van dit besluit. Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel, de Vereniging Natuurmonumenten en de waterschappen zijn uitgesloten van een subsidiemogelijkheid voor beheer. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenoverstaat. De genoemde organisaties worden op andere wijze gefinancierd voor de uitvoering of begeleiding van hun eigen terreinen. Ook het met dit beleid belonen van beheer door waterschappen die landschapselementen in bezit hebben, vindt de provincie te zeer afwijken van het doel van het beleidskader. Deze organisatie vervullen overigens wel een rol in de uitvoering van het beleid.
De provincie wil de provinciale sturing op individuele projectvoorstellen gefaseerd loslaten en overlaten aan gemeenten. Hiervoor wil de provincie over de uitvoering van Groene en Blauwe Diensten de komende jaren samen met gemeenten en waterschappen overkoepelende afspraken maken op basis van gemeentelijke landschapsontwikkelingplannen (of vergelijkbare plannen) en deze vast te leggen in de bestuursconvenanten.
In dit plan is de landschapsvisie beschreven op basis waarvan de keuzes welke diensten - bij voorrang - gecontracteerd worden. In een landschapsontwikkelingsplan of hiermee vergelijkbare planvorm geeft de aanvrager voor haar hele grondgebied in ieder geval aan welke prestaties, waar en wanneer worden via Groene en Blauwe Diensten worden gerealiseerd. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het landschapsplan (bijvoorbeeld een Landschapsontwikkelingsplan, LOP) hanteert de provincie de handreiking voor het LOP als referentie (http://www2.minlnv.nl/thema/groen/ruimte/ols/gemeente/lop/werkproces_lop.pdf). Het gevraagde bedrag zal in relatie moeten worden gebracht met de te leveren prestaties . Prestatie-prijsverhouding zal worden beoordeeld op grond van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten en het in het pMJP gehanteerde prijs-prestatiebedrag. ]
[Toelichting: Groene en Blauwe diensten creëren waarde voor ondernemers, huiseigenaren en gemeenten door een aantrekkelijk(er) vestigings- en woonklimaat. Mede om deze reden is de grondslag voor subsidie gebaseerd op het principe van medefinanciering. Voor het beheer zal publieke financiering vaak het meest voor de hand (blijven) liggen. Steeds zal echter in het totaal de particuliere bereidheid tot medefinanciering van Groene en Blauwe diensten moeten worden benut. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat degene die profijt heeft, ook een bijdrage levert aan het behoud en ontwikkeling van de gewenste kwaliteit. De provinciale bijdrage voor landschapsbeheer en toegankelijkheid is maximaal 50% van de totale kosten. Omdat het beleidskader vooral inzet op beheer is erfbeplaning uitgesloten van een bijdrage. Onder erfbeplanting wordt verstaan beplanting op het bouwblok. Nadrukkelijk gaat de grondslag niet over de maatregelen en de hoogte van vergoeding van deze maatregelen. Dit wordt in het projectvoorstel bepaald. De ondernemers die Groene diensten gaan leveren zijn grondgebruikers waaronder landbouwers, landgoederen, recreatiebedrijven en (andere) particulieren. Een individuele agrariër zal de prijs voor Groene diensten baseren op gemiste agrarische productie. Een andere aanbieder zal een andere afweging maken. Van belang is dat de voorwaarden zodanig zijn dat potentiële aanbieders bereid zijn en blijven om de maatschappelijke dienst te leveren. Het resultaat volgt uit het bijeenbrengen van vraag en aanbod in het projectvoorstel. Gedeputeerde Staten zullen bij hun beoordeling wel normkosten als referentie hanteren, waarin gederfde inkomsten, de extra kosten die met de dienstverlening zijn gemoeid alsook de transactiekosten zijn verdisconteerd. Belangrijke voorwaarde voor het verstrekken van subsidie is dat de maatregel zgn. ‘Brussel-proof’ is. Dat wil zeggen dat de subsidieverlening geen steun is die onverenigbaar is met (artikelen 87 en 88) van het EG-Verdrag. Om niet voor elke bijzondere maatregel de gang naar Brussel te hoeven maken, is een catalogus Groen-Blauwe diensten ontwikkeld. Deze catalogus is een totaallijst van in Brussel goedgekeurde maatregelen met maximale prijsstellingen gebaseerd op geaccepteerde normbedragen. Afgesproken is dat de catalogus eenmaal per jaar wordt geactualiseerd.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Om een aanvraag voor subsidie voor Groene en Blauwe diensten te kunnen beoordelen, is een aantal stukken nodig:
1. In afwijking van artikel 1.14, eerste lid, onder b en c, overlegt de aanvrager een projectvoorstel dat voldoet aan de volgende criteria:
[Toelichting: Het verstrekken van een subsidie is, in samenhang met het criterium dat deze gebaseerd is op een projectvoorstel of de afspraken in het bestuursconvenant, direct gerelateerd aan het afsluiten van een contract voor levering van Groene en Blauwe diensten. De looptijd van een contract is langjarig. Een bedrijf dat kiest voor Groene dienstverlening kan (vergaande) veranderingen in de bedrijfsvoering moeten doorvoeren. Dergelijke veranderingen kunnen en zullen dan ook niet voor een korte periode worden doorgevoerd. Om deze reden wordt subsidie verstrekt in de vorm van een meerjarige prestatiesubsidie. In het beleidskader is een streefperiode van 30 jaar opgenomen. De minimum contractduur is 10 jaar. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenover staat. Tussen de rechtspersoon (uitvoeringsorganisatie) en de particulier beheerder is sprake van een contractrelatie. Het is deze particuliere beheerder die de dienst levert. Uiteraard is het aan deze particulier of hij de uitvoering zelf doet of dit uitbesteed. In die gevallen waar sprake is van vervreemding, is de bepaling opgenomen dat er een soort kettingbeding in het contract is opgenomen waarmee de (nieuwe) verkrijger de verplichtingen overneemt. Met deze vorm is er de garantie op een duurzame financiering van langjarige beheer.]
In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek van de aanvrager een voorschot tot maximaal 100% van de verleende subsidie.
ingetrokken
[Toelichting: Aan de aanvraag voor subsidie om contracten voor Groene en Blauwe diensten te kunnen financieren, ligt een projectvoorstel ten grondslag (zie artikel 8.82). De provincie wil lokale partijen die zich voor beheer inzetten (zoals agrarische natuurverenigingen) ondersteunen bij het inventariseren en concretiseren van vraag en aanbod door middel van een dergelijk voorstel. Dit artikel bepaalt dat voor het opstellen van het projectvoorstel subsidie kan worden verleend.]
[Toelichting: De subsidiemogelijkheid is beperkt tot die activiteiten die als de-minimissteun uitvoering krijgen en daarmee vrijgesteld zijn van melding bij de Europese Commissie in verband met staatssteun. Het betreft hier kosten voor het opstellen van het projectvoorstel dat nodig is om de subsidie onder paragraaf 8.18 van dit besluit te kunnen aanvragen. De activiteiten hebben met toepassing van de minimissteun te voldoen aan de in de leden 2 tot en met 5 van de Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006, wil subsidie kunnen worden verleend. Of indien het een landbouwbedrijf betreft aan de vereisten van EG-Verordening 1860/2004.]
[Toelichting: Op grond van de regeling kan ook subsidie worden verleend als een bijdrage in de kosten voor de organisatie- en uitvoeringsstructuur. Met het toepassen van per boekjaar verstrekte prestatiesubsidies zijn de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing op deze vorm van prestatiesubsidies. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de wettelijke subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Uitgesloten is de vorming van een egalisatiereserve.]
[Toelichting: Als bepalend criterium voor de subsidie is de eis gesteld dat de betrokken rechtspersoon uitvoering gaat geven aan een projectvoorstel. Dit moet blijken uit de doelstelling zoals opgenomen in de oprichtingsakte of de statuten van de betrokken rechtspersoon. Dit is nodig omdat uit de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG-Verdrag volgt dat de eindbegunstigde een onderneming moet zijn. Bij deze organisaties GBD gaat het om zgn. uitvoeringsorganisaties GBD (of ook wel intermediaire fondsen) die in beginsel specifiek zijn opgericht voor het overgeven en verduurzamen (het genereren van rendement) van de financiële middelen waarvoor op basis van het projectvoorstel zoals bedoeld in artikel 8.82 subsidie is verleend op grond van paragraaf 8.18 van dit besluit. Of het zijn bestaande organisaties die dan wel voldoende aantoonbare organisatorische maatregelen hebben getroffen om te waarborgen dat de betrokken geldstromen zich voldoende onderscheiden van hun andere activiteiten. Zij regelen de transfer van de door financiers beschikbaar gestelde gelden (publiek en privaat) aan de aanbieders van diensten en‘verduurzamen' deze in een fonds. Op deze wijze wordt rendement gegenereerd zonder dat er overigens sprake is van risicokapitaal. Het gaat er hierbij om dat er naar de aard geen sprake is van een onafhankelijke onderneming. De subsidie is enkel bedoeld voor de compensatie van een deel van deze (extra) kosten. Er wordt geen economisch voordeel met de maatregel verschaft. In deze hoedanigheid is er noch sprake van een onderneming , noch van een markt. Voor zover toch van ondernemingsactiviteiten sprake is, is hiervoor een expliciete weigeringsgrond opgenomen.
De subsidie voor dit onderdeel is bestemd voor kosten voor personeel en organisatie. In het beleidskader is aangegeven dat de totale kosten voor uitvoering maximaal 15% van één of meerdere projectvoorstellen mogen betreffen, wil de provincie uit deze regeling bijdragen. De subsidie kent een maximum van 50% van de betreffende kosten. Geen subsidie wordt verstrekt aan overheidsorganen of aan zelfstandige bestuursorganen met eigen rechtspersoonlijkheid. ]
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: Met dit artikel wordt afgeweken van de algemene handelswijze bij deze vorm van subsidieverlening om het voorschot in het midden van elke maand beschikbaar te stellen. Uit efficiencyoverwegingen is gekozen voor een periodieke betaling van twee keer in het jaar, in het begin van de maanden juni en december. Hoofdregel dat 100% voorschot wordt verleend, blijft bestaan.]
[Toelichting: Begin 2006 hebben Gedeputeerde Staten een beleidsregel Uitvoeringskader hergebruik Vrijkomende
Agrarische Bebouwing vastgesteld. Het hoofddoel van het VAB-beleid is sociaaleconomisch: het
draagt bij aan het realiseren van Nieuwe Economische Dragers voor het landelijk gebied ofwel het
benutten van de resterende economische waarde van VAB voor andere functies dan landbouw.
Hergebruik in plaats van kapitaalsvernietiging. Startende bedrijven worden gestimuleerd. Het
buitengebied als streekgebonden werkgebied in plaats van woongebied voor niet streekgebonden
forensen. De terugloop in de landbouw maakt het voor de leefbaarheid en de economische vitaliteit
van het landelijk gebied wenselijk dat er zich in VAB andere functies kunnen vestigen. Een bijkomende doelstelling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Immers een blijvende landelijke uitstraling van de gebouwen en omgeving is gewenst. In het Uitvoeringskader wordt met name het planologische spoor gefaciliteerd. Met deze subsidiepalingen willen we nog een extra impuls geven aan het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing.
In de artikelen 8.94 en 8.97 zijn - aanvullend op de algemene criteria - criteria opgenomen, waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. Dat de aanvraag moet passen binnen het gemeentelijke VAB-beleid betekent o.a. dat het (opnieuw) houden van intensieve veehouderij planologisch en als gebruiksmogelijkheid onmogelijk moet worden gemaakt. Maar ook dat bij eventuele situering in een landbouwontwikkelingsgebied (LOG) er uitsluitend subsidie verstrekt kan worden als er door gemeenten en provincie positief advies uitgebracht is, waaruit in elk geval blijkt dat de landbouw/intensieve veehouderij geen hinder ondervindt van de beoogde nieuwe functie in de VAB. Als echter uit de vastgestelde LOG-visie van de gemeente blijkt dat realisatie van een VAB op betreffende locatie mogelijk is, dan kan voor dit advies worden volstaan met een verwijzing naar de LOG-visie van de betreffende gemeente. Bij de aanvraag hoort een bedrijfsplan waaruit o.a. moet blijken hoe de subsidie bijdraagt aan het verkrijgen van substantieel (extra) inkomen. Voor subsidieaanvragen VAB die bijdragen aan het algemene voorzieningenniveau (zonder winstoogmerk), is een sluitende exploitatie voldoende. Ook moet er een bankverklaring bij gevoegd worden en een overzicht van de complete financiering.
Voorts kan uitsluitend voor investeringen in de bestaande bebouwing subsidie toegekend worden en dus niet voor nieuwbouw van gebouwen in samenhang met en na sloop van bestaande VAB. De betreffende gebouwen moeten voor een agrarische functie zijn opgericht, agrarisch in gebruik zijn (geweest) en op het moment van de aanvraag een agrarische bestemming hebben. Ook moet er sprake zijn van een voldoende investeringsniveau door de ondernemer om de maatschappelijke bijdrage te kunnen verantwoorden: om deze reden wordt met artikel 8.94 lid 6 een subsidie voor het ombouwen of geschikt maken van de VAB voor het stallen van caravans uitgesloten.
De aanvrager moet rechthebbende van het bedrijf zijn (eigenaar) of overeenstemming met verpachter (landgoedeigenaar, etc.) kunnen aantonen. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen e.d.) zijn niet subsidiabel, maar de kosten voor adviezen (bedrijfsadviseurs, accountants, adviesbureaus, architectenbureau) zijn wel subsidiabel met een maximum van 12% van de totale investeringskosten. De kosten van eigen arbeid zijn ook subsidiabel. Er mag € 25,-- per uur mag worden berekend. Het aantal uren moet redelijk zijn en controleerbaar.
Tevens kan subsidie worden aangevraagd voor het vergroten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de VAB waarin of het erf waarop een nieuwe economische functie komt. Hierbij is vereist dat de prestatie moet zijn gebaseerd op een transformatieplan. Voor het opstellen van zo'n plan is subsidie mogelijk (hoofdstuk 5, paragraaf 3).
De subsidie voor het geschikt maken van de VAB is overeenkomstig artikel 8.95, lid 1, maximaal 40% met een maximum van € 100.000,--. Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘de minimis'-regeling . Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 200.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 200.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Met toepassing van lid 2 kan het bovengenoemde maximum van € 100.000,-- worden verhoogd tot € 150.000,--, indien er tevens sprake is van het vergroten van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. In artikel 8.95 lid 1 is stapeling boven het genoemde maximim van € 100.000,-- uitgesloten. Bij samenloop met subsidiemogelijkheden uit paragraaf 8.8, diversificatie naar niet-agrarische activiteiten of stimulering toekomstgericht ondernemerschap, mag het maximaal genoemde subsidiebedrag van € 100.000,-- niet worden overschreden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.
[Toelichting: De provincie hecht grote waarde aan de ontwikkeling en instandhouding van routestructuren voor wandelen, fietsen en varen. Incidenteel kunnen andere vormen van actieve recreatie worden ondersteund. Uit de rijkstaken vloeit voort de reconstructie, netwerkbeheer en promotie van de landelijke routestructuren. Specifiek hierbij is de aanleg van wandelpaden over boerenland. Ook het oplossen van urgente knelpunten binnen de landelijke routenetwerken wandelen en fietsen op basis van het kwaliteitscriterium ‘veilig toegankelijk’ valt hieronder. Leidraad voor de keuze voor de op te lossen knelpunten vormt het Meerjarenprogramma Landelijke Routenetwerken wandelen en fietsen 2007-2013 (vastgesteld door de IPO-adviescommissies Landelijk gebied en Economie) alsmede de nadere uitwerking ervan in de rapportage ‘0-meting’. Provinciaal en regionaal is het van belang nieuwe initiatieven te ontwikkelen gericht op uitbreiding en innovatie van de routenetwerken. Toepassing van nieuwe technieken is hierbij belangrijk. Nieuwe initiatieven dienen bij te dragen aan een samenhangend geheel van routes. Ten behoeve van deze routestructuren kunnen infrastructurele werken worden ondersteund. Hieronder valt ook de uitvoering van het provinciaal Raamplan Fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Recreatiebedrijven liggen verspreid door de provincie en dus in verschillende landschapstypes. De inpassing van de bestaande recreatiebedrijven in haar omgeving laat in veel gevallen te wensen over en is voor verbetering vatbaar. In het merendeel van de gevallen betekent meer aandacht voor een landschappelijke inpassing en de natuur op en rond het terrein een aanmerkelijke verbetering voor zowel het landschap, de natuurwaarden en de beeldkwaliteit. Deze verbetering kan worden gerealiseerd door het uitvoeren van Bedrijfsnatuurplannen (BNP's).
Door de provincie is voor de beoordeling van aanvragen voor bedrijfsnatuurplannen een aantal criteria samengesteld. In de aanvraag voor het opstellen en uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven dienen de criteria genoemd zoals in artikel 8.103 beschreven te worden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven met een goedgekeurd bestemmingsplan.
[Toelichting: Een subsidieaanvraag wordt op de volgende aspecten beoordeeld:
a. beschrijving van de omgeving van het recreatieterrein (landschapskenmerken en natuurdoelen);
b. beschrijving van het recreatieterrein, waarbij in ieder geval aan de orde komen om welk soort recreatieterrein het gaat (bv. bungalowpark of camping), aantal en soort gebouwen, grootte, met of zonder privé-eigendommen, aanwezigheid water, aanwezige vegetatie/beplanting; enz.;
c. confrontatie met de landschapskenmerken en de natuurdoelen;
d. voorstellen tot verbetering/aanpassing en de mate waarin de aanpassingen leiden tot herstel of toename van de biodiversiteit op het recreatieterrein en het herstel/de toename van de soortenrijkdom door de maatregelen;
e. inhoud van het beheer en onderhoudsplan;
f. eventuele samenwerking met andere (aangrenzende) terreinen;
g. beschrijving van de begroting en een kostenraming in een financiële paragraaf;
h. beschrijving wie het plan gaat uitvoeren, het initiatief neemt en wat de planning is;
i. beschrijving van de kwaliteitswinst;
j. beschrijving van de monitoring door de eigenaar van het bedrijf zelf;
k. beschrijving van de toekomstplannen van de eigenaar van het recreatiebedrijf. ]
De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor het opstellen en uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum subsidiebedrag van € 20.000,-- per recreatiebedrijf, indien het recreatiegebied is gelegen in reconstructiegebied. Buiten reconstructiegebied bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor het opstellen en uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan per recreatiebedrijf met een maximum subsidiebedrag van eveneens € 20.000,--.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De ontwikkeling van plattelandstoerisme kan een belangrijke impuls geven aan de economische ontwikkeling en leefbaarheid van het platteland. Voorwaarde hierbij is wel dat dit gestructureerd gebeurt. De maatregel is vooral bedoeld om initiatieven gericht op samenwerking bij de ontwikkeling van plattelandstoerisme te ondersteunen.
Door samenwerking tussen meerdere initiatieven kan een belangrijke meerwaarde worden gekregen. Voorbeelden hiervan zijn voor het ontwikkelen en promoten van toeristische producten, het opzetten van samenwerkingsverbanden en -arrangementen, het verbeteren van ondernemersschap en ketenvorming. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
De subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De kern van de regeling Kulturhusen is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen.
Daarnaast spreken we van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten/voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.
In de voorgaande subsidieregeling werd voor kernen van 4.000 inwoners of minder gesproken van multifunctionele voorzieningen en voor kernen van meer dan 4.000 inwoners of meer van kulturhusen. In deze subsidieregeling spreken wij enkel van kulturhusen. Daar waar in de huidige subsidieregeling subsidies kunnen worden aangevraagd voor projecten waarvoor reeds in het kader van vorige subsidieregelingen subsidie is verstrekt, geldt dat deze subsidies zowel van toepassing zijn op de voormalige kulturhusregeling en de regeling voor multifunctionele voorzieningen.
Wij verwijzen voor ondersteuning in zowel de haalbaarheidsfase als voor vragen na realisatie van de bouw of verbouw naar VariYa: www.variya.nl. Informatie over het Kulturhus-concept is te vinden op www.kulturhus.nl.
Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden. BTW is niet subsidiabel als deze BTW verrekend of teruggevorderd kan worden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor:
[Toelichting: Zelfwerkzaamheid bij de (ver)bouw is niet subsidiabel en kan daarom niet opgevoerd worden binnen de financiële dekking van de aanvraag. De zelfwerkzaamheid kan weliswaar inzichtelijk gemaakt worden door de bespaarde kosten af te trekken binnen het lastenoverzicht.
Onkosten(vergoedingen) die gemaakt worden door of voor vrijwilligers zijn wel subsidiabel.
BTW is niet subsidiabel als deze BTW verrekend of teruggevorderd kan worden.]
In afwijking van artikel 8.5 kunnen aanvragen gedurende het hele jaar worden ingediend voor experimenten respectievelijk voor gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering, zoals bedoeld in artikel 8.110, leden 3 en 4.
[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor
[Toelichting: Dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.]
[Toelichting: Maximaal 50% van de verstrekte subsidie kan worden aangewend voor éénmalige activiteiten en kosten die gelieerd zijn aan het proces. Dus geen fysieke kosten in steen voor bijvoorbeeld woonzorgcomplexen.]
[Toelichting: Daar waar de gemeente verantwoordelijk is voor het lokale beleid ten aanzien van welzijn en leefbaarheid, kan de provincie meerwaarde leveren door de verknoping van het lokale met het regionale/provinciale beleid en de bevordering van een integrale aanpak van maatschappelijke knelpunten. Hiertoe is in samenwerking met de provinciale steuninstellingen de DOP+-regeling ontwikkeld om op basis van burgerparticipatie knelpunten en kansen aan te pakken. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het gebruikmaken van de DOP+-regeling waarbij een integraal dorpsplan wordt gemaakt, waarin samenhangende knelpunten en/of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.
De provinciale bijdrage betreft maximaal 67% van de totale kosten tot een maximum subsidiebedrag van € 35.000,-- per integraal dorpsplan en wordt in principe besteed aan het bij 8.116, zesde en zevende lid, bedoelde inzet van expertise en het nazorgtraject. Indien een volwaardig DOP+ gerealiseerd kan worden voor een lagere kostprijs kunnen resterende middelen ingezet worden voor het aanjagen van de uitvoering.
[Toelichting: De provincie stelt voor gemeenten een bijdrage ter beschikking voor het stimuleren van de uitvoering van het (meerjaren)gebiedsprogramma. De gemeenten kunnen in het BGO afstemmen hoe de bijdragen optimaal kunnen worden ingezet voor het betreffende gebied. In het gebiedsprogramma wordt in een (meer)jaarplanning aangegeven wat de verwachte inzet is van de provinciale bijdrage en die van de gebiedspartners. ]
[Toelichting: Voor het inschakelen van een gebiedsmakelaar of leefbaarheidsmakelaar is niet meer een aparte subsidie op te vragen. Deze vormen van makelaardij dienen voor het aanjagen van meerdere projecten en gebiedsprocessen in het landelijke gebied en kunnen worden gefinancierd uit de onder dit artikel toegekende procesgelden. Voor de inzet van expertise bij het opstellen en uitvoeren van een Dorpsontwikkelingsplan (DOP) is wel apart subsidie aan te vragen onder artikel 8.27. Deze regeling is namelijk rechtstreeks verbonden aan het DOP en heel specifiek gericht op burgerparticipatie in een bepaalde dorpskern.
Een leefbaarheidsmakelaar jaagt sociaal-maatschappelijke projecten in het landelijk gebied aan, bij voorkeur op basis van vastgestelde dorpsplannen. De leefbaarheidsmakelaar dient te voldoen aan de volgende criteria:
a. hij dient expertise op en ervaring met plattelandsontwikkeling, projectmatig werken en procesbegeleiding te hebben;
b. hij dient te beschikken over kennis en netwerk van het betreffende gebied;
c. Hij dient ervaring te hebben met het werken met vrijwilligers. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het stimuleren van de uitwerking van een gebiedsprogramma.
[Toelichting: Bij vaststelling van plan- of gebiedsuitwerkingen en uitvoeringsmodulen let de provincie op de volgende punten:
a. het plan bevat een probleemanalyse, met een overzicht van te realiseren pMJP-prestaties;
b. het plan beschrijft de gewenste oplossingen en maatregelen;
c. het plan bevat een plan-MER als de maatregelen vogel- en habitatrichtlijngebieden kunnen beïnvloeden;
d. het plan voldoet aan het relevante milieu- en waterbeleid;
e. het plan bevat een uitvoeringsprogramma, inclusief begroting.]
[Toelichting: Het programma Behoud en Bescherming Cultureel Erfgoed richt zich op drie verschillende typen projecten:
[Toelichting: Voorop staat dat cultureel erfgoed op een verantwoorde wijze wordt behouden en dat met het behoud een bijdrage wordt geleverd aan de karakteristieke identiteit van het gebied. Ook moet worden vastgesteld of en op welke wijze restauratie en herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Om dit te waarborgen is advisering door een deskundige organisatie een vereiste en moeten de werkzaamheden door professionals met relevante expertise worden uitgevoerd.Voor activiteiten zoals genoemd in artikel 8.124 lid 1 en lid 2 kan cofinanciering van het POP2 programma, maatregel 323 worden verstrekt. Op de subsidieverlening zijn in dat geval de POP voorwaarden van toepassing. ]
[Toelichting: Gebouwen en bouwwerken die een functie hebben als woonhuis of bedrijfsgebouw die in het kader van de reguliere bedrijfsvoering wordt gebruikt, worden reeds onderhouden vanwege hun huidige gebruiksfunctie. Overige gebouwen of bouwwerken, zoals bakhuizen, hooibergen, tuinornamenten en dergelijke zijn het meest kwetsbaar omdat zij geen directe economische gebruikswaarde meer hebben. Daarom is voor herstel en restauratiewerkzaamheden aan deze objecten een hoger subsidiepercentage van 50% van toepassing.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Om te oordelen of de kwaliteit van het project en de uit te voeren werkzaamheden voldoende zijn gewaarborgd kunnen Gedeputeerde Staten deze ter advisering voorleggen aan de Monumentencommissie.]
Een subsidieaanvraag wordt, indien nodig, voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.
[Toelichting: De subsidiebedragen voor de waterprestaties staan in onderstaande tabel. Voor prestaties die zijn opgenomen in een vastgesteld gebiedsprogramma en niet zijn opgenomen in onderstaande tabel bedraagt de subsidie maximaal 50% van de projectkosten tot een maximum van € 500.000,--, zoals opgenomen in het projectplan. Artikel 1.6 is hierbij onverlet van toepassing.
| prestatie | indicator | subsidiebedrag |
|---|---|---|
| realisatie waterberging | m3 | € 1,60 |
| realisatie waternood | ha | € 600,-- |
| afkoppelen verhard oppervlak | ha | € 25.000,-- |
| saneren overstorten | aantal | € 75.000,-- |
| realisatie helofytenfilter | ha | € 17.500,-- |
| beek en rivierherstel | km | € 60.000,-- |
| aankoppelen van Vecht-meanders | aantal | € 375.000,-- |
]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor prestaties die leiden tot een duurzame inrichting van en/of een verbeterde waterkwaliteit in het watersysteem in Overijssel en die zijn opgenomen in een gebiedsprogramma.
Bijlage A
| prestatie | indicator | subsidiebedrag |
|---|---|---|
| realisatie waterberging | m3 | € 1,60 |
| realisatie waternood | ha | € 600,-- |
| afkoppelen verhard oppervlak | ha | € 25.000,-- |
| saneren overstorten | aantal | € 75.000,-- |
| realisatie helofytenfilter | ha | € 17.500,-- |
| beek en rivierherstel | km | € 60.000,-- |
| aankoppelen van Vecht-meanders | aantal | € 375.000,-- |
[Toelichting: Het Reconstructieplan Salland-Twente is een plan op hoofdlijnen. Binnen de gebieden Salland, Zuidwest-Twente, Noordoost-Twente en Noordoost-Overijssel bestaat de noodzaak om de doelstellingen van het reconstructieplan verder uit te werken om vervolgens tot concrete uitvoering over te kunnen gaan. Dat kan in een planuitwerking waaraan de wet voorwaarden verbindt of in een gebiedsuitwerking. Plan- en gebiedsuitwerkingen zijn nodig voor de ontwikkeling van projecten, maar ook voor:
De plan- of gebiedsuitwerking bevat een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen, en is voorzien van een financieringsparagraaf. Gedeputeerde Staten/Provinciale Staten stellen de uitwerkingen vast. Daarna kunnen in één of meerdere uitvoeringsmodules concrete maatregelen en activiteiten voor het betreffende gebied worden uitgewerkt (per deelgebied of thema). Op basis van deze uitvoeringsmodules kunnen Gedeputeerde Staten een beschikking afgeven voor de uitvoering. Subsidies die onder deze noemer worden verstrekt zijn alleen bedoeld voor het opstellen van plan- of gebiedsuitwerkingen of uitvoeringsmodules bij deze uitwerkingen. De financiering vanuit deze prestatie wordt aan de andere (inhoudelijke) pMJP-prestaties toegevoegd. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Gedeputeerde Staten treffen de nodige voorzieningen of nemen de nodige besluiten in de gevallen waarin de verordening of dit besluit niet voorziet.
[Toelichting: Onmiddellijke of exclusieve werking is de hoofdregel van overgangsrecht. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Onder omstandigheden kunnen bezwaren kleven aan onmiddellijke werking. In dat geval kan gekozen worden voor een vorm van terugwerkende kracht of van eerbiedigende of uitgestelde werking. Volgens de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving moeten afwijkingen van de hoofdregel van onmiddellijke werking in de regeling zelf worden neergelegd. Dit artikel geeft hier uitvoering aan.]
Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007’.