(geconsolideerde versie, geldend vanaf 19-2-2008 tot 1-5-2008)
| Overheidsorganisatie | provincie Overijssel |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 |
| Citeertitel | Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 |
| Deze versie is geldig tot | 1-5-2008 |
| Vastgesteld door | gedeputeerde staten |
| Onderwerp | financiën en economie |
geen
:
5-2-2008
:
Provinciaal Blad nr. 2008-16
Geen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
1-5-2011 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.12 | 12-4-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0080507 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 12 april 2011, kenmerk 2011/0063758 | |
13-4-2011 | 1-1-2011 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.14 | 15-2-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0072496 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 15 februari 2011, kenmerk 2011/0020676 |
1-4-2011 | Hoofdstuk 7, paragraaf 9. | 29-3-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0063245 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 29 maart 2011, kenmerk 2011/0057960 | |
29-3-2011 | Hoofdstuk 3. | 22-3-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0060939 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 22 maart 2011, kenmerk 2011/0053513 | |
27-1-2011 | Hoofdstuk 8. | 25-1-2011 Provinciaal Blad nr. 2011/0017212 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 25 januari 2011, kenmerk 2011/0012547 | |
1-1-2011 | Hoofdstukken 3, 5, 6, 7 en 8. | 21-12-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0212721 en Provinciaal Blad nr. 2010/0226782 | Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 14 december 2010, kenmerk 2010/0212492 en 21 december 2010, kenmerk 2010/0216117 | |
21-10-2010 | Hoofdstuk 6 | 19-10-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0177697 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 19 oktober 2010, kenmerk 2010/0178533 | |
1-10-2010 | Hoofdstuk 8 | 28-9-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0154890 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 28 september 2010, kenmerk 2010/0154890 | |
17-7-2010 | Hoofdstuk 1a, 3, 5, 6, 7, 8 | 13-7-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0122725 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 13 juli 2010, kenmerk 2010/0122725 | |
2-7-2010 | Hoofdstuk 7 | 8-6-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0103056 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 8 juni 2010, kenmerk 2010/0103056 | |
9-6-2010 | 15-12-2009 | Hoofdstuk 7 | 27-4-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0097972 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 27 april 2010, kenmerk 2010/0097972 |
4-6-2010 | Hoofdstuk 7 | 27-4-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0095686 | - | |
30-3-2010 | Hoofdstuk 3, 5 en 7 | 23-3-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0057135 | - | |
1-2-2010 | Hoofdstuk 8 | 26-1-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0007429 | - | |
23-1-2010 | Hoofdstuk 1 | 19-1-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0006386 | - | |
1-1-2010 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8 | 15-12-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-85 en 63 | - | |
7-10-2009 | Hoofdstuk 5, 7 en 8 | 22-9-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-56 | - | |
15-7-2009 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8 | 30-6-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-40/42 | - | |
3-6-2009 | Hoofdstuk 3, 5, 6 en 7 | 19-5-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-29/30 | - | |
16-3-2009 | Hoofdstuk 3 | 24-2-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-14 | - | |
11-3-2009 | Hoofdstuk 8 | 10-2-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-13 | - | |
28-1-2009 | Hoofdstuk 1, 3, 5, 6 en 8 | 6-1-2009 Provinciaal Blad nr. 2009-4 | - | |
1-10-2008 | Hoofdstuk 3 | 15-9-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-65 | - | |
1-9-2008 | Hoofdstuk 2, 7 en 8 | 2-9-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-57 | - | |
23-7-2008 | Hoofdstuk 3, 6 en 8 | 1-7-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-50 | - | |
21-5-2008 | Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3 | 22-4-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-37 | - | |
1-5-2008 | Hoofdstuk 3, paragraaf 3.6 en hoofdstuk 7, paragraaf 8a | 1-4-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-36 en 41 | - | |
19-2-2008 | Hoofdstuk 6, 7, 8 | 5-2-2008 Provinciaal Blad nr. 2008-16 | - | |
16-1-2008 | Hoofdstuk 1, 3, 5 en 7 | 18-12-2007 Provinciaal Blad nr. 2008-1 | - | |
1-1-2008 | Hoofdstuk 2 paragraaf 1 | 2-10-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-95 | - | |
25-7-2007 | Hoofdstuk 3, 7 en 8 | 10-7-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-53 | - | |
16-5-2007 | Hoofdstuk 8 | 27-4-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-40 | - | |
11-4-2007 | Hoofdstuk 6 | 20-3-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-23 | - | |
30-3-2007 | Hoofdstuk 8 | 6-3-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-15 | - | |
7-2-2007 | Hoofdstuk 8 | 16-1-2007 Provinciaal Blad nr. 2007-5 | - | |
10-1-2007 | Hoofdstuk 7 | 19-12-2006 Provinciaal Blad nr. 2007-1 | - | |
20-12-2006 | Hoofdstuk 3, 6, 7, 8 en 9 | 11-12-2006 Provinciaal Blad nr. 2006-127 | - | |
15-11-2006 | nieuwe regeling | 31-10-2006 Provinciaal Blad nr. 2006-120 | - |
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening.
De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie. De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer. ]
Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies.
[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.]
[Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.]
Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.
[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.]
Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt.
De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb.
Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7..
Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ]
De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt.
Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde.
Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren.
Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb). ]
Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren.
[Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.]
Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.
[Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.]
Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).
In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden.
Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ]
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.
[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.]
Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
[Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.]
[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst' maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.
In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking'). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.
Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd' voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd.
De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: ]
• lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming.
Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt.
Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen.
Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten.
In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo'n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen. ]
[Toelichting: Zie toelichting op artikel 1.20., vierde lid.]
Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.
[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor.
Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid. ]
Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald.
[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie. Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen. Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten.
De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen. ]
Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag.
Het programma van eisen bevat in elk geval:
[Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.]
[ingetrokken]
[Toelichting: Het specifieke veiligheidsaspect ligt in het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Omdat de provincie hierin geen wettelijke taak heeft, moet zij in samenspraak met politie, justitie, openbaar ministerie en gemeenten op zoek naar haar bijdrage aan dit thema. De provincie Overijssel ziet dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie overheden om zorg te dragen voor een adequate samenhangende sociale infrastructuur, waarbinnen de doelstellingen, geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid, gerealiseerd kunnen worden.]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van veiligheidsbeleid en in het bijzonder van het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid 2004 - 2007 van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring.
Concreet betekent dit dat projecten worden gevonden op het snijvlak van het preventief jeugdbeleid (gemeente) met de jeugdzorg (provincie) en het strafrecht (politie /justitie). Hierbij streven wij naar een verdeling van de middelen tussen projecten die zich richten op:
1. het voorkomen van jeugdcriminaliteit en
2. projecten die zich richten op de aanpak van jeugdcriminaliteit]
Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria:
[Toelichting: Een aanvraag om subsidie is niet afhankelijk van een indieningstermijn.]
In afwijking van artikel 1.13. kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
[Toelichting: Het te verlenen voorschot bedraagt 80% van het verleende subsidiebedrag.]
In afwijking van artikel 1.17. verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking.
Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen.]
Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria:
In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie.
De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit.
In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan:
Europese programma's
Doelstelling 2 en LEADER+
De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+.
Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma's:
a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio's Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek;
b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente;
c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek.
LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006.
Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan.
De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma's, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen.
Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio's. Deze regio's kampen in vergelijking met andere regio's in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties.
Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld.
De Doelstelling 2- en LEADER+-programma's bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma's zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen.
Regelgeving van de Europese Unie
De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving.
Hieronder vallen o.a.:
Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger:
Verordening (EG) nrs:
(Pb L 130);
Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139).
Staatssteun
Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: "Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd." (Höfner-arrest).
Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing. Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan.
De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis'-regeling. (Vo (EG)
nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen.
Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst.
Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd.
Aanvraagformulier
Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht. ]
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens:
In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijke groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven.
Indien de bijdrage(n) uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(en) worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen.
Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in.
[vervallen]
[vervallen per 1 januari 2008]
Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.14.
[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren.
Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’ en plaatsvinden in Overijssel.
Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie.
[Toelichting: Een korte toelichting op de in deze subparagrafen gebruikte begrippen:
Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkings-mogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte.
Belemmeringen zijn bijvoorbeeld administratieve lasten voor ondernemers.
Een bedrijventerrein is een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door één of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca.
Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (a) hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (b) hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (c) hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (d) op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen.
Een herstructureringsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, zijnde alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die niet onder regulier onderhoud vallen, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden en gericht is op de verbetering van het vestigingsklimaat op het bedrijventerrein. Herstructurering is een koepelbegrip voor vier typen van maatregelen die genomen kunnen worden om de veroudering van bedrijventerreinen tegen te gaan:
Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur en verpachting van grond en de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen.
Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.
Bij zorgvuldig ruimtegebruik wordt de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik kan plaatsvinden in vier dimensies:
a. intensivering van ruimtegebruik/verdichten;
b. functiemenging;
c. verticaal bouwen, de hoogte of de diepte in;
d. tijd.
Zorgvuldig ruimtegebruik is eng verweven met onderwerpen als herstructurering, duurzaamheid, parkmanagement, criminaliteitsbestrijding en architectuur.]
Binnen het thema Herstructurering van bedrijventerreinen kan subsidie worden gevraagd voor:
[Toelichting: De provincie wil maximaal € 1.000.000,-- bijdragen aan de 'grotere' herstructureringsprojecten, zoals revitalisering en herprofilering. Dit kunnen bijvoorbeeld projecten zijn die van de minister van Economische Zaken een subsidie hebben ontvangen op grond van het Besluit subsidies topprojecten herstructurering bedrijventerreinen (Staatsblad 200, 629). Bij revitalisering en herprofilering gaat het ook om verwerving en herontwikkeling van kavels. Onder beperkte herstructurering verstaan wij een grote opkanpbeurt van met name de openbare ruimte van een bedrijventerrein.]
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, geen besluit tot subsidieverlening vooraf.
[Toelichting: Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.]
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, sub a, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.
[vervallen]
[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel.
In actie voor werkgelegenheid, Breedband
Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen. Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven.
Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor:
Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur.
Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken:
1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten. Daarmee is een open ‘backbone' glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; de provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad;
2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet;
3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats. Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven
Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties:
A. Vraagbundeling
De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld. De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland.
B. Elektronische dienstverlening
De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid'.
Accenten in de samenwerking worden gelegd bij:
C. Stimuleren breedbanddiensten
Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten.
In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten en projecten die zijn omschreven binnen het programma Gebiedsontwikkeling Kennispark Twente 2008-2011.
2. De ingediende activiteiten en projecten zoals omschreven in lid 1 worden ter advisering voorgelegd aan de Stuurgroep Kennispark Twente.
Voor activiteiten en projecten als bedoeld in artikel 3.40 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--.
[Toelichting: Het Actieprogramma Breedband Overijssel wordt op dezelfde leest voortgezet, maar nog meer toegespitst op innovatie van (ICT-)diensten. De nadruk komt aan de ene kant te liggen op opschaling van nu ontwikkelde breedbanddiensten vanuit de pilot-fase naar meer organisaties. Aan de andere kant gaat het om stimulering van de creatieve industrie door het innovatief opdrachtgeverschap van maatschappelijke organisaties te bevorderen. De samenwerking met Rijk, provincie Gelderland en NRW wordt versterkt.]
Voor activiteiten en projecten als bedoeld in artikel 3.42 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--.
[vervallen]
[vervallen]
[Toelichting: Het uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland is verkrijgbaar bij:
Ministerie van Economische Zaken, Regiokantoor Oost
Postbus 324
6800 AH Arnhem
Telefoon 026 352 58 88.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan activiteiten en projecten die bijdragen aan de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), die een bijdrage leveren aan de uitvoering van projecten uit de Twentse Innovatieroute en de Innovatieagenda Oost-Nederland.
De subsidie als bedoeld in artikel 3.48 bedraagt maximaal 50% van de kosten.
[vervallen]
[vervallen]
Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.52 bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 50.000,--.
[vervallen]
[vervallen]
[vervallen]
[vervallen]
[Toelichting: Het programma Nano4Vitality richt zich op het versterken van industrieel onderzoek en product-ontwikkeling op het snijvlak van nanotechnologie, voeding en gezondheid in Oot-Nederland. Samengewerkt wordt met bedrijven en de universiteiten van Nijmegen, Wageningenen twente. Overijssel is uitvoerder van de tenderregeling namens Gelderland. ook het Ministerie van Economische Zaken draagt financieel bij aan het programma.]
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag voor 1 november of 1 mei ingediend. Een subsidieaanvraag kan niet worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart.
Gedeputeerde Staten stellen twee maal per jaar een subsidieplafond vast.
In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking:
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.59 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Beoordelings- en rankingscriteria voor in te dienen projecten zijn:
Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie, dat binnen zes weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten.
[Toelichting: Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen arbeidsmarkt en tijdgebonden. De projectaanvragers dienen ook in de aanvraag aandacht te besteden aan de overdaagbaarheid van het project. ]
[Toelichting: De volgende kosten worden als niet subsidiabel aangemerkt:
a. interne kosten;
b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit;
c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;
d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetse en sanctiekosten;
e. afschrijvingskosten;
f. winstoplagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen;
g. de aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting. ]
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 25.000,--.
[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe.
Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.
Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. De bedrijfsvoering binnen de toeristisch-recreatieve sector wordt complexer, er is steeds meer kennis nodig en innoveren wordt steeds belangrijker, zeker ook met het oog op de groeiende concurrentie binnen de sector. Ook blijven de eisen van consumenten omtrent kwaliteit en onderscheidend vermogen toenemen, waardoor dit onderwerp doorlopend aandacht behoeft. Belevingsaspecten spelen ook steeds meer een rol. Daarom stimuleren wij activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers vergroten. Voorwaarde hierbij is wel dat dit gestructureerd gebeurt. De maatregel is vooral bedoeld om initiatieven gericht op samenwerking bij de ontwikkeling van het innovatief vermogen van ondernemers te ondersteunen. Voorbeelden hiervan zijn: het opzetten van samenwerkingsverbanden en - arrangementen, initiatieven voor het "bij elkaar in de keuken kijken en van elkaar leren", het verbeteren van ondernemerschap en ketenvorming. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.
[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]
[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW.
In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen - meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap - of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen.
Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld.
In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit'. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.]
[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.
[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen.
Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden.
De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt.
De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.]
In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen:
[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond.
Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.]
Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.
[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project.
Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.]
[Toelichting: Hierna volgt een samenvatting van de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.
‘Voorkomen is verdienen' was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen van milieuschadelijke emissies.
De uitvoering werd vooral opgepakt vanuit de milieu-invalshoek.
De komende periode richten wij ons nog steeds op hetzelfde uitgangspunt, met dat verschil dat wij de uitvoering vanuit een breder perspectief gaan inzetten. Wij stellen ons ten doel te streven naar een duurzame ontwikkeling van de Overijsselse industrie. Hieronder verstaan wij een gelijktijdige versterking van de industriële structuur en een afname van de milieudruk in Overijssel. Hiermee geven wij invulling aan onze ambitie om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie (Bestuursakkoord 1999-2003). Deze beleidsnotitie is de nadere uitwerking van het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+.
De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor de beleidsvoornemens gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijsselse midden- en kleinbedrijf.
Vanuit het streven naar zoveel mogelijk synergie tussen milieu- en economiethema's binnen het provinciale beleid gaan wij ons in de komende periode richten op die sectoren die de speerpuntsectoren van de Overijsselse Innovatiestrategie zijn. Het gaat dan om de volgende sectoren: kunststofverwerkende industrie, metaalproducten industrie, machine- en apparatenbouw, voedingsmiddelenindustrie, grafische en media-industrie, transportmiddelenindustrie ((vracht)auto's, schepen, treinen en fietsen). Binnen deze branches koppelen wij daar waar mogelijk onze aanpak aan bestaande initiatieven en houden wij in ieder geval rekening met afspraken uit het doelgroepenbeleid Industrie. Kansrijke ontwikkelingen zijn momenteel te ontdekken op de volgende terreinen: milieugerichte productontwikkeling, productgerichte milieuzorg en integraal ketenbeheer.]
[Toelichting: De haalbaarheidsstudies leveren een bijdrage aan de ambitie voor het realiseren van 120 megawatt uit bio-energie in 2010, zoals opgenomen in het Actieprogramma bio-energie Overijssel 2005 2008.
Onder bio-energie installaties worden verstaan installaties voor het opwekken van energie door middel van mestvergisting, houtverbranding, vergassing, pyrolyse of andere conversie technieken. De haalbaarheidsstudie dient gekoppeld te zijn aan een locatie en een initiatiefnemer. Onder een haalbaarheidsstudie wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de oprichting van een bio-energie-installatie. De studie wordt binnen een half jaar na subsidietoekenning afgerond. Bij de studie worden de volgende aspecten van de te realiseren installatie onderzocht:
De resultaten van de haalbaarheidsstudie bestaan uit:
¿ hoeveelheid biomassa;
¿ elektrisch en thermisch vermogen;
¿ electriciteitsopbrengst;
¿ afmetingen installatie;
¿ bruto-investering;
¿ terugverdientijd.
Onder een haalbaarheidsstudie voor een inzamelingsstructuur voor regionale biomassa wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de realisatie van een inzamelingsstructuur en afzet van regionale vrijgekomen biomassa. Het gaat om de financiële en organisatorisch/logistieke haalbaarheid van een inzamelstructuur met een onafhankelijke analyse van potentiële marktpartijen. Het resultaat van de studie is een afsprakenpakket tussen inzamelaars van biomassa en verwerkers. De studie wordt binnen een jaar na subsidietoekenning afgerond.]
[Toelichting: Deze provinciale subsidie dekt, tezamen met de subsidie van de subsidieregeling bedoeld in arti-kel 3.72, tweede lid, grotendeels of zelfs (vrijwel) volledig de kosten van het roetfilter en de inbouw daarvan. Indien door martkontwikkelingen de prijs structureel daalt, zal ook het subsidiebedrag worden aangepast.]
In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.74 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.
In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij SenterNovem in Zwolle van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 met gebruikmaking van een bij die organisatie verkrijgbaar formulier.
[Toelichting: In het artikel zijn de activiteiten omschreven waarvoor subsidie kan worden verleend. Het betreft een deel van de activiteiten die zijn opgenomen in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007; voor een ander deel van de activiteiten uit het Uitvoeringsplan zullen Gedeputeerde Staten opdrachten kunnen verstrekken.
NB: de aanvulling op het programma ‘Leren voor duurzame ontwikkeling' voor scholen en onderwijsinstellingen behoeft geen wijziging van het UBS, maar wijziging van het Provinciaal Ambitiestatement.]
[Toelichting: Beoogd is de subsidiëring van activiteiten die in 2007 plaatsvinden. Daarom is de sluitingsdatum voor aanvragen bepaald op 30 september 2007.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend tot en met 30 september 2007.
[Toelichting: Het is wenselijk om de mogelijkheid te bieden de subsidieplafonds halverwege het jaar aan te passen aan de feitelijke uitvoering van het Uitvoeringsplan en in dat kader te subsidiëren activiteiten.]
[Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.]
Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.
De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]
[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.]
In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.
Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daaro gebaseerde beleidskader. Een aanvraag van een projectgemeente moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vijfde lid, Wsv. ]
[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen.
Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal.
Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed.
Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]
[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij?
In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord.
Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen:
De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.
In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed. ]
Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;
Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;
Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria:
In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens:
[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten.
Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam. ]
[Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart.]
[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over:
[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband.
Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ]
[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking.
De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel. ]
[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.]
[Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.]
In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.
In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.
[Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.]
[Toelichting: Om een snellere uitbreiding van de woningvoorraad in Overijssel te realiseren, in het bijzonder voor betaalbare woningen voor starters en ouderen, is naast de bestaande geldstromen extra geld beschikbaar gesteld. De paragraaf Bouwimpuls is verbreed met het Programma Langer Zelfstandig Wonen en het ontwikkelen van woonzorgzones.]
Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.20, tweede lid, in de vorm van een stimuleringssubsidie.
[Toelichting: Het al dan niet subsidiabel zijn van kosten wordt bepaald op basis van Verordening 448/2004 van de Europese Commissie van 10 maart 2004. Hiervoor zijn de volgende algemene richtlijnen van toepassing:
1. subsidiabel zijn uitsluitend als zodanig goedgekeurde en rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten;
2. alleen kosten die (vooraf) in de begroting van het project zijn opgenomen zijn subsidiabel (mits ze voldoen aan de overige subsidiabiliteitscriteria);
3. de kosten dienen redelijk te zijn en in overeensteming met beginselen van gezond financieel beheer;
4. de kosten moeten zijn gemaakt binnen de looptijd van het project;
5. de kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt, in de boekhouding te zijn vastgelegd en moeten met bewijzen identificeerbaar en controleerbaar zijn;
6. ontvangsten of inkomsten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht van de subsidiabele kosten;
7. BTW is slechts subsidiabel wanneer - zo nodig door middel van een verklaring van de belastinginspectie - aantoonbaar is dat de BTW niet verrekenbaar is.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20, eerste en derde lid, ingediend voor 1 maart en 1 oktober.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.20, eerste lid, tevens:
[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010.
Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken).
De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum.
De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen.
De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld.]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.
[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.]
[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen.
De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems.
Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.”
Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]
[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan.
Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987.
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten.
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend:
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever. ]
[Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.
[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.]
[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen. Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is.
Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn.
Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema's of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype. Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn. ]
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:
[Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.]
[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.
[vervallen]
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
[Toelichting: Uit de provinciale grondwaterheffing kunnen subsidies worden verstrekt voor antiverdrogingsprojecten en waterbesparingsprojecten. Deze projecten moeten direct verband houden met het voorkomen en/of tegengaan van nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen en infiltraties. De subsidies beogen het duurzaam maken van de grondwateronttrekkingen.
Bij antiverdrogingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan:
Bij waterbesparingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan:
[Toelichting: De subsidie wordt berekend als percentage van de projectkosten, maar bedraagt niet meer dan het genoemde maximum. Voor waterbesparingsprojecten is het subsidiepercentage afhankelijk gesteld van de mate van vermindering van het grondwatergebruik. Aangetoond moet kunnen worden dat de vermindering van het gebruik van grondwater het gevolg is van het waterbesparingsproject. Dit impliceert dat een vermindering van het gebruik van grondwater in verband met het in acht nemen van de normale zorgplicht niet meegenomen kan worden bij de bepaling van de mate van vermindering in verband met de hoogte van het subsidiepercentage. Onder de normale zorgplicht wordt in ieder geval verstaan een goed beheer en onderhoud, het voorkomen van lekkages etcetera. Bij het bepalen van de vermindering van het grondwatergebruik wordt als uitgangspunt genomen, de hoeveelheid onttrokken grondwater in de oorspronkelijke situatie, dus voordat het waterbesparingsproject is uitgevoerd (zie in dit verband ook artikel 2.1, lid 2, onder b).
De kosten die in aanmerking worden genomen worden limitatief opgesomd. Voor de berekening van de loonkosten van de subsidieontvanger wordt een forfaitair bedrag per uur gehanteerd. Van de aanvrager wordt een eigen bijdrage verwacht van 37,5% van de projectkosten. Het totaal aan subsidies zal niet meer dan 62,5% bedragen dan de totale kosten van de activiteit. In sommige gevallen bevatten andere bijdrageregelingen ook nog anticumulatiebepalingen, die strakker zijn dan onderhavige verordening. In dat geval is de andere regeling in deze bepalend.]
[Toelichting: Dit artikel geeft een voorschrift over de wijze van verdeling van het subsidieplafond. Die komt neer op ‘wie het eerst komt, het eerst maalt'. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten, beginnend met de eerste aanvraag, subsidies verlenen tot het plafond is bereikt en dat zij aanvragen afwijzen voor zover het plafond door het totaal van de verleende subsidies zou worden overschreden. Daarbij is het moment van indiening van een aanvraag, die aan de wettelijke voorschriften voldoet, bepalend. Het betreft hier niet een regel over de volgorde van het nemen van besluiten. Het is zeer wel mogelijk om op een latere aanvraag eerder te beslissen dan op een eerdere, als toewijzing van de aanvraag maar niet tot gevolg heeft dat op de eerdere aanvraag afwijzend moet worden beschikt, omdat door subsidieverlening op latere aanvragen het plafond is bereikt. Dreigt dit te gebeuren, dan zal behandeling van de latere aanvraag worden opgeschort, totdat op de eerdere is beslist. Indien daardoor de beslistermijn dreigt te worden overschreden, zal de aanvrager daarvan in kennis
worden gesteld.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: Er wordt slechts subsidie verleend voor de kosten van activiteiten die passen binnen het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staan de activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen opgenomen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en de begroting van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft.
[Toelichting: Dit artikel geeft aan welke kosten niet subsidiabel zijn en dus niet in de begroting mogen worden opgenomen. Wanneer dit wel het geval is dan worden ze als niet subsidiabel beschouwd en wordt er geen subsidie voor verleend.]
In aanvulling op artikel 1.6 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.
[Toelichting: Aanvragen dienen voor de start van het project ingediend te zijn. Indien de aanvrager besluit eerder te starten met het project zonder het afwachten van de subsidiebeschikking, dan is dat geheel op eigen (financiële) risico van de aanvrager. Het aanvragen van subsidie betekent niet automatisch dat de aanvrager de subsidie krijgt, maar dat de subsidie ook geweigerd kan worden. Indien men geen (financiële) risico wil lopen zullen aanvragers moeten wachten met het starten van het project totdat ze een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Geadviseerd wordt om een subsidieaanvraag tijdig in te dienen, de behandeltijd van een volledig ingediende aanvraag beslaat maximaal 13 weken.]
In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen dertien weken nadat het advies is ontvangen.
[vervallen]
[Toelichting: Om tot een tijdige start van de uit te voeren activiteiten te komen is in dit artikel geregeld dat binnen 6 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie de gesubsidieerde activiteiten inderdaad moeten zijn gestart. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.]
Activiteiten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.
[Toelichting: Dit artikel geldt in aanvulling op de algemeen geldende regels voor per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie zijn onder meer ook te vinden in hoofdstuk 1 van het Uitvoeringsbesluit Overijssel 2005.]
Gedeputeerde Staten kunnen een organisatie voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in de nota Sociale Actie en in de begroting geformuleerde provinciale doelen.
In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft uiterlijk 1 oktober voorafgaande aan dat boekjaar worden ingediend.
Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.
Amateurkunstenaars: kunstenaars die hun kunst beoefenen zonder daarmee primair in hun levensonderhoud te willen voorzien.
Artistieke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke waarde van een culturele activiteit gevormd door vakmanschap, authenticiteit, zeggingskracht, verbeelding, ideeënrijkom, overtuigingskracht, professionaliteit en ethetiek.
Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: nieuwe of andere invulling van ruimte binnen een gemeente (voorbeelden: nieuwe woonwijk, winkelcentrum, bedrijventerrein, park).
Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan de volgende doelstelling(en):
[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.]
[vervallen]
[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen culturele ontwikkeling inwinnen bij de adviescommissie cultuur. Voor amateurkunst kan advies ingewonnen worden, wanneer de gevraagde subsidie meer dan € 10.000,-- bedraagt. Voor subsidieaanvragen 'jonge makers' moet altijd advies ingewonnen worden. ]
[Toelichting: De provincie wil activiteiten ondersteunen die op een bijzondere manier een breed of nieuw publiek bereiken. Van een nieuw publiek is sprake als het beoogde publiek nog niet of nauwelijks bekend is met de cultuuruitingen die worden aangeboden. Een breed publiek is een divers samengesteld publiek, waaronder zich ook nieuw publiek bevindt. Een breed publiek is dus méér dan een goot publiek. Het is belangrijk dat de aanvrager goed weet welke publieksgroepen hij/zij wil bereiken en welk deel daarvan nieuwe publiek is. De manier waarop het publiek wordt getrokken, moet ongebruikelijk en verrassend zijn en nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen cultuur en (potentieel) publiek.]
Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan één van de volgende doelstelling(en):
[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
Voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. Echter de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.]
Onder publieksbereik wordt verstaan het inzetten van voor de aanvrager nieuwe methode(n) gekoppeld aan specifieke geselecteerde doelgroepen, waardoor nieuwe inzichten kunnen worden afgeleid over de samenhang tussen deze methode(n) en doelgroepen.
[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.]
[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het belangrijk dat er een ruim en evenwichtig aanbod is in kunst- en erfgoededucatieve projecten, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie. Omdat wij constateren dat het cultuureducatieve aanbod waar scholen nu uit kunnen kiezen niet evenwichtig is opgebouwd. Daarom moedigen wij aan projecten in te dienen die betrekking hebben op de volgende aandachtsvelden:
Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan een ruimer en meer evenwichtig aanbod in kunst- en erfgoededucatie, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie.
[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van deze paragraaf gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
[Toelichting: De provincie wil in het kader van het Maltaverdrag het belang van de archeologie meer uitdragen en steunt daartoe projecten en activiteiten die tot doel hebben de bevolking te betrekken danwel kennis te laten nemen van de vondsten. Het betreft hierbij de artefacten, maar ook historisch gevormde landschappelijke overblijfselen (aardwaarden). Het resultaat is meer bewustzijn en (h)erkenning van archeologie in landschap en directe woonomgeving. Hierbij valt te denken aan het vergroten van de zichtbaarheid van archeologie bij nieuwbouwprojecten en bij ruimtelijke inrichting.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de volgende activiteiten.
[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.]
[vervallen]
[Toelichting: Het onderdeel woonzorgzones is uit paragraaf 7.7 overgeplaatst naar paragraaf 8.26, omdat het een onderdeel is van de pMJP prestaties.]
[vervallen]
[Toelichting: In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie.
Dit zijn:
In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van deze paragraaf gedurende het hele kalenderjaar worden ingediend.
[Toelichting: Het eerste lid van dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
Artikel 7.30, lid 2, noemt de aanvullende criteria, hiervan moet aanvullend op het voorgaand lid aan minimaal 3 van de 5 genoemde criteria worden voldaan.]
Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten:
[Toelichting: Wij streven naar een provincie waarin iedereen meedoet. Wij willen de randvoorwaarden creëren waardoor het voor iedereen mogelijk is om te (blijven) participeren. Leerbaarheid en modern burgerschap staan daarbij centraal.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, onder a, ingediend voor 1 januari van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft en subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, onder sub b, voor 1 juni van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft.
[Toelichting: Omdat Gedeputeerde Staten streven naar grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000,-- niet in behandeling genomen. De projectsubsidie bedraagt maximaal € 75.000,-- per project.]
[vervallen]
[Toelichting: Vanaf 2003 subsidiëren wij uitsluitend in Overijssel gevestigde vrijwilligersorganisaties. In dit artikel staat gedefinieerd wat wij hieronder verstaan. Als bewijs dat aan deze definitie wordt voldaan moet bij de aanvraag een aantal stukken worden meegestuurd.
Met op regionaal niveau werkzaam zijn, wordt bedoeld dat de organisaties ofwel leden hebben in minimaal drie gemeenten ofwel activiteiten ondernemen op regionaal niveau.]
Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die:
In afwijking van artikel 1.3, eerste lid, verstrekken Gedeputeerde Staten deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.
[Toelichting: Een subsdieaanvraag moet voldoen aan twee criteria.
In de eerste plaats dient de subsidieaanvrager van ons voor 2005 niet al een budgetsubsidie te ontvangen. Wij zijn van mening dat dergelijke budgetsubsidies voldoende zijn om daaruit de bestuurs- en activiteitenkosten en de kosten van kadertraining te dekken.
In de tweede plaats dient de subsidieaanvrager zelf onvoldoende in staat te zijn de zojuist genoemde kosten te betalen. Wij meten dit af aan de hoogte van de liquiditeitspositie. Hierin mogen reserveringen voor een specifiek eenmalig doel of een eenmalige gebeurtenis - over een periode van maximaal twee jaar - toegerekend worden aan de kortlopende schulden. Bedoeling hiervan is de vrijwilligersorganisaties in staat te stellen reserveringen te treffen voor bijvoorbeeld de viering van een jubileum, het organiseren van een symposium e.d.
Wanneer de liquiditeitspositie volgens de meegestuurde jaarrekening ten minste € 4.200,-- bedraagt, zal de subsidie worden geweigerd.]
Een aanvraag om stimuleringssubsidie van een vrijwilligersorganisatie voldoet in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria:
[Toelichting: Voor 2007 is bepaald dat het subsidiebedrag maximaal € 2.100,-- bedraagt.]
Gedeputeerde Staten kunnen een vrijwilligersorganisatie voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining.
In afwijking van artikel 1.9 wordt een subsidieaanvraag voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft uiterlijk op 1 november voorafgaand aan dat jaar ingediend.
[Toelichting: Bij het indienen van een aanvraag voor subsidie vrijwilligersorganisaties dienen de statuten en jaarrekening over 2005 meegestuurd te worden. De subsidie wordt in één keer verleend en vastgesteld. Er hoeft dus niet, zoals dat met andere subsidies wel het geval is, verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de subsidie.]
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de vastgestelde jaarrekening over het kalenderjaar dat 24 maanden eerder begint dan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft en van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag.
In afwijking van artikel 1.11 beslissen Gedeputeerde Staten omtrent subsidievaststelling binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken.
Zelforganisatie: elke bovengemeentelijke organisatie van minderheden in Overijssel waarvan de doelstelling is bij te dragen aan integratie en participatie van hun achterban in de samenleving.
Het project levert of de activiteiten leveren een bijdrage aan één van de volgende resultaten:
[Toelichting: In dit artikel is aangegeven aan welke criteria het project moet voldoen waar subsidie voor wordt aangevraagd. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen. Er moet aantoonbaar sprake zijn van samenwerking tussen meerdere partijen dit dient gedaan te worden door middel van het betrekken van partijen bij de organisatie en/of uitvoering van het project. Het doel hierbij is dat meerdere doelgroepen worden bediend.
Ook is cofinanciering verplicht gesteld en projecten dienen een bovenlokaal karakter te hebben tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.
Zelforganisaties hoeven niet aan het criterium van cofinanciering te voldoen.]
[Toelichting: De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het subsidiëren van de activiteiten van Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJzO) en het zorgaanbod jeugdhulpverlening. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast. De voor de diverse organisaties maximaal beschikbare bedragen zijn opgenomen in het (ontwerp) Uitvoeringsprogramma jeugdzorg Overijssel 2007.
BJzO
De provincie ontvangt van het Rijk een Doeluitkering Bureau Jeugdzorg.
Voor de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de zogenaamde justitiële taken van Bureau Jeugdzorg in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering.
In de doeluitkering is hiervoor een bedrag opgenomen dat resulteert door vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde justitiële taken (Q) in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de doeluitkering betrekking heeft (de zogenaamde t-1 systematiek, gebaseerd op een 12-maandsgemiddelde).
Voor de overige niet-justitiële taken van BJzO is in de doeluitkering een bedrag begrepen dat is gebaseerd op de bedragen die hiervoor in 2004 beschikbaar waren op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Met ingang van 2008 wordt voor het bepalen van de doeluitkering voor deze overige taken een gelijke subsidiemethodiek gehanteerd als die voor de justitiële taken van Bureau Jeugdzorg. Dit betekent dat hiervoor ook landelijke normprijzen worden vastgesteld.
De provinciale subsidiesystematiek van BJzO is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerde P maal-Q-systematiek bij het vaststellen van de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg.
De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de vaststelling van de provinciale subsidie aan BJzO.
Echter, de provincie kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering bij het subsidiëren van taken van BJzO besluiten tot het vaststellen van een afwijkend tarief per taak. Daarbij wordt een marge aangehouden van maximaal 3%.
Gedurende de periode waarin nog geen sprake is van landelijk vastgestelde normprijzen voor de niet-justitiële taken van Bureau Jeugdzorg, stellen Gedeputeerde Staten de normprijzen en daarbij te hanteren eenheden vast. Deze overgangsregeling is opgenomen in artikel 7.61.
De taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, vormen een uitzondering op deze algemene subsidiesystematiek (zie hieronder).
In de subsidieaanvraag geeft BJzO onder meer aan voor welke omvang van de verschillende taken zij subsidie aanvraagt. Op basis van de subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de doeluitkering bepaalt de provincie voor welke omvang zij de taken van BJzO wil subsidiëren.
In de subsidiebeschikking stelt de provincie deze omvang en het daarbij te hanteren tarief per taak vast. Zoals eerder is aangegeven kan dit tarief maximaal 3% afwijken van het landelijke normtarief.
De op deze manier berekende maximale prestatiesubsidie wordt alleen verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaande aan de zorg duurzaam verbleven in Overijssel.
BJzO moet bij het uitvoeren van de taken zoveel mogelijk in staat worden gesteld aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte gedurende het jaar. Daarom moet de subsidieaanvraag gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de verschillende taken van het bureau.
Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke kwantitatieve inzet van taken hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de prestatiesubsidie gaat de provincie uit van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor bij de subsidieverlening gehanteerde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde taken, vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal verleende prestatiesubsidie. Alleen wanneer het langs deze weg becijferde totale bedrag lager is dan de maximaal verleende subsidie, kan een lagere prestatiesubsidie worden vastgesteld.
Met deze systematiek wordt een maximale flexibiliteit voor BJzO gerealiseerd, om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de verschillende taken.
BJzO wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de aan haar door de provincie maximaal verleende subsidie.
Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de bepaling van de doeluitkering door het Rijk wordt vanaf het moment dat hiervoor de landelijke normtarieven bekend zijn door de provincie voor deze taak een prestatiesubsidie berekend op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.
Zorgaanbod
Voor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een ‘doeluitkering zorgaanbod' van het Rijk. Het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg vormt hiervoor gedurende de eerste drie jaren na inwerkingtreding van de WJZ de basis. Tijdens deze overgangsperiode is nog sprake is van een vooraf vastgesteld budget voor de provinciale doeluitkeringen. Dit vloeit voort uit het Bestuursakkoord Financieel kader WJZ op de Jeugdzorg, zoals dit in 2003 tussen provincies, grootstedelijke regio's, de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie is overeengekomen. Gedurende deze overgangsperiode wordt geleidelijk een nieuwe bekostigingswijze voor de doeluitkering zorgaanbod geïmplementeerd op basis van het advies van Deloitte (‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod').
In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg zijn afspraken gemaakt over de invoering van deze landelijke bekostigingssystematiek voor het zorgaanbod, welke naar verwachting met ingang van 2008 wordt ingevoerd. Op hoofdlijnen is daarmee de toekomstige door het Rijk te hanteren bekostigingssystematiek gegeven. Voor de doeluitkering zorgaanbod betekent dit het volgende: deze uitkering wordt gebaseerd op de te verwachten aantallen geïndiceerde zorgeenheden, vermenigvuldigd met een landelijke normprijs voor die zorgeenheden/bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q). Deze zorgeenheden worden landelijk omschreven en vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de bij provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden.
Met de invoering van de WJZ is onder meer beoogd te komen tot meer marktwerking in het zorgaanbod, onder andere met als doel een zo efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod te bereiken. Daarom zijn de landelijke normprijzen voor de te leveren zorgeenheden niet bindend voor de te hanteren tarieven bij de subsidiëring van de zorgeenheden door de provincie. De uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder kunnen verschillen. Dit kan als prikkel worden gebruikt om een zo efficiënt mogelijke uitvoering van zorg te realiseren.
Wel vormt het - op basis van de landelijke normprijzen vastgestelde - provinciale totaalbudget voor het zorgaanbod het maximale financiële kader, waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie gesubsidieerd moet worden.
Binnen de doeluitkering zorgaanbod moet de provincie voldoende zorgaanbod ‘inkopen' bij zorgaanbieders, om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de door BJzO geïndiceerde zorgeenheden en over de ontwikkeling hiervan.
Bij het invoeren van de landelijke systematiek voor zorgeenheden wordt deze ook gebruikt voor de provinciale subsidiëring van het zorgaanbod. Deze nieuwe landelijke bekostigingssystematiek vormt daarom het vertrekpunt voor onderhavige regels.
Via pilots wordt tijdens het implementatietraject onderzocht hoe de uiteindelijke zorgeenheden het best kunnen worden toegepast. Er vindt een praktijktoets plaats op de geadviseerde normprijzen voor de verschillende zorgeenheden. Een en ander krijgt waarschijnlijk in 2006 zijn beslag, waarna in 2007 wordt schaduwgedraaid. Dit betekent dat in 2007 de landelijk te hanteren zorgeenheden nog niet de grondslag kunnen vormen voor de subsidiëring van het zorgaanbod. In verband hiermee is in artikel 7.50, onder d, opgenomen dat Gedeputeerde Staten vaststellen welke zorgeenheden als eenheid voor de subsidiëring van het zorgaanbod worden gehanteerd.
Tot het invoeren van de systematiek van zorgeenheden in het kader van de berekening door het Rijk van de doeluitkering zorgaanbod, kunnen Gedeputeerde Staten andere zorgeenheden als bekostigingseenheid vaststellen. Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om daarbij aan te sluiten op de bekostigingseenheden als gehanteerd in het jaar voorafgaand aan de invoering van de WJZ en de bekostigingseenheden zoals die gehanteerd zijn in de systematiek van de normharmonisatie. Omdat deze uitgaat van tarieven voor variabele kosten is in de overgangsregeling (artikel 7.63) in het 3e lid opgenomen dat Gedeputeerde Staten in de subsidie een bedrag voor accommodatiekosten bepalen.
Voor het overige wordt met deze regels aangesloten op de uitgangspunten van de WJZ en de daarop gebaseerde toekomstige landelijke bekostigingssystematiek.
In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan, voor welke zorgeenheden de subsidie wordt aangevraagd. Ook geeft de zorgaanbieder aan voor hoeveel en tegen welk tarief voor de verschillende zorgeenheden subsidie wordt aangevraagd. Daarmee heeft de aanvraag het karakter van een offerte.
Mede op basis van de subsidieaanvraag en het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke, hoeveel en tegen welk tarief zij zorgeenheden wenst in te kopen bij de zorgaanbieder. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de aanvraag/offerte heeft opgenomen. De zorgaanbieder en provincie kunnen hierover onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast waartegen zij de desbetreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren betrokken worden.
In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan welke, hoeveel en tegen welk tarief zorgeenheden worden gesubsidieerd. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor de verschillende zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de zorgeenheden kan afwijken van de landelijk vastgestelde eenheden.
Wel moeten de tarieven van de eenheden gedetailleerder zijn opgebouwd en op een transparante en controleerbare manier vertaald kunnen worden naar het niveau van de eenheid van het Rijk.
De op deze manier berekende maximale subsidie wordt in principe alleen verleend voor de taken, waarop de subsidie betrekking heeft, die worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de provincie Overijssel.
Uitgaande van een bepaling van de doeluitkering op basis van die hiervoor weergegeven P-maal-Q-systematiek, sluit de omvang van de doeluitkering zorgaanbod aan op de kwantiteit van de aanspraken van cliënten uit de eigen provincie op geïndiceerde zorg. Ook kan de provincie desgewenst zorg inkopen bij zorgaanbieders buiten haar grenzen. Daarmee ligt subsidiëring van zorg voor cliënten uit andere provincies niet langer in de rede.
Gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe financieringssystematiek wordt een overgangsregeling gehanteerd op grond waarvan in uitzonderingssituaties zorgaanbieders de verleende subsidie, onder bepaalde voorwaarden, ook kunnen aanwenden voor het verlenen van zorg voor cliënten die voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleven in een andere provincie (zie artikel 7.61).
De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder moet gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de verschillende zorgeenheden.
Om zorgaanbieders bij het uitvoeren van de zorg zoveel mogelijk in staat te stellen om gedurende het jaar aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de vraag, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden. Afhankelijk van de feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van de werkelijk geleverde aantallen zorgeenheden en de daarvoor bij de verlening van subsidie vastgestelde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen eenheden, vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de maximaal verleende subsidie. Wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, wordt een lagere subsidie vastgesteld.
Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de door BJzO in de indicatie vastgestelde behoefte aan zorg.
Een zorgaanbieder wordt daarmee, binnen de grenzen van de hen door de provincie maximaal verleende subsidie, uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op haar zorgplicht, die zorg te bieden die gelet op de vraag nodig is.
Wel is het zo dat zorgaanbieders in beginsel slechts die zorgeenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidieverlening door de provincie zijn aangegeven. Met andere woorden indien bij een zorgaanbieder geen zorgeenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt het uitvoeren van dergelijke eenheden in beginsel niet voor subsidiëring door de provincie in aanmerking. Voor het uitvoeren van voor de zorgaanbieder nieuwe zorgvormen is vooraf toestemming van de provincie nodig, die zich hierbij laat adviseren door BJzO.
Ten slotte komen alleen zorgeenheden in aanmerking voor subsidie indien hieraan een geldige indicatie van BJzO aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bepaald in artikel 7.61.]
[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald. Het onderdeel d heeft betrekking op het begrip zorgeenheid. In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg is op basis van het advies van Deloitte ‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod', besloten tot invoering van een bekostigingsstelsel voor de provinciale doeluitkering zorgaanbod op basis van een systematiek van zorgeenheden.
Op grond van de WJZ zijn in het Besluit jeugdzorgaanspraken drie aanspraken op jeugdzorg vastgesteld: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.
Deze algemeen geformuleerde aanspraken worden door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg gevestigd. Het indicatiebesluit geeft daarbij een nadere concretisering van de aanspraken op basis van de eisen die daaraan in het Besluit indicatiestelling zijn gesteld. Dit kan leiden tot meerdere concrete pakketjes van zorg die door de zorgaanbieder dienen te worden geleverd en die tevens als eenheid dienen voor de subsidiëring van het zorgaanbod.
In 2008 de systematiek ingevoerd dat het Rijk de doeluitkering zorgaanbod berekent op basis van deze zorgeenheden. Tot dat moment stelt Gedeputeerde Staten andere eenheden vast. Zie verder de algemene toelichting.]
Artikel 7.1 is niet van toepassing op subsidies op grond van de WJZ en deze paragraaf.
[Toelichting: Dit artikel bevat de criteria voor het verlenen van prestatiesubsidies voor experimenten.]
Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.
[Toelichting: Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening.
Voor subsidiëring van BJzO komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 (indicatiestelling e.d.) en 10 (justitiële taken) van de WJZ. De subsidiëring van de overige uit de WJZ voortvloeiende taken maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ.
Hierin wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verleend voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit Overijssel. De laatste zin van dit artikel maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een Bureau Jeugdzorg uitvoeren. Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking worden de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden vastgesteld.
Voor subsidiëring van het zorgaanbod komen in aanmerking de uitvoering van zorgeenheden c.q. bekostigingseenheden, die door de ministers worden gehanteerd voor het vaststellen van de landelijke normbedragen. Op basis van deze landelijke normbedragen wordt de provinciale doeluitkering zorgaanbod door het rijk berekend. Dit is opgenomen in het Besluit uitkeringen jeugdzorg. Deze zorgeenheden komen alleen dan voor subsidiëring in aanmerking indien deze worden uitgevoerd op basis van een daartoe strekkend indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg.
Het zesde lid leidt ertoe dat de subsidiëring slechts betrekking heeft op de uitvoering van zorgeenheden voor cliënten die voorafgaand aan het uitvoeren hiervan duurzaam verbleven in Overijssel. Dit betekent dat de zorgplicht van de zorgaanbieder op grond van de WJZ alleen betrekking heeft op cliënten uit een provincie waarvan Gedeputeerde Staten van die provincie de betreffende zorgaanbieder ook een subsidie hebben verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden. Omdat provincies bij het inkopen van jeugdzorg niet gehouden zijn deze in te kopen bij zorgaanbieders in de eigen provincie, kan een zorgaanbieder ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de provincie van vestiging van de zorgaanbieder, als de betreffende provincie ook bij deze zorgaanbieder zorg heeft ingekocht. Als dit niet het geval is dan kan deze zorgaanbieder geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren. De betreffende cliënt zal zijn aanspraak op zorg daarom slechts tot gelding kunnen brengen bij een zorgaanbieder, die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin hij of zij voorafgaand aan het tot stand komen van de aanspraak duurzaam verbleef.
Gedurende de overgangsperiode tot aan invoering van de P-maal-Q-systematiek, is echter een uitzonderingsbepaling (artikel 7.61) van kracht, die ertoe strekt het bieden van zorg aan cliënten uit een provincie die geen zorg heeft ingekocht bij de zorgaanbieder, onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. Dit kan noodzakelijk zijn als gevolg van een nadere uitwerking van de gemaakte landelijke afspraken over de overgangsperiode voor de decentralisatie van enkele voorheen landelijk werkende en landelijk gesubsidieerde zorgaanbieders. Uitgangspunt bij deze afspraken is dat één provincie gedurende deze overgangsperiode als inkoper en daarmee als subsidiënt van deze zorgaanbieders voor meerdere provincies optreedt. De voorwaarden waaronder een dergelijke uitzondering mogelijk is worden in de subsidiebeschikking opgenomen.]
[Toelichting: Dit artikel regelt wanneer een aanvraag voor prestatiesubsidie voor experimenten kan worden ingediend.]
In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 7.52 gedurende het hele jaar, maar uiterlijk drie maanden voor aanvang van het experiment, bij Gedeputeerde Staten worden ingediend.
[Toelichting: Hierin is bepaald welke gegevens in de aanvraag moeten zijn opgenomen en welke documenten moeten worden gevoegd bij de subsidieaanvraag.]
[Toelichting: In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over het afsluiten van bepaalde verzekeringen en het voeren van de (cliënten)administratie. Zo zal het boekjaar samen moeten vallen met het kalenderjaar en zal een betrouwbaar beeld moeten ontstaan over de gegevens van cliënten, de omvang van de uitgevoerde zorgeenheden en hieraan ten grondslag liggende indicatiebesluiten en financiële gegevens.]
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.23 wordt een aanvraag tot vaststelling van een per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie ingediend uiterlijk op 1 april van het jaar, volgend op het jaar waarvoor subsidie is verleend.
[Toelichting: Dit artikel regelt de inhoud waaraan het (inhoudelijke) verslag van de geleverde prestaties minimaal dient te voldoen.
Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende gegevens vragen over de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Deze vragen mogen geen wezenlijke verstoring van de dagelijkse werkzaamheden teweegbrengen.]
[Toelichting: Dit artikel regelt de voorwaarden waaraan de financiële verantwoording minimaal dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Ook wordt bepaald dat de verantwoording moet worden voorzien van een accountantsverklaring die wordt ingericht volgens het model uit de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg.
De jaarrekening van de subsidieontvanger moet voldoen aan de ministeriële richtlijnen.
In onderdeel e wordt bepaald dat BJzO ook informatie verschaft over het aantal gestelde indicaties die gedurende het verantwoordingsjaar zijn verzilverd bij een daartoe niet door de provincie Overijssel gesubsidieerde zorgaanbieder. Dit vloeit voort uit de overgangsregeling met betrekking tot de provinciale subsidiëring van zorgaanbieders, die provincies zijn overeengekomen gedurende de periode waarin nog geen sprake is van een vraaggestuurde berekening door het Rijk van de provinciale uitkering zorgaanbod op basis van de P-maal-Q-systematiek. Het invoeren hiervan is voorzien met ingang van 2008. Dit betekent dat gedurende deze periode vaak nog sprake is van een per provincie voor het zorgaanbod beschikbaar budget dat nog onvoldoende is afgestemd op de behoefte per provincie. Daarom is het gewenst dat cliënten in uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook te gelde moeten kunnen maken bij een zorgaanbieder, die daarvoor niet wordt gesubsidieerd door de provincie van herkomst. Dergelijke jeugdzorg is alleen mogelijk als:
Deze overgangsregeling vervalt waarschijnlijk met ingang van 1 januari 2008, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de nieuwe landelijke subsidiesystematiek.
Uitgangspunt daarbij is dat vanaf dat moment sprake is van een vraaggestuurde subsidiëring door het Rijk van de provinciale jeugdzorg. Hierdoor zijn de afzonderlijke provincies in staat voldoende zorg in te kopen voor de aanspraken van de cliënten afkomstig uit de eigen provincie.
Tijdens de overgangsperiode moeten de provincies zicht krijgen op de zorg die aan ‘hun' kinderen wordt verleend en die niet door hen wordt gesubsidieerd. Onderdeel f voorziet in de hiervoor noodzakelijke informatieverschaffing door Bureau Jeugdzorg.
Het eerste lid, onder g, geeft nadrukkelijk aan dat de te verstrekken informatie over de gerealiseerde zorgeenheden slechts betrekking heeft op die zorgeenheden waarvoor door Bureau Jeugdzorg een daartoe strekkend indicatiebesluit is vastgesteld. Uitgevoerde zorg waaraan geen geldig indicatiebesluit ten grondslag ligt, komt niet voor subsidiëring in aanmerking.
De tweede volzin geeft aan dat alleen die zorgeenheden in de verantwoording mogen worden opgenomen waarop de te verantwoorden subsidie betrekking heeft. Dit betekent onder meer dat alleen de zorgeenheden die zijn uitgevoerd voor Overijsselse cliënten en die op grond van de overgangsregeling van artikel 7.61 in de verantwoording worden opgenomen.
Onderdeel g geeft aan dat alle op basis van een indicatie uitgevoerde zorgeenheden worden opgenomen, gespecificeerd naar de in het kader van de subsidiëring verschillende eenheden.
Onderdeel h bepaalt dat de zorgeenheden die specifiek op grond van artikel 7.61 zijn uitgevoerd voor cliënten uit andere provincies, ook afzonderlijk zichtbaar in de verantwoording worden opgenomen. Dit uiteraard alleen ingeval deze zorgeenheden ten laste worden gebracht van het door de provincie Overijssel gesubsidieerde zorgaanbod. De desbetreffende zorgeenheden worden per soort gespecificeerd. Ook wordt het totale aantal cliënten aangegeven voor wie deze zorgeenheden zijn uitgevoerd.
In onderdeel i van het eerste lid is genoemd, dat in de verantwoording moet worden aangegeven welke kostprijs de zorgaanbieder in het betreffende jaar heeft gerealiseerd voor de verschillende zorgeenheden. Deze informatie is van belang voor het actualiseren van de landelijke normbedragen die door het Rijk worden gehanteerd bij het bepalen van de doeluitkering zorgaanbod aan provincies.
Ook biedt deze informatie de provincie inzicht in de feitelijke ontwikkeling van de kostprijzen van de zorgaanbieder. In het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt en effectief mogelijke besteding van de doeluitkering zorgaanbod, kan de provincie deze informatie betrekken bij de subsidiëring in volgende jaren.
Onderdeel j bepaalt dat het totale aantal cliënten wordt aangegeven waarvoor door de zorgaanbieder zorgeenheden zijn uitgevoerd. Uiteraard geldt ook hier dat het alleen de cliënten betreft voor zover de kosten van de daarvoor uitgevoerde zorgeenheden ten laste worden gebracht van de subsidie die de zorgaanbieder heeft ontvangen van de provincie Overijssel.
In het kader van de financiële verantwoording kan ook nadere informatie van belang zijn. In verband hiermee is bepaald dat Gedeputeerde Staten dergelijke informatie van de zorgaanbieder en de stichting kan vragen.]
[Toelichting: In dit artikel zijn bepalingen over het toestaan van reserveringen en het vormen van vermogen opgenomen.]
[Toelichting: Bureau Jeugdzorg
In het 1e lid is de manier van vaststelling van de subsidie aangegeven, zoals weergegeven in het algemene deel van deze toelichting.
Deze manier van vaststelling van de subsidie stimuleert BJzO om – binnen de kaders van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven en het maximaal toegekende subsidie – de subsidiemiddelen zodanig aan te wenden voor de verschillende taken, dat hiermee zo optimaal mogelijk wordt aangesloten op de behoefte daaraan. Dit met uitzondering van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, gericht op het versterken van de voorliggende voorzieningen.
Zorgaanbieder
In het 2e lid is aangegeven hoe de vast te stellen subsidie wordt berekend. Deze manier stimuleert de zorgaanbieder om – binnen de maximaal verleende subsidie – de subsidiemiddelen zodanig aan te wenden voor de verschillende zorgeenheden dat optimaal wordt aangesloten op de behoefte daaraan.
Gedurende het jaar kan blijken dat door cliënten vaker dan voorzien een beroep wordt gedaan op een bepaalde zorgeenheid. Dan kan deze zorg door de zorgaanbieder toch worden geboden. Voorwaarde daarbij is dat het beroep op andere zorgeenheden dan (budgettair neutraal) achterblijft bij de omvang die bij de subsidieverlening was voorzien.
Deze flexibiliteit biedt de zorgaanbieder, ter voldoening aan de wettelijke zorgplicht, de maximale mogelijkheid om gedurende het jaar maximaal te voorzien in de vraag naar zorg.
Bij de vaststelling van de subsidie worden de feitelijk gerealiseerde aantallen zorgeenheden vermenigvuldigd met het bij de subsidieverlening vastgestelde (maar naderhand geïndexeerde) tarief.
De som van deze bedragen vormt de basis voor de vaststelling van de totale subsidie voor de zorgeenheden.
Zorgeenheden waarvoor geen subsidie is verleend zullen hierbij niet worden betrokken.
In het volgende cijfervoorbeeld is uitgewerkt hoe een eventueel lagere vaststelling van subsidie plaatsvindt.
Gedeputeerde Staten hebben BJzO of een zorgaanbieder een prestatiesubsidie verleend van € 1.000.000,-- voor:
| BJzO/zorgaanbieder | aantal uit te voeren | overeengekomen prijs in euro's | bedrag in euro's |
|---|---|---|---|
| taak 1/zorgeenheid 1 | 4.000 | 100,-- | 400.000,-- |
| taak 2/zorgeenheid 2 | 6.000 | 100,-- | 600.000,-- |
totaal verleende | 1.000.000,-- | ||
| In het subsidiejaar wordt het volgende gerealiseerd: | |||
| taak 1/zorgeenheid 1 | 4.300 | 90,-- | 387.000,-- |
| taak 2/zorgeenheid 2 | 5.500 | 110,-- | 605.000,-- |
| Totaal werkelijke exploitatie | 992.000,-- | ||
| De vaststelling van de subsidie gaat als volgt: | |||
| - 98,5% van het verleende subsidiebedrag ad € 1.000.000,-- is € 985.000,-- (= ondergrens) | |||
| – vermenigvuldiging van het werkelijk aantal uitgevoerde taken/zorgeenheden met de overeengekomen prijs per eenheid: | |||
| taak 1/zorgeenheid 1 | 4.300 | 100,-- | 430.000,-- |
| – idem taak 2/zorgeenheid 2 | 5.500 | 100,-- | 550.000,-- |
| totaal | 980.000,-- | ||
| berekende ondergrens | 985.000,-- | ||
| terug te vorderen | 5.000,-- |
Volgens dit rekenvoorbeeld worden dus met een subsidie van € 995.000 (€ 1.000.000,-- minus € 5.000,--) zorgeenheden gerealiseerd met een werkelijke kostprijs van € 992.000,--. Het exploitatieoverschot bedraagt daarom € 3.000,--. ]
[Toelichting: Bureau Jeugdzorg
Dit artikel regelt het overgangsrecht dat noodzakelijk is omdat er nog geen sprake is van door de minister vastgestelde normbedragen voor de niet-justitiële taken van BJzO. Het eerste lid bepaalt dat Gedeputeerde Staten in afwijking van het bepaalde in artikel 2, derde lid, tarieven kan vaststellen die aansluiten op de subsidiegrondslag zoals door haar is gehanteerd in het jaar voorafgaand aan het in werking treden van de WJZ. Dit betekent ook dat de afbakening van de te onderscheiden taken waarop deze tarieven betrekking hebben, moeten aansluiten bij deze subsidiegrondslag.
Natuurlijk geldt daarbij dat de in de WJZ voor BJzO genoemde taken het uitgangspunt vormen. Bij de nadere afbakening van taken door Gedeputeerde Staten kan bijvoorbeeld voor de toegangstaken van het bureau uitgegaan worden van de functies/taken en de tarieven welke worden gehanteerd in de zogenaamde KPMG-normering. Voor de taken van het AMK zijn sinds een aantal jaren voorlopige landelijke normen overeengekomen. Voor de taken van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering worden wel de daarvoor door de minister van Justitie vastgestelde normbedragen als basis genomen voor de door de provincie te hanteren tarieven. Voor de taken gericht op versterking van het lokale jeugdbeleid is geen sprake van een vorm van normering per taak. Gedeputeerde Staten kan bij het verlenen van de subsidie aansluiten op de werkwijze in het jaar voorafgaande aan de WJZ.
Het tweede lid bepaalt dat wanneer de subsidie als gevolg van de hantering van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven voor het eerste jaar substantieel hoger is dan de subsidie in het daarop volgende jaar op basis van de door de minister vastgestelde tarieven, Gedeputeerde Staten de mogelijkheid heeft om ter overbrugging hiervan gedurende maximaal één jaar een overbruggingssubsidie te verlenen. BJzO wordt zo in staat gesteld haar bedrijfsvoering in overeenstemming te brengen met de nieuwe tarieven. Dit is echter geen wettelijke verplichting. Gedeputeerde Staten maakt in dit verband, mede in relatie tot de hiervoor beschikbare middelen in de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg, een eigen afweging over de noodzakelijkheid hiervan.
Zorgaanbieders
Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de WJZ, wordt de doeluitkering zorgaanbod door het Rijk bepaald door de in de rijksbegroting beschikbare middelen voor de jeugdzorg. De verdeling tussen provincies is deels op historische basis gebaseerd.
In de rijksbegroting is wel een zekere groei van de middelen voorzien, maar gedurende deze periode is nog geen sprake van invoering van een vraaggestuurde financiering op basis van de benodigde hoeveelheid jeugdzorg (p maal q).
Dit betekent dat gedurende deze periode veelal nog sprake van een voor het zorgaanbod beschikbaar budget per provincie dat nog niet is afgestemd op de behoefte per provincie.
In verband hiermee is het wenselijk dat cliënten in uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook kunnen verzilveren bij een zorgaanbieder die daarvoor niet wordt gesubsidieerd door de provincie waaruit de cliënt afkomstig is. Dit artikel maakt het mogelijk tijdens de periode waarin de zogenaamde P-maal-Q-systematiek nog niet wordt gehanteerd voor de bepaling van de doeluitkering het zorgaanbod. Op grond van het Bestuursakkoord Financieel Kader WJZ op de Jeugdzorg wordt deze systematiek met ingang van 1 januari 2007 gehanteerd.
Binnen het door de provincie Overijssel gesubsidieerde volume aan jeugdzorg mag een zorgaanbieder tot de genoemde datum ook jeugdzorg bieden aan jeugdigen uit een andere provincie. Daarbij gelden vier beperkingen:
Voor de goede orde wordt vermeld dat, met inachtneming van het hiervoor gestelde, aanspraken van cliënten afkomstig uit andere provincies, voor het overige op dezelfde wijze worden behandeld als aanspraken van cliënten uit de provincie Overijssel. Dit betekent dat op dergelijke aanspraken dezelfde prioritering van toepassing is in geval van bijvoorbeeld wachtlijsten, als voor aanspraken van cliënten afkomstig uit de provincie Overijssel.]
[Toelichting: Dit hoofdstuk regelt de subsidies die annex zijn met de uitvoering van het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied, kortweg het pMJP. Het pMJP heeft z’n basis in de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). De komst van de WILG biedt de mogelijkheid om op een andere manier ontwikkelingen in het landelijk gebied te sturen.
Het landelijke gebied in Overijssel is sterk in ontwikkeling. De instrumenten van de verschillende overheden om die ontwikkelingen in de politiek gewenste banen te leiden waren erg ingewikkeld. Met alle goede bedoelingen was een veelheid aan regels, eisen en voorwaarden ontstaan. Het leidde tot tegenstrijdigheden, te weinig samenhang van projecten en een versnipperde sturing.
In juli 2004 hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gezamenlijk afspraken gemaakt om hier verandering in te brengen. De verschillende potjes die het Rijk had voor het landelijk gebied zijn bij elkaar gevoegd in één budget. Over de inzet van het geld spreekt de provincie met het Rijk doelen af voor een zevenjarige periode, die we samen met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties proberen te bereiken. Het Rijk bemoeit zich niet met de uitvoering van de plannen. Daarmee is het ILG niet alleen een nieuw financieringssysteem, maar ook een nieuwe werkwijze én een verandering in bestuurlijke verhoudingen.
Zoveel mogelijk lopen daarin ook mee de subsidies die de provincie verstrekt uit EU-fondsen, met name het ELFPO (de opvolger van het landbouwfonds EOGFL) waaruit middelen worden beschikt op basis van het plattelandsontwikkelingsprogramma.
Om hieraan vorm te geven wordt in Overijssel aangesloten bij de – sinds april 2004 – ontwikkelde systematiek van gebiedgericht werken. Door gebiedgericht samen te werken met de besturen van gemeenten en waterschappen kan (provinciaal) beleid sneller en beter worden uitgevoerd. Voorheen werd gewerkt vanuit de verschillende beleidseenheden binnen de provincie. Dit droeg het risico met zich mee dat afdelingen langs elkaar heen werkten. Bij gebiedsgericht werken staat het gebied centraal en wordt vanuit verschillende afdelingen en samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties gezocht naar oplossingen voor knelpunten in dat gebied.
In elk gebied wordt met een vaste regelmaat een Bestuurlijk Gebiedsoverleg (BGO) georganiseerd om kansen en knelpunten te signaleren. In dit overleg zitten bestuurders van de provincie, gemeenten en waterschappen. Elk BGO luistert goed naar maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en belangengroepen in haar gebied. Deze partijen hebben grote invloed op de onderwerpen die aan bod komen, maar maken geen deel uit van het BGO. De BGO’s worden ondersteund door zogenaamde aanjaagteams. De aanjaagteams zijn gevestigd in het gebied en moeten ervoor zorgen dat projecten daadwerkelijk van de grond komen door mensen en organisaties met elkaar in contact te brengen. De aanjaagteams bestaan uit medewerkers van de provincie, van gemeenten en waterschappen.
De gebieden krijgen een sleutelrol bij de uitvoering van het pMJP. In jaarlijks door Gedeputeerde Staten vast te stellen gebiedsprogramma’s wordt de uitvoering geprogrammeerd. Het gebiedsprogramma komt tot stand in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied. Dat overleg is in beginsel gericht op consensus; veeleer is sprake van een gezamenlijk gebiedsprogramma dat ook gezamenlijk wordt opgesteld. Het programma verwoordt de visie op sociale, ruimtelijke en economische ontwikkeling in het betreffende gebied en geeft zo concreet mogelijk aan welke activiteiten kunnen bijdragen aan het realiseren daarvan.
Naast het pMJP zelf is het gebiedsprogramma de belangrijkste toetssteen voor aanvragen van gemeenten en waterschappen zelf, maar ook voor tal van maatschappelijke partners die bijdragen aan de ontwikkeling van het landelijk gebied.
De gezamenlijkheid van het gebiedsprogramma kan worden bekrachtigd door het sluiten van een convenant waarin Gedeputeerde Staten en de dagelijkse besturen van gemeenten en waterschappen zich committeren aan het programma en waarin afspraken vastliggen over de manier waarop dagelijks besturen hun bevoegdheden op verschillende beleidsterreinen zullen inzetten om het pMJP te realiseren. De ILG-filosofie (sturing op doelen/prestaties, vrijheid in realisatie) wordt doorvertaald naar de bestuurlijke gebiedspartners in de vorm van wederzijdse afspraken over resultaten, inzet en financiering. Het convenant is tevens de basis voor subsidieverlening door Gedeputeerde Staten aan gemeenten en waterschappen in een gebied.
Bij het opstellen van dit hoofdstuk is deregulering en ontbureaucratisering een belangrijk aandachtspunt geweest. Onze ambitie daarbij is dat we de overheid organiseren rond de problemen in de samenleving en niet andersom. Dat betekent dat (bij de administratieve behandeling) de aanvrager en zijn activiteiten centraal staan en niet onze opdeling in verschillende overheden, sectoren en budgetten. Als er voor de aanvrager een samenhang is tussen activiteiten in een project of tussen verschillende projecten in een programma moet dat project/programma zoveel mogelijk in één aanvraag en in één verleningsbeschikking bij één overheid worden behandeld. Hetzelfde geldt voor de verantwoording en de uiteindelijke subsidievaststelling. De aanvrager kan overigens zélf bepalen of projecten gezamenlijk worden ingediend of dat een ‘knip’ in de aanvraag en de verantwoording gewenst is.
Over de uitvoering van projecten en de besteding van subsidies zal in beginsel alleen in hoofdlijnen verantwoording worden gevraagd, met name gericht op de vraag of de afgesproken prestaties zijn gerealiseerd.
Voorlopig zijn hierop twee belangrijke uitzonderingen. Indien Europese cofinanciering plaatsvindt kunnen we ons niet beperken tot de hoofdlijn. Daarnaast geldt dit voor het bestaande LNV Programma Beheer (de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000). Dit gaat wel over naar de provincies maar blijft in z’n huidige vorm bestaan, dat wil zeggen met de huidige criteria en de bestaande uitvoeringsorganisatie (de Dienst Regelingen). Inhoudelijk volgt dit hoofdstuk het pMJP. In jaarlijks door ons vast te stellen gebiedsprogramma’s wordt de uitvoering van het pMJP geprogrammeerd. Aanvragen moeten passen in de gebiedsprogramma’s die tot stand komen in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied. Het programma verwoordt de visie op sociale, ruimtelijke en economische ontwikkeling in het betreffende gebied en geeft zo concreet mogelijk aan welke activiteiten kunnen bijdragen aan het realiseren daarvan.
Procedures
Bij de hele afwikkeling van de subsidies staan de prestaties centraal. De procedurele bepalingen voor onderhavige subsidies staan in hoofdstuk 1. Belangrijk is of de subsidie per boekjaar wordt verstrekt. Zo ja, dan verwijst het uitvoeringsbesluit voor de spelregels naar afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor andere prestatiesubsidies gelden de procedurele bepalingen van de artikelen 1.10 tot en met 1.19 van het Uitvoeringsbesluit subsidies. Sterk verkort zijn dit de hoofdpunten. LET OP: in de bijzondere bepalingen kan hiervan worden afgeweken.
| per boekjaar | niet per boekjaar | |
|---|---|---|
| Indieningstermijn | - Dertien weken voor boekjaar (4:60 Awb) | - Dertien weken voor subsidietijdvak (1.13 Ubs) tenzij anders bepaald. |
| Gegevens bij aanvraag | - activiteitenplan en begroting tenzij niet van belang voor de hoogte; - statuten + laatst opgemaakte jaarrekening. Geldt niet voor gemeenten en waterschappen. Bovendien mogelijkheid ontheffing door GS (4:61-4:65 Awb). | - plan van te leveren prestaties en beschrijving effecten in relatie tot provinciaal beleid; - gevraagde subsidie en onderbouwing daarvan; - begroting, alleen indien van belang voor vaststellen van de hoogte van de subsidie; de minimis-verklaring (1.14 Ubs) |
| Subsidiabele kosten | - alleen kosten die rechtstreeks | - idem |
| Beslistermijn | - dertien weken na indiening (1.23, lid 2, juncto 1.16 Ubs) | - dertien weken na uiterste indieningdatum of dertien weken na indiening (afhankelijk van keuze voor prioriteren van aanvragen of behandeling op volgorde van binnenkomst (1.16 Ubs) |
| Plafond | - per subsidieontvanger bepalen in productbegroting (4:23 lid 3 sub c Awb) dan wel per gebied of per doelstelling. Mogelijkheid onderverdeling in tranches (4:25 en verder Awb). | - Per gebied of per doelstelling, bekend maken voor aanvang tijdvak. Mogelijkheid onderverdeling in tranches (4:25 en verder Awb). |
| Voorschot | - 100% (1.26 Ubs) | - 80% (1.17 Ubs) |
| Meerjarigheid | - Is mogelijk, bij verlening tussentijdse rapportages regelen (4:67 Awb) | - Is mogelijk, uit budget jaar 1 of met begrotingsvoorbehoud voor jaren 2 en verder (4:34 Awb) |
| Aanvraag vaststelling | - Binnen 6 maanden na afloop boekjaar (4:74 Awb) | - Binnen 4 maanden na afloop activiteit (1.18 Ubs) |
| Gegevens bij verantwoording | - Activiteitenverslag en financieel | - Nadruk op prestaties. Financieel verslag alleen als de kosten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie. Indien financieel verslag dan boven 25.000 ook accountantsverklaring (1.19-1.20 Ubs). |
| Reservevorming | - Ontvanger vormt egalisatiereserve. GS kunnen bij verlening ontheffing geven (1.24 Ubs juncto 4:72 Awb) | - GS kunnen bij subsidieverlening bepalen dat eventueel positief exploitatieresultaat wordt besteed in verlengde van doelstelling subsidie (1.15 Ubs) |
| Beslistermijn | - dertien weken na indiening (1.23 lid 2 junct0 1.22 Ubs) | - dertien weken na indiening (1.22 Ubs) |
In de meeste gevallen is de hoogte van de subsidie een percentage van de kosten van de activiteiten. Tegelijk hebben we als uitgangspunt dat we sturen op prestaties. Daarbij past geen bemoeienis met de bedrijfsvoering van subsidieontvangers waaronder de ‘kostenkant’.
De oplossing die we hiervoor kiezen is in wezen vergelijkbaar met de situatie waarin u privé een offerte vraagt voor de bouw van een garage. Bij de aanvraag moet de prestatie duidelijk worden omschreven en verlangen we een globale begroting als onderbouwing van het gevraagde bedrag. Gedeputeerde Staten beoordelen deze ‘offerte’ op redelijkheid. In het algemeen zijn alleen kosten subsidiabel die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de activiteiten, ook als die kosten zijn gemaakt voordat een aanvraag werd ingediend (voorbereiding, planvorming, onderzoek of voorlichting).
Verder ligt het voor de hand dat geen subsidie wordt verleend voor die onderdelen waarvoor subsidie is of kan worden verleend door andere overheden en die subsidiemogelijkheid ligt meer voor de hand, bijvoorbeeld omdat het daar gaat om reguliere sectorale financiering (bijvoorbeeld bodemsanering).
Bij de vaststelling hoeft vervolgens alleen verantwoording te worden afgelegd over de prestaties.
Bij de bouw van de garage gaan je ook niet na wat nu precies de inkoopprijs was van de aannemer van alle materialen of het salaris van de directie. Als voor de subsidieontvanger de kosten van bijvoorbeeld externe adviseurs hoger of lager zijn dan begroot dan is dat in het nadeel respectievelijk in het voordeel van de projectuitvoerder (tenzij er een verplichting is voor het aanhouden van een egalisatiereserve).|Het bovenstaande geldt niet bij cofinanciering uit Europese Fondsen. Europese regels bevatten vaak gedetailleerde bepalingen over welke kosten wel en niet voor subsidie in aanmerking komen. Op grond van artikel 6, lid 1 van de Algemene Subsidieverordening Overijssel geven we dan voorrang aan de Europese regels.
Vaak draagt een activiteit bij aan meerdere doelstellingen van het pMJP. Stel dat dit het geval is bij twee doelstellingen en het uitvoeringsbesluit geeft in het ene geval aan dat maximaal 40% van de kosten kan worden bijgedragen en in het andere geval maximaal 50%, welk percentage geldt dan? Kunnen de percentages eenvoudig worden gestapeld tot 90%? In een enkel geval beantwoorden we die vraag in de tabel. In niet voorziene gevallen gelden de volgende uitgangspunten, die Gedeputeerde Staten eerder hebben vastgesteld:
• als de doelstellingen in elkaars verlengde liggen kijken Gedeputeerde Staten naar de reden waarom maxima zijn gesteld. Is de reden daarvoor dat een bepaald aandeel in de financiering wordt verlangd van de aanvrager en/of derden dan is het in beginsel niet mogelijk te stapelen;
• als de activiteit aan verschillende doelstellingen bijdraagt kan alleen boven de gestelde maxima worden gestapeld voor zover een extra prestatie moet worden geleverd om ook aan de ‘bijkomende doelstelling’ bij te dragen.
Gedeputeerde Staten maken voor aanvang van het boekjaar bekend hoeveel geld beschikbaar is voor uitvoering van het pMJP. Daarbinnen kan onderscheid worden gemaakt per gebied en/of per (sub)doelstelling uit het pMJP.
Als op enig moment in de 7-jarige looptijd van het pMJP een bepaalde doelstelling (vrijwel) volledig is gerealiseerd kan in de jaren daarna voor dat doel geen of minder budget worden gereserveerd.
Omgekeerd kan Gedeputeerde Staten met dit artikel de uitvoering van bepaalde onderdelen naar voren halen door daarvoor in de eerste jaren relatief meer geld beschikbaar te stellen.
De verdeling van het budget over de ingediende aanvragen hangt af van de kwaliteit van de aanvragen in relatie tot de doelstellingen van het pMJP. Anders gezegd: het geld gaat naar die aanvragen die het beste/meeste bijdragen aan het realiseren van het pMJP. Daarbij zullen Gedeputeerde Staten ook rekening houden met de mate waarin bepaalde doelstellingen op het moment van het beoordelen van de aanvraag (al) zijn gerealiseerd. Aangezien de provincie een prestatieverplichting heeft naar het Rijk is het zaak de inzet over de hele planperiode te richten op de volle breedte van het pMJP.
Het bovenstaande is niet van toepassing voor aanvragen die het hele jaar kunnen worden ingediend; die worden ‘gewoon’ op volgorde van binnenkomst behandeld. ]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
[Toelichting: Dit artikel bevat heel eenvoudig de basis voor de beoordeling van alle subsidieaanvragen, namelijk het pMJP en het gebiedsprogramma. Dat een bepaalde activiteit niet is opgenomen in een gebiedsprogramma betekent niet dat deze niet voor subsidie in aanmerking komt. Alleen als sprake is van strijdigheid met het gebiedsprogramma of verdringing van prioriteiten levert het gebiedsprogramma een weigeringsgrond op.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van het pMJP en die passen in een gebiedsprogramma.
[Toelichting: Het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (afgekort POP2) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op:
Het gaat hierbij om middelen uit het bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 opgerichte Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), de opvolger van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor Landbouw (EOGFL). Het doel dat Nederland met het POP-2 wil bereiken, is: een goed evenwicht tussen de kwaliteit van natuur en landschap en het gebruik daarvan voor wonen, recreatie, gezondheid en persoonlijk welbevinden. Ook wordt geld ingezet voor de versterking van de concurrentiekracht van de land- en bosbouwsector. De Europese Commissie heeft het programmadocument POP 2007-2013 op 20 juni 2007 officieel goedgekeurd. Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als beheersautoriteit voor de POP subsidies in Overijssel. Betaalautoriteit zijn Dienst Landelijk Gebied en Dienst Regelingen. Het POP2-programma is het vervolg op het POP 2000 t/m 2006.
POP2 is opgebouwd uit vier assen. Deze assen vormen samen de doelstellingen van het programma. Onder de assen zijn verschillende maatregelen mogelijk. De POP-maatregelen worden ingezet om de doestellingen van het provinciaal Meerjarenprogramma voor het platteland (pMJP) te realiseren. Vanuit dat programma wordt ook de nationale financiering geregeld die nodig is om aanspraak op POP-subsidie te kunnen maken. Een aanvraag moet dus ook inhoudelijk en financieel binnen het pMJP passen.
As 1: versterking van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.
De maatregelen onder deze as zijn bijna allemaal gericht op het ondersteunen van agrarisch ondernemers bij het aanpassen en innoveren van hun bedrijf. Het gaat dan om de kwaliteit van grond en kavelstructuur, gebouwen en machines, maar ook om nieuwe productiemethoden en het kunnen inspelen op ontwikkelingen vanuit de markt.
As 2: verbetering van het milieu en het platteland.
Het doel van de maatregelen onder as 2 is het verhogen van duurzaam gebruik van landbouwgrond. Agrarische ondernemers kunnen bijvoorbeeld gesubsidieerd worden als zij investeren in maatregelen tegen verdroging van hun grond.
As 3: verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.
Het doel van de maatregelen onder as 3 is het bevorderen van een toegankelijk, vitaal en dynamisch platteland waar de landbouw niet meer de enige economische drager is. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden met investeringen in kleinschalige ondernemingen die zich richten op toerisme en recreatie, in leefbaarheidsvoorzieningen, in dorpsvernieuwing en in het landelijk erfgoed.
As 4: uitvoering van de LEADER-aanpak.
De aanpak van huidige LEADER+-programma vindt een vervolg in POP2. De LEADER-aanpak werkt met zogenaamde plaatselijke groepen (PG's). Deze PG's zijn gerelateerd aan het Bestuurlijk Gebiedsoverleg (BGO): afstemming vindt plaats in taken en verantwoordelijkheden en een aantal personen is in beide gremia vertegenwoordigd. De PG richt zich met name op de verbetering van de sociale en economische vitaliteit van het platteland. De PG's hebben plaatselijke ontwikkelingsstrategieën gemaakt voor hun gebied. Hierin geven ze voor de komende programmaperiode aan: doelen, strategie, inzet van de beschikbare middelen en de wijze van uitvoering. Samenwerking en innovatie staan daarbij centraal. Het gaat dan om samenwerking binnen het LEADER-gebied, tussen de leden van de Plaatselijke Groep en projectuitvoerders, maar ook om samenwerking tussen LEADER-gebieden in binnen- en buitenland.
LEADER biedt kansen voor innovatieve vormen van beleidsvorming en -uitvoering: een aanpak ‘van onderop', met een belangrijke rol voor de plaatselijke groep. In Overijssel zijn zes LEADER-gebieden aangewezen, te weten Noordwest-Overijssel, Noordoost-Overijssel, Salland, Noordoost-Twente, West-Twente en Zuid-Twente
Doelstellingen onder as 1 t/m 3 kunnen binnen LEADER uitgevoerd worden.|
In hoofdstuk 8 zijn de volgende POP-maatregelen gekoppeld aan pMJP-prestaties:
| De nummering betreft de maatregelen zoals opgenomen in de bijlage van het programmadocument POP 2007-2013* | pMJP-prestatie | De correlerende artikelen uit dit hoofdstuk |
|---|---|---|
| Maatregelen as 1 | ||
| 111: Beroepsopleiding en voorlichting | 1.3.1 | Artikel 8.33, lid 8 |
| 121: Modernisering landbouwbedrijven | 1.3.2 | Artikel 8.33, lid 8 |
| 125: Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw | 1.1.5 | Artikel 8.19, lid 3 |
| Maatregelen as 2 | ||
| 216: Niet productieve investeringen | 2.2.6 | Artikel 8.46, lid 3 |
| Maatregelen as 3 | ||
| 311: Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten | 1.2.2 | Artikel 8.33, lid 7 |
| 323: Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed | 2.3.1,2.3.2,2.3.6 | Artikel 8.67, lid 8 |
| Maatregelen as 4 | ||
| 411: Verbetering van het concurrentievermogen in de land- en bosbouwsector | 1.2.1 | Artikel 8.3a, lid 2 |
| 413: De leefbaarheid op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie | 3.1.2, 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4, 3.2.6, 4.1.1, 4.1.2, 4.3.2 | Artikel 8.3a, lid 2 |
| 421: Uitvoering van samenwerkingsprojecten | Artikel 8.3a, lid 2 | |
| 431: Beheer van de Plaatselijke Groep | Artikel 8.3a, lid 2] |
[Toelichting: Op grond van artikel 87 van het EG-verdrag is het in beginsel verboden subsidie te verstrekken aan ondernemingen als daardoor de concurrentieverhoudingen op een internationale markt worden verstoord.
Lid 1 bevat het verbod op staatssteun: "Behoudens afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt."
Het begrip onderneming wordt door het Europese Hof van Justitie ruim uitgelegd: "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd". Dit betekent dat ook stichtingen en verenigingen als onderneming kunnen worden gezien als hun activiteiten ook op een markt (kunnen) worden aangeboden.
Bij subsidies op grond van het onderhavige hoofdstuk is dikwijls sprake van staatssteun. Dit wil nog niet zeggen dat geen subsidie kan worden verleend. Als de aanvraag past binnen één van de zogenaamde vrijstellingsverordeningen van Europese Commissie kunnen Gedeputeerde Staten positief beschikken op een aanvraag. Er gelden dan wel aanvullende criteria, beperkingen ten aanzien van de hoogte van de subsidie en aanvullende voorschriften. In de zogenaamde factsheets in de bijlagen wordt steeds verwezen naar de voor dat onderdeel relevante regelingen en bepalingen.
Het voert te ver om op deze plaats alle verordeningen uitvoerig te belichten. Voor de precieze inhoud wordt u verwezen naar de website van Europa Decentraal: http://www.europadecentraal.nl/. Hier kunt u onder andere de brochure ‘Europese regelgeving over staatssteun' downloaden.
Op deze plaats wordt volstaan met een korte toelichting op de volgende vrijstellingsverordeningen:
* De minimis
Deze ‘meest beroemde' verordening bepaalt slechts dat indien er sprake is van staatssteun, dit niet bij de Commissie behoeft te worden gemeld als het totaal aan subsidie voor de onderneming over een periode van drie belastingjaren niet meer dan € 200.000,-- bedraagt. Indien dit maximum door de toekenning van de nieuwe subsidie wordt overschreden moet dit wel worden gemeld. U dient dus te onderzoeken hoeveel subsidie (inclusief de Europese) de onderneming in de laatste drie jaren al heeft ontvangen.
* MKB; nr. 70/2001
Deze verordening biedt de mogelijkheid om aan kleine en middelgrote bedrijven steun te verlenen zonder dit te hoeven melden. Voor kleine bedrijven geldt een maximum van 15% van de totale subsidiabele kosten; voor middelgrote bedrijven ligt dit maximum op 7,5%. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd. Van de vrijstelling kan geen gebruik worden gemaakt als landbouwbedrijven eindbegunstigde zijn.
* Opleidingssteun; nr.68/2001
Indien bedrijven hun werknemers een scholingstraject willen aanbieden kunnen ze hiervoor een subsidie aanvragen (indien het provinciaal beleid dit toelaat). Deze subsidies hoeven niet te worden gemeld indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In de verordening wordt een onderscheid gemaakt tussen specifieke opleidingen en algemene opleidingen. Voor de opleidingen gelden verschillende maximale plafonds. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Werkgelegenheidssteun; nr. 2204/2002
Voor het scheppen van werkgelegenheid kunnen bedrijven subsidies aanvragen. Hiervoor gelden de volgende maximale percentages: 15% voor kleine ondernemingen en 7,5% voor middelgrote ondernemingen. Indien de subsidies binnen de maximale percentages blijven, geldt een vrijstelling van de meldingsplicht. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Kaderregeling milieu; 2001/C 37/03
Deze regeling maakt het mogelijk om sommige milieubeschermende maatregelen zonder meldingsplicht te subsidiëren. Milieumaatregelen zijn maatregelen die gericht zijn op preventie of herstel van schade aan natuurlijke hulpbronnen en omgeving, dan wel rationeel gebruik van hulpbronnen. Deze vrijstelling geldt indien binnen de voorgeschreven maxima wordt gewerkt. Belangrijke voorwaarde is dat slechts die kosten die gemaakt worden om de milieudoelstelling te bereiken voor subsidie in aanmerking komen.
* Landbouwverordening
Deze verordening is van toepassing op kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Deze producten staan opgesomd in Bijlage I van het Europees verdrag. Ondernemingen die aan de criteria voldoen vallen automatisch onder deze regeling. De overige regelingen zijn op deze bedrijven dan ook niet van toepassing. Indien binnen de maximale steunpercentages wordt gewerkt, geldt een vrijstelling van aanmeldingsplicht voor verschillende soorten steun. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd (artikel 19, lid 4).
* Cultureel Erfgoed
Ondanks het feit dat er sprake kan zijn van staatssteun, (onderneming, enz.) geeft artikel 87, lid 3d, de Europese Commissie de mogelijkheid om goedkeuring te verlenen aan steun ten behoeve van de instandhouding van het culturele erfgoed. De laatste jaren heeft de Commissie dit artikel gebruikt om enkele grote projecten goed te keuren. Dit artikel is vooral van toepassing voor steun aan musea, maar ook andere culturele erfgoederen (monumentale boerderijen/oude schepen, enz.) kunnen worden gesubsidieerd. De subsidie moet noodzakelijk zijn voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het object. Achteraf dient aan de Commissie te worden gerapporteerd.
* Diensten van algemeen economisch belang
Dit zijn economische activiteiten (bijvoorbeeld Groene en Blauwe diensten) die door bedrijven in opdracht voor de provincie in het algemeen belang worden uitgevoerd. Om concurrentievervalsing te voorkomen gelden hier ook de staatssteunregels.
De Europese Commissie heeft bepaald dat staatssteun niet hoeft te worden gemeld indien de compensaties de € 30 miljoen niet overschrijden en de omzet van het bedrijf beneden de € 100 miljoen per jaar blijft. Wel gelden onder andere de volgende voorwaarden:
[Toelichting: Om de administratieve lasten voor gemeenten en waterschappen te beperken hoeft naast de ondertekening van het convenant niet nog eens een aparte aanvraag te worden ingediend. Voorwaarde is wel dat het gebiedsprogramma + het convenant voldoen aan de normale eisen die gelden voor een aanvraag voor subsidie. Dat betekent in ieder geval dat de aanvraag wordt ondertekend door het dagelijks bestuur van de gemeente of het waterschap namens de publiekrechtelijke rechtspersoon. Ondertekening door de portefeuillehouder of de burgemeester alleen is onvoldoende (tenzij een ondertekeningsmandaat is verleend).
Voor het overige gelden de eisen uit het Awb (artikelen 4.61-4.65) en eventueel aanvullende eisen op grond van artikel 8.3 voor de onderdelen waarvoor ook Europese middelen worden verstrekt. ]
Indien op grond van artikel 9 van de Wet Inrichting Landelijk gebied de bestuursovereenkomst tussen rijk en Gedeputeerde Staten van Overijssel wordt gewijzigd kan de subsidieverlening ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.
[Toelichting: De regels over verantwoording en de controleprotocollen schrijven voor dat de provincie zich jaarlijks verantwoordt naar het rijk. Om daaraan te kunnen voldoen is het nodig dat jaarlijks een goed overzicht wordt verkregen van de stand van de verplichtingen vergezeld van een accountantsverklaring. Overigens geldt voor prestaties die ook Europese subsidie ontvangen een bijzondere regeling voor voortgangsrapportages en verantwoording (zie artikel 8.3).]
[Toelichting: De inzet van de provincie is dat met de partners in de gebieden in één keer voor de hele periode afspraken worden gemaakt over de te leveren prestatie en de provinciale subsidie die daar tegenover staat. In jaar 1 wordt op basis van die afspraak in één keer subsidie verleend voor alle prestaties. Het is dan in beginsel aan de subsidieontvanger om te bepalen in welk jaar de prestatie wordt gerealiseerd. Wel wordt daarvan vooraf een inschatting gevraagd. Daarmee wordt het subsidiebedrag bij verlening verdeeld in jaarschijven. Op basis van de indeling in jaarschijven én de feitelijke voortgang worden voorschotten verleend op het subsidiebedrag.
Ieder jaar wordt er een verantwoording verwacht over de prestaties die in dat jaar zijn gerealiseerd, mede in verband met de verantwoordingsplicht van de provincie naar het Rijk (artikel 8.6). Deze informatie kan aanleiding zijn om de subsidieverlening te wijzigen. ]
[Toelichting: De Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel geeft het kader op basis waarvan Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat het Bureau Beheer Landbouwgronden een koopovereenkomst met een ondernemer, die zijn intensieve veehouderij wil verplaatsen vanuit een extensiveringsgebied naar een duurzame locatie, te laten sluiten. Met de koop van de bedrijfsgebouwen en de ondergrond worden niet alle met de verplaatsing gepaard gaande kosten gedekt. Om de verplaatsingen daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen achten Gedeputeerde Staten het wenselijk ook een bijdrage in de verplaatsingskosten en de sloop van de bedrijfsgebouwen op de oude locatie en onder voorwaarden ook op de hervestigingslocatie te kunnen leveren. Hiervoor zijn in deze paragraaf subsidiebepalingen opgenomen met betrekking tot de verplaatsingskosten van intensieve veehouderijen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het te verplaatsen van bedrijven (of delen daarvan) waarvoor een voorlopige koopovereenkomst met de provincie Overijssel is gesloten, als bedoeld in de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005.
De subsidie moet voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.
[Toelichting: Om de eenvoud van de uitvoering en transparantie is voor de sloopkostenvergoeding, onder sub a en sub c, gekozen voor normbedragen. De hoogte van de bedragen is ontleend aan de uitvoeringspraktijk, met name de onteigeningspraktijk.]
De subsidie bedraagt:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Deze subsidiemogelijkheid is bedoeld voor het versterken van de grondgebonden landbouw in extensiveringsgebied en het tegelijkertijd wegnemen van intensieve veehouderij (IV).
Er is subsidie mogelijk voor de volgende onderdelen:
1. advies: maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-- per onderneming per jaar;
2. investeringen versterking grondgebonden landbouw: maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering;
3. investeringen diversificatie (inclusief planvorming) naar niet agrarische activiteiten: maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering;
De subsidieonderdelen 1 en 2 zijn bij de Europese Commissie gemeld onder de zogenaamde Vrijstellingsverordening Landbouw.
De investering (conform EU-verordening) moet gericht zijn op een van de volgende doelstellingen:
a. verlaging van de productiekosten;
b. verbetering en omschakeling van de productie;
c. verhoging van de kwaliteit;
d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen inzake dierenwelzijn.
Subsidiabele kosten voor investeringen zijn:
1. de (ver)bouw of verbetering van onroerende goederen;
2. de koop of huurkoop van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa; andere kosten in verband met huurkoopcontract zijn geen in aanmerking komende uitgaven;
3. algemene kosten, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en voor het verkrijgen van octrooien en licenties tot maximaal 12% van de onder 1 en 2 bedoelde uitgaven. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen, e.d.) vallen hier niet onder. Op grond van artikel 19 van de Vrijstellingsverordening Landbouw is stapeling met andere subsidies niet toegestaan boven het in artikel 8.13, lid 2, genoemde subsidiepercentages voor investeringen. Het totale subsidiebedrag (ook uit andere regelingen) mag niet uitkomen boven het in dit artikel genoemde subsidiepercentage.
Stapeling is dus alleen mogelijk, indien het totale subsidiebedrag niet boven het genoemde percentage uitkomt.
Ter voldoening aan de voorschriften uit de (vrijstellings)verordening overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie ten behoeve van investeringen, in aanvulling op artikel 1.14, tevens de volgende documenten of informatie:
a. een beschrijving van de huidige situatie van de betrokken bedrijven;
b. een beschrijving van de beoogde structuurverbetering van de betrokken bedrijven na voltooiing van het plan;
c. een overzicht van de eventuele gevolgen van de structuurverbetering voor de personele bezetting;
d. een verklaring van een financierende derde, niet zijnde bloed- of aanverwant, in het geval de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd door deze derde geheel of ten dele zal worden gefinancierd. Hieruit dient de haalbaarheid van de gewenste investeringen ook in relatie tot de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf te blijken;
e. indien geen financieringsverklaring, zoals onder sub d wordt bedoeld, kan worden overgelegd, dient bij de aanvraag tot subsidieverlening een exploitatiebegroting te worden overgelegd over het boekjaar volgend op het jaar waarin de subsidieaanvraag plaatsvindt, alsmede een meerjarenbegroting over een periode van 5 jaar. Uit de exploitatiebegroting dient te blijken dat het eigen vermogen nadat de investering waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, heeft plaatsgevonden, niet minder dan 15% van het totale vermogen uitmaakt. Gegevens waaruit blijkt dat het bedrijf waarvoor subsidie wordt aangevraagd gedurende de drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag, niet meer dan gedurende één jaar verlies heeft geleden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen de omvorming van intensieve veehouderijbedrijven steunen door:
[Toelichting: Indien de subsidie niet past binnen het Nederlandse programma voor plattelandsontwikkeling dan dient voor onderdeel 1 te worden voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EG) 1857/2006 Pb L 358/3 (landbouwvrijstelling) of enige andere vrijstellingsverordening. In de landbouwvrijstelling geldt bij gebruik van adviesdiensten (technische ondersteuning) artikel 15. Voor onderdeel 2 bij steun voor investeringen in landbouwbedrijven (artikel 4) geldt een maximum van 40%, waarbij de steun uitsluitend ten goede mag komen aan landbouwbedrijven die geen ondernemingen in moeilijkheden zijn, waarvan de exploitatie voldoet aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn.
De ‘bewijslast' voor genoemde zaken ligt bij de aanvrager. Die zal documenten moeten laten zien waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente is vastgelegd dat in landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's) ruimte wordt geboden voor de ontwikkeling van een toekomstgerichte intensieve veehouderij.
Hiervoor kan het het onder meer nodig zijn:
1. de inrichting van LOG's te verbeteren;
2. de randvoorwaarden voor de duurzame ontwikkeling van de intensieve veehouderij en het LOG in brede zin te verbeteren.
Het voortouw voor de ontwikkeling van de LOG's ligt bij gemeenten en bedrijfsleven. De provincie
stimuleert de duurzame ontwikkeling van LOG's door de subsidiemogelijkheden voor:
1. het opstellen van LOG-ontwikkelingsplannen door gemeenten;
2. modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen (mestverwerking, afvalverwerking, enz.)
Het uiteindelijke ontwikkelingsplan moet voldoen aan een aantal eisen, zoals opgenomen in artikel 8.16, lid 3. Op de subsidiëring van uitvoeringsactiviteiten, zoals bedoeld in artikel 8.15, sub 2 (modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen), is de zogenaamde (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor
[Toelichting: In de landbouwvrijstelling geldt bij steun voor investeringen in landbouwbedrijven (artikel 4) een maximum van 40%, waarbij de steun uitsluitend mag worden toegekend aan landbouwbedrijven die geen ondernemingen in moeilijkheden zijn.]
[Toelichting: Voor de grondgebonden landbouw is een goede ruimtelijke structuur van de landbouwbedrijven een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een duurzame en concurrerende landbouw. In dit kader richt het provinciaal beleid zich op de verbetering van de verkaveling (de omvang, ligging en de vorm van de kavels.
In kader van dit doel worden de volgende twee instrumenten ingezet:
1. wettelijke herverkaveling;
2. vrijwillige kavelruil (twee vormen: ‘losse’ ruil en planmatige ruil).
Voor het opstellen en uitvoeren van deze herverkavelingsprojecten kan subsidie worden verleend.
Op deze maatregel vindt cofinanciering vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 125 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Op de subsidieverlening voor ‘losse’ kavelruilprojecten is geen cofinanciering vanuit POP 2. De bovengenoemde EG-verordening is hierop niet van toepassing. In artikel 8.20 staan de maximale subsidiepercentages vermeld voor de onderscheidende instrumenten en voor de onderscheidende aanvragers c.q. eindbegunstigden. Voor niet-overheden kan ten hoogste 40$ van de subsidiabele kosten worden vergoed omdat deze kosten voor de Vrijstellingsverordening landbouw als investeringsmaatregelen moeten worden aangemerkt. Overigens mogen deze kosten wel volledig worden meegenomen ter bepaling van de omvang van de investeringskosten.
De redelijkheid van de door de aanvrager opgevoerde uitvoeringskosten van activiteiten zal worden beoordeeld aan de hand van de Notitie ‘Normkosten landbouw. Analyse van de kosten van herverkaveling voor de verbetering van de landbouwstructuur, IPO/LNV, mei 2006’.
Vrijwillige kavelruil zonder planmatig karakter is geregeld in de artikelen 85 tot en met 88 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG). Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben hiervoor in artikel 8.18, onder c van het Uitvoeringsbesluit Subsidie Overijssel 2007 (Ubs) een subsidiemogelijkheid gecreëerd.
Deze subsidiemogelijkheid uit het Ubs heeft tot doel op een snelle en goedkope wijze via een eenvoudige procedure op basis van vrijwilligheid tot een betere verkaveling te komen. Het gaat daarbij om kleinere projecten van administratieve aard. Een betere verkaveling moet in het belang zijn van landbouw al dan niet in samenhang met natuur of landschap.
Om voor deze subsidie in aanmerking te komen, moet een kavelruil minimaal voldoen aan enkele criteria. Deze zijn ontleend aan de artikelen 85 tot en met 88 van de WILG en artikel 8.18, onder c
van het Ubs. Deze criteria zijn:
• ten minste drie partijen dienen onroerende zaken in te brengen;
• ten minste twee partijen daarvan onroerende zaken krijgen toebedeeld; eventueel kan de derde partij volstaan met het bedingen van slechts een geldsom;
• er moet in elke kavelruil ruiling van grond plaatsvinden;
• de ruil moet leiden tot verbetering van de verkaveling van landbouwbedrijven (bijvoorbeeld afstandsverkorting, perceelsvergroting of perceelsvorm).
Conform artikel 85 van de WILG zijn koop-/verkooptransacties tussen eigenaren binnen een kavelruil mogelijk. De strekking van de wet is evenwel niet om bij koop-/verkooptransacties de notariskosten zonder meer te subsidiëren. Bij een kavelruilovereenkomst, waarin koop- en verkooptransacties zijn opgenomen die los staan van het ruilproces en die evengoed plaats kunnen vinden buiten kavelruil, zullen deze transacties niet gesubsidieerd worden. Van (grond)ruil is sprake wanneer een partij grond afstoot én terug krijgt. Alleen de kosten van de in de overeenkomst opgenomen ruilingen en transacties komen in aanmerking voor subsidiëring.
Het is gewenst bij kavelruil aanwezige natuurwaarden alsmede landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behouden. Daartoe moet bij het ruilen zoveel mogelijk rekening gehouden worden met bestaande topografische grenzen, zoals bijvoorbeeld sloten, structuurlijnen, kavelgrensbeplantingen en verschillen tussen hoog en laag. Het initiatief voor kavelruilen moet door de betrokken partijen zelf worden genomen.
De partijen stellen zelf een conceptovereenkomst op. In de overeenkomst zijn in ieder geval opgenomen een overzicht per deelnemer van inbreng en toedeling alsmede een kaart van de bestaande situatie (situatiekaart) en een kaart van de toekomstige situatie (kavelkaart). De conceptovereenkomst wordt toegezonden aan de door partijen aangewezen notaris, die deze beoordeelt en vóór de ondertekening kadastraal en hypothecair rechercheert en een titelonderzoek instelt. Na de ondertekening draagt de notaris zorg voor het inschrijven van de overeenkomst in de openbare registers. Door de inschrijving van de overeenkomst wordt de overeenkomst mede verbindend voor degenen die na de inschrijving onder bijzondere titel in de rechten van de eigenaren opvolgen (artikel 86 van de WILG).
Een kavelruil moet in beginsel uitsluitend bestaan uit gronden die geheel van eigenaar veranderen.
Indien in een kavelruilovereenkomst gedeeltelijke percelen worden ingebracht (en toegedeeld) dan
geldt de volgende procedure, zodat er uiteindelijk gehele percelen worden overgedragen. Deze
betreffende perceelsgedeelten worden op kaart aangegeven. In voorkomende gevallen draagt de
notaris zorg voor de aanvraag van perceelssplitsing bij het kadaster (meting en kadastrale toepassing van de door partijen overeengekomen nieuwe grenzen). Hierdoor worden in de akte uitsluitend gehele percelen ingebracht en toegedeeld en kan, indien van toepassing, de over- en ondermaat van de in de overeenkomst ingebrachte perceelsgedeelten worden bepaald en zo nodig verrekend. Indien de kavelruil gelegen is in een landinrichtingsproject respectievelijk een gebied waar planmatige vrijwillige kavelruil plaatsvindt moeten partijen in een vroegtijdig stadium overleg plegen met de desbetreffende commissie (landinrichtings-, voorbereidings- of uitvoeringscommissie), respectievelijk de verantwoordelijke voor de planmatige vrijwillige kavelruil om instemming van deze commissie te verkrijgen.
De overeenkomst moet aan de eisen voldoen uit de AMvB ex artikel 88 van de WILG.
De bij de ruilovereenkomst betrokken partijen kunnen (gezamenlijk) een aanvraag voor subsidie indienen bij de Dienst Landelijk gebied.
Deze betrokkenen kunnen eventueel de betreffende notaris machtigen om een subsidieaanvraag in te dienen.
De volgende notariële kosten worden vergoed:
a. het verstrekken van kadastrale en hypothecaire informatie door het kadaster aan de notaris ten behoeve van kavelruilovereenkomst en –akte;
b. het opstellen van de kavelruilovereenkomst en –akte en het inschrijven ervan in de openbare registers;
c. (eventuele) perceelssplitsingen die in de overeenkomst zijn opgenomen en voorzover door de notaris aangevraagd. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 8.18, sub c, tevens een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden.
[Toelichting: Deze subsidieparagraaf biedt een basis voor de subsidieverlening voor de verplaatsing van bedrijven.
Verplaatsing van landbouwbedrijven worden gestimuleerd ten behoeve van de realisatie van provinciale doelen natuur, recreatie of landschap en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw. De provincie verwerft gronden voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Daarbij streeft de provincie ernaar om in zoveel mogelijk situaties op vrijwillige basis gronden te verwerven op een zodanige wijze dat daarvan geen marktverstorende werking uitgaat. Op grond van deze subsidiebepalingen kan een extra stimulans gegeven worden aan vrijwillige verplaatsing van bedrijven ten behoeve van de grondverwerving voor de realisatie van bovengenoemde provinciale doelen, zodat inzet van het onteigeningsinstrumentarium zo min mogelijk nodig is.
Subsidie is mogelijk in heel Overijssel, met uitzondering van het zogenaamde NURG-gebied (Nadere Uitwerking Rivierengebied). De grondverwerving in het NURG-gebied is een verantwoordelijkheid van het Rijk (artikel 8.23, lid 2).
Een belangrijke voorwaarde voor subsidie voor verplaatsing van een landbouwbedrijf is dat:
1.
¿ tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie (op grond van de Landinrichtingswet) of
¿ tussen de aanvrager en Gedeputeerde Staten (Reconstructiewet of vanaf 1 januari 2007 Wet Inrichting Landelijk Gebied) inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling, of
2. de eigenaar van het te verplaatsen bedrijf verklaart bij de aanvraag, dat de bijbehorende grond of een overeenkomstige oppervlakte (als onderdeel van een inrichtingsplan) zodanig wordt ingericht, dat de provinciale doelen worden gerealiseerd. Deze bepaling is met name bedoeld voor pachtsituaties (duurzaam gebruiksrecht), waarbij de pachter verplaatst naar een andere locatie en de eigenaar/verpachter de grond onttrekt aan landbouwkundig gebruik en zal gaan inrichten overeenkomstig het beoogde provinciaal doel, bijvoorbeeld als natuurgebied. Hiervoor moet de eigenaar een verklaring bij de subsidieaanvraag overleggen, waarbij de eigenaar zich verplicht de vrijkomende landbouwgrond in te richten ten behoeve van de realisatie van het beoogde provinciale doel op gebied van natuur, recreatie, landschap en of de verbetering van de ruimtelijke structuur.
Subsidie voor verplaatsing heeft alleen betrekking op hele landbouwbedrijven, en is niet bedoeld
voor gedeelten, aangezien dat splitsing van bedrijven tot gevolg zou hebben. Op grond van
artikel 8.23, lid 3, onder c, kunnen Gedeputeerde Staten hier in bijzondere gevallen van afwijken.
Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een bedrijf verplaatst naar een veldkavel van
dat bedrijf, waarbij er geen belang is om die veldkavel door BBL te laten verwerven. Voorop staat
hierbij dat de grond, die in die situatie geen deel van de koopovereenkomst zal gaan uitmaken, niet
van belang is voor de realisatie van een in artikel 8.22 genoemd provinciaal doel.
Indien dit aan de orde is, wordt de subsidie naar evenredigheid van de aan BBL over te dragen
grond, als percentage van de totale grondoppervlakte van het te verplaatsen bedrijf, berekend.
Een andere voorwaarde voor verplaatsing op grond van het vierde lid van artikel 8.23 is dat de
hervestiging van een volwaardig bedrijf moet plaatsvinden binnen 24 maanden na de transactie als
bedoeld in het derde lid van artikel 8.23, op een duurzame locatie.
Voor een volwaardig bedrijf geldt een ondergrens van 50 NGE, te bepalen aan de hand van de meitelling zoals die wordt uitgevoerd door het Landbouw-Economisch Instituut.
De subsidie voor verplaatsing vormt een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de verplaatsing van het bedrijf. De subsidie voor verplaatsing bestaat uit 2 onderdelen, namelijk:
a. 100% van de daadwerkelijke gemaakte verplaatsingskosten tot een maximum van
€ 100.000,--, vermeerderd met
b. 40% van het verschil tussen de investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en de door DLG getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie, met een maximum van € 300.000,--.
Als verplaatsingskosten (onder a) worden aangemerkt:
Investeringskosten op de hervestigingslocatie (onder b) betreffen:
Er wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruik
maakt van het Provinciale Beleidskader Rood voor rood, indien aanvrager voor hetzelfde onderdeel
daaruit financiële middelen verkrijgt. Ook wordt geen subsidie verleend op grond van deze subsidiebepalingen indien de aanvrager gebruik maakt van de Beleidsregel Intensieve Veehouderijen
Overijssel 2005 of indien de aanvrager een volledige wettelijke of vrijwillige schadeloosstelling heeft
ontvangen voor de betreffende bedrijfsgebouwen en bijbehorende gronden.
De subsidie (inclusief die op grond van andere regelingen zijn of worden verleend) en het aankoopbedrag gezamenlijk mogen op grond van het tweede lid van artikel 8.23. niet meer bedragen dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling. Dit bedrag kan door taxatie door een onafhankelijk beëdigd taxateur worden vastgesteld. Op deze manier wordt voorkomen dat een aanvrager meer subsidie of vergoedingen kan krijgen dan de werkelijke kosten die hij maakt voor de hervestiging van het bedrijf. De subsidie voor hervestiging op grond van deze regeling betreft immers, zoals hiervoor aangegeven, een tegemoetkoming in de werkelijke kosten van de hervestiging van het bedrijf. Deze subsidiemogelijkheid is bij de Europese Commissie gemeld onder artikel 6 van de zogenaamde (Vrijstellings)verordening Landbouw. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de verplaatsing van een landbouwbedrijf ter bevordering van de grondverwerving ten behoeve de realisering van de provinciale doelen natuur, recreatie of landschap en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:
[Toelichting: De Overijsselse landbouw kan zijn internationale concurrentiepositie in West-Europa en mondiaal alleen behouden en versterken door continu te innoveren op het gebied van producten, productiewijzen en productiemiddelen om zo betere producten te maken en/of de productiekosten te verlagen. Innovaties kunnen ook gericht zijn op het verlagen van de milieudruk van de landbouw en/of het inspelen op maatschappelijke wensen en eisen ten aanzien van landbouwproducten en productiewijzen. Veel innovaties zullen waarschijnlijk een combinatie van zowel concurrentieversterking als verduurzaming in zich hebben.
Voor het oppakken van deze innovatieopgaven is samenwerking tussen de betrokken partijen in ketens en gebieden en kennisinstellingen belangrijk. In de praktijk blijkt het dat samenwerking tussen keten- en gebiedspartijen en kennisinstellingen en de andere genoemde partijen, zeker als het om nieuwe ontwikkelingen gaat, niet altijd gemakkelijk van de grond komt. In ons beleid geven wij speciale aandacht aan het versterken van deze samenwerking. In dit kader streven wij ernaar om in samenwerking met het landbouwbedrijfsleven, ketenpartijen en kennisinstellingen een innovatieagenda met bijbehorend uitvoeringsprogramma voor het agrocluster opstellen.
In de uitvoering richten wij ons vooral op de volgende punten:
1. de vorming en professionalisering van clusters, ketens en netwerken van bedrijven gericht op innovatie, kennisontwikkeling en kennisspreiding in het agrocluster;
2. gebruik van adviesdiensten en/of kennisinstellingen door (een) landbouwondernemer(s) voor een op innovatie gericht project;
3. het stimuleren van samenwerkingsproject van landbouwondernemers of van (een) landbouwondernemer(s) met andere partners (keten- en/of gebiedspartijen) en/of kennisinstellingen, gericht op product-, proces- en systeeminnovaties in de landbouw en het agrocluster.
Subsidiemogelijkheden zijn er voor:
1. activiteiten gericht op het versterken van het innovatieve vermogen van de agrarische bedrijven en samenwerkingsverbanden van agrarische bedrijven en andere bedrijven;
2. samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling van nieuwe producten, productiewijzen en/of technologieën.
Op de subsidieverlening is de zogenaamde (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing.
Met betrekking tot subsidieonderdeel 2 is artikel 4 van de genoemde vrijstellingsverordening van toepassing. Voor de beschrijving van de consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'.
Er wordt 2 keer per jaar een tender georganiseerd, namelijk rond 1 april en 1 oktober.
De subsidieaanvragen zullen worden voorgelegd aan een externe adviescommissie om het innovatieve en kansrijke aspect te beoordelen. De meest innovatieve en kansrijke aanvragen zullen worden gehonoreerd. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 worden subsidieaanvragen voor 1 september van het betreffende kalenderjaar ingediend.
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.
[Toelichting: Toekomstgericht ondernemerschap is een belangrijke voorwaarde voor de succesvolle ontwikkeling van landbouwondernemingen. Meer dan in het verleden zal ondernemerschap de komende jaren
voor Nederland de bepalende succesfactor zijn voor ondernemingen in de landbouw, voedsel en bosbouw om zich aan te (kunnen) passen aan de wensen en eisen van markt, samenleving en overheid (bijvoorbeeld nieuwe overheidsregels en -normen inzake milieu, waterbeheer, veterinaire
en sanitaire eisen, fytosanitaire eisen, dierenwelzijn; veranderingen in de vraag naar producten) en ontwikkelingen in de fysieke, sociale en technische omgeving (bijvoorbeeld technologische ontwikkelingen, veranderende managementopvattingen, veranderingen in de waterhuishouding, veranderingen van functies in de omgeving van de onderneming). De relatief hoge productiekosten in Overijssel maken het nodig om, op individuele ondernemingen en in samenwerkingsverbanden, enerzijds mogelijkheden die er zijn om efficiënter te werken te benutten en anderzijds producten en productiewijzen op ondernemingen te ontwikkelen en introduceren die meerwaarde (economisch,
ecologisch en/of sociaal) opleveren. Dit kan op individuele ondernemingen, maar ook in samenwerking met anderen. Dit vereist een hoog niveau van inzicht, kennis en vaardigheden van ondernemers.
Het aanpassen aan veranderende wensen en eisen en nieuwe ontwikkelingen vereist van mensen werkzaam in de landbouw en bosbouw dat zij zich met enige regelmaat laten voorlichten en bijscholen, en dat zij kennis nemen van nieuwe ontwikkelingen en wat dat betekent dan wel kan gaan betekenen voor hun bedrijf.
De provincie wil de ontwikkeling van het ondernemerschap in de landbouw steunen. Hierbij richt de provincie zich op
1. projecten gericht op het opstellen van toekomstgerichte bedrijfsplannen voor landbouwondernemers;
2. (samenwerkings)projecten gericht op investeringen in duurzaamheid van de leefomgeving. Dit moet gaan om investeringen die verder gaan dan wettelijk vereist is of vooruitlopen op nieuwe wetgeving;
3. diversificatie naar niet agrarische activiteiten.
De versterking van ondernemerschap betreft zowel de gangbare landbouw, de verbrede landbouw (zoals agrotoerisme, duurzame energie, landbouw en zorg) en de biologische landbouw.
Om voor subsidie in aanmerking te komen moet het landbouwbedrijf een minimale bedrijfsgrootte
van 40 NGE hebben. Op de subsidieverlening voor de genoemde subsidiemogelijkheden 1 en 2 is de zogenaamde Vrijstellingsverordening Landbouw van toepassing.
Met betrekking tot subsidiemogelijkheid 2 (investeringen in landbouwbedrijven) is artikel 4 van de genoemde vrijstellingsverordening van toepassing. Dit heeft de volgende consequenties voor de subsidieaanvraag en -verlening. De investering moet gericht zijn op een van de volgende doelstellingen:
a. het beschermen en het verbeteren van het milieu die verder gaan dan wat wettelijk vereist is;
b. het beschermen en verbeteren van het dierenwelzijn;
c. de verhoging van de toegevoegde waarde van de agrarische productie.
Voor de beschrijving van de overige consequenties hiervan voor de subsidieaanvraag en -verlening, wordt verwezen naar uitvoerige toelichting hierop, die is opgenomen bij onderdeel ‘Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)'.
Op grond van artikel 19 van de bovengenoemde vrijstellingsverordening is stapeling met andere subsidies niet toegestaan boven het in artikel 8.34, lid 2, genoemde subsidiepercentage van 40% voor investeringen. Het totale subsidiebedrag (ook uit andere regelingen) mag niet uitkomen boven het in dit artikel genoemde subsidiepercentage. Stapeling is dus alleen mogelijk, indien het totale subsidiebedrag niet boven de genoemde percentage uitkomt. Wel mag door samenloop van subsidies het maximaal genoemde subsidiebedrag van € 100.000,-- worden overschreden. De subsidiemogelijkheid ‘Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten' wordt gecofinancierd vanuit
POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 311 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013). Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. In september 2006 heeft de provincie een eenmalige tender uitgeschreven waarbij gegadigden zijn uitgenodigd om met ambitieuze voorstellen te komen voor pilot projecten voor de toepassing van agrobiodiversiteit en duurzame landbouw in Overijssel door:
Specifiek voor agrobiodiversiteit moeten de projectvoorstellen voldoen aan de volgende criteria:
Het samenwerken met andere (maatschappelijk) organisaties verdient sterk de voorkeur. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april dan wel voor 1 oktober.
[Toelichting: De biologische landbouw heeft een belangrijke voortrekkersrol voor de verduurzaming van de gehele landbouw. De biologische landbouw versterkt landschapswaarden en leidt vaak tot functionele verweving van landbouw, natuur en landschap. Dit biedt kansen voor de ontwikkeling van duurzame landbouw in kwetsbare gebieden. Om deze redenen willen wij de ontwikkeling van de biologische landbouw ondersteunen. Daarvoor hebben wij het plan van aanpak ‘Biologische landbouw 2005-2007' opgesteld. Wij richten ons hierbij vooral op het grootste knelpunt: de verbetering van de afzet.
De subsidiemogelijkheden zijn voor:
1. samenwerkingsprojecten van agrarische ondernemers en ketenpartijen;
2. algemene promotie van biologische producten.
Het subsidiepercentage bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten (o.a. kosten voor advies).
De eindbegunstigden zijn bij deze subsidiebepalingen niet eenduidig. Vaak zal de eindbegunsigde een onderneming zijn. Bij de beoordeling van deze subsidieaanvragen wordt met name rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Indien de eindbegunstigde een landbouwonderneming is, is artikel 15 van de (vrijstellings)verordening Landbouw van toepassing.
Op grond van artikel 15 van de genoemde vrijstellingsverordening geldt de beperking voor technische ondersteuning dat de in een driejarige periode toegekende subsidie niet meer dan € 100.000,-- per eindbegunstigde mag bedragen. Dit maximum moet ook bij stapeling van subsidies in acht worden genomen.]
Subsidie kan worden verleend voor activiteiten voor de bevordering van de afzet van biologische producten. Het gaat hierbij met name om:
Subsidie voor het bevorderen van de afzet van biologische producten moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw danwel aan artikel 2 van de de-minimisverordening.
De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten, met een maximum subsidiebedrag van € 100.000,-- per driejarige periode per eindbegunstigde.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: De algemene lijn is dat er subsidie beschikbaar is voor de aankoop van nieuwe natuur. Via het Programma Beheer (Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel) is een subsidiemogelijkheid gecreëerd voor particulieren die grond willen verwerven en beheren indien deze gronden in de provinciale natuurgebiedsplannen zijn begrensd als nieuwe natuur.
Deze paragraaf heeft betrekking op de verwerving van grond door de particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. Dit zijn Landschap Overijssel en de Vereniging Natuurmonumenten. Voorwaarde is dat de grond gelegen moet zijn in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de grond moet zijn begrensd als nieuwe natuur in de natuurgebiedsplannen.
Eerstgegadigdenkaart
In de Eerstgegadigdenkaart zijn de invloedssferen van de natuurbeschermingsorganisaties Vereniging Natuurmonumenten, Landschap Overijssel en Staatsbosbeheer in Overijssel weergegeven. Deze kaart is bepalend voor welke natuurbeschermingsorganisatie een perceel grond, dat op de markt wordt aangeboden, aan zal gaan kopen.
De Eerstgegadigdenkaart is van belang bij de beoordeling of de subsidieaanvrager als eerste in aanmerking komt voor aankoop van de betreffende grond. Als gevolg van belangrijke wijzigingen die ten behoeve van ruimere mogelijkheden voor particulier beheer worden doorgevoerd, kunnen
Gedeputeerde Staten wijzigingen op deze kaart aanbrengen.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de verwervingskosten en eventueel de vergoeding van de kosten voor beëindiging van pachtovereenkomsten.
Indien er pachtgrond wordt verworven moet de pacht die op deze grond rust binnen een periode van drie jaar zijn beëindigd. Indien hier niet aan wordt voldaan, zal de gehele subsidie voor de verwerving van desbetreffende grond (dus ook de verwervingssubsidie) moeten worden terugbetaald.
In artikel 8.42 is aangegeven welke kosten subsidiabel zijn.
Niet subsidiabel zijn de aankoopkosten van productiequota. ]
Gedeputeerde Staten kunnen voor de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en/of Robuuste verbindingszones subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het stimuleren van aanleg en/of particulier beheer van nieuwe natuur op landgoederen in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en Robuuste verbindingszones.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: In het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel worden in natuurgebiedsplannen natuurgebieden aangewezen.
Afhankelijk van het te realiseren natuurdoel moet de aangekochte cultuurgrond ingericht worden. Inrichting is vaak pas mogelijk als samenhangende gebieden zijn aangekocht.
Subsidie voor inrichting van deze gebieden is in eerste instantie op grond van de genoemde Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel mogelijk. Voor die situaties, waarbij op grond van deze subsidieregeling geen subsidie mogelijk is, fungeren de betreffende subsidiebepalingen als een vangnet voor inrichting. Staatsbosbeheer valt niet onder de Subsidieregeling Natuurbeheer (Overijssel). Deze organisatie kan een beroep doen op de onderhavige subsidiebepalingen.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet het gaan om gronden die als nieuwe natuur zijn begrensd in het Natuurgebiedsplan Overijssel en/of de aangrenzende bestaande natuurgebieden waar in samenhang met de nieuwe natuurgebieden inrichtingsmaatregelen nodig zijn om de beoogde natuurdoelen te kunnen bereiken. Vereiste daarbij is tevens dat de gronden binnen de Ecologische Hoofdstructuur c.q. binnen de Robuuste Verbindingszones, zijn gelegen.
Op grond van artikel 8.47, lid 1, bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten. In lid 2 van dat artikel is aangegeven welke kosten tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Onder inrichtingskosten worden ook inpassingmaatregelen ten behoeve van de landbouw gerekend.
De redelijkheid van de door de aanvrager opgevoerde inrichtingskosten zal worden beoordeeld aan de hand van de normkosten, die voor inrichten EHS zijn opgesteld. De maximaal subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.45 lid 1 zijn per klasse vastgesteld (prijspeil 2004).
Voor de inrichting van nieuwe natuur in deze toplijstgebieden is € 2.500,-- per hectare extra beschikbaar voor hydrologische inrichtingsmaatregelen, bovenop de eerdergenoemde maximaal subsidiabele kosten. Dit wordt gecofinancierd vanuit POP 2, op basis van Verordening (EG) 1698/2005 Pb L 277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 216 (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013). Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing.
| klasse | natuurdoelen (overeenkomstig vigerende Natuurgebiedsplan Overijssel) | maximaal subsidiabele kosten per ha (in €) |
|---|---|---|
| 1 | 1, 10, 11, 12, 13, 17, 24, 25 | 4.900 |
| 2 | 5a, 5b, 5c, 9b, 23 | 7.400 |
| 3 | 3, 6, 9a, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 26, 27 | 10.200 |
| 4 | 2, 4, 7a, 7b, 8 | 24.000 |
Voor de kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur is het oplossen van verdroging en vermindering van de ammoniakdepositie belangrijk. Het onderzoek naar milieutekorten binnen de EHS toont aan dat circa 60% van het verdroogde areaal in de Natura 2000 gebieden binnen de EHS ligt. Omdat niet alles tegelijk kan worden gerealiseerd heeft verdrogingsbestrijding in de Natura 2000 gebieden binnen de EHS de voorkeur. Er is een nadere prioritering van deze gebieden gemaakt. Deze gebieden vormen de zogenaamde TOP-lijstgebieden. Deze is opgenomen in het pMJP. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
| klasse | natuurdoelen (overeenkomstig vigererende Natuurgebiedsplan Overijssel | maximaal subsidiabele kosten per ha (in €) |
|---|---|---|
| 1 | 1, 10, 11, 12, 13, 17, 24, 25 | 4.900 |
| 2 | 5a, 5b, 5c, 9b, 23 | 7.400 |
| 3 | 3, 6, 9a, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 26, 27 | 10.200 |
| 4 | 2, 4, 7a, 7b, 8 | 24.000 |
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend
[Toelichting: Het soortenbeleid is een zelfstandig onderdeel binnen het algemene natuurbeleid. Naast de instrumenten van de gebieds- ofwel ecosysteembenadering zijn specifieke soortgerichte maatregelen noodzakelijk. Voor het onderdeel soortenbescherming hebben de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de provincies en de soortenbeschermende organisaties in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid (MJP) 2000-2004 aangegeven hoe zij gezamenlijk uitvoering zullen geven aan het soortenbeleid in de periode 2000-2004. Inmiddels is deze periode verlengd tot en met 2006. Door de gezamenlijke aanpak wordt beoogd te komen tot een goed evenwicht en goede afstemming van landelijke en provinciale activiteiten. Daarnaast is het doel die maatregelen te treffen voor de soorten waarvoor de situatie op het moment het meest urgent is. Op basis van het DI-akkoord 1996 en de Bestuursovereenkomst IPO/LNV/VROM worden de bij het uitvoeringsprogramma behorende financiële middelen door het Rijk aan de provincie overgemaakt. Daarbij schenkt de provincie in haar beleid ook zelf aandacht aan provinciaal bedreigde soorten en stelt zij hiertoe financiële middelen beschikbaar. Op grond van haar eigen begroting zet de provincie ook zelf provinciale middelen in. Voornoemde geldstromen worden voor een deel (50%) via de provinciale begroting als subsidie naar de betrokken partijen weggezet en een deel als opdracht (50%).
Er wordt enkel subsidie verleend voor activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Soortenbeleid 2000-2004 en voor soorten die zijn aangemerkt als provinciale aandachtssoort (Nota Natuur en Landschap). Op deze wijze wordt de gebundelde bijdrage van de bij het soortenbeleid betrokken partijen gewaarborgd en wordt versnippering van inspanningen voorkomen. De regeling staat open voor aanvragen voor iedereen. In de praktijk zullen vooral ondernemingen of overheden eindbegunstigden zijn. Natuur- en terreinbeherende organisaties vallen ook onder het overheidsbegrip. Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Voor landbouwondernemingen wordt bij de beoordeling rekening gehouden met de (Europese) ‘de minimis'-regeling voor landbouw en visserij van de Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004. Subsidie kan worden verleend ten behoeve van een landbouwonderneming waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 3.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 3.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Aanvragen beneden de € 500,-- worden niet behandeld: de kosten die met de behandeling zijn gemoeid staan niet in verhouding tot het bedrag waarvoor subsidie wordt verleend. Met het hanteren van deze ondergrens wordt afgezien van het heffen van leges.
Een aantal kostencategorieën is uitgesloten van subsidiëring, de zogenaamde niet subsidiabele kosten, die zijn opgenomen in artikel 8.51, lid 2 van dit besluit. Voor zover deze kosten onderdeel uitmaken van de aanvraag worden ze bij de eventuele subsidieverlening buiten beschouwing gelaten. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:
In afwijking van artikel 1.13 worden subsidieaanvragen voor 1 april van het betreffende kalanderjaar ingediend.
In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.
[Toelichting: Het gaat niet goed met de weidevogelstand. Met name de grutto gaat sterk achteruit. Vooral in de kuikenfase is deze soort erg kwetsbaar voor maaien. Daarnaast worden vaak grote oppervlaktes in één keer gemaaid, waardoor gruttokuikens geen dekking tegen predatoren (lang gras) en voedsel (insecten zitten in het lange gras) meer kunnen vinden. Hierdoor worden veel te weinig grutto's vliegvlug. Plaatselijk speelt daarbij ook predatie een belangrijke rol. Voor de grutto heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid. In het Actieplan ‘Boeren met weidevogels' heeft de provincie Overijssel in 2003 aangegeven in te willen zetten op extra maatregelen om de weidevogelstand te verbeteren, met name voor kwetsbare soorten als grutto en tureluur. Het weidevogelbeheer kent diverse pijlers. Een daarvan is de Natuurproductiebetaling. Dat is een vergoeding voor daadwerkelijk uitgekomen legsels van bedreigde weidevogels. Het gaat om de grutto, tureluur, wulp, slobeend, zomertaling, watersnip en kemphaan. De vergoeding van € 70,-- wordt uitgekeerd voor de extra inspanning die de ondernemer moet verrichten voor het beschermen van het legsel. Boeren die de legselbescherming combineren met een beheerovereenkomst ontvangen € 100,-- per succesvol legsel.
Uit onderzoek komt naar voren dat actieve bescherming van de weidevogelnesten leidt tot een beter broedresultaat. Het blijkt dat bij bescherming 30% meer legsels succesvol uitkomen. Steun aan de weidevogels is zeer urgent vanwege afname van aantallen in het agrarisch gebied en ook in de natuurgebieden.
Eén andere maatregel is het project Koplopers weidevogelboeren. In dit project worden extra maatregelen voor weidevogels mogelijk gemaakt. Grondgebruikers kunnen subsidie aanvragen indien zij extra maatregelen treffen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels.
Deze maatregelen zijn vooral gericht op het verhogen van de kuikenoverleving. Dit project werd in 2005 opgestart en gefinancierd door de provincie (€ 100.000,--) en vanuit een fonds (€ 430.000,-- voor 10 jaar), dat door Rijkswaterstaat beschikbaar is gesteld voor extra maatregelen voor weidevogels ter compensatie van de aanleg van de N 50.
In Overijssel zijn de gebieden, waar nog relatief veel kritische soorten weidevogels (o.a. grutto, tureluur) voorkomen, op grond van het Programma Beheer begrensd als beheersgebied of nieuwe natuur voor weidevogels. Het accent ligt hier op het IJsseldeltagebied en Noordwest-Overijssel. Daarnaast liggen er verspreid in Salland en Twente een aantal beheersgebieden voor weidevogels. Dit betekent dat hier subsidies mogelijk zijn voor weidevogels volgens de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (Overijssel) of de Subsidieregeling Natuurbeheer (Overijssel). Dit levert tot nog toe onvoldoende resultaat op. De weidevogelstand gaat nog steeds hard achteruit. Daarom willen we komen tot meer maatwerk en extra maatregelen voor behoud van de weidevogelstand. Deze maatregelen voor weidevogels willen we uitvoeren bij die boeren die nu door veel inzet nog hoge dichtheden aan weidevogels, en m.n. grutto's, op hun bedrijf hebben (‘de koplopers in het gebied'). Hier zullen aanvullende maatregelen het meeste rendement opleveren.
De aanvullende maatregelen zullen m.n. gericht zijn op het verhogen van het broedsucces en de kuikenoverleving (o.a. strokenbeheer, mozaïekbeheer). We maken daarbij gebruik van de ervaringen van het landelijk project ‘Nederland - Gruttoland'. In het project ‘Nederland-Gruttoland' is ervaring opgedaan met aanvullende maatregelen voor weidevogels (m.n. de grutto) bij een aantal boeren (53) in 6 clusters (Agrarische Natuurverenigingen) verspreid over Nederland (totaal 1.600 hectare). Op basis van deze ervaringen én eigen ervaringen is het Koploperproject uitgewerkt in een aantal maatregelen dat sterk gericht is op het verhogen van de kuikenoverleving. Door een gezamenlijke aanpak, meer maatwerk en aanvullende maatregelen voor weidevogels (mozaïekbeheer) moet dit resulteren in een hogere reproductie (meer vliegvlugge weidevogelkuikens) en een toename van de weidevogelstand met 25% in 5 jaar bij de deelnemende bedrijven. Tevens geldt het als een voorbeeldfunctie voor andere gebieden. Deze regeling is als experiment opgezet. We streven er naar om de uitvoering van het project in de loop der jaren over te dragen aan bestaande of nog op te richten samenwerkingsverbanden van agrariërs in het gebied, waarbij de provincie meer een sturende en ondersteunende rol gaat spelen.
De maatregelen voor bescherming van weidevogels passen binnen de systematiek van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten. Deze catalogus geeft inzicht in welke maatregelen en welke vergoedingen zijn toegestaan binnen de communautaire richtsnoeren voor staatssteun. ]
[Toelichting: Het uitvoeringsbesluit schrijft in artikel 1.13 voor dat aanvragen voor prestatiesubsidies worden ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Juist het specifieke onderwerp waarop deze regeling betrekking heeft, noodzaakt tot een andere indieningstermijn. Vanaf circa 1 april start het broedseizoen van de kwetsbare soorten weidevogels. Met inachtneming van een korte behandeltermijn zullen de aanvragen dan ook voor 1 april moeten zijn ingediend. Voor Natuurproductiebetaling geldt een termijn van 6 dagen na uitkomen van het legsel.]
In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag:
[Toelichting: In afwijking van hoofdstuk 1 wordt geen voorschot uitgekeerd.]
In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid.
[Toelichting: Monitoring van de resultaten van de activiteiten vindt o.m. plaats door intekening van de legsels op een bedrijfskaart. Gedeputeerde Staten zorgen in beginsel voor verstrekking van de kaarten. Ook zullen Gedeputeerde Staten tussentijds willen weten hoe bepaalde activiteiten zich ontwikkelen, welke resultaten zijn geboekt, enz. Om deze controle mogelijk te maken dienen de kaarten op het bedrijf zelf aanwezig te zijn.]
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart.
In afwijking van artikel 1.22 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid.
[Toelichting: Nationale parken zijn aaneengesloten gebieden van tenminste duizend hectare, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzondere landschappelijke gesteldheid en planten- en dierenleven. Er zijn goede mogelijkheden aanwezig voor recreatief medegebruik. In de nationale parken worden natuurbeheer en natuurontwikkeling geïntensiveerd, natuur- en milieueducatie sterk gestimuleerd en vormen van natuurgerichte recreatie, alsook onderzoek bevorderd.
De nationale parken behoren tot de kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het stelsel van natuur- en bosgebieden met hun rand- en verbindingszones, de groene ruggengraat van de Nederlandse natuur.
In Overijssel zijn er 2 nationale parken, namelijk De Weerribben-Wieden in opriching en De Sallandse Heuvelrug.
De eigenaren/beheerders en de betrokken instanties (provincies en gemeenten) zijn vertegenwoordigd in een overlegorgaan. De minister van LNV installeert zo'n overlegorgaan bij de instelling van een nationaal park. De eigenaren/beheerders, instanties en organisaties die hierin zijn vertegenwoordigd, binden zich aan de uitgangspunten die de minister van LNV heeft opgesteld.
De eerste taak van het overlegorgaan is het opstellen van een gemeenschappelijk Beheers- en Inrichtingsplan voor het parkgebied in zijn totaliteit. Als de minister zijn goedkeuring voor dit plan heeft gegeven, is het overlegorgaan verantwoordelijk voor de uitvoering.
In het overlegorgaan zetten partijen zich in voor:
1. versterken samenwerking tussen eigenaren, beheerder en overheden t.b.v. integraal beheer;
2. stimuleren educatieve functie van de parken;
3. stimuleren van passende op natuurbeleving gerichte recreatievormen.
Voor de uitvoering stelt het overlegorgaan jaarlijks een bestedingenplan op. De realisatie van de geprogrammeerde activiteiten hierin vinden deels plaats via subsidieverlening. De subsidieregels hiervoor staan in deze paragraaf.
Het betreft activiteiten op het gebied van beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek. De regeling staat open voor aanvragen voor iedereen. In de praktijk zullen vooral ondernemingen of overheden eindbegunstigden zijn. Natuur- en terreinbeherende organisaties vallen ook onder het overheidsbegrip.
Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling.
Voor landbouwondernemingen wordt bij de beoordeling rekening gehouden met de (Europese) ‘De minimis'-regeling voor landbouw en visserij van de Verordening (EG) nr. 1860/2004 van de Commissie van 6 oktober 2004. Subsidie kan worden verleend ten behoeve van een landbouwonderneming waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 3.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend . Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 3.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Voor de beoordeling van de ‘de minimis'-steun wordt gekeken naar de eindbegunstigde van de subsidie. Ondernemingen en landbouwondernemingen moeten hiertoe bij de subsidieaanvraag een zogenaamde ‘de minimis'-verklaring overleggen.
Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek van nationale parken de Sallandse Heuvelrug of De Weerribben-De Wieden in oprichting.
De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: In het landschap vinden vele en veelsoortige ontwikkelingen plaats. Zo stelt bijvoorbeeld de moderne landbouw andere eisen aan het landschap en krijgen nieuwe functies als wonen, niet-agrarische bedrijvigheid en recreatie een steeds belangrijker plek in het landelijk gebied. Dit heeft invloed op de verschijningsvorm en de belevingswaarde van het landschap. Met andere woorden de landschappelijke kwaliteit is in het geding.
De prestatie Kwaliteit Cultuurlandschap stimuleert projecten die gericht zijn op vormgeving en herstel/realisering van landschappelijke kwaliteit en Groen om de grote steden en kernen. Daarbij onderscheiden we vier categorieën:
1. Prestaties gericht op planvorming t.b.v. ontwikkelings- en inrichtingsvraagstukken in relatie tot de landschappelijke kwaliteit.
Voorbeelden hiervoor zijn Landschapsontwikkelingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en Landgoedversterkingsplannen (voor landgoederen ouder dan 50 jaar en groter dan 25 ha). Voorwaarde is dat er een stevige relatie wordt gelegd met de uitvoering, bijvoorbeeld via een concreet uitvoeringsprogramma.
2. Prestaties gericht op concrete uitvoering (fysieke maatregelen) ter versterking van de landschappelijke kwaliteit van het cultuurlandschap. Het gaat hierbij alleen om niet productieve elementen d.w.z. elementen die niet direct bijdragen aan economische activiteiten. Om voor deze subsidie in aanmerking te komen moet een project passen binnen de volgende thema's:
3. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van recreatief groen (onder andere voor recreatie medegebruik) in robuuste structuren (>2 ha) in een gebied tot 5 km buiten de bebouwde kom van grote steden en stedelijke agglomeraties > 50.000 inwoners (Deventer, Almelo/Hengelo/Enschede/Borne/Oldenzaal).
4. Prestaties gericht op investeringen in aanleg en herstel van groene elementen ten behoeve van b.v. landschappelijke inpassing van rommelige randen van kernen. Dit groen is bedoeld om bijv. verrommelde randen door bedrijfsterreinen te maskeren. Voor nieuw te realiseren uitbreidingen dient het landschappelijk groen integraal onderdeel van de planvorming en exploitatie uit te maken. Hiervoor is deze subsidie niet bedoeld.
Op subsidie categorie 2 kan cofinanciering vanuit POP 2 plaats vinden, bij subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten meer bedragen dan € 150.000,--. Dit op basis van Verordening (EG) 1698/2005 PbL 277 van de Raad (welke Raad)van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, maatregel 323 en 125 voor onderdeel e. (http://provincie.overijssel.nl/beleid/economie/europaloket/pop_2007-2013) plaats. Op de subsidieverlening zijn de voorwaarden van de genoemde POP-verordening van toepassing. Dit betekent dat een subsidieaanvraag volgens de POP-procedure moet worden aangevraagd.
In de subsidie categorie 2 zijn kosten van grondverwerving - overeenkomstig maatregel 323 - beperkt subsidiabel. Deze kosten mogen niet meer dan 10% van de subsidiabele kosten bedragen. Voor de overige subsidiecategorieën komen kosten voor grondverwerving niet in aanmerking voor subsidie.
Indien de prestatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoet aan de subsidiecriteria uit paragraaf 8.18 Uitvoering Groene en Blauwe diensten, dan wordt de subsidieaanvraag in dat kader behandeld.
Op grond van deze prestatie is subsidie in die gevallen uitgesloten (artikel 8.67, lid 3). Voor de omrekening van lijnelementen naar ha's kan onderstaande tabel worden gehanteerd.
| landschap | |
|---|---|
| houtwal - singel | lengte * 3,5 m breed |
| haag | lengte * 1,5 m breed |
| laan - bomenrij | lengte * 5 m breed |
]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor prestaties in het buitengebied die gericht zijn op:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die passen in het ontwikkelingsprogramma van een Nationaal Landschap.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De kwaliteit van het Overijsselse landschap is een belangrijke factor die bijdraagt aan een goed woon-, werk- en leefklimaat van Overijssel. Gezondheid, rust en ruimte maar ook ecologische en natuurwaarden (en ook: de intrinsieke waarde) zijn gediend met een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied. En niet in de laatste plaats is een duurzaam beheerd en ontsloten landelijk gebied belangrijk voor de regionale economie en de streekeigen identiteit van Overijssel. De provincie is samen met het Rijk en gemeenten verantwoordelijk voor een duurzaam beheerd en toegankelijk landelijk gebied. Het beheer staat onder druk. De toegankelijkheid wordt als onvoldoende ervaren. De vermeende tegenstelling tussen economische ontwikkeling en behoud van natuur en landschap en waterbeheer kan meer worden omgezet in een win-winsituatie. In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland geeft het Rijk aan dat zij de ambities voor natuur en landschap beperkt tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de Nationale Landschappen. Het kabinet wil buiten deze gebieden geen middelen meer beschikbaar stellen voor het beheer van natuur en landschap. De verantwoordelijkheid voor behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit buiten de EHS en de Nationale Landschappen wordt neergelegd bij provincies en gemeenten. In het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006 (hierna het beleidskader), heeft de provincie haar positie en prioriteiten bepaald die zij voor de realisatie van Groene en Blauwe diensten ambieert. Deze regeling geeft de wettelijke basis voor de financiële ondersteuning van dit beleidskader. De regeling maakt onderdeel uit van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2005. Dit betekent ook dat dit onderdeel in deze samenhangende systematiek moet worden bezien. In deze paragraaf (15) staan de bijzondere bepalingen, aanvullingen of afwijkingen ten opzichte van de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 en van hoofdstuk 8.
Catalogus Groen-Blauwe diensten
Voor het bepalen van maatregelpakketen en de maximale vergoeding van Groene en Blauwe diensten is de zogenaamde Catalogus Groen-Blauwe diensten (hierna de catalogus) opgesteld. De catalogus is een gereedschapskoffer waarmee overheden een regeling met maatregelen/pakketten kunnen ontwikkelen op het gebied van aanleg en beheer van natuur, landschap, water, recreatie en cultuurhistorie. Indien de overheden conform de catalogus het beheer vormgeven mag er van uit gegaan worden dat het beheer voldoet aan de voorwaarden op het gebied van staatssteun van de Europese Commissie. Het stelt overheden (de toekomstige regelingseigenaar) in staat om gebiedsspecifiek duidelijkheid te geven welke maatregelen en welke maximale vergoedingen zijn toegestaan binnen de communautaire richtsnoeren voor staatssteun. De catalogus is in 2007 goedgekeurd. Aanpassing van de Catalogus kunnen landelijk één keer per jaar worden ingediend bij de Europese Commissie. ]
[Toelichting: Dit artikel geeft de titel voor de subsidieverlening voor Groene en Blauwe diensten. Voor de definitie van Groene en Blauwe diensten is aangesloten bij die van de Raad voor het Landelijk Gebied. Kern van deze definitie is dat Groene en Blauwe diensten worden verleend door particulieren zoals landbouwers, landgoederen en recreatiebedrijven. Hierbij gaat het om bovenwettelijke activiteiten, dus meer dan Goede Landbouwpraktijk. Het betreft een actief beheer zodat het zich onderscheid van een schaderegeling. De dienstverlening is niet verplicht en kan zowel betaald als onbetaald zijn. Als dienst spelen zij in op de publieke, collectieve vraag naar landschap, natuur en water waarvoor de overheden - Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen - een verantwoordelijkheid dragen. De provincie wil een duurzame financiering van het beheer stimuleren en waarborgen. Zij draagt hiertoe bij in fondsen die geldstromen bundelen om Groene en Blauwe diensten duurzaam te financieren. Op grond van dit besluit kan alleen aan rechtspersonen subsidie worden verleend. Voor Groene en Blauwe diensten is steeds een heldere en doorzichtige organisatiestructuur nodig omdat op dit (organisatie)niveau de geldstromen worden gebundeld en het fondsbeheer gestalte krijgt. In dit verband is het niet wenselijk dat ook informele verenigingen of organisatievormen anderszins die niet over een duidelijke bevoegdheidsverdeling e.d. beschikken, op grond van dit besluit worden gesubsidieerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat er (democratisch gelegitimeerde) controle en verantwoording over de besteding van de in het fonds opgenomen overheidsmiddelen kan plaatsvinden en dat het fonds in haar rechtspersoonlijkheid kan worden aangesproken op haar verrichtingen. Aan rechtspersonen in oprichting kan geen subsidie worden verleend. De te subsidiëren rechtspersoon moet eerst, eventueel in overleg met Gedeputeerde Staten, daadwerkelijk worden opgericht. Voor wat betreft het financiële beheer is als eis gesteld dat een bancaire instelling de middelen beheert. Zij voert het financieel beheer uit overeenkomstig de eisen die het fondsbestuur, de subsidieontvanger, stelt. Rendement en kosteneffectiviteit zijn zwaarwegende redenen voor deze eis. De provincie stelt als voorwaarde aan haar subsidie dat het Nationaal Groenfonds het financieel beheer van het fonds voert. De keuze voor het Groenfonds is gebaseerd op het feit dat deze instelling (stichting zonder winstoogmerk) is opgericht ten behoeve van de groene financiering met overheidsgelden en daarin veel expertise heeft opgebouwd. Zij zijn bekend met de financiële eisen die vanuit wet- en regelgeving aan overheden gelden. Privaat en publiek geld blijven gescheiden in verband met de staatssteuneisen. Daarnaast beheert het Groenfonds de rijksgelden (POP/LNV) binnen het zgn. geïntegreerd middelenbeheer van de Rijkscomptabiliteitswet. De ILG-gelden lopen via het Groenfonds. De bundeling van overheidsgelden levert een hoger rendement op dan wanneer alle budgetten afzonderlijk worden beheerd. Ten slotte heeft het Groenfonds een goede toegang tot de ‘groene' kapitaalmarkt. Uitgesloten van deze subsidie zijn activiteiten waarvoor andere (subsidie)mogelijkheden bestaan, i.c. de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel en de Subsidieregeling Natuur Overijssel in het kader van Programma Beheer. Het Rijk heeft aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het beheer van natuur en landschap in de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen. Daartoe gebruiken zij het voornoemd Programma Beheer dat voorziet in 100% financiering van de feitelijke beheerskosten. Vanaf 1 januari 2007 maken deze regelingen onderdeel uit van het ILG. De provincie wordt de bestuurslaag die vanaf die datum aan de regelingen uitvoering gaat geven. De uitvoering van beide regelingen blijft tot en met 2008 ongewijzigd. Zoals in het beleidskader aangegeven zijn groene en blauwe diensten complementair aan deze subsidiemogelijkheden. De subsidieverlening voor weidevogels wordt uitgevoerd via paragraaf 8.13 van dit besluit. Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel, de Vereniging Natuurmonumenten en de waterschappen zijn uitgesloten van een subsidiemogelijkheid voor beheer. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenoverstaat. De genoemde organisaties worden op andere wijze gefinancierd voor de uitvoering of begeleiding van hun eigen terreinen. Ook het met dit beleid belonen van beheer door waterschappen die landschapselementen in bezit hebben, vindt de provincie te zeer afwijken van het doel van het beleidskader. Deze organisatie vervullen overigens wel een rol in de uitvoering van het beleid.
De provincie wil de provinciale sturing op individuele projectvoorstellen gefaseerd loslaten en overlaten aan gemeenten. Hiervoor wil de provincie over de uitvoering van Groene en Blauwe Diensten de komende jaren samen met gemeenten en waterschappen overkoepelende afspraken maken op basis van gemeentelijke landschapsontwikkelingplannen (of vergelijkbare plannen) en deze vast te leggen in de bestuursconvenanten.
In dit plan is de landschapsvisie beschreven op basis waarvan de keuzes welke diensten - bij voorrang - gecontracteerd worden. In een landschapsontwikkelingsplan of hiermee vergelijkbare planvorm geeft de aanvrager voor haar hele grondgebied in ieder geval aan welke prestaties, waar en wanneer worden via Groene en Blauwe Diensten worden gerealiseerd. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het landschapsplan (bijvoorbeeld een Landschapsontwikkelingsplan, LOP) hanteert de provincie de handreiking voor het LOP als referentie (http://www2.minlnv.nl/thema/groen/ruimte/ols/gemeente/lop/werkproces_lop.pdf). Het gevraagde bedrag zal in relatie moeten worden gebracht met de te leveren prestaties . Prestatie-prijsverhouding zal worden beoordeeld op grond van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten en het in het pMJP gehanteerde prijs-prestatiebedrag ]
[Toelichting: Dit artikel geeft de titel voor de subsidieverlening voor Groene en Blauwe diensten. Voor de definitie van Groene en Blauwe diensten is aangesloten bij die van de Raad voor het Landelijk Gebied. Kern van deze definitie is dat Groene en Blauwe diensten worden verleend door particulieren zoals landbouwers, landgoederen en recreatiebedrijven. Hierbij gaat het om bovenwettelijke activiteiten, dus meer dan Goede Landbouwpraktijk. Het betreft een actief beheer zodat het zich onderscheid van een schaderegeling. De dienstverlening is niet verplicht en kan zowel betaald als onbetaald zijn. Als dienst spelen zij in op de publieke, collectieve vraag naar landschap, natuur en water waarvoor de overheden - Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen - een verantwoordelijkheid dragen. De provincie wil een duurzame financiering van het beheer stimuleren en waarborgen. Zij draagt hiertoe bij in fondsen die geldstromen bundelen om Groene en Blauwe diensten duurzaam te financieren. Op grond van dit besluit kan alleen aan rechtspersonen subsidie worden verleend. Voor Groene en Blauwe diensten is steeds een heldere en doorzichtige organisatiestructuur nodig omdat op dit (organisatie)niveau de geldstromen worden gebundeld en het fondsbeheer gestalte krijgt. In dit verband is het niet wenselijk dat ook informele verenigingen of organisatievormen anderszins die niet over een duidelijke bevoegdheidsverdeling e.d. beschikken, op grond van dit besluit worden gesubsidieerd. Op deze wijze is gewaarborgd dat er (democratisch gelegitimeerde) controle en verantwoording over de besteding van de in het fonds opgenomen overheidsmiddelen kan plaatsvinden en dat het fonds in haar rechtspersoonlijkheid kan worden aangesproken op haar verrichtingen. Aan rechtspersonen in oprichting kan geen subsidie worden verleend. De te subsidiëren rechtspersoon moet eerst, eventueel in overleg met Gedeputeerde Staten, daadwerkelijk worden opgericht. Voor wat betreft het financiële beheer is als eis gesteld dat een bancaire instelling de middelen beheert. Zij voert het financieel beheer uit overeenkomstig de eisen die het fondsbestuur, de subsidieontvanger, stelt. Rendement en kosteneffectiviteit zijn zwaarwegende redenen voor deze eis. De provincie stelt als voorwaarde aan haar subsidie dat het Nationaal Groenfonds het financieel beheer van het fonds voert. De keuze voor het Groenfonds is gebaseerd op het feit dat deze instelling (stichting zonder winstoogmerk) is opgericht ten behoeve van de groene financiering met overheidsgelden en daarin veel expertise heeft opgebouwd. Zij zijn bekend met de financiële eisen die vanuit wet- en regelgeving aan overheden gelden. Privaat en publiek geld blijven gescheiden in verband met de staatssteuneisen. Daarnaast beheert het Groenfonds de rijksgelden (POP/LNV) binnen het zgn. geïntegreerd middelenbeheer van de Rijkscomptabiliteitswet. De ILG-gelden lopen via het Groenfonds. De bundeling van overheidsgelden levert een hoger rendement op dan wanneer alle budgetten afzonderlijk worden beheerd. Ten slotte heeft het Groenfonds een goede toegang tot de ‘groene' kapitaalmarkt. Uitgesloten van deze subsidie zijn activiteiten waarvoor andere (subsidie)mogelijkheden bestaan, i.c. de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel en de Subsidieregeling Natuur Overijssel in het kader van Programma Beheer. Het Rijk heeft aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het beheer van natuur en landschap in de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen. Daartoe gebruiken zij het voornoemd Programma Beheer dat voorziet in 100% financiering van de feitelijke beheerskosten. Vanaf 1 januari 2007 maken deze regelingen onderdeel uit van het ILG. De provincie wordt de bestuurslaag die vanaf die datum aan de regelingen uitvoering gaat geven. De uitvoering van beide regelingen blijft tot en met 2008 ongewijzigd. Zoals in het beleidskader aangegeven zijn groene en blauwe diensten complementair aan deze subsidiemogelijkheden. De subsidieverlening voor weidevogels wordt uitgevoerd via paragraaf 8.13 van dit besluit. Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel, de Vereniging Natuurmonumenten en de waterschappen zijn uitgesloten van een subsidiemogelijkheid voor beheer. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenoverstaat. De genoemde organisaties worden op andere wijze gefinancierd voor de uitvoering of begeleiding van hun eigen terreinen. Ook het met dit beleid belonen van beheer door waterschappen die landschapselementen in bezit hebben, vindt de provincie te zeer afwijken van het doel van het beleidskader. Deze organisatie vervullen overigens wel een rol in de uitvoering van het beleid.
De provincie wil de provinciale sturing op individuele projectvoorstellen gefaseerd loslaten en overlaten aan gemeenten. Hiervoor wil de provincie over de uitvoering van Groene en Blauwe Diensten de komende jaren samen met gemeenten en waterschappen overkoepelende afspraken maken op basis van gemeentelijke landschapsontwikkelingplannen (of vergelijkbare plannen) en deze vast te leggen in de bestuursconvenanten.
In dit plan is de landschapsvisie beschreven op basis waarvan de keuzes welke diensten - bij voorrang - gecontracteerd worden. In een landschapsontwikkelingsplan of hiermee vergelijkbare planvorm geeft de aanvrager voor haar hele grondgebied in ieder geval aan welke prestaties, waar en wanneer worden via Groene en Blauwe Diensten worden gerealiseerd. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het landschapsplan (bijvoorbeeld een Landschapsontwikkelingsplan, LOP) hanteert de provincie de handreiking voor het LOP als referentie (http://www2.minlnv.nl/thema/groen/ruimte/ols/gemeente/lop/werkproces_lop.pdf). Het gevraagde bedrag zal in relatie moeten worden gebracht met de te leveren prestaties . Prestatie-prijsverhouding zal worden beoordeeld op grond van de Catalogus Groen-Blauwe Diensten en het in het pMJP gehanteerde prijs-prestatiebedrag. ]
[Toelichting: Groene en Blauwe diensten creëren waarde voor ondernemers, huiseigenaren en gemeenten door een aantrekkelijk(er) vestigings- en woonklimaat. Mede om deze reden is de grondslag voor subsidie gebaseerd op het principe van medefinanciering. Voor het beheer zal publieke financiering vaak het meest voor de hand (blijven) liggen. Steeds zal echter in het totaal de particuliere bereidheid tot medefinanciering van Groene en Blauwe diensten moeten worden benut. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat degene die profijt heeft, ook een bijdrage levert aan het behoud en ontwikkeling van de gewenste kwaliteit. De provinciale bijdrage voor landschapsbeheer en toegankelijkheid is maximaal 50% van de totale kosten. Omdat het beleidskader vooral inzet op beheer is erfbeplaning uitgesloten van een bijdrage. Onder erfbeplanting wordt verstaan beplanting op het bouwblok. Nadrukkelijk gaat de grondslag niet over de maatregelen en de hoogte van vergoeding van deze maatregelen. Dit wordt in het projectvoorstel bepaald. De ondernemers die Groene diensten gaan leveren zijn grondgebruikers waaronder landbouwers, landgoederen, recreatiebedrijven en (andere) particulieren. Een individuele agrariër zal de prijs voor Groene diensten baseren op gemiste agrarische productie. Een andere aanbieder zal een andere afweging maken. Van belang is dat de voorwaarden zodanig zijn dat potentiële aanbieders bereid zijn en blijven om de maatschappelijke dienst te leveren. Het resultaat volgt uit het bijeenbrengen van vraag en aanbod in het projectvoorstel. Gedeputeerde Staten zullen bij hun beoordeling wel normkosten als referentie hanteren, waarin gederfde inkomsten, de extra kosten die met de dienstverlening zijn gemoeid alsook de transactiekosten zijn verdisconteerd. Belangrijke voorwaarde voor het verstrekken van subsidie is dat de maatregel zgn. ‘Brussel-proof’ is. Dat wil zeggen dat de subsidieverlening geen steun is die onverenigbaar is met (artikelen 87 en 88) van het EG-Verdrag. Om niet voor elke bijzondere maatregel de gang naar Brussel te hoeven maken, is een catalogus Groen-Blauwe diensten ontwikkeld. Deze catalogus is een totaallijst van in Brussel goedgekeurde maatregelen met maximale prijsstellingen gebaseerd op geaccepteerde normbedragen. Afgesproken is dat de catalogus eenmaal per jaar wordt geactualiseerd.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Om een aanvraag voor subsidie voor Groene en Blauwe diensten te kunnen beoordelen, is een aantal stukken nodig:
[Toelichting: Het verstrekken van een subsidie is, in samenhang met het criterium dat deze gebaseerd is op een projectvoorstel of de afspraken in het bestuursconvenant, direct gerelateerd aan het afsluiten van een contract voor levering van Groene en Blauwe diensten. De looptijd van een contract is langjarig. Een bedrijf dat kiest voor Groene dienstverlening kan (vergaande) veranderingen in de bedrijfsvoering moeten doorvoeren. Dergelijke veranderingen kunnen en zullen dan ook niet voor een korte periode worden doorgevoerd. Om deze reden wordt subsidie verstrekt in de vorm van een meerjarige prestatiesubsidie. In het beleidskader is een streefperiode van 30 jaar opgenomen. De minimum contractduur is 10 jaar. Het beleidskader richt zich op particulier beheer. Particulieren houden het landschap veelal in stand zonder dat daar een beloning tegenover staat. Tussen de rechtspersoon (uitvoeringsorganisatie) en de particulier beheerder is sprake van een contractrelatie. Het is deze particuliere beheerder die de dienst levert. Uiteraard is het aan deze particulier of hij de uitvoering zelf doet of dit uitbesteed. In die gevallen waar sprake is van vervreemding, is de bepaling opgenomen dat er een soort kettingbeding in het contract is opgenomen waarmee de (nieuwe) verkrijger de verplichtingen overneemt. Met deze vorm is er de garantie op een duurzame financiering van langjarige beheer.]
In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek van de aanvrager een voorschot tot maximaal 100% van de verleende subsidie, indien de aanvrager aantoont dat de werkelijke uitgaven en verplichtingen in relatie tot de totale begrote uitgaven hiertoe noodzaken.
Een bestaande verplichting op grond van of krachtens artikel 4.46 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2005, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog niet is afgerond, wordt beheerst door paragraaf 5 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2005 zoals deze luidde voor het tijdstip waarop deze is komen te vervallen.
[Toelichting: Aan de aanvraag voor subsidie om contracten voor Groene en Blauwe diensten te kunnen financieren, ligt een projectvoorstel ten grondslag (zie artikel 8.82). De provincie wil lokale partijen die zich voor beheer inzetten (zoals agrarische natuurverenigingen) ondersteunen bij het inventariseren en concretiseren van vraag en aanbod door middel van een dergelijk voorstel. Dit artikel bepaalt dat voor het opstellen van het projectvoorstel subsidie kan worden verleend.]
[Toelichting: De subsidiemogelijkheid is beperkt tot die activiteiten die als de-minimissteun uitvoering krijgen en daarmee vrijgesteld zijn van melding bij de Europese Commissie in verband met staatssteun. Het betreft hier kosten voor het opstellen van het projectvoorstel dat nodig is om de subsidie onder paragraaf 8.18 van dit besluit te kunnen aanvragen. De activiteiten hebben met toepassing van de minimissteun te voldoen aan de in de leden 2 tot en met 5 van de Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006, wil subsidie kunnen worden verleend. Of indien het een landbouwbedrijf betreft aan de vereisten van EG-Verordening 1860/2004.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Op grond van de regeling kan ook subsidie worden verleend als een bijdrage in de kosten voor de organisatie- en uitvoeringsstructuur. Met het toepassen van per boekjaar verstrekte prestatiesubsidies zijn de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing op deze vorm van prestatiesubsidies. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de wettelijke subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Uitgesloten is de vorming van een egalisatiereserve.]
[Toelichting: Als bepalend criterium voor de subsidie is de eis gesteld dat de betrokken rechtspersoon uitvoering gaat geven aan een projectvoorstel. Dit moet blijken uit de doelstelling zoals opgenomen in de oprichtingsakte of de statuten van de betrokken rechtspersoon. Dit is nodig omdat uit de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG-Verdrag volgt dat de eindbegunstigde een onderneming moet zijn. Bij deze organisaties GBD gaat het om zgn. uitvoeringsorganisaties GBD (of ook wel intermediaire fondsen) die in beginsel specifiek zijn opgericht voor het overgeven en verduurzamen (het genereren van rendement) van de financiële middelen waarvoor op basis van het projectvoorstel zoals bedoeld in artikel 8.82 subsidie is verleend op grond van paragraaf 8.18 van dit besluit. Of het zijn bestaande organisaties die dan wel voldoende aantoonbare organisatorische maatregelen hebben getroffen om te waarborgen dat de betrokken geldstromen zich voldoende onderscheiden van hun andere activiteiten. Zij regelen de transfer van de door financiers beschikbaar gestelde gelden (publiek en privaat) aan de aanbieders van diensten en‘verduurzamen' deze in een fonds. Op deze wijze wordt rendement gegenereerd zonder dat er overigens sprake is van risicokapitaal. Het gaat er hierbij om dat er naar de aard geen sprake is van een onafhankelijke onderneming. De subsidie is enkel bedoeld voor de compensatie van een deel van deze (extra) kosten. Er wordt geen economisch voordeel met de maatregel verschaft. In deze hoedanigheid is er noch sprake van een onderneming , noch van een markt. Voor zover toch van ondernemingsactiviteiten sprake is, is hiervoor een expliciete weigeringsgrond opgenomen.
De subsidie voor dit onderdeel is bestemd voor kosten voor personeel en organisatie. In het beleidskader is aangegeven dat de totale kosten voor uitvoering maximaal 15% van één of meerdere projectvoorstellen mogen betreffen, wil de provincie uit deze regeling bijdragen. De subsidie kent een maximum van 50% van de betreffende kosten. Geen subsidie wordt verstrekt aan overheidsorganen of aan zelfstandige bestuursorganen met eigen rechtspersoonlijkheid. ]
a. in de rechtspersoon sprake is van deelneming van een natuurlijk persoon die tevens eindbegunstigde is;
b. de rechtspersoon economische activiteiten ontplooit en als onderneming in de zin van artikel 87, eerste lid van het EG-Verdrag moet worden aangemerkt.
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.
[Toelichting: Met dit artikel wordt afgeweken van de algemene handelswijze bij deze vorm van subsidieverlening om het voorschot in het midden van elke maand beschikbaar te stellen. Uit efficiencyoverwegingen is gekozen voor een periodieke betaling van twee keer in het jaar, in het begin van de maanden juni en december. Hoofdregel dat 100% voorschot wordt verleend, blijft bestaan.]
In afwijking van artikel 1.26, tweede lid, wordt het voorschot in het begin van de maanden juni en december van het betrokken boekjaar beschikbaar gesteld.
[Toelichting: Begin 2006 hebben Gedeputeerde Staten een beleidsregel Uitvoeringskader hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing vastgesteld. Het hoofddoel van het VAB-beleid is sociaaleconomisch: het draagt bij aan het realiseren van Nieuwe Economische Dragers voor het landelijk gebied ofwel het benutten van de resterende economische waarde van VAB voor andere functies dan landbouw. Hergebruik in plaats van kapitaalsvernietiging. Startende bedrijven worden gestimuleerd. Het buitengebied als streekgebonden werkgebied in plaats van woongebied voor niet streekgebonden forensen. De terugloop in de landbouw maakt het voor de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het landelijk gebied wenselijk dat er zich in VAB andere functies kunnen vestigen. Een bijkomende doelstelling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Immers een blijvende landelijke uitstraling van de gebouwen en omgeving is gewenst. In het Uitvoeringskader wordt met name het planologische spoor gefaciliteerd. Met deze subsidiepalingen willen we nog een extra impuls geven aan het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing.
In de artikelen 8.94 en 8.97 zijn - aanvullend op de algemene criteria - criteria opgenomen, waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. Dat de aanvraag moet passen binnen het gemeentelijke VAB-beleid betekent o.a. dat het (opnieuw) houden van intensieve veehouderij planologisch en als gebruiksmogelijkheid onmogelijk moet worden gemaakt. Maar ook dat bij eventuele situering in een landbouwontwikkelingsgebied (LOG) er uitsluitend subsidie verstrekt kan worden als er door gemeenten en provincie positief advies uitgebracht is, waaruit in elk geval blijkt dat de landbouw/intensieve veehouderij geen hinder ondervindt van de beoogde nieuwe functie in de VAB. Bij de aanvraag hoort een bedrijfsplan waaruit o.a. moet blijken hoe de subsidie bijdraagt aan het verkrijgen van substantieel (extra) inkomen. Ook moet er een bankverklaring bij gevoegd worden en een overzicht van de complete financiering.
Voorts kan uitsluitend voor investeringen in de bestaande bebouwing subsidie toegekend worden en dus niet voor nieuwbouw van gebouwen in samenhang met en na sloop van bestaande VAB. De betreffende gebouwen moeten voor een agrarische functie zijn opgericht, agrarisch in gebruik zijn (geweest) en op het moment van de aanvraag een agrarische bestemming hebben.
De aanvrager moet rechthebbende van het bedrijf zijn (eigenaar) of overeenstemming met verpachter (landgoedeigenaar, etc.) kunnen aantonen. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen e.d.) zijn niet subsidiabel, maar de kosten voor adviezen (bedrijfsadviseurs, accountants, adviesbureaus, architectenbureau) zijn wel subsidiabel met een maximum van 12% van de totale investeringskosten. De kosten van eigen arbeid zijn ook subsidiabel. Er mag € 25,-- per uur mag worden berekend. Het aantal uren moet redelijk zijn en controleerbaar.
Tevens kan subsidie worden aangevraagd voor het vergroten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de VAB waarin of het erf waarop een nieuwe economische functie komt. Hierbij is vereist dat de prestatie moet zijn gebaseerd op een transformatieplan. Voor het opstellen van zo'n plan is subsidie mogelijk (hoofdstuk 5, paragraaf 3).
De subsidie voor het geschikt maken van de VAB is overeenkomstig artikel 8.95, lid 1, maximaal 40% met een maximum van € 100.000,--. Voor ondernemingen wordt bij de beoordeling van subsidieaanvragen met name ook rekening gehouden met de (Europese) ‘de minimis'-regeling . Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 200.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voor zover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 200.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld.
Met toepassing van lid 2 kan het bovengenoemde maximum van € 100.000,-- worden verhoogd tot € 150.000,--, indien er tevens sprake is van het vergroten van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.
[Toelichting: De provincie hecht grote waarde aan de ontwikkeling en instandhouding van routestructuren voor wandelen, fietsen en varen. Incidenteel kunnen andere vormen van actieve recreatie worden ondersteund. Uit de rijkstaken vloeit voort de reconstructie, netwerkbeheer en promotie van de landelijke routestructuren. Specifiek hierbij is de aanleg van wandelpaden over boerenland. Ook het oplossen van urgente knelpunten binnen de landelijke routenetwerken wandelen en fietsen op basis van het kwaliteitscriterium ‘veilig toegankelijk’ valt hieronder. Leidraad voor de keuze voor de op te lossen knelpunten vormt het Meerjarenprogramma Landelijke Routenetwerken wandelen en fietsen 2007-2013 (vastgesteld door de IPO-adviescommissies Landelijk gebied en Economie) alsmede de nadere uitwerking ervan in de rapportage ‘0-meting’. Provinciaal en regionaal is het van belang nieuwe initiatieven te ontwikkelen gericht op uitbreiding en innovatie van de routenetwerken. Toepassing van nieuwe technieken is hierbij belangrijk. Nieuwe initiatieven dienen bij te dragen aan een samenhangend geheel van routes. Ten behoeve van deze routestructuren kunnen infrastructurele werken worden ondersteund. Hieronder valt ook de uitvoering van het provinciaal Raamplan Fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
De subsidie als bedoeld in artikel 8.98 bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Bij onderdeel e zijn de zijn de subsidiabele kosten € 0,45 per meter per jaar.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: Recreatiebedrijven liggen verspreid door de provincie en dus in verschillende landschapstypes. De inpassing van de bestaande recreatiebedrijven in haar omgeving laat in veel gevallen te wensen over en is voor verbetering vatbaar. In het merendeel van de gevallen betekent meer aandacht voor een landschappelijke inpassing en de natuur op en rond het terrein een aanmerkelijke verbetering voor zowel het landschap, de natuurwaarden en de beeldkwaliteit. Deze verbetering kan worden gerealiseerd door het uitvoeren van Bedrijfsnatuurplannen (BNP's).
Door de provincie is voor de beoordeling van aanvragen voor bedrijfsnatuurplannen een aantal criteria samengesteld. In de aanvraag voor het opstellen en uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven dienen de criteria genoemd zoals in artikel 8.103 beschreven te worden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven met een goedgekeurd bestemmingsplan.
[Toelichting: Een subsidieaanvraag wordt op de volgende aspecten beoordeeld:
a. beschrijving van de omgeving van het recreatieterrein (landschapskenmerken en natuurdoelen);
b. beschrijving van het recreatieterrein, waarbij in ieder geval aan de orde komen om welk soort recreatieterrein het gaat (bv. bungalowpark of camping), aantal en soort gebouwen, grootte, met of zonder privé-eigendommen, aanwezigheid water, aanwezige vegetatie/beplanting; enz.;
c. confrontatie met de landschapskenmerken en de natuurdoelen;
d. voorstellen tot verbetering/aanpassing en de mate waarin de aanpassingen leiden tot herstel of toename van de biodiversiteit op het recreatieterrein en het herstel/de toename van de soortenrijkdom door de maatregelen;
e. inhoud van het beheer en onderhoudsplan;
f. eventuele samenwerking met andere (aangrenzende) terreinen;
g. beschrijving van de begroting en een kostenraming in een financiële paragraaf;
h. beschrijving wie het plan gaat uitvoeren, het initiatief neemt en wat de planning is;
i. beschrijving van de kwaliteitswinst;
j. beschrijving van de monitoring door de eigenaar van het bedrijf zelf;
k. beschrijving van de toekomstplannen van de eigenaar van het recreatiebedrijf. ]
De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor het opstellen en uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum subsidiebedrag van € 20.000,-- per recreatiebedrijf, indien het recreatiegebied is gelegen in reconstructiegebied. Buiten reconstructiegebied bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor het opstellen en uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan per recreatiebedrijf met een maximum subsidiebedrag van eveneens € 20.000,--.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De ontwikkeling van plattelandstoerisme kan een belangrijke impuls geven aan de economische ontwikkeling en leefbaarheid van het platteland. Voorwaarde hierbij is wel dat dit gestructureerd gebeurt. De maatregel is vooral bedoeld om initiatieven gericht op samenwerking bij de ontwikkeling van plattelandstoerisme te ondersteunen.
Door samenwerking tussen meerdere initiatieven kan een belangrijke meerwaarde worden gekregen. Voorbeelden hiervan zijn voor het ontwikkelen en promoten van toeristische producten, het opzetten van samenwerkingsverbanden en -arrangementen, het verbeteren van ondernemersschap en ketenvorming.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:
De subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten.
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
[Toelichting: De kern van de regeling Vitaliteit Kleine Kernen en Kulturhusen is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen.
Daarnaast spreken we van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten/voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.
In de voorgaande subsidieregeling werd voor kernen van 4.000 inwoners of minder gesproken van multifunctionele voorzieningen en voor kernen van meer dan 4.000 inwoners of meer van kulturhusen. In deze subsidieregeling spreken wij enkel van kulturhusen. Daar waar in de huidige subsidieregeling subsidies kunnen worden aangevraagd voor projecten waarvoor reeds in het kader van vorige subsidieregelingen subsidie is verstrekt, geldt dat deze subsidies zowel van toepassing zijn op de voormalige kulturhusregeling en de regeling voor multifunctionele voorzieningen.
Wij verwijzen voor ondersteuning in zowel de haalbaarheidsfase als voor vragen na realisatie van de bouw of verbouw naar VariYa: http://www.variya.nl/
Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor:
[Toelichting: Zelfwerkzaamheid is niet subsidiabel en kan daarom niet opgevoerd worden binnen de financiële dekking van de aanvraag. De zelfwerkzaamheid kan weliswaar inzichtelijk gemaakt worden door de bespaarde kosten af te trekken binnen het lastenoverzicht.
Onkosten(vergoedingen) die gemaakt worden door of voor vrijwilligers zijn wel subsidiabel.
BTW is niet subsidiabel als deze BTW verrekend of teruggevorderd kan worden. ]
In afwijking van artikel 8.5 kunnen aanvragen gedurende het hele jaar worden ingediend voor experimenten respectievelijk voor gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering, zoals bedoeld in artikel 8.110, leden 3 en 4.
[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen.]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor
[Toelichting: Dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.]
[Toelichting: Maximaal 50% van de verstrekte subsidie kan worden aangewend voor éénmalige activiteiten en kosten die gelieerd zijn aan het proces. Dus geen fysieke kosten in steen voor bijvoorbeeld woonzorgcomplexen.]
[Toelichting: Daar waar de gemeente verantwoordelijk is voor het lokale beleid ten aanzien van welzijn en leefbaarheid, kan de provincie meerwaarde leveren door de verknoping van het lokale met het regionale/provinciale beleid en de bevordering van een integrale aanpak van maatschappelijke knelpunten. Hiertoe is in samenwerking met de provinciale steuninstellingen de DOP+-regeling ontwikkeld om op basis van burgerparticipatie knelpunten en kansen aan te pakken. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het gebruikmaken van de DOP+-regeling waarbij een integraal dorpsplan wordt gemaakt, waarin samenhangende knelpunten en/of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.
De provinciale bijdrage betreft maximaal 67% van de totale kosten tot een maximum subsidiebedrag van € 35.000,-- per integraal dorpsplan en wordt in principe besteed aan het bij 8.116, zesde en zevende lid, bedoelde inzet van expertise en het nazorgtraject. Indien een volwaardig DOP+ gerealiseerd kan worden voor een lagere kostprijs kunnen resterende middelen ingezet worden voor het aanjagen van de uitvoering.
[Toelichting: De provincie stelt voor gemeenten een bijdrage ter beschikking voor het stimuleren van de uitvoering van het (meerjaren)gebiedsprogramma. De gemeenten kunnen in het BGO afstemmen hoe de bijdragen optimaal kunnen worden ingezet voor het betreffende gebied. In het gebiedsprogramma wordt in een (meer)jaarplanning aangegeven wat de verwachte inzet is van de provinciale bijdrage en die van de gebiedspartners. ]
[Toelichting: Voor het inschakelen van een gebiedsmakelaar of leefbaarheidsmakelaar is niet meer een aparte subsidie op te vragen. Deze vormen van makelaardij dienen voor het aanjagen van meerdere projecten en gebiedsprocessen in het landelijke gebied en kunnen worden gefinancierd uit de onder dit artikel toegekende procesgelden. Voor de inzet van expertise bij het opstellen en uitvoeren van een Dorpsontwikkelingsplan (DOP) is wel apart subsidie aan te vragen onder artikel 8.27. Deze regeling is namelijk rechtstreeks verbonden aan het DOP en heel specifiek gericht op burgerparticipatie in een bepaalde dorpskern.
Een leefbaarheidsmakelaar jaagt sociaal-maatschappelijke projecten in het landelijk gebied aan, bij voorkeur op basis van vastgestelde dorpsplannen. De leefbaarheidsmakelaar dient te voldoen aan de volgende criteria:
a. hij dient expertise op en ervaring met plattelandsontwikkeling, projectmatig werken en procesbegeleiding te hebben;
b. hij dient te beschikken over kennis en netwerk van het betreffende gebied;
c. Hij dient ervaring te hebben met het werken met vrijwilligers. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het stimuleren van de uitwerking van een gebiedsprogramma.
[Toelichting: Bij vaststelling van plan- of gebiedsuitwerkingen en uitvoeringsmodulen let de provincie op de volgende punten:
a. het plan bevat een probleemanalyse;
b. het plan beschrijft de gewenste oplossingen en maatregelen;
c. het plan bevat een plan-MER als de maatregelen vogel- en habitatrichtlijngebieden kunnen beïnvloeden;
d. het plan voldoet aan het relevante milieu- en waterbeleid;
e. het plan bevat een uitvoeringsprogramma, inclusief begroting. ]
[Toelichting: In dit artikel wordt de grens aangegeven in relatie met het historische landschappen en landschapselementen. Het programma Behoud en Bescherming Cultureel Erfgoed richt zich met name op de bebouwde elementen in het landschap. Daarnaast kunnen groene en/of blauwe elementen in aanmerking komen voor subsidie voor zover zij naast hun landschappelijke waarde ook bijdragen aan de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de specifieke lokale en/of Overijsselse geschiedenis en/of van de kunstgeschiedenis.]
Cultureel erfgoed: objecten die vanuit het verleden zijn overgebleven en die het waard zijn om behouden te blijven en die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied als ook groen/blauwe elementen die deel uitmaken of uiting zijn van cultureel erfgoed in de zin van kunstzinnige oeuvre of voor Overijssel historisch belangrijke periode of gebeurtenis.
[Toelichting: Het programma Behoud en Bescherming Cultureel Erfgoed beoogt een verbinding te leggen tussen het culturele erfgoed en overige provinciale doelstellingen. Daartoe zijn een aantal speerpunten geformuleerd. Restauratie, transformatie, educatie en toerisme en innovatie.
De regeling is daartoe onderverdeeld in een aantal tenders, met elk hun eigen plafond.
Met restauratie, zoals bedoeld onder artikel 8.124, onderdeel a en c, wordt bestaand erfgoed, welke een belangrijke bijdrage levert aan de identiteit van het gebied, behouden. Het gaat hier niet om monumenten, hoewel deze niet worden uitgesloten. Voor monumenten geldt dat eerst voorliggende voorzieningen dienen te worden aangesproken. Er kan expertise worden ingehuurd om de waarde te bepalen van het voorliggende element ten behoeve van de lokale identiteit.
Met transformatie- en haalbaarheidsstudies, zoals bedoeld in artikel 8.124 onderdeel b, wordt gekeken in hoeverre een verandering van functionaliteit het betreffende object een nieuwe toekomst kan geven. Met deze regeling wordt een aanvulling gecreëerd op het programma Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed.
Educatie en Toerisme, zoals bedoeld in artikel 8.124 lid d, dragen in belangrijke mate bij aan de bewustwording ten aanzien van ons culturele erfgoed. Het gaat in deze regeling om educatieve impulsen in het verlengde van het overig bepaalde in deze regeling, dus met betrekking tot de beleving van de historische ruimtelijke inrichting in relatie met de bebouwing, het landschap, en de geschiedenis van het gebied. Dit kan zo wel op lokale als regionale schaal plaatsvinden. ]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:
[Toelichting: Voorop staat dat er een bijdrage geleverd moet worden aan de karakteristieke identiteit van het gebied. Dit kan op niveau van de feitelijke objecten (restauratie, transformatie), maar ook op niveau van de ruimtelijke inrichting (innovatie) en bewustwording (educatie en toerisme). Door gebundelde aanpak van losse elementen en combinaties met groen en blauw, zoals in de regeling Streekeigen Huis en Erf wordt een impuls gegeven aan een heel gebied. (zie regeling 7.5). Ter beoordeling of aan de karakteristieke identiteit wordt bijgedragen kan de aanvraag aan een daartoe bevoegde commissie worden voorgelegd.]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Een subsidieaanvraag wordt, indien nodig, voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.
[Toelichting: De subsidiebedragen voor de waterprestaties staan in onderstaande tabel. Voor prestaties die zijn opgenomen in een vastgesteld gebiedsprogramma en niet zijn opgenomen in onderstaande tabel bedraagt de subsidie maximaal 50% van de projectkosten tot een maximum van € 500.000,--, zoals opgenomen in het projectplan. Artikel 1.6 is hierbij onverlet van toepassing.
| prestatie | indicator | subsidiebedrag |
|---|---|---|
| realisatie waterberging | m3 | € 1,60 |
| realisatie waternood | ha | € 600,-- |
| afkoppelen verhard oppervlak | ha | € 25.000,-- |
| saneren overstorten | aantal | € 75.000,-- |
| realisatie helofytenfilter | ha | € 17.500,-- |
| beek en rivierherstel | km | € 60.000,-- |
| aankoppelen van Vecht-meanders | aantal | € 375.000,-- |
]
Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor prestaties die leiden tot een duurzame inrichting van en/of een verbeterde waterkwaliteit in het watersysteem in Overijssel en die zijn opgenomen in een gebiedsprogramma.
Bijlage A
| prestatie | indicator | subsidiebedrag |
|---|---|---|
| realisatie waterberging | m3 | € 1,60 |
| realisatie waternood | ha | € 600,-- |
| afkoppelen verhard oppervlak | ha | € 25.000,-- |
| saneren overstorten | aantal | € 75.000,-- |
| realisatie helofytenfilter | ha | € 17.500,-- |
| beek en rivierherstel | km | € 60.000,-- |
| aankoppelen van Vecht-meanders | aantal | € 375.000,-- |
[Toelichting: Het Reconstructieplan Salland-Twente is een plan op hoofdlijnen. Binnen de gebieden Salland, Zuidwest-Twente, Noordoost-Twente en Noordoost-Overijssel bestaat de noodzaak om de doelstellingen van het reconstructieplan verder uit te werken om vervolgens tot concrete uitvoering over te kunnen gaan. Dat kan in een planuitwerking waaraan de wet voorwaarden verbindt of in een gebiedsuitwerking. Plan- en gebiedsuitwerkingen zijn nodig voor de ontwikkeling van projecten, maar ook voor:
De plan- of gebiedsuitwerking bevat een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen, en is voorzien van een financieringsparagraaf. Gedeputeerde Staten/Provinciale Staten stellen de uitwerkingen vast. Daarna kunnen in één of meerdere uitvoeringsmodules concrete maatregelen en activiteiten voor het betreffende gebied worden uitgewerkt (per deelgebied of thema). Op basis van deze uitvoeringsmodules kunnen Gedeputeerde Staten een beschikking afgeven voor de uitvoering. Subsidies die onder deze noemer worden verstrekt zijn alleen bedoeld voor het opstellen van plan- of gebiedsuitwerkingen of uitvoeringsmodules bij deze uitwerkingen. ]
In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Gedeputeerde Staten treffen de nodige voorzieningen of nemen de nodige besluiten in de gevallen waarin de verordening of dit besluit niet voorziet.
[Toelichting: Onmiddellijke of exclusieve werking is de hoofdregel van overgangsrecht. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Onder omstandigheden kunnen bezwaren kleven aan onmiddellijke werking. In dat geval kan gekozen worden voor een vorm van terugwerkende kracht of van eerbiedigende of uitgestelde werking. Volgens de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving moeten afwijkingen van de hoofdregel van onmiddellijke werking in de regeling zelf worden neergelegd. Dit artikel geeft hier uitvoering aan.]
Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007’.