Provinciale regelingen - Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007


Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007

(geconsolideerde versie, geldend vanaf 15-11-2006 tot 19-12-2006)

Gegevens van de regeling

Overheidsorganisatie provincie Overijssel
Officiële naam regeling Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007
Citeertitel Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007
Deze versie is geldig tot 19-12-2006
Vastgesteld door gedeputeerde staten
Onderwerp financiën en economie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Aan paragraaf 3.3.4 ‘Roetfilter in voertuig’ van dit besluit is terugwerkende kracht verleend tot 1 juli 2006.

: 31-10-2006
: Provinciaal Blad nr. 2006-120

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Datum ondertekening
Bron bekendmaking
Kenmerk voorstel

1-5-2011

Hoofdstuk 3, paragraaf 3.3.12

12-4-2011

Provinciaal Blad nr. 2011/0080507

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 12 april 2011, kenmerk 2011/0063758

13-4-2011

1-1-2011

Hoofdstuk 3, paragraaf 3.14

15-2-2011

Provinciaal Blad nr. 2011/0072496

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 15 februari 2011, kenmerk 2011/0020676

1-4-2011

Hoofdstuk 7, paragraaf 9.

29-3-2011

Provinciaal Blad nr. 2011/0063245

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 29 maart 2011, kenmerk 2011/0057960

29-3-2011

Hoofdstuk 3.

22-3-2011

Provinciaal Blad nr. 2011/0060939

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 22 maart 2011, kenmerk 2011/0053513

27-1-2011

Hoofdstuk 8.

25-1-2011

Provinciaal Blad nr. 2011/0017212

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 25 januari 2011, kenmerk 2011/0012547

1-1-2011

Hoofdstukken 3, 5, 6, 7 en 8.

21-12-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0212721 en Provinciaal Blad nr. 2010/0226782

Besluiten van Gedeputeerde Staten d.d. 14 december 2010, kenmerk 2010/0212492 en 21 december 2010, kenmerk 2010/0216117

21-10-2010

Hoofdstuk 6

19-10-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0177697

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 19 oktober 2010, kenmerk 2010/0178533

1-10-2010

Hoofdstuk 8

28-9-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0154890

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 28 september 2010, kenmerk 2010/0154890

17-7-2010

Hoofdstuk 1a, 3, 5, 6, 7, 8

13-7-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0122725

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 13 juli 2010, kenmerk 2010/0122725

2-7-2010

Hoofdstuk 7

8-6-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0103056

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 8 juni 2010, kenmerk 2010/0103056

9-6-2010

15-12-2009

Hoofdstuk 7

27-4-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0097972

Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 27 april 2010, kenmerk 2010/0097972

4-6-2010

Hoofdstuk 7

27-4-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0095686

-

30-3-2010

Hoofdstuk 3, 5 en 7

23-3-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0057135

-

1-2-2010

Hoofdstuk 8

26-1-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0007429

-

23-1-2010

Hoofdstuk 1

19-1-2010

Provinciaal Blad nr. 2010/0006386

-

1-1-2010

Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8

15-12-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-85 en 63

-

7-10-2009

Hoofdstuk 5, 7 en 8

22-9-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-56

-

15-7-2009

Hoofdstuk 1, 3, 5, 6, 7 en 8

30-6-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-40/42

-

3-6-2009

Hoofdstuk 3, 5, 6 en 7

19-5-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-29/30

-

16-3-2009

Hoofdstuk 3

24-2-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-14

-

11-3-2009

Hoofdstuk 8

10-2-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-13

-

28-1-2009

Hoofdstuk 1, 3, 5, 6 en 8

6-1-2009

Provinciaal Blad nr. 2009-4

-

1-10-2008

Hoofdstuk 3

15-9-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-65

-

1-9-2008

Hoofdstuk 2, 7 en 8

2-9-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-57

-

23-7-2008

Hoofdstuk 3, 6 en 8

1-7-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-50

-

21-5-2008

Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3

22-4-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-37

-

1-5-2008

Hoofdstuk 3, paragraaf 3.6 en hoofdstuk 7, paragraaf 8a

1-4-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-36 en 41

-

19-2-2008

Hoofdstuk 6, 7, 8

5-2-2008

Provinciaal Blad nr. 2008-16

-

16-1-2008

Hoofdstuk 1, 3, 5 en 7

18-12-2007

Provinciaal Blad nr. 2008-1

-

1-1-2008

Hoofdstuk 2 paragraaf 1

2-10-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-95

-

25-7-2007

Hoofdstuk 3, 7 en 8

10-7-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-53

-

16-5-2007

Hoofdstuk 8

27-4-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-40

-

11-4-2007

Hoofdstuk 6

20-3-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-23

-

30-3-2007

Hoofdstuk 8

6-3-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-15

-

7-2-2007

Hoofdstuk 8

16-1-2007

Provinciaal Blad nr. 2007-5

-

10-1-2007

Hoofdstuk 7

19-12-2006

Provinciaal Blad nr. 2007-1

-

20-12-2006

Hoofdstuk 3, 6, 7, 8 en 9

11-12-2006

Provinciaal Blad nr. 2006-127

-

15-11-2006

nieuwe regeling

31-10-2006

Provinciaal Blad nr. 2006-120

-

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  1. a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005;
  2. b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht;
  3. c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit;
  4. d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen en waartegenover geen rechtstreekse baat staat voor de provincie.
  5. e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt;
  6. f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld;
  7. g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten;
  8. h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten;
  9. i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten.

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening.
De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made’ en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie. De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer.]

Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies.

Artikel 1.3. Subsidievormen

[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.
  2. 2. Tenzij anders bepaald verstrekken Gedeputeerde Staten subsidie als prestatiesubsidie.

Artikel 1.4. Subsidieplafond en wijze van behandelen van aanvragen

[Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.]

Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

Artikel 1.5. Stapeling

  1. 1. Indien voor een activiteit subsidie kan worden verstrekt op grond van twee of meer paragrafen van dit uitvoeringsbesluit, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten tot stapeling van de deelbijdragen. [Toelichting: Niet zelden worden provinciale bijdragen aan activiteiten van aanvragers ‘gestapeld’ met subsidies van andere overheden. Stapeling kan ook bínnen de provincie, bijvoorbeeld omdat er overlap zit tussen onderdelen van provinciaal beleid. Kulturhusen zijn daarvan een goed voorbeeld. Op grond van het beleid voor ‘vitaliteit kleine kernen’ kan daarvoor subsidie worden verleend. Leefbaarheid van het platteland is echter ook één van de doelstellingen in het reconstructiebeleid en ook in dat kader kan subsidie worden verleend voor de bouw van een kulturhus.
    Daarnaast kan stapeling zich voordoen als een activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen bijvoorbeeld als een waterschap een werk uitvoert dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert.]
  2. 2. Indien voor één van de deelbijdragen een maximum geldt omdat een bepaald aandeel in de financiering wordt verlangd van de aanvrager zelf of derden, dan kan de totale provinciale bijdrage niet hoger zijn dan dat maximum. [Toelichting: Dit lid heeft betrekking op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt of waarvan de doelstellingen min of meer in elkaars verlengde liggen. In de toelichting op het eerste lid worden kulturhusen genoemd als voorbeeld.
    Artikel 7.37. bepaalt de maximale bijdrage voor kulturhusen op 50%. De reden daarvoor is dat we het belangrijk vinden dat ook de gemeente en andere derden bijdragen. Als de gestapelde bijdrage groter zou zijn dan 50% wordt dit beleidsuitgangspunt doorkruist. Daarnaast geldt een maximale bijdrage van € 100.000,--. Dat maximum heeft te maken met het beschikbare budget voor kulturhusen vanuit het programma Cultuur en maatschappelijke ontwikkeling. Dat bedraagt in 2006 circa € 500.000,--. Als er een aanvraag komt van een gemeente waarin de bouw meer dan € 1.000.000,-- één miljoen euro kost zou je het hele budget in één keer kwijt kunnen zijn. Om ervoor te zorgen dat er uit dat budget meerdere kulturhusen kunnen worden ondersteund, is er een absoluut maximum opgenomen. Dit maximum laat echter onverlet dat uit andere budgetten wordt gestapeld boven het genoemde bedrag van € 100.000,--. Stapeling is dus mogelijk. Kortom, er kan een totale provinciale bijdrage worden verleend die hoger is dan € 100.000,-- zolang die niet groter is dan 50%. Eén van de budgetten waaruit kan worden gestapeld is het reconstructiebudget (mits het kulturhus past in het Uitvoeringsprogramma reconstructie). In de betreffende paragraaf is bepaald dat het maximum uit die regeling eveneens € 100.000,-- is. Daarmee komt de totale gestapelde bijdrage op maximaal 50% tot maximaal € 200.000,--.]
  3. 3. Het tweede lid is niet van toepassing als de activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen. In dat geval is stapeling van de provinciale bijdrage boven een gesteld maximum mogelijk voorzover een extra prestatie wordt geleverd om ook aan andere beleidsdoelen bij te dragen. [Toelichting: Waar het tweede lid betrekking heeft op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt, gaat het derde lid over stapeling uit regelingen met onderscheiden beleidsdoelstellingen.
    Stel dat een waterschap een werk wil uitvoeren dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging (40% subsidiabel op grond van artikel 6.10) en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert (50% subsidiabel op grond van artikel 4.8., mits het past in de gebiedsuitwerking van het reconstructieplan).
    Om te bepalen of stapeling in dit geval mogelijk is en tot welk percentage zullen Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de aanvraag kijken naar de extra inspanning die moet worden geleverd gelet op de aanvullende doelstelling. Stel dat het project van het waterschap is begroot op € 1.000.000,--. Zou het waterschap zich alleen richten op waterberging dan zou het project kunnen worden uitgevoerd voor € 800.000,--. Dan kan 40% van € 800.000,-- uit de waterparagraaf worden gesubsidieerd. Stapeling uit het natuurbudget is mogelijk maar niet meer dan 50% van € 200.000,--. De totale bijdrage is derhalve € 420.000,--.
    Bij een theatervoorstelling waarin diverse minderheden meedoen en die (dus) zou kunnen worden gesubsidieerd vanuit cultuur en/of vanuit minderheden betekent de betrokkenheid van allochtonen in de meeste gevallen geen extra inspanning of kosten. In dat geval moet worden gekozen voor één van de regelingen en is stapeling geen optie.]
  4. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij cofinanciering uit de Europese structuurfondsen. [Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%.]
  5. 5. Voorzover de voorschriften die gelden ten aanzien van de deelbijdragen van elkaar verschillen bepalen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening welke voorschriften van toepassing zijn. [Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd – hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden – dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften.”]

Artikel 1.6. Subsidiabele kosten

  1. 1. Subsidiabele Kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie. [Toelichting: Dit artikellid is de logische kapstok om in de subsidiegrondslag alleen redelijke kosten mee te nemen. Uiteraard gaat het ons er in eerste instantie om dat de afgesproken prestatie wordt geleverd door de subsidieontvanger, maar gemeenschapsgeld is niet bedoeld om standaard organisatiekosten mee te betalen. Voorbeelden van kosten die over het algemeen niet rechtstreeks zijn toe te rekenen aan een prestatie zijn:
    a. interne kosten;
    b. personele kosten;
    c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;
    d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;
    e. afschrijvingskosten;
    f. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit.]
  2. 2. De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. [Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidiabel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel.]

Artikel 1.7. Subsidieverplichtingen

[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.]

Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.

Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie

[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt.
De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb.
Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7..
Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ]

Artikel 1.8. Hoogte stimuleringssubsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.

Artikel 1.9. Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie

Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 1.10. Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie

De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:

  1. a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd;
  2. b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken.

Artikel 1.11. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

Paragraaf 3. Prestatiesubsidie

Artikel 1.12. Prestatiesubsidie

[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt.
Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde.
Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren.
Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb).]

Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren.

Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

[Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.]

Artikel 1.13. Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie

Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 1.14. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie

  1. 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:[Toelichting: In dit artikellid wordt de aanzet gegeven voor het opschalen van prestatiesubsidie naar een prestatiesubsidie met directieve elementen, waarbij in grotere mate wordt gestuurd op bedrijfsvoering en/of middelen. Vaak zijn de statuten en het prestatieplan voldoende om een aanvraag te kunnen beoordelen. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. In de hoofdstukken 2 t/m 7 van dit uitvoeringsbesluit zal dan ten aanzien van diverse subsidies verdergaande opschaling plaatsvinden. Vanuit het gedachtegoed van het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties zijn overwegingen om hiertoe over te gaan het financiële en juridische risico voor de provincie, de kenmerken en eigenschappen van de subsidieontvanger, contextvariabelen waaronder de maatschappelijke aandacht en het op doelgerichte en doelmatige wijze inzetten van de middelen door de provincie.]
    1. a. de statuten voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is;
    2. b. een plan van de te leveren (deel)prestaties waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven effecten die bijdragen aan het realiseren van de provinciale beleidsdoelstellingen, alsmede de hoogte van de gevraagde subsidie en de onderbouwing daarvan;
    3. c. een begroting voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd.
  2. 2. De aanvrager maakt op verzoek bij de aanvraag melding van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern en/of dochters van de onderneming of het eventuele moederconcern hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Tevens wordt melding gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van dit uitvoeringsbesluit.[Toelichting: Indien de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (steun aan een onderneming die een waarde van € 100.000,-- in drie jaar niet overstijgt hoeft niet te worden gemeld bij de commissie) niet van toepassing is, zal het concrete subsidiebesluit aan de Europese Commissie moeten worden voorgelegd. In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier. Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb.]

Artikel 1.15. Subsidieverplichtingen

[Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.]

Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.

Artikel 1.16. Beslistermijn verlening prestatiesubsidie

[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).
In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden.
Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst.]

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.

Artikel 1.17. Voorschotverlening

[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.]

Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 1.18. Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie

De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.

Artikel 1.19. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie

[Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.]

  1. 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan.
  2. 2. Indien de werkelijke kosten van de activiteiten van belang zijn voor het bepalen van het subsidiebedrag overlegt de aanvrager tevens een financieel verslag of de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 van het Burgerlijk Wetboek, mits daaruit de financiële status blijkt van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 1.20. Accountantsverklaring

  1. 1. Indien artikel 1.19, tweede lid, van toepassing is én de verleende subsidie € 25.000,-- of meer bedraagt overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring ten aanzien van het financiële verslag of de jaarrekening, [Toelichting: Dit artikel verplicht de subsidieontvanger in bepaalde gevallen tot het laten verrichten van een accountantscontrole. Voor publiekrechtelijke rechtspersonen wordt een uitzondering gemaakt voor het overleggen van een accountantsverklaring in verband met het verplichte accountantsonderzoek op basis van de Provincie- of Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten.]
  2. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op publiekrechtelijke rechtspersonen.
  3. 3. De accountantsverklaring betreft een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening. [Toelichting: De verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening behelst de uitslag van het onderzoek of het financiële verslag c.q. de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen en of het prestatieverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, daarmee verenigbaar is.]
  4. 4. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. [Toelichting: Dit lid maakt het mogelijk om bij subsidieverlening aan de accountant van de subsidieontvanger tevens de taak te geven controle uit te oefenen op de naleving van de subsidieverplichtingen. Wordt dit toegepast dan zal daarbij een aanwijzing moeten worden gegeven over de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. Omdat accountants werken conform de richtlijnen voor de accountantscontrole sluiten wij voor het voorschrijven van het soort onderzoek daarbij aan. De richtlijnen onderscheiden de beoordelingsopdracht (over de betrouwbaarheid van stukken) en de controleopdracht (over de getrouwheid van stukken).]

Artikel 1.21. Lagere vaststelling

[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.
In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.
Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd.
De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om:
• lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of
• lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of
• lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming.]

Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.

Artikel 1.22. Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen

Artikel 1.23. Toepasselijkheid andere bepalingen

  1. 1. Afdeling 4.2.8 Awb is van toepassing op door Gedeputeerde Staten per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen, waarbij in de wetstekst voor de begrippen activiteiten en activiteitenplan prestaties respectievelijk prestatieplan moet worden gelezen. [Toelichting: Dit artikel regelt dat de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing zijn op per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing.
    Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen:
    • 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag);
    • 4:68 (definitie boekjaar);
    • 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten
    • 4:72 (egalisatiereserve);
    • 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie);
    • 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole);
    • 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb.
    In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt. De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt.]
  2. 2. De artikelen 1.16 en 1.22 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. [Toelichting: Omdat in afdeling 4.2.8 Awb niets wordt geregeld ten aanzien van de beslistermijnen op aanvragen om subsidieverlening en -vaststelling, wordt aangesloten bij de bepalingen in dit besluit voor ‘niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies’.]

Artikel 1.24. Egalisatiereserve

[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt.
Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen.
Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten.
In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo’n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen.]

  1. 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb.
  2. 2. Per 31 december van enig subsidietijdvak mag de stand van de egalisatiereserve niet meer bedragen dan tien procent van de in het betreffende tijdvak verleende subsidie en de daarmee samenhangende inkomsten.
  3. 3. Het bedrag waarmee de egalisatiereserve wordt overschreden, wordt in mindering gebracht op de vast te stellen subsidie over het in het tweede lid bedoelde subsidietijdvak.

Artikel 1.25. Uitbreiding accountantscontrole

[Toelichting: Zie toelichting op artikel 1.20., vierde lid.]

Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.

Artikel 1.26. Voorschotverlening

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag.
  2. 2. De voorschotten worden per midden van de maand beschikbaar gesteld.

Subparagraaf 3.3. Vergelijkingsprocedure

[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor.
Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid.]

Artikel 1.27. Toepasselijkheid

Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald.

Artikel 1.28. Uitvraag

  1. 1. Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de vergelijkingsprocedure een uitvraag vast.
  2. 2. Een uitvraag bestaat uit een programma van eisen en een beoordelingsprocedure.

Artikel 1.29. Kennisgeving

[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie. Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen. Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten.
De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen.]

Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag.

Artikel 1.30. Programma van eisen

Het programma van eisen bevat in elk geval:

  1. a. een beschrijving van de provinciale doelstellingen;
  2. b. een beschrijving van de te leveren prestaties;
  3. c. de eisen waaraan de aanvrager moet voldoen; [Toelichting: Met het opnemen van selectiecriteria kan op voorhand het aantal instellingen en organisaties worden beperkt, die mogelijk zullen reageren op de uitvraag. Gedacht kan worden aan objectieve criteria als bijvoorbeeld ervaring in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van de organsisatie, technische en professionele vaardigheden. Een andere mogelijkheid is het opstellen van een lijst van gekwalificeerde organisaties en instellingen voor bijvoorbeeld een specifiek onderdeel van provinciaal beleid. Gedeputeerde Staten kunnen vervolgens uit deze lijst specifieke organisaties en instellingen selecteren en uitnodigen te reageren op een bepaalde uitvraag.]
  4. d. de criteria waaraan de te leveren prestaties moeten voldoen;
  5. e. de termijn voor het indienen van aanvragen, die in ieder geval zes weken bedraagt;
  6. f. het subsidieplafond;
  7. g. het aantal te subsidiëren partijen;
  8. h. de looptijd van de prestatiesubsidie;
  9. i. de wijze van subsidieverstrekking.

Artikel 1.31. Beoordelingsprocedure

[Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen op basis van de in het programma van eisen opgenomen eisen en criteria als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel c en d, in een prioriteitsvolgorde.
  2. 2. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g.
  3. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in de uitvraag bepalen dat de subsidie wordt verstrekt aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g, die de gevraagde prestaties tegen de laagste prijs kunnen leveren.




Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden

Paragraaf 1. Integrale veiligheid

[Toelichting: Bij de veiligheidsbeleving in het algemeen gaat het om het (on)veiligheidsgevoel van onze burgers. Als onderdeel van het verbeteren van de sociale kwaliteit in onze provincie willen wij bijdragen aan een vermindering van deze onveiligheidsgevoelens en een vergroting van veiligheidsbeleving.
Wij willen dit onder meer doen door:

  • het ondersteunen van projecten die mede gericht zijn op het terugdringen van onveiligheidsgevoelens, bijvoorbeeld projecten gericht op het versterken van burgerschap, waarden en normen;
  • burgers te stimuleren tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid, initiatieven en te participeren in lokale en bovenlokale activiteiten. ]

Artikel 2.1. Criterium

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van het veiligheidsbeleid van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring. Hiermee maken Provinciale Staten gebruik van artikel 152 van de Provinciewet, dat het mogelijk maakt bevoegdheden te delegeren aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zijn verantwoording schuldig aan Provinciale Staten over de wijze waarop het college omgaat met de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. Hierdoor (samen met artikel 2.4.) is een sterke scheiding mogelijk tussen kaderstelling, uitvoering en controle, die gewenst is uit oogpunt van dualisering.]

Een aanvraag voor veiligheidssubsidie moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concrete meetbare resultaten opleveren met betrekking tot de doelstelling van het provinciale veiligheidsbeleid.

Artikel 2.2. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de project- of activiteitkosten met een minimum van € 10.000,-- en een maximum van € 40.000,-- per project of activiteit.

Artikel 2.3. Indieningstermijn aanvraag

[Toelichting: Een aanvraag om subsidie die voor 1 april dan wel 1 oktober van het kalender is binnengekomen wordt binnen 13 weken afgehandeld.]

In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van het kalenderjaar.

Artikel 2.4. Wijze van behandeling van aanvragen

  1. 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 2.1. genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde waarbij rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:
    1. a. deelname van meerdere partijen;
    2. b. activiteiten die gericht zijn op een bredere toepassing en implementatie van vernieuwende en/of succesvolle aanpak van onveiligheid;
    3. c. bij voorkeur dient het project binnen één jaar na subsidietoekenning gerealiseerd te zijn en
    4. d. bij voorkeur dient het project bovengemeentelijk te worden uitgevoerd.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.
  3. 3. Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond.
  4. 4. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 2.5. Verplichting subsidieontvanger

De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.

Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid

[Toelichting: Het specifieke veiligheidsaspect ligt in het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Omdat de provincie hierin geen wettelijke taak heeft, moet zij in samenspraak met politie, justitie, openbaar ministerie en gemeenten op zoek naar haar bijdrage aan dit thema. De provincie Overijssel ziet dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie overheden om zorg te dragen voor een adequate samenhangende sociale infrastructuur, waarbinnen de doelstellingen, geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid, gerealiseerd kunnen worden.]

Artikel 2.6. Criterium

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van veiligheidsbeleid en in het bijzonder van het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid 2004 – 2007 van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring.
Concreet betekent dit dat projecten worden gevonden op het snijvlak van het preventief jeugdbeleid (gemeente) met de jeugdzorg (provincie) en het strafrecht (politie /justitie). Hierbij streven wij naar een verdeling van de middelen tussen projecten die zich richten op:
1. het voorkomen van jeugdcriminaliteit en
2. projecten die zich richten op de aanpak van jeugdcriminaliteit]

Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria:

  1. a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder;
  2. b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid.

Artikel 2.7. Indieningstermijn aanvraag

[Toelichting: Een aanvraag om subsidie is niet afhankelijk van een indieningstermijn.]

In afwijking van artikel 1.13. kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 2.8. Voorschotverlening

[Toelichting: Het te verlenen voorschot bedraagt 80% van het verleende subsidiebedrag.]

In afwijking van artikel 1.17. verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.

Artikel 2.9. Verplichting subsidieontvanger

De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.

Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland)

[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking.
Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen. ]

Artikel 2.10. Criterium

Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria:

  1. a. de aanvrager dient voor te komen in het Werkplan samenwerking Overijssel-Kurzeme (Letland) 2006;
  2. b. het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.

Artikel 2.11. Stimuleringssubsidie

In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie.

Artikel 2.12. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.

Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme

Paragraaf 1. Europese programma’s

[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit.

In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan:
• in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's;
• in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid;
• in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren.
Europese programma's

Doelstelling 2 en LEADER+
De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma’s Doelstelling 2 en LEADER+.
Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma’s:
a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio’s Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek;
b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente;
c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek.

LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006.
Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan.
De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma’s, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen.
Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio’s. Deze regio’s kampen in vergelijking met andere regio’s in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties.

Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld.
De Doelstelling 2- en LEADER+-programma’s bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma’s zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen.

Regelgeving van de Europese Unie
De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving.
Hieronder vallen o.a.:
• het Europees Verdrag;
• meerdere Europese verordeningen;
• de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+;
• De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen.|
Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger:
Verordening (EG) nrs:
• 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161);
• 1783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213);
• 1159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen
(Pb L 130);
• 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193);
• 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63);
• 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64);
Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139).

Staatssteun
Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: “Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.” (Höfner-arrest).
Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing. Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan.
De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis’-regeling. (Vo (EG)
nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen.
Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst.
Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd.

Aanvraagformulier
Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht.

Plattelandsontwikkeling
U dient de bepalingen in deze subparagraaf te lezen in samenhang met de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 14 mei 2002 (Staatscourant nr. 91 d.d. 16 mei 2002).
Aanvragen om subsidie worden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten brengen over de aanvragen een positief of negatief advies uit aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Tevens zijn Gedeputeerde Staten bevoegd een provinciale cofinancieringsbijdrage ter beschikking te stellen.
Vervolgens neemt de minister het besluit tot subsidieverlening. De beschikking tot subsidieverlening door de minister heeft betrekking op de Europese, rijks- en provinciale bijdrage.
De controle op de uitvoering van projecten en eventuele juridische procedures tegen beschikkingen worden door de minister uitgevoerd.]

Subparagraaf 1.1. Doelstelling 2 en LEADER+

Artikel 3.1. Criteria

  1. 1. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland 2000-2006 (Doelstelling 2) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 6 augustus 2001. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 50.000,--.
  2. 2. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Programma LEADER+ Oost-Nederland voor de periode 2000-2006 (LEADER+) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 30 juli 2001.

Artikel 3.2. Indieningtermijn aanvraag

  1. 1. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag vóór 1 november of 1 mei ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen andere data vaststellen voor het indienen van een aanvraag.
  2. 2. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart, voor zover deze activiteiten niet vóór het besluit tot subsidieverlening van Gedeputeerde Staten zijn afgerond.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen van het bepaalde in het tweede lid afwijken indien de activiteiten zijn afgerond na de datum waarop de programma’s Doelstelling 2 en LEADER+ door de Europese Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 3.3. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening

In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens:

  1. a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd;
  2. b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden;
  3. c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep;
  4. d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies.

Artikel 3.4. Wijze van behandeling van de aanvragen

  1. 1. In afwijking van artikel 1.4 wordt een aanvraag om subsidie overeenkomstig de Administratieve Organisatie van de in deze paragraaf genoemde Europese programma’s behandeld. Hierbij wordt bij de subsidieverlening voorrang gegeven aan activiteiten die:
    1. a. de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen, of
    2. b. de kwaliteit van het milieu bevorderen door:
    3. • het ontwikkelen van milieutechnologie, of
    4. • het verminderen van de negatieve gevolgen van economische investeringen voor het milieu, of
    5. • het verbeteren of herbestemmen van de functie van gebieden, of
    6. c. passen binnen een strategische (gebieds)visie, of worden gedragen door de relevante lokale of regionale autoriteiten, instanties of sociaaleconomische partners, of
    7. d. kunnen leiden tot substantiële private investeringen.
  2. 2. Bij de weging van aanvragen in het kader van het Doelstelling 2-programma spelen de volgende factoren een rol:
    1. a. de financiële eisen; met name de financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage;
    2. b. de beleidsinhoudelijke eisen van organen van de Europese Unie;
    3. c. de bijdrage aan de indicatoren.
  3. 3. Bij de weging van aanvragen in het kader van het LEADER+-programma spelen de volgende factoren een rol:
    1. a. de mate waarin een bijdrage wordt geleverd aan de inhoudelijke doelstelling van het programma en het ontwikkelingsplan;
    2. b. financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage;
    3. c. de mate van:
    4. • innovativiteit;
    5. • draagvlak voortkomend uit de ‘van onderop totstandkoming’;
    6. • het voorbeeldkarakter;
    7. d. kosteneffectiviteit, de verhouding tussen de inzet van middelen van de Europese Unie en de inhoudelijke bijdrage aan het programma;
    8. e. de mate waarin het project, danwel de effecten van het project na afloop van de subsidieverlening zullen worden voortgezet, danwel voortduren;
    9. f. de mate waarin het project voorziet in de behoefte van, danwel de vraag uit het desbetreffende gebied.

Artikel 3.5. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijk groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

Artikel 3.6. Verlening van voorschot

  1. 1. In afwijking van artikel 1.17 wordt bij de beschikking tot subsidieverlening een initiële bijdrage van 5% van de subsidie overgemaakt. Voor projecten met een maximale subsidieverlening van € 100.000,-- wordt de initiële bijdrage verhoogd tot 20% van de subsidie.
  2. 2. Nadien zal, op basis van de voortgangsrapportage, naar rato van de aangetoonde gemaakte en betaalde kosten tot maximaal 90% van het budgettotaal worden uitbetaald. In bijzondere gevallen zal, ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, de maximale bevoorschotting kunnen worden verhoogd tot 100% van het budgettotaal.

Artikel 3.7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  1. 1. De activiteiten dienen binnen twee maanden na de subsidieverlening te zijn gestart, in die zin dat de subsidieontvanger daadwerkelijk uitgaven ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten verricht.
  2. 2. De activiteiten dienen te zijn uitgevoerd uiterlijk binnen 24 maanden na de subsidieverlening.
  3. 3. De activiteiten dienen overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende financiële planning te worden uitgevoerd.
  4. 4. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren op grond waarvan adequate tussentijdse rapportages kunnen worden opgesteld en tevens controles kunnen worden uitgevoerd door personen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, danwel door controleurs die bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hiertoe bevoegd zijn.
  5. 5. Indien een subsidieontvanger wenst over te gaan tot het verstrekken van een opdracht dient te worden gehandeld overeenkomstig het door de provincie Overijssel vastgestelde aanbestedingsbeleid (vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 10 december 2002, kenmerk BA/2002/3475); boven de daarvoor geldende drempelwaarden dient overeenkomstig het Europees aanbestedingsbeleid te worden gehandeld. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen van het provinciaal aanbestedingsbeleid gemotiveerd afwijken. Dit is slechts mogelijk indien partijen op basis van aan te tonen marktconforme prijzen de opdracht uitvoeren.

Artikel 3.8. Rapportage

  1. 1. De subsidieontvanger rapporteert schriftelijk drie keer per jaar aan Gedeputeerde Staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten. Deze rapportages worden overgelegd binnen twee weken na 1 januari, 1 mei en 1 september van het desbetreffende jaar en hebben betrekking op de aan die datum voorafgaande periode van vier maanden. Bij deze rapportages worden tevens overgelegd de boekingsbescheiden over die periode en een overzicht van de in die periode voldane facturen.
  2. 2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidie, alsmede van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de ontvanger.

Artikel 3.9. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven.

Artikel 3.10. Terugvordering

Indien de bijdrage(n) uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(en) worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen.

Artikel 3.11. Vervreemding

Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in.

Subparagraaf 1.2. Plattelandsontwikkeling

Artikel 3.12. Criteria

Een aanvraag om subsidie voor projecten die de leefbaarheid van het platteland van de provincie Overijssel verhogen, moet voldoen aan de criteria als bedoeld in artikel 4 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.

Artikel 3.13. Grondslag voor de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de som van de totale communautaire en nationale bijdrage, als bedoeld in artikel 1, onder m en n van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.

Artikel 3.14. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend gedurende de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de provincie Overijssel vastgestelde aanvraagperiode bedoeld in artikel 3 van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies.

Artikel 3.15. Wijze van behandeling van de aanvragen

  1. 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.
  2. 2. Gedeputeerde Staten verlenen de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toelaat.

Paragraaf 2. Bedrijvigheid en werkgelegenheid

Subparagraaf 2.1. Bedrijfsverplaatsingen

Artikel 3.16. Criteria

  1. 1. Een gemeentebestuur binnen de provincie Overijssel kan subsidie aanvragen uit het fonds bedrijfsverplaatsingen Overijssel voor het verplaatsen van een inrichting dat ter plaatse een extern veiligheidsrisico vormt voor de leefomgeving. [Toelichting: Met het verplaatsen van een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt, wordt beoogd dat de kans zo klein mogelijk wordt gehouden dat mensen in de omgeving van een inrichting overlijden tengevolge van een ongeval in die inrichting. De sanering door verplaatsing houdt dan in: beëindiging van de activiteiten van de inrichting op de saneringslocatie gevolgd door hervatting daarvan elders binnen Overijssel, teneinde het externe veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosbaar niveau terug te brengen.
    De vermenigvuldiging van de-kans-op maal het effect (overlijden) wordt aangeduid met het begrip risico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats, namelijk de kans per jaar dat iemand die onafgebroken en onbeschermd daar zou verblijven, overlijdt. Hierbij is niet van belang of op die plaats werkelijk iemand aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een chloorfabriek een kans van één op een miljoen heeft om als gevolg van een ramp te overlijden. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour) rond een bedrijf of – zoals in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer genoemd – de inrichting.
    Dit ‘risico’ is één van de mogelijke maten voor de zgn. ‘externe veiligheid’ van een bedrijf, de mate waarin processen en vooral calamiteiten binnen een bedrijf naar buiten toe risico’s vormen. Het begrip dat hierbij ook wordt gebruikt, is de ‘letaliteitsafstand’.
    Het provinciebestuur zal een aanvraag in behandeling nemen, als verplaatsing wordt beoogd voor een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt. Het externe veiligheidsrisico wordt dan berekend als plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat tussen de 10-5 per jaar contour en 10-8 per jaar contour ligt en/of binnen de maximale 1% letaliteitsafstand.
    De maximale 1% letaliteitafstand is de afstand vanaf de grens van een inrichting, een transportroute of een buisleiding, waarbinnen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, de kans op overlijden van aanwezige personen als gevolg van een explosie, brand of het vrijkomen en blootgesteld worden aan toxische stoffen, hitte of drukbelasting, bij atmosfeerstabiliteitsklasse F 1,5 volgens Pasquill, 1% of hoger is.
    Binnen de definitie van 1% letaliteitsafstand vallen toxiciteit, hittebelasting en drukbelasting. Indien een letaal (of dodelijk) effect kan optreden door een stof die directe vergiftiging veroorzaakt is sprake van toxiciteit. Treedt schade op bij korte blootstelling aan de stralingeffecten bij een brand dan is er sprake van hittebelasting. Een explosie heeft (piek)overdruk tot gevolg. Door de drukbelasting kan fragmentatie ontstaan van de omhulling, glasbreuk of schade door brokstukken. Daardoor kunnen dodelijke slachtoffers vallen.
    De letaliteitsafstand wordt berekend volgens de rekenmethode van de Commissie Preventie van Rampen (CPR-richtlijn) of op basis van het (nog in werking te treden) Registratiebesluit risico-situaties gevaarlijke stoffen.]
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de te verplaatsen inrichting veroorzaakt een extern veiligheidsrisico door bedrijfsprocessen of door transporten van of naar die inrichting;
    2. b. reductie tot een verwaarloosbaar risiconiveau van de inrichting is niet door actualisering van de milieuvergunning te realiseren; [Toelichting: Een verwaarloosbaar niveau van een risico is het niveau van een plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat lager is dan 10-8. ]
    3. c. het verplaatsen van de inrichting komt niet in aanmerking voor schadevergoeding op grond van het Besluit Beleidsregels compensatie meldingplichtige vuurwerkbedrijven, de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer of de schadevergoedingsregeling voor LPG-tankstations bij een te verplaatsen deel van de inrichting; [Toelichting: Voor de sanering van LPG-tankstations geldt een schadevergoeding die is gebaseerd op artikel 15.20 van de Wet milieubeheer. De criteria voor schadevergoedingen staan in de circulaire die de minister van VROM op 22 mei 2003 aan gemeenten en provincies heeft gestuurd met de spelregels voor de toekenning van een schadevergoeding aan LPG-tankstations die moeten worden gesaneerd. Het betreft de circulaire Toepassing van de circulaire schadevergoeding Wet milieubeheer in verband met sanering LPG-tankstations' (brief VROM d.d. 22 mei 2003, kenmerk EV/2003.036534).
      Het Besluit Beleidsregels compensatie meldingsplichtige vuurwerkbedrijven is op 24 april 2002 gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 79).
      Met de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer wordt artikel 15.20 tot en met artikel 15.23 van de Wet milieubeheer bedoeld.]
    4. d. de koopprijs van de saneringslocatie inclusief de zich daarop bevindende gebouwen wordt door middel van een onafhankelijk taxatierapport marktconform vastgesteld;
    5. e. het gemeentebestuur draagt ten minste hetzelfde bedrag bij als de door de provincie Overijssel verleende subsidie. [Toelichting: Onder ‘voltooid wordt’ verstaan dat conform het activiteitenplan het extern veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosbaar niveau is teruggebracht.]

Artikel 3.17. Grondslag voor de subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van het nettotekort met een maximum van € 250.000,-- per te saneren inrichting.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen het percentage van de subsidie of het bedrag genoemd in het eerste lid hoger vaststellen, indien een sanering in bijzondere mate van belang is voor het reduceren van het extern veiligheidsrisico ter plaatse.
  3. 3. Subsidie wordt voorts uitsluitend verstrekt ter dekking van de kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het tot stand brengen van de sanering.
  4. 4. Niet subsidiabel zijn de kosten voor:
    1. a. ureninzet van personen in dienst van bestuursorganen of bedrijven, die voor meer dan de helft door de overheid worden gefinancierd, ten behoeve van voorbereiding, administratie en begeleiding van de activiteiten;
    2. b. verrekenbare omzetbelasting en andere verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;
    3. c. bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler en/of aanspraak op fondsen bedoeld voor bodemsaneringactiviteiten mogelijk is;
    4. d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;
    5. e. extern projectmanagement;
    6. f. activiteiten die kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden;
    7. g. activiteiten die worden verricht ter voldoening aan enige wettelijke verplichting.

Artikel 3.18. Aanvullende stukken bij de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens:

  1. a. een verklaring van de houder van de inrichtingsvergunning, waarin deze zich bereid verklaart om een verzoek tot intrekking van de milieuvergunning in te dienen, danwel mededeling te doen dat niet langer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de artikelen 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer bieden voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten op de sanerings-locatie;
  2. b. een gespecificeerde raming van de verwervings- en/of verwijderingskosten van de sanering door verplaatsing, waaruit het nettotekort blijkt, onderbouwd door een onafhankelijk taxatie-rapport van de saneringslocatie en de zich daarop bevindende gebouwen;
  3. c. de opbouw en samenstelling van de gemeentelijke bijdrage;
  4. d. een gespecificeerde raming van vergoedingen, opbrengsten of andere inkomsten, die het gemeentebestuur of de houder van de inrichtingsvergunning verkrijgen voor de sanering door verplaatsing, medeblijkend uit de gemeentelijke grondexploitatie van de herontwikkeling;
  5. e. een afschrift van het besluit dat het gemeentebestuur een bestemmingsplanherziening heeft gestart voor de saneringslocatie opdat niet opnieuw activiteiten kunnen plaatsvinden die een extern veiligheidsrisico veroorzaken.

Artikel 3.19. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot, zodra het gemeentebestuur schriftelijk heeft bericht dat de uitvoering van het project is gestart.

Artikel 3.20. Verplichting subsidieontvanger

  1. 1. De sanering door verplaatsing wordt binnen één jaar na verlening van de subsidie in uitvoering genomen en voltooid binnen drie jaar na verlening van de subsidie.
  2. 2. In bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het gemeentebestuur de genoemde termijnen verlengen.

Artikel 3.21. Intrekking

Deze subparagraaf vervalt per 1 januari 2008.

Subparagraaf 2.2. In actie voor werkgelegenheid, Algemeen

Artikel 3.22. Toepasselijkheid

Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.14.

Artikel 3.23. Subsidiabele activiteiten

[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren.
Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.]

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’ en plaatsvinden in Overijssel.

Artikel 3.24.

Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie.

Subparagraaf 2.3. In actie voor werkgelegenheid, Ruimte voor bedrijvigheid

[Toelichting: Een korte toelichting op de in deze subparagrafen gebruikte begrippen:
Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkings-mogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte.
Belemmeringen zijn bijvoorbeeld administratieve lasten voor ondernemers.
Een bedrijventerrein is een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door één of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca.
Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (a) hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (b) hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (c) hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (d) op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen.
Een herstructureringsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, zijnde alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die niet onder regulier onderhoud vallen, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden. Herstructurering is een koepelbegrip voor vier typen van maatregelen die genomen kunnen worden om de veroudering van bedrijventerreinen tegen te gaan:
• groot onderhoud/facelift: grote opknapbeurt bij fysieke veroudering;
• revitalisering: forse integrale verbetering van het terrein waarbij de huidige economische functies;
• behouden blijven;
• herprofilering: herstructurering waarbij de economische functie van het terrein een andere wordt;
• transformatie: herstructurering waarbij de economische functie verdwijnt en hier bijvoorbeeld woningbouw voor in de plaats komt. In dit geval wordt het terrein onttrokken aan de voorraad bedrijventerreinen.
Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur en verpachting van grond en de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen.
Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.
Bij zorgvuldig ruimtegebruik wordt de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik kan plaatsvinden in vier dimensies:
a. intensivering van ruimtegebruik/verdichten;
b. functiemenging;
c. verticaal bouwen, de hoogte of de diepte in;
d. tijd.
Zorgvuldig ruimtegebruik is eng verweven met onderwerpen als herstructurering, duurzaamheid, parkmanagement, criminaliteitsbestrijding en architectuur.]

Artikel 3.25. Subsidiabele activiteiten

  1. 1. Binnen het thema Ruimte voor bedrijvigheid ligt de prioriteit op het ondersteunen van activiteiten gericht op de ontwikkeling van bedrijventerreinen in een regionale samenhang en het voorkomen van herstructurering van bedrijventerreinen in de toekomst. In dat kader kan subsidie worden gevraagd voor:
    1. a. strategische planvorming ten aanzien van bovenlokale en bovenregionale bedrijventerreinen;
    2. b. activiteiten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, zorgvuldig ruimtegebruik, veiligheid, energie, hergebruik afvalstoffen en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.
  2. 2. Verder kan subsidie worden gevraagd voor:
    1. a. activiteiten gericht op het wegnemen van belemmeringen voor bedrijven om te ondernemen;
    2. b. activiteiten die zijn gericht op het promoten en versterken van het Overijssels ondernemingsklimaat en het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid.

Artikel 3.26. Grondslag voor de subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,--.
  2. 2. De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
    1. a. interne kosten;
    2. b. verrekenbare belastingen, heffingen of lasten;
    3. c. rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;
    4. d. afschrijvingskosten;
    5. e. kosten van planschade;
    6. f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering.

Subparagraaf 2.4. In actie voor werkgelegenheid, Herstructurering van bedrijventerreinen

Artikel 3.27. Subsidiabele activiteiten

Binnen het thema Herstructurering van bedrijventerreinen kan subsidie worden gevraagd voor:

  1. a. het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bestaande bedrijventerreinen;
  2. b. het oplossen van knelpunten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen;
  3. c. de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.

Artikel 3.28. Criteria

  1. 1. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, moeten voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. het betreft een knelpunt op organisatorisch vlak, op het gebied van kennis of op juridisch gebied;
    2. b. het ontstaan van het knelpunt is aantoonbaar onvoorzien;
    3. c. het knelpunt belemmert de herstructurering, waardoor op korte termijn een oplossing is geboden.
  2. 2. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de aanvraag is afkomstig van een gemeente in de provincie Overijssel;
    2. b. het betreft een bedrijventerrein ouder dan tien jaar, gemeten vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging op het betreffende bedrijventerrein;
    3. c. de financiering van het herstructureringsproject is na de verlening van de subsidie sluitend;
    4. d. er is draagvlak bij de betrokken partijen;
    5. e. het door het herstructureringsproject bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein blijft ook na afloop van de subsidieperiode in stand.

Artikel 3.29. Grondslagen voor de subsidie

  1. 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.
  2. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,--.
  3. 3. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 500.000,--, met dien verstande dat:
    1. a. marktconforme opbrengsten die gedurende de looptijd van het project worden gerealiseerd, worden van de kosten afgetrokken;
    2. b. ingeval dat gebouwen of grond op het moment van subsidievaststelling nog niet zijn verkocht, verpacht of verhuurd, worden de verwachte opbrengsten uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag om subsidievaststelling door een onafhankelijke taxateur vastgesteld.
  4. 4. De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
    1. a. interne kosten;
    2. b. verrekenbare belastingen, heffingen of lasten;
    3. c. rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;
    4. d. afschrijvingskosten;
    5. e. kosten van planschade;
    6. f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering.

Artikel 3.30. Vaststelling subsidie

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, geen besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 3.31. Aanvullende stukken bij de aanvraag

[Toelichting: Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.]

  1. 1. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, bij de aanvraag tevens een offerte voor het oplossen van het ontstane knelpunt.
  2. 2. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, bij de aanvraag tevens:
    1. a. een door het gemeentebestuur vastgesteld masterplan;
    2. b. een draagvlakverklaring;
    3. c. een plan van aanpak hoe na afloop van het herstructureringsproject het bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd.

Subparagraaf 2.5. In actie voor werkgelegenheid, Innovatie is broodnodig

Artikel 3.32. Criteria

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen aan:
    1. a. activiteiten in de Netwerkstad Zwolle Kampen, Salland, Noordwest-Overijssel, Noordoost-Overijssel en de Stedendriehoek die beogen het innovatievermogen van ondernemingen te vergroten en clusters en netwerken te professionaliseren;[Toelichting: Netwerkstad Zwolle-Kampen bestaat uit de gemeenten Zwolle en Kampen. Noordwest-Overijssel bestaat uit de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland. Noordoost-Overijssel bestaat uit de gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Ommen en Staphorst. Salland bestaat uit de gemeenten Raalte en Olst-Wijhe. Voor de Stedendriehoek zijn alleen de activiteiten die in de gemeente Deventer plaatsvinden subsidiabel.]
    2. b. die organisaties die integraal uitvoering geven aan het innovatiebeleid van de provincie. [Toelichting: Het gaat hier om organisaties die door middel van diverse activiteiten en projecten de economie van Oost-Nederland versterken en daarmee de werkgelegenheid bevorderen. De integrale uitvoering van het provinciale innovatiebeleid moet in ieder geval betrekking hebben op de Innovatieroute Twente. De innovatieroute is verkrijgbaar bij het Innovatieplatform Twente (http://www.twentse-innovatieroute.nl/).]
  2. 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, sub a, komen alleen voor subsidie in aanmerking als sprake is van samenwerking door of voor minimaal vijf MKB-ondernemers. [Toelichting: Ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een MKB-onderneming in stand houdt in de provincie Overijssel.
    Onder MKB-onderneming wordt begrepen een onderneming als bedoeld in Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Europese Commissie van 25 februari 2004 (PbEG L 63) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.]
  3. 3. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, sub a, die zich afspelen in de netwerkstad Zwolle-Kampen en de Stedendriehoek moeten zijn afgestemd met respectievelijk de Stuurgroep Kennispoort Zwolle en de Stuurgroep Innovatie van de stedendriehoek. [Toelichting: Voor afstemming met de Stuurgroep Innovatie van de Stedendriehoek en de Stuurgroep Kennispoort Zwolle kunt u contact opnemen met mevr. A. Esselink van de provincie Overijssel.]

Artikel 3.33. Grondslag subsidie

Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, sub a, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.

Subparagraaf 2.6. In actie voor werkgelegenheid, Innovatie in bedrijf

[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen het innovatieve klimaat in Overijssel stimuleren. Een breed opgezette regeling vervangt de oude stimuleringsregeling. Ondernemers met goede plannen moeten zoveel mogelijk gestimuleerd kunnen worden. Het karakter van de nieuwe regeling is daarom zoveel mogelijk vraaggestuurd. In artikel 3.34 is de kern van de regeling neergelegd. De doelgroep is het MKB en aanvragen kunnen door ondernemers uit de hele provincie worden ingediend bij SenterNovem in Zwolle. Een onderscheid is aangebracht in onderzoeksprojecten aan het begin van de innovatieketen en de ontwikkelprojecten die daarna opgezet worden. Voor de jaren 2006 en 2007 is jaarlijks rond de 2,8 miljoen euro beschikbaar voor het stimuleren van innovaties.]

Artikel 3.34. Criteria

[Toelichting: Onder MKB-ondernemer wordt in deze paragraaf verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een MKB-onderneming in stand houdt in de provincie Overijssel.
Onder MKB-onderneming wordt begrepen een onderneming als bedoeld in Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Europese Commissie van 25 februari 2004 (PbEG L 63) tot wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen. ]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van Innovatie in bedrijf. Hieronder vallen:
    1. a. een door een externe adviseur aan een MKB-ondernemer schriftelijk uitgebracht advies over de uitvoering van een project die het innovatievermogen van de onderneming vergroot (onderzoeksproject); [Toelichting: Onderzoeksprojecten
      Onder adviseur wordt in de regeling verstaan een onafhankelijke deskundige, d.w.z. een adviseur die als externe professional de subsidieontvanger van advies dient over de uitvoering van een ontwikkelproject. ‘Onafhankelijk’ wil zeggen dat de adviseur in ieder geval geen belang mag hebben in de onderneming van meer dan 25% (direct of indirect). Hetzelfde geldt voor de subsidieontvanger in zijn relatie tot de adviseur. Er mag evenmin sprake zijn van een dienstbetrekking tussen de adviseur en de onderneming danwel de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. Indien er sprake is van een aandelenverhouding van minder dan 5% tussen de adviseur en de aanvrager wordt er geacht geen afhankelijke relatie te zijn. Indien de aandelenverhouding ligt in de range van 5 tot 25% worden de volgende aspecten getoetst:
      a. is de aandeelhouder tevens bestuurder;
      b. over hoeveel personen is het aandelenbezit verdeeld.
      Het onderzoeksproject kan gericht zijn op:
      • een marktonderzoek;
      • een octrooionderzoek;
      • een (technisch) haalbaarheidsonderzoek;
      • het oplossen van technologische vraagstukken.]
    2. b. een project van een MKB-ondernemer die voor eigen rekening en risico een nieuw product, een technische nieuwe werkwijze, nieuwe systemen, danwel wezenlijke onderdelen daarvan gaat ontwikkelen waaraan voor de ondernemer risico’s verbonden zijn en die het innovatie-vermogen van de onderneming vergroot (ontwikkelproject). [Toelichting: Ontwikkelprojecten
      Onder een ontwikkelproject wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen of fabricageprocessen en andere reguliere werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen zijn. Het project moet in technisch opzicht aantoonbare, meer dan marginale, vernieuwende elementen bezitten.
      Projecten waaraan geen technische risico’s zijn verbonden, maar waarbij enkel een financieringsbehoefte bestaat, komen niet in aanmerking voor subsidie. Anderzijds mogen de technische en economische risico’s ook niet zó groot zijn, dat getwijfeld moet worden aan de slaagkans van het project.]
  2. 2. Voor subsidies als bedoeld in het eerste lid moet gebruik worden gemaakt van het door SenterNovem te Zwolle beschikbaar gestelde formulier (met toelichting) en de bijbehorende indieningswijze. [Toelichting: Met de bijbehorende indieningswijze wordt bedoeld:
    • aanvragen moeten worden ingediend bij SenterNovem, Postbus 10073, 8000 GB te Zwolle;
    • aanvragen kunnen niet per e-mail of telefax worden ingediend;
    • aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 4 april 2006.
    Op het aanvraagformulier vindt u aanwijzingen met betrekking tot het indienen van de aanvraag.]
  3. 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, moet voldoen aan de volgende criteria: [Toelichting: Toeristische ondernemingen betreffen ondernemingen met de volgende BIK-codes:
    551 (hotels, pensions en conferentieoorden);
    552 (kampeerterreinen en overige voorzieningen voor recreatief verblijf);
    61204 (passagiersvaart en veerdiensten);
    71402 (verhuur van sport- en recreatieartikelen);
    92332 (recreatiecentra);
    92531 (dieren- en plantentuinen, kinderboerderijen);
    92643 (zeil- en surfscholen);
    92644 (jachthavens).]
    1. a. de activiteiten hebben geen betrekking op werkzaamheden uitgevoerd binnen de sectoren dienstverlening of toerisme;
    2. b. per kalenderjaar en per ondernemer worden maximaal twee aanvragen gehonoreerd;
    3. c. de minimale kosten van een project bedragen € 2.500,--.
  4. 4. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub b, moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de activiteit mag niet leiden tot een aanmerkelijke verhoging van de milieudruk of aanmerkelijke toename van energiegebruik;
    2. b. de activiteiten hebben geen betrekking op werkzaamheden uitgevoerd binnen de sectoren dienstverlening of toerisme;
    3. c. per kalenderjaar en per ondernemer wordt maximaal één aanvraag gehonoreerd;
    4. d. de minimale kosten van een project bedragen € 20.000,--.

Artikel 3.35. Grondslag subsidie

  1. 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, bedraagt maximaal 40% van de projectkosten met een maximum van € 10.000,--.
  2. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, bedraagt maximaal 40% van de projectkosten met een maximum van € 30.000,--.
  3. 3. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, worden als projectkosten uitsluitend de kosten in aanmerking genomen die de subsidieontvanger maakt na het indienen van de aanvraag met betrekking tot het uitgebrachte advies en welke de subsidieontvanger uiterlijk vier maanden na het uitbrengen van het advies aan de extern adviseur heeft betaald.
  4. 4. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, worden in aanvulling op artikel 1.5, eerste lid, als subsidiabele projectkosten aangemerkt de voor het project noodzakelijke en daaraan rechtstreeks toe te rekenen kosten die door de subsidieontvanger worden gemaakt na het indienen van de aanvraag. [Toelichting: Onder projectkosten worden begrepen:
    a. loonkosten.
    Loonkosten doen zich voor wanneer subsidieontvangers voor een bepaald project ten behoeve van het projectmanagement en de projectuitvoering zelf kosten maken en aan het project toerekenen. Wanneer de subsidieontvanger optreedt als uitvoerder, dan moeten de uit te voeren activiteiten duidelijk additioneel zijn ten opzichte van zijn reguliere activiteiten. De subsidieontvanger dient dit aan te tonen.
    Loonkosten komen voor subsidie in aanmerking, voor zover:
    • het personeel betreft dat direct bij de uitvoering is betrokken;
    • terzake een separate urenregistratie wordt bijgehouden die toegankelijk en controleerbaar is; de registratie moet inzicht geven in alle werkzaamheden die de persoon in kwestie verricht;
    • wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom ‘loon voor de loonbelasting’ van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke danwel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1750 productieve uren per jaar.
    Indien geen loonkosten als hierboven omschreven worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het ontwikkelproject wordt verricht, zoals in het geval van een zelfstandige ondernemer, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een tarief van € 35,-- per uur;
    b. verbruikte materialen en hulpmiddelen.
    Dit betreft verbruikte materialen en hulpmiddelen die gedurende het project geheel worden afgeschreven. Kosten voor productiemiddelen en voor het project aangeschafte apparatuur komen niet voor subsidie in aanmerking;
    c. aan derden verschuldigde kosten.
    Dit betreft kosten die door derden in het kader van het ontwikkelproject worden gemaakt.]

Artikel 3.36. Verplichtingen subsidieontvanger

  1. 1. Voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, mogen voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag geen verplichtingen zijn aangegaan.
  2. 2. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, geldt dat het externe advies waarop de subsidieverlening betrekking heeft binnen zes maanden na subsidieverlening dient te zijn uitgebracht.
  3. 3. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, geldt dat de subsidieontvanger de kosten uiterlijk vier maanden na het uitbrengen van het advies aan de extern adviseur dient te hebben betaald.
  4. 4. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, geldt dat het ontwikkelproject dient te worden uitgevoerd in de provincie Overijssel.

Artikel 3.37. Anticumulatiebepaling

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt wordt slechts een zodanig be-drag aan subsidie verleend, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan 100% van de projectkosten.

Artikel 3.38. De minimisbepaling

Het bedrag van de maximale subsidie wordt verlaagd voor zover dit tezamen met in de drie voorgaande kalenderjaren door een bestuursorgaan verstrekte subsidies of andere niet marktconforme voordelen, waarvoor van de Europese Commissie geen goedkeuring is verkregen, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 2 van de Verordening 69/2001 van de Europese Commissie.

Artikel 3.39. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 worden er geen voorschotten verleend.

Subparagraaf 2.7. In actie voor werkgelegenheid, Kennispark Twente

[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel.
In actie voor werkgelegenheid, Breedband
Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen. Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven.
Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor:

  • beeld- en geluidstoepassingen van een goede kwaliteit;
  • het uitwisselen van omvangrijke gegevensbestanden;
  • waarvan de verbinding continu beschikbaar is;
  • ten minste een capaciteit van 10 Mbps ondersteunt en
  • toekomstvast is in die zin dat hogere capaciteiten later tegen relatief geringe kosten realiseerbaar zijn.

Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur.
Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken:
1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten. Daarmee is een open ‘backbone' glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; de provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad;
2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet;
3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats. Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven
Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties:
A. Vraagbundeling
De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld. De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland.
B. Elektronische dienstverlening
De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid'.
Accenten in de samenwerking worden gelegd bij:

  • het raadplegen van tot dusver minimaal ontsloten publieke informatie bijvoorbeeld beeldarchieven;
  • het bevorderen van één-loketinitiatieven zodat dienstverlening naar burgers en bedrijven voor het grootste gedeelte elektronisch wordt;
  • het gebruikmaken van internet als het gaat om burgerraadplegingen, interactieve beleidsvorming en politieke communicatie met burgers en organisaties.

C. Stimuleren breedbanddiensten
Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten.
In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • de dienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk;
  • de dienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven;
  • de dienst wordt na opstartfase zelfstandig geëxploiteerd en is dan toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners;
  • de dienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciaal Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie' 2003-2007;
  • bij de ontwikkeling en productie van de dienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist. ]

Artikel 3.40. Criteria

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten die zijn omschreven in het Programmaplan Kennispark Twente.

Artikel 3.41. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.40 bedraagt minimaal € 10.000,-- en maximaal € 500.000,--.

Subparagraaf 2.8. In actie voor werkgelegenheid, Breedband

Artikel 3.42. Criteria

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten die vallen binnen het kader van het Actieprogramma Breedband Overijssel 2005-2007.
  2. 2. Voor deze activiteiten gelden de volgende aanvullende eisen:
    1. a. er is sprake van scheiding van infrastructuur en diensten om een open glasvezelinfrastructuur te creëren;
    2. b. er wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande infrastructuur;
    3. c. de breedbanddienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk;
    4. d. de breedbanddienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven;
    5. e. de exploitatie van de breedbanddienst moet voor minimaal drie jaar zijn gewaarborgd en de dienst is toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners;
    6. f. de breedbanddienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciale Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie’ 2003-2007;
    7. g. bij de ontwikkeling en productie van de breedbanddienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.

Artikel 3.43. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.42 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Subparagraaf 2.9. In actie voor werkgelegenheid, Clustergerelateerde activiteiten

Artikel 3.44. Criteria

[Toelichting: De innovatieroute is verkrijgbaar bij het Innovatieplatform Twente (http://www.twentse-innovatieroute.nl/).]

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema ‘Innovatie is broodnodig’ clustergerelateerde subsidies verstrekken aan die organisaties die integraal uitvoering geven aan de innovatieroute in Twente.

Artikel 3.45. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.44 bedraagt maximaal 100% van de kosten.

Subparagraaf 2.10. In actie voor werkgelegenheid, Bedrijfsgerichte trajecten

Artikel 3.46. Criteria

[Toelichting: De bedrijfsgerichte trajecten moeten een aantoonbare relatie hebben met de Twentse Innovatieroute of Kennispoort Zwolle.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor bedrijfsgerichte trajecten aan die organisaties die zich richten op het vergroten van het innovatievermogen en stimuleren van de kennisoverdracht aan individuele MKB-ondernemingen.
  2. 2. Projecten zoals bedoeld het eerste lid komen alleen voor subsidie in aanmerking als het project op meer dan 15 MKB-bedrijven is gericht en bijdragen aan de integrale uitvoering van provinciaal innovatiebeleid.

Artikel 3.47. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.46 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Subparagraaf 2.11. In actie voor werkgelegenheid, Pieken in de Delta Oost-Nederland

Artikel 3.48. Criteria

[Toelichting: Het uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland is verkrijgbaar bij:
Ministerie van Economische Zaken, Regiokantoor Oost
Postbus 324
6800 AH Arnhem
Telefoon 026 352 58 88. ]

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen aan activiteiten en projecten die bijdragen aan de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), die een bijdrage leveren aan de uitvoering van projecten uit de Twentse Innovatieroute en de Innovatieagenda Oost-Nederland.

Artikel 3.49. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.48 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Artikel 3.50. Anticumulatiebepaling

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt wordt slechts een zodanig be-drag aan subsidie verleend, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan 100% van de projectkosten.

Artikel 3.51. De minimisbepaling

Het bedrag van de maximale subsidie wordt verlaagd voor zover dit tezamen met in de drie voor-gaande kalenderjaren door een bestuursorgaan verstrekte subsidies of andere niet marktconforme voordelen, waarvoor van de Europese Commissie geen goedkeuring is verkregen, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 2 van de Verordening 69/2001 van de Europese Commissie.

Subparagraaf 2.12. In actie voor werkgelegenheid, Werkgelegenheidssubsidie Kennisintensieve Maakindustrie

Artikel 3.52. Criteria

[Toelichting: Arbeidsplaats: Onder het begrip arbeidsplaats verstaan wij een permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende formatieve eenheid op jaarbasis (1 fte), gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden. Deze periode van minimaal 12 maanden moet zijn opgenomen in een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Bij de omrekening tot volledige dagtaak wordt rekening gehouden met de in de CAO vermelde werkweek. Niet in aanmerking komen arbeidsplaatsen die worden vervuld door middel van uitzendkrachten of zgn. nul-urencontracten. Arbeidsplaatsen waarbij sprake is van detachering worden eveneens niet in aanmerking genomen. Bij min-max-contracten wordt uitgegaan van het minimaal aantal uren vermeld in de arbeidsovereenkomst.
Als nieuwe arbeidsplaats komen die arbeidsplaatsen in aanmerking die na de inwerkingtreding van deze regeling worden gecreëerd.
Onderneming: elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Belangrijk daarbij is dat een winstoogmerk niet vereist is. Het begrip economisch activiteit wordt uitgelegd als "het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt."
Maakindustrie: Een onderneming behoort tot de maakindustrie indien zij iets vervaardigt en tevens een van de volgende SBI '93 codes heeft: 15 t/m 36.
Indien een onderneming behoort tot een door de Europese Commissie uitgesloten sector voor ‘de minimis'-steun zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 69/2001, kan zij geen aanspraak maken op WKM-subsidie.
Kennisintensief: een continu proces van het verkrijgen van nieuwe kennis die veelal gericht is op technologische vernieuwing (innovatie).
Bedrijven die voldoen aan beide bovenstaande definities behoren tot de kennisintensieve maakindustrie. ]

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema ‘Innovatie is broodnodig’ subsidie verlenen aan een onderneming die behoort tot de kennisintensieve maakindustrie voor het creëeren van ten minste vijf nieuwe arbeidsplaatsen in de provincie Overijssel (WKM-subsidie).

Artikel 3.53. Grondslag subsidie

  1. a. De WKM-subsidie bedraagt maximaal € 4.000,-- per gerealiseerde arbeidsplaats. [Toelichting: De wijze waarop de subsidiegrondslag wordt berekend geschiedt als volgt: het aantal nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Alle arbeidsplaatsen die op dat moment voldoen aan het criterium, worden in aanmerking genomen.]
  2. b. Het maximale subsidiebedrag bedraagt € 80.000,-- per onderneming.

Artikel 3.54. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 worden er geen voorschotten verleend.

Artikel 3.55. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag tot vaststelling ingediend na de realisatie van de nieuwe arbeidsplaatsen, doch uiterlijk 12 maanden na de indiening van de aanvraag om subsidieverlening.

Artikel 3.56. Accountantsverklaring

In afwijking van artikel 1.20 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling van een WKM-subsidie een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 1.20, derde en vierde lid.

Artikel 3.57. Lagere vaststelling

[Toelichting: Deze bepaling heeft betrekking op situaties waarin (nagenoeg) gelijktijdig met de uitvoering van het project het aantal arbeidsplaatsen wordt verminderd, bijvoorbeeld door het opheffen van bestaande arbeidsplaatsen bij realisering van nieuwe gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Het positieve effect van de subsidie op de lokale en/of regionale economie wordt als gevolg van het opheffen van die arbeidsplaatsen per saldo minder. De subsidiegrondslag wordt dan ook zodanig verminderd dat het subsidiebedrag meer in overeenstemming is met het netto effect van de investering. Daarbij wordt gekeken naar het opheffen van arbeidsplaatsen binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, in de rest van Overijssel. Detachering van personeel bij andere bedrijven en het op non-actief stellen van personeel vallen eveneens onder het opheffen van arbeidsplaatsen.
Groep: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden een natuurlijk persoon of privaatrechtelijk rechtspersoon die direct of indirect:

  • de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan;
  • volledig aansprakelijk vennoot is van, of
  • overwegende zeggenschap heeft over één of meer rechtspersonen of vennootschappen. ]

In aanvulling op artikel 1.21 wordt de subsidie als bedoeld in artikel 3.52 recht evenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak gelegen tussen één jaar voor de indiening van de aanvraag en de in-diening van de aanvraag, binnen de onderneming van de aanvrager of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen.

Subparagraaf 2.13. In actie voor werkgelegenheid, Arbeidsmarkt en onderwijs

Artikel 3.58. Criteria

  1. 1. Binnen het thema Arbeidsmarkt en onderwijs kan subsidie worden aangevraagd voor:
    1. a. activiteiten die de samenwerking tussen arbeidsmarktpartijen bevorderen en transparantie van de arbeidsmarkt vergroten;
    2. b. activiteiten die de aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs verbeteren.
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de activiteit wordt bij voorkeur in samenwerkingsprojecten gerealiseerd;
    2. b. de activiteit is gericht op het bevorderen van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeid;
    3. c. de activiteit is gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen op de regionale arbeidsmarkt;
    4. d. de activiteit is voorwaardenscheppend.

Artikel 3.59. Grondslag voor de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

Subparagraaf 2.14. In actie voor werkgelegenheid, Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme

Artikel 3.60. Criteria

[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe.
Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.
Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. ]

  1. 1. Binnen het thema Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme kan subsidie worden aangevraagd voor:
    1. a. activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel; te weten:
    2. i activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel;
    3. ii activiteiten die bijdragen aan de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen;
    4. b. activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel; te weten:
    5. i activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema’s, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht;
    6. ii activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren;
    7. iii activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren.
  2. 2. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel ii, en sub b, moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd;
    2. b. de activiteit is nieuw voor Overijssel;
    3. c. de activiteit is bovengemeentelijk gericht.
  3. 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel i, moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de aanvraag wordt gedaan door een gemeentebestuur of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel;
    2. b. de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd;
    3. c. openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn.

Artikel 3.61. Grondslag voor de subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten van een project.
  2. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
  3. 3. De subsidiabele kosten van een project bedragen ten minste € 25.000,--.
  4. 4. De kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.

Artikel 3.62. Verbod vervreemding

  1. 1. Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.60, lid 1, sub a, onderdeel ii, en sub b, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal.
  2. 2. Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.

Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling

Artikel 3.63. Stimuleren milieukwaliteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.

Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling

[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]

Artikel 3.64. Criteria

[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW.
In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen - meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap - of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen.
Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld.
In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit'. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert. ]

  1. 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd;
    2. b. de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten;
    3. c. de aanvrager bestemt voor verbreiding van de leerervaringen, ten minste 5% van de totale lasten;
    4. d. de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend.

Artikel 3.65. Grondslag voor de subsidie

[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.]

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.

Artikel 3.66. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.

Artikel 3.67. Stukken bij de aanvraag

[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen.
Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden.
De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt.
De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen. ]

In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen:

  1. a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven;
  2. b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten;
  3. c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen;
  4. d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn;
  5. e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd;
  6. f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt;
  7. g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.

Artikel 3.68. Subsidieplafond

[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond.
Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden. ]

Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.

Artikel 3.69. Wijze van behandeling van de aanvragen

[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project.
Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen. ]

  1. 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.
  2. 2. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.

Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren

Artikel 3.70. Criteria

  1. 1. Subsidie kan worden gevraagd voor:

    [Toelichting: Bij te subsidiëren activiteiten onder sub a gaat het om projecten gericht op de uitvoering van het huishoudelijk afvalstoffenbeleid. Vooral activiteiten die gericht zijn op het bereiken van een hogere trede op de zogenaamde Ladder van Lansink komen voor subsidiëring in aanmerking. Het hoogst op de ladder van Lansink staat preventie (voorkomen) van afvalstoffen. Daarna komt hergebruik, verbranden en als laatste storten van afval.
    Bij activiteiten onder sub b gaat het om projecten ter stimulering van preventie van bedrijfsafvalstoffen. Het gaat hierbij om het ondersteunen van projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.]

    1. a. een activiteit met een experimenteel of innovatief karakter die tot doel heeft of ertoe kan leiden dat de hoeveelheid huishoudelijk afval vermindert of op een hoogwaardiger wijze wordt verwerkt, of
    2. b. een activiteit die past binnen het beleidskader als vastgelegd in de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.
  2. 2. Een subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun.
  3. 3. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. er vindt nulmeting en eindmeting plaats naar de bereikte milieueffecten; hierover wordt gerapporteerd;
    2. b. voor de voorgenomen activiteit is niet eerder een subsidie ontvangen op basis van deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit;
    3. c. de activiteit wordt kosteneffectief uitgevoerd;
    4. d. kennisoverdracht van relevante resultaten is mogelijk;
    5. e. de activiteit voorziet in een behoefte van de doelgroep(en) van het project;
    6. f. de activiteit is gericht op het bevorderen van een zo efficiënt mogelijk gebruik van afvalstoffen, water en energie bij het industriële MKB.

Artikel 3.71. Grondslag voor de subsidie

[Toelichting: Hierna volgt een samenvatting van de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.
‘Voorkomen is verdienen' was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen van milieuschadelijke emissies.
De uitvoering werd vooral opgepakt vanuit de milieu-invalshoek.
De komende periode richten wij ons nog steeds op hetzelfde uitgangspunt, met dat verschil dat wij de uitvoering vanuit een breder perspectief gaan inzetten. Wij stellen ons ten doel te streven naar een duurzame ontwikkeling van de Overijsselse industrie. Hieronder verstaan wij een gelijktijdige versterking van de industriële structuur en een afname van de milieudruk in Overijssel. Hiermee geven wij invulling aan onze ambitie om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie (Bestuursakkoord 1999-2003). Deze beleidsnotitie is de nadere uitwerking van het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+.
De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor de beleidsvoornemens gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijsselse midden- en kleinbedrijf.
Vanuit het streven naar zoveel mogelijk synergie tussen milieu- en economiethema's binnen het provinciale beleid gaan wij ons in de komende periode richten op die sectoren die de speerpuntsectoren van de Overijsselse Innovatiestrategie zijn. Het gaat dan om de volgende sectoren: kunststofverwerkende industrie, metaalproducten industrie, machine- en apparatenbouw, voedingsmiddelenindustrie, grafische en media-industrie, transportmiddelenindustrie ((vracht)auto's, schepen, treinen en fietsen). Binnen deze branches koppelen wij daar waar mogelijk onze aanpak aan bestaande initiatieven en houden wij in ieder geval rekening met afspraken uit het doelgroepenbeleid Industrie. Kansrijke ontwikkelingen zijn momenteel te ontdekken op de volgende terreinen: milieugerichte productontwikkeling, productgerichte milieuzorg en integraal ketenbeheer.]

  1. 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.800,--. [Toelichting: Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten ter stimulering van de uitvoering van het huishoudelijke afvalstoffenbeleid. De hoogte van het maximumbedrag heeft te maken met de omvang van de subsidiepot.]
  2. 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 18.000,--. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.
  3. 3. Niet subsidiabel zijn de kosten van:
    1. a. vaste personeelslasten en omzetbelasting, voor zover deze laatste niet door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd;
    2. b. voorbereiding en ontwikkeling, administratie en accountant;
    3. c. dat deel van de activiteit dat voorafgaand aan de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten is gestart.

Subparagraaf 3.3. Bio-energie

Artikel 3.72. Criteria

[Toelichting: De haalbaarheidsstudies leveren een bijdrage aan de ambitie voor het realiseren van 120 megawatt uit bio-energie in 2010, zoals opgenomen in het Actieprogramma bio-energie Overijssel 2005 2008.
Onder bio-energie installaties worden verstaan installaties voor het opwekken van energie door middel van mestvergisting, houtverbranding, vergassing, pyrolyse of andere conversie technieken. De haalbaarheidsstudie dient gekoppeld te zijn aan een locatie en een initiatiefnemer. Onder een haalbaarheidsstudie wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de oprichting van een bio-energie-installatie. De studie wordt binnen een half jaar na subsidietoekenning afgerond. Bij de studie worden de volgende aspecten van de te realiseren installatie onderzocht:
• techniek (welke soorten techniek, mogelijkheden voor warmteafzet; impact op milieu/natuur);
• financiering (bedrijfseconomisch, fiscaal, subsidies);
• organisatie (o.a. inpasbaarheid in bedrijfsvoering);
• logistiek (o.a. afzet eindmateriaal, inzet regionale biomassa);
• ruimtelijk (inpasbaarheid in ruimtelijke plannen);
• juridisch (o.a. rechtsvorm).
De resultaten van de haalbaarheidsstudie bestaan uit:
• een bedrijfsplan dat kan dienen voor het verkrijgen van financiering en voor vooroverleg met gemeente/provincie in verband met vergunning Wet milieubeheer en bouwvergunning;
• een factsheet met (geanonimiseerde informatie over de installatie, zoals:
¿ hoeveelheid biomassa;
¿ elektrisch en thermisch vermogen;
¿ electriciteitsopbrengst;
¿ afmetingen installatie;
¿ bruto-investering;
¿ terugverdientijd.
Onder een haalbaarheidsstudie voor een inzamelingsstructuur voor regionale biomassa wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de realisatie van een inzamelingsstructuur en afzet van regionale vrijgekomen biomassa. Het gaat om de financiële en organisatorisch/logistieke haalbaarheid van een inzamelstructuur met een onafhankelijke analyse van potentiële marktpartijen. Het resultaat van de studie is een afsprakenpakket tussen inzamelaars van biomassa en verwerkers. De studie wordt binnen een jaar na subsidietoekenning afgerond.]

  1. 1. Subsidie kan worden gevraagd voor de externe kosten van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor de realisatie van:
    1. a. bio-energie-installaties;
    2. b. inzamelingsstructuren voor regionale biomassa.
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan het criterium dat de subsidieontvanger zelf voor minimaal 20% bijdraagt in de totale subsidiabele kosten.

Artikel 3.73. Grondslag voor de subsidie

  1. 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.000,--.
  2. 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 10.000,--.

Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig

Artikel 3.74. Criteria

  1. 1. Kentekenhouders van een personen- of bestelauto met een dieselmotor kunnen subsidie aan-vragen voor het inbouwen van een ongebruikte roetfilter in dat voertuig. [Toelichting: Dit betekent dat de subsidie ook kan worden verstrekt aan een kentekenhouder die vóór de inwerkingtreding van deze regeling reeds een roetfilter heeft laten inbouwen. Op 1 juli 2006 is de subsidieregeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel in werking getreden. De onderhavige regeling sluit daarop aan.]
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2 van de Subsidiere-geling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor. [Toelichting: De Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor is gepubliceerd in de Staatscourant van 29 juni 2006, nr. 124, pagina 73, en laatstelijk gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september 2006, gepubliceerd in de Staatscourant van 29 september 2006, nr. 190, pagina 25.]
  3. 3. Aanvullend daarop gelden de volgende criteria:
    1. a. de kentekenhouder van het voertuig is een particulier;
    2. b. de kentekenhouder van het voertuig is woonachtig in de provincie Overijssel;
    3. c. de factuur voor de inbouw van het roetfilter mag niet aan een onderneming zijn gericht; [Toelichting: Dit betekent dat niet ieder bedrijf het roetfilter mag inbouwen. Het dient te gaan om een bedrijf met een APK-erkenning, die met het oog op het inbouwen van roetfilters met de staatssecretaris van VROM een overeenkomst heeft gesloten. Alleen die bedrijven kunnen het ingebouwde roetfilter bij de Dienst Wegverkeer melden.]
    4. d. de inbouw van het roetfilter is door het inbouwende bedrijf gemeld aan de Dienst Wegver-keer door middel van een door die dienst daartoe geaccepteerd netwerk.

Artikel 3.75. Grondslag voor de subsidie

[Toelichting: Deze provinciale subsidie dekt, tezamen met de subsidie van de subsidieregeling bedoeld in arti-kel 3.72, tweede lid, grotendeels of zelfs (vrijwel) volledig de kosten van het roetfilter en de inbouw daarvan. Indien door martkontwikkelingen de prijs structureel daalt, zal ook het subsidiebedrag worden aangepast.]

  1. 1. De subsidie bedraagt € 200,-- per ingebouwd roetfilter.
  2. 2. Per personen- of bestelauto wordt slechts éénmaal subsidie verstrekt.

Artikel 3.76. Vaststelling subsidie

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.74 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 3.77. Indieningstermijn aanvraag vaststelling subsidie

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij SenterNovem in Zwolle van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 met gebruikmaking van een bij die organisatie verkrijgbaar formulier.

Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel

Artikel 3.78. Criteria

[Toelichting: In het artikel zijn de activiteiten omschreven waarvoor subsidie kan worden verleend. Het betreft een deel van de activiteiten die zijn opgenomen in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007; voor een ander deel van de activiteiten uit het Uitvoeringsplan zullen Gedeputeerde Staten opdrachten kunnen verstrekken.
NB: de aanvulling op het programma ‘Leren voor duurzame ontwikkeling’ voor scholen en onderwijsinstellingen behoeft geen wijziging van het UBS, maar wijziging van het Provinciaal Ambitiestatement.]

  1. 1. Subsidie kan worden verleend voor de volgende activiteiten die zijn benoemd in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007:
    1. a. het uitvoeren van een proefproject voor levering en distributie van alternatieve (niet-fossiele) brandstoffen in het verkeer;
    2. b. het uitvoeren van een regionaal consulentschap voor het stimuleren en ondersteunen van opdrachtgevers en initiatiefnemers van duurzaam bouwen;
    3. c. het uitvoeren van een voorbeeldproject in het kader van beheer en/of herstructurering van een bedrijventerrein dat bij uitstek een voorbeeldfunctie ter versterking van de duurzaamheid kan vervullen;
    4. d. het uitvoeren van een project minimilieuzorg in het midden- en kleinbedrijf;
    5. e. het ontwikkelen en uitvoeren van een themagericht voorlichtings- en educatieprogramma met gelijktijdige ontwikkeling van bij het thema passende activiteiten, indien dit in samenwerking op provinciale schaal wordt uitgevoerd door centra die als hoofddoelstelling hebben de Overijsselse bevolking te informeren over natuur, milieu en/of duurzaamheid.
  2. 2. De activiteit vindt in het jaar 2007 plaats.

Artikel 3.79. Grondslag voor de subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort van de activiteit. [Toelichting: In het eerste lid is aangegeven dat in beginsel van aanvragers verwacht wordt dat zij ook op andere wijze in de financiering van de activiteit voorzien. ]
  2. 2. De subsidie kan op een hoger percentage worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om in buitengewone gevallen activiteiten voor een hoger percentage te subsidiëren.

Artikel 3.80. Indieningstermijn

[Toelichting: Beoogd is de subsidiëring van activiteiten die in 2007 plaatsvinden. Daarom is de sluitingsdatum voor aanvragen bepaald op 30 september 2007.]

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend tot en met 30 september 2007.

Artikel 3.81. Subsidieplafond

[Toelichting: Het is wenselijk om de mogelijkheid te bieden de subsidieplafonds halverwege het jaar aan te passen aan de feitelijke uitvoering van het Uitvoeringsplan en in dat kader te subsidiëren activiteiten.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen per categorie van activiteiten zoals onderscheiden in artikel 3.78 een subsidieplafond vaststellen.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor elke categorie van activiteiten het subsidieplafond per 1 juli 2007 aanpassen, rekening houdend met de bedragen die nog niet tot besteding zijn gekomen en maken een dergelijke wijziging vóór 15 juli 2007 bekend.

Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap

Paragraaf 1. Faunabeheereenheden

Artikel 4.1. Criteria

[Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.]

Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.

Artikel 4.2. Grondslag

De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid

Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid

[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]

Artikel 5.1. Criteria

  1. 1. Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het streekplan en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel. [Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.]
  2. 2. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid:
    1. a. is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel;
    2. b. wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.
  3. 3. Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria:
    1. a. uitvoeringsgerichtheid; [Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.]
    2. b. bovengemeentelijke of regionale betekenis; [Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.]
    3. c. voorbeeldwerking; [Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.]
    4. d. katalysatorwerking; [Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.]
    5. e. integraliteit; [Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.]
    6. f. structureel effect. [Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]

Artikel 5.2. Grondslag subsidie

[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.]

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. genoemde criteria.
  2. 2. Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.

Artikel 5.3. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel

[Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.
Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daaro gebaseerde beleidskader. Een aanvraag van een projectgemeente moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vijfde lid, Wsv. ]

Artikel 5.4. Begripsbepalingen

  1. a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing;
  2. b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv;
  3. c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv;
  4. d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving;
  5. e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’;
  6. f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel;
  7. g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.

Artikel 5.5. Reserve ISV

  1. 1. Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV.
  2. 2. Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen.
  4. 4. Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd.

Artikel 5.6. Grondslag subsidie en subsidieplafond

  1. 1. De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit:
    1. a. een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.5. bedoelde middelen en
    2. b. voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen;
    3. c. voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen.
  2. 2. Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is.
  3. 3. Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in het eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag.

Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed

[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen.
Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal.
Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed.
Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]

Artikel 5.7. Begripsbepaling

[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij?
In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord.
Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen:

  • inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis;
  • het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit;
  • een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan;
  • tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied.

De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.
In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed. ]

Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;
Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;
Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 5.8. Criteria

Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria:

  1. a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; [Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn:
    • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed;
    • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit;
    • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar;
    • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen;
    • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers;
    • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed.]
  2. b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf;
  3. c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; [Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie.]
  4. d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest);
  5. e. ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. [Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur, een stedenbouwkundige of een landschapsarchitect.]

Artikel 5.9. Grondslag subsidie

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 25.000,--.
  2. 2. De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.

Artikel 5.10. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend

Artikel 5.11. Aanvullende stukken

De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens:

  1. a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen;
  2. b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden;
  3. c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan;
  4. d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.

Artikel 5.12. Adviescommissie

[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten.
Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam. ]

  1. 1. Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten
  2. 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een beleidsmedewerker.

Artikel 5.13. Verplichtingen subsidieontvanger

[Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart.]

  1. 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.
  2. 2. De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.

Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten

[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over:
- maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;
- en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. ]

Artikel 5.14. Criteria

[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband.
Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ]

  1. 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel;
    2. b. het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer;
    3. c. het project is uitvoeringsgereed.
  2. 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.
  3. 3. In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.

Artikel 5.15. Grondslag subsidie

[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking.
De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel. ]

  1. 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt:
    1. a. ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten;
    2. b. ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.
  2. 2. De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.
  3. 3. Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn:
    1. a. verwerving (voorzover direct voor het project nodig);
    2. b. 50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering;
    3. c. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting;
    4. d. bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.
  4. 4. Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt:
    1. a. kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend;
    2. b. voorbereiding en administratie;
    3. c. vervanging van kabels/leidingen/riolering;
    4. d. directievoering en toezicht;
    5. e. kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten;
    6. f. vervanging en beheer en onderhoud.

Artikel 5.16. Indieningstermijn aanvraag

[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.]

  1. 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.
  2. 2. In afwijking van het eerste lid wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten, welke betrekking hebben op het kalenderjaar 2007, ingediend voor 15 november 2006.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.

Artikel 5.17. Wijze van behandeling van de aanvragen

[Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.]

In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.

Artikel 5.18. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.

Artikel 5.19. Accountantsverklaring

[Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.]

  1. 1. Artikel 1.20. is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.
  2. 2. In aanvulling op artikel 1.20., vierde lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.

Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel

[Toelichting: Om een snellere uitbreiding van de woningvoorraad in Overijssel te realiseren, in het bijzonder voor starters en ouderen, is naast de bestaande geldstromen extra geld beschikbaar gesteld. Bestaande geldstromen zijn niet altijd voldoende om woningbouwprojecten exploitabel te maken, door bijvoorbeeld hoge kosten bij bodemsanering en bij complexe binnenstedelijke problematiek.]

Artikel 5.20. Criteria

  1. 1. Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw.
  2. 2. Gemeenten, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars en privaatrechterlijke rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten.
  3. 3. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. het moet gaan om een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw;
    2. b. het project moet aansluiten bij het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk en woonbeleid;
    3. c. het project moet aansluiten bij een of meer speerpunten van het provinciaal woonbeleid zoals omschreven in het Onderhandelingsakkoord provincie Overijssel 2003-2007 ‘Ruimte voor actie’.

Artikel 5.21. Grondslag subsidie

[Toelichting: Het al dan niet subsidiabel zijn van kosten wordt bepaald op basis van Verordening 448/2004 van de Europese Commissie van 10 maart 2004. Hiervoor zijn de volgende algemene richtlijnen van toepassing:
1. subsidiabel zijn uitsluitend als zodanig goedgekeurde en rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten;
2. alleen kosten die (vooraf) in de begroting van het project zijn opgenomen zijn subsidiabel (mits ze voldoen aan de overige subsidiabiliteitscriteria);
3. de kosten dienen redelijk te zijn en in overeenstemming met beginselen van gezond financieel beheer;
4. de kosten moeten zijn gemaakt binnen de looptijd van het project;
5. de kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt, in de boekhouding te zijn vastgelegd en moeten met bewijzen identificeerbaar en controleerbaar zijn;
6. ontvangsten of inkomsten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht van de subsidiabele kosten;
7. BTW is slechts subsidiabel wanneer - zo nodig door middel van een verklaring van de Belastinginspectie - aantoonbaar is dat de BTW niet verrekenbaar is. ]

  1. 1. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het subsidiabele exploitatietekort met een maximum van € 500.000,-- per project.
  2. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per project.

Artikel 5.22. Indieningstermijn aanvraag

  1. 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., eerste lid, ingediend voor 1 maart en 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project.
  2. 2. In afwijking van artikel 1.13. kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., tweede lid, gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 5.23. Aanvullende stukken bij aanvraag

De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens:

  1. a. het projectplan met daarin een beschrijving van de eigendomssituatie;
  2. b. exploitatierekening, inclusief een dekkingsplan.

Artikel 5.24. Wijze van behandeling van de aanvragen

  1. 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, die voldoen aan de daar genoemde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van een afweging op de volgende aspecten:
    1. a. voorkeur voor bouwprojecten op de provinciale Aanjaaglijst Stimulering Woningbouwproductie;
    2. b. voorkeur voor inbreidingsprojecten boven uitbreidingsprojecten;
    3. c. voorkeur voor bouwprojecten met een groter aantal woningen;
    4. d. voorkeur voor bouwprojecten met (innovatieve) toepassingen van duurzaam bouwen (inclusief duurzaam energiegebruik).
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.
  3. 3. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 5.25. Verplichting subsidieontvanger

  1. 1. De uitvoering van een bouwproject als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, start uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie.
  2. 2. Uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, is het onderzoek afgerond of het plan ontwikkeld.

Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen

[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010.
Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken).
De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum.
De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen.
De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld. ]

Artikel 5.26. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies;
  2. b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen);
  3. c. Contractperiode: 2005 t/m 2009;
  4. d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.

Artikel 5.27. Criterium

Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.

Artikel 5.28. Grondslag subsidie

  1. 1. Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003:
    1. a. de gemeente Zwolle: 76,7%;
    2. b. de gemeente Kampen: 23,3%.
  2. 2. Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.

Artikel 5.29. Subsidieverlening en voorschotverlening

  1. 1. Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.
  2. 2. Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. [Toelichting: Voor lid 2 geldt dat het voorschot van de provincie is gemaximaliseerd aan het betalingsritme van het Rijk aan de provincie Overijssel.]

Artikel 5.30. Vaststelling subsidie

[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.]

  1. 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. [Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over:
    a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en
    b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.]
  2. 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. [Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over:
    a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en
    b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.]
  3. 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.
  4. 4. In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. [Toelichting: Voor lid 4 geldt dat de subsidie conform artikel 13 BLS lager kan worden vastgesteld indien:
    a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend;
    b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
    c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen;
    d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
    e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.]
  5. 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem

Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek

[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen.
De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems.
Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.”
Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]

Artikel 6.1. Criteria

  1. 1. Een aanvraag voor subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan de volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.
  2. 2. Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.

Artikel 6.2. Grondslag subsidie

[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan.
Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987.
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten.
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend:
• de kosten van uitvoeren van een oriënterend onderzoek;
• de kosten van uitvoeren van een nader onderzoek;
• de kosten van uitvoeren van een saneringsonderzoek;
• de kosten van het opstellen van een saneringsplan.
Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever.]

  1. 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.
  2. 2. Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de na verlening van de subsidie door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten, voor zover deze rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.

Artikel 6.3. Indieningstermijn aanvraag

[Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.]

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.

Artikel 6.4. Aanvullende stukken bij aanvraag

[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.]

  1. 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het bodemonderzoek.
  2. 2. In afwijking van artikel 1.14 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.

Artikel 6.5. Subsidieplafond

[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen. Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is.
Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn.
Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema’s of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype. Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
  2. 2. Het als subsidieplafond vastgestelde budget wordt gelijkelijk verdeeld over de drie in artikel 6.3 bedoelde perioden.
  3. 3. Ingeval het beschikbare budget voor enige periode niet wordt uitgeput, wordt het resterende deel overgeheveld naar een volgende periode, ook als deze valt in een ander kalenderjaar.
  4. 4. Gedeputeerde Staten kunnen per periode zoals bedoeld in artikel 6.3 projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.
  5. 5. Gedeputeerde Staten kunnen per periode een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.
  6. 6. Gedeputeerde Staten maken het voor een periode geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van de betreffende periode bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.

Artikel 6.6. Wijze van behandeling van de aanvragen

In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

  1. a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald; [Toelichting: Wanneer er naar aanleiding van historie een ernstig vermoeden van bodemverontreiniging bestaat kan op basis van onderzoek beoordeeld worden wat de milieuhygiënische situatie is en of er een noodzaak bestaat tot het saneren van de bodem waardoor verontreinigende stoffen uit de bodem worden verwijderd of in de bodem geïsoleerd. Hiermee worden risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem weggenomen (risicoreductie);]
  2. b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren; [Toelichting: De onderzoeken waar de subsidie voor wordt verleend, worden uitgevoerd om een door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het belang van deze maatschappelijke ontwikkeling dient door de aanvrager voor elk project duidelijk te worden aangegeven. Het belang van de maatschappelijke ontwikkeling zal worden getoetst aan het provinciale beleid. Naarmate een project meer aansluit bij door de provincie gewenste ontwikkelingen, zal het op een hogere plaats gerangschikt worden;]
  3. c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project; [Toelichting: De initiatiefnemers dragen zelf een groot deel van de onderzoekskosten. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,--. Naarmate de initiatiefnemers om een (percentueel) kleinere bijdrage vragen, zal het project hoger scoren bij de rangschikking van het project. Het spreekt voor zich dat de noodzaak van de (omvang van de) bijdrage bij de aanvraag goed onderbouwd moet worden;]
  4. d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel; [Toelichting: Naarmate een projectvoorstel een hogere kwaliteit heeft, is de kans op tegenvallers en een uiteindelijk teleurstellend resultaat kleiner. Het provinciaal bestuur wil juist een bijdrage leveren aan veelbelovende projecten met een uitstralend effect. Bovendien moet ook achteraf blijken dat de middelen goed zijn besteed. Bij deze beoordeling wordt uiteraard de kwaliteit van het bodemonderzoek en het saneringsplan betrokken. Dit komt mede tot uiting in het toepassen van de diverse protocollen voor onderzoek en het toepassen van een juiste risicobeoordeling (NEN 5740, NVN 5725, protocol nader onderzoek, SUS). Op basis van het uitgevoerde onderzoek/risicobeoordeling moeten Gedeputeerde Staten een besluit kunnen nemen over ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging of kunnen beoordelen of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat de initiatiefnemers kunnen laten zien dat ze op een doortastende wijze het project oppakken. De creativiteit kan tot uiting komen bij het betrekken van zoveel mogelijk financiers bij een project maar ook bij het opstellen van een saneringsplan;]
  5. e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel; [Toelichting: Het moet bij indiening van een projectvoorstel vast staan dat de eigen bijdrage van initia-tiefnemers werkelijk beschikbaar is. De eindafrekening vindt plaats op basis van gemaakte kosten waarbij de vastgestelde subsidie geldt als de maximale bijdrage. Gedeputeerde
    Staten houden rekening met andere subsidies. Dit om te voorkomen dat er strijd met het EG-verdrag (staatssteun) optreedt.]
  6. f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.

Artikel 6.7. Verplichtingen subsidieontvanger

[Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.]

  1. 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.
  2. 2. Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.

Artikel 6.8. Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling

[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.]

De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.

Paragraaf 2. Water

[Toelichting: Provinciale Staten hebben tussen 2004 en 2007 extra geld vrijgemaakt voor de wateropgave. De inzet van dit geld vloeit voort uit de verplichtingen die de provincies zijn aangegaan in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Dit geld is primair bedoeld voor de uitvoering van waterprojecten in het kader van Water Beheer 21e Eeuw en de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze paragraaf dient ervoor om dit geld zo effectief mogelijk te kunnen inzetten.
Dit onderdeel richt zich exclusief op de subsidiëring van activiteiten die onder één of beide van de volgende aspecten van het waterbeheer vallen: verbetering van de veerkracht van watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit. ]

Artikel 6.9. Criteria

[Toelichting: De projecten/activiteiten die voor subsidieverstrekking op grond van onderhavige regeling in aanmerking komen, moeten bijdragen aan de verbetering van de veerkracht van watersystemen of van de waterkwaliteit.
Het eerste richtpunt van de provinciale watermissie is: voldoende water van de juiste kwaliteit, op de juiste plek en het juiste moment. Bij waterkwaliteit gaat het om activiteiten die verband houden met de Europese Kaderrichtlijn Water. Prestaties die voor subsidie in aanmerking komen zijn:
• realisatie waterberging;
• realisatie waternood;
• afkoppelen verhard oppervlak;
• saneren overstorten;
• rendementsverbetering effluent RWZI;
• realisisatie helofytenfilter;
• beek- en rivierherstel;
• aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht.
Doordat de eis wordt gesteld dat de aanvrager binnen een jaar na subsidieverlening aan het werk moet kunnen gaan, wordt voorkomen dat subsidiegelden vast komen te liggen in projecten waarvan nog onduidelijk is of de benodigde vergunningen verleend zullen worden en of de overige dekkingsmiddelen gefourneerd zullen worden.]

Subsidie kan worden aangevraagd voor prestaties die betrekking hebben op projecten of program-ma’s. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

  1. a. de prestaties passen binnen het provinciaal zoals omschreven in het provinciaal Waterhuishoudingsplan en de nadere uitwerking daarvan.
  2. b. met de in het uitvoeringsplan opgenomen prestatie wordt uiterlijk een jaar na subsidieverlening gestart;
  3. c. voor de volgende prestaties kan subsidie verkregen worden:
    1. • realisatie waterberging;
    2. • realisatie waternood;
    3. • afkoppelen verhard oppervlak;
    4. • saneren overstorten;
    5. • rendementsverbetering effluent RWZI;
    6. • realisisatie helofytenfilter;
    7. • beek- en rivierherstel;
    8. • aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht;
  4. d. de prestaties passen binnen de beleidsdoelen en bijbehorend subsidieplafond, zoals genoemd in de provinciale programmabegroting onder het product oppervlaktewaterbeheer.

Artikel 6.10. POP-subsidie

[Toelichting: Het gaat hier om middelen uit het bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 opgerichte ELFPO, de opvolger van het landbouwfonds EOGFL. Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als beheersautoriteit voor deze ‘POP-subsidies’. Betaalautoriteit is de Dienst Landelijk Gebied.
Het tweede is een precisering van artikel 6, lid 1 van de Algemene Subsidieverordening Overijssel. Daarin is bepaald dat Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de ASV en het uitvoeringsbesluit als er sprake is van medesubsidiënten. Bij samenloop met middelen uit het ELFPO zal het ‘POP-regime’ van toepassing zijn.
NB. Als een activiteit subsidiabel is onder het POP dan staat meteen vast dat de subsidie voldoet aan de eisen van staatssteun.]

  1. 1. In aanvulling op artikel 8.3 kunnen Gedeputeerde Staten ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 8.
  2. 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt onder de ter uitvoering van bijlage II, punt 5 van de uitvoeringsverordening opgenomen voorwaarden in het plattelandsontwikkelingsprogramma. De verplichtingen zijn van toepassing op de totale subsidie voor die activiteit.

Artikel 6.11. Grondslag subsidie

[Toelichting: De grondslag voor de subsidie is in beginsel de eenheidsprijs die hoort bij de prestatie. Bij de aanvraag dient een integrale kostprijsberekening te worden overlegd. Op grond daarvan kan de eenheidsprijs worden bijgesteld.
De provincie wil met deze paragraaf geen reguliere activiteiten zoals onderhoud en beheer subsidiëren. Dergelijke activiteiten dienen met eigen middelen te worden gefinancierd.]

  1. 1. De provinciale subsidie wordt gebaseerd op een door de aanvrager te overleggen plan met een onderbouwde integrale kostprijsberekening voor de te leveren prestatie(s), met de volgende subsidiepercentages:
    Tabel subsidiepercentages
    prestatie indicator subsidiepercentage
    realisatie waterberging m3 40%
    realisatie waternood ha 40%
    afkoppelen verhard oppervlak ha 25%
    saneren overstorten aantal 25%
    rendementsverbetering effluent RWZI stuks 50%
    realisatie helofytenfilter ha 50%
    beek- en rivierherstel km 50%
    aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht aantal 50%
  2. 2. Geen subsidie wordt verleend voor kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten zijn aan te merken als reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager.

Artikel 6.12. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag ingediend vóór 1 april danwel 15 september.

Artikel 6.13. Wijze van behandeling van de aanvragen

  1. 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan criteria genoemd in artikel 6.9 in een prioriteitsvolgorde, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de activiteiten:
    1. a. uitvoeringsgereed zijn;
    2. b. aantoonbaar (kosten)effectief zijn;
    3. c. bijdragen aan meerdere doelen van het provinciaal beleid.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.
  3. 3. Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond.
  4. 4. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 6.12. Weigeringsgronden

[Toelichting: Bij de prioriteitstelling spelen in elk geval een aantal wegingsfactoren een rol. Aanvragen krijgen voorrang indien:
• een project uitvoeringsgereed is: een project is uitvoeringsgereed indien het projectvoorstel volledig is, positieve beschikkingen zijn verleend op andere subsidieaanvragen en ook de overige financiering rond is en er voldoende zekerheid is dat tijdig (voor de start van het project) de benodigde grond is verworven, de ruimtelijke ordening de uitvoering van het project niet in de weg staat en de vereiste vergunningen zijn verleend;
• de uitvoering kosteneffectief plaatsvindt; hiermee wordt bedoeld dat projecten met een gunstiger verhouding tussen de kosten en de prestaties hoger gewaardeerd worden;
• een project bijdraagt aan het provinciaal beleid; hiermee wordt bedoeld dat integrale projecten hoger worden gewaardeerd.
In jaarlijks vast te stellen aanvullende criteria kan worden ingespeeld op de voorkeuren of prioriteiten die er in bepaald jaar zijn voor de uitvoering van het provinciale waterbeleid.
Het subsidieplafond wordt verdeeld volgens een tendersysteem. Een tendersysteem werkt als volgt:
alle aanvragen moeten voor een bepaalde datum zijn ingediend. Op grond van deze verordening is dat voor 1 april, danwel als het plafond nog niet is bereikt, op 15 september. De aanvragen die aan de criteria uit deze paragraaf voldoen, worden vervolgens gelijktijdig behandeld. De beste aanvragen worden met voorrang gehonoreerd, dat wil zeggen de aanvragen die het hoogste scoren wat betreft de prioriteiten van artikel 6.12. Subsidieaanvragen die afvallen in de tender, maar die wel voldoen aan de subsidiecriteria en de overige vereisten van de verordening, worden niet automatisch doorgeschoven naar de volgende tender. De aanvragers moeten, als zij alsnog voor subsidie in aanmerking willen komen, in het kader van een volgende tender opnieuw subsidie aanvragen. Hun aanvragen concurreren dan gewoon met de ‘nieuwe’ aanvragen.]

De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien:

  1. a. het uitvoeringsplan betrekking heeft op activiteiten waartoe de aanvrager van de subsidie gehouden is bij of krachtens de wet;
  2. b. de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten van het uitvoeringsplan minder bedragen dan € 10.000,--.

Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing

Gereserveerd.

Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Zorg en Cultuur

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 7.1. Subsidiabele activiteiten

[Toelichting: Er wordt slechts subsidie verleend voor de kosten van activiteiten die passen binnen het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staan de activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen opgenomen.]

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en de begroting 2007.

Artikel 7.2. Niet-subsidiabele kosten

[Toelichting: Dit artikel geeft aan welke kosten niet subsidiabel zijn en dus niet in de begroting mogen worden opgenomen. Wanneer dit wel het geval is dan worden ze als niet subsidiabel beschouwd en wordt er geen subsidie voor verleend.]

In aanvulling op artikel 1.5 Zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.

Artikel 7.3. Indieningstermijn

[Toelichting: Aanvragen dienen voor de start van het project ingediend te zijn. Indien de aanvrager besluit eerder te starten met het project zonder het afwachten van de subsidiebeschikking, dan is dat geheel op eigen (financiële) risico van de aanvrager. Het aanvragen van subsidie betekent niet automatisch dat de aanvrager de subsidie krijgt, maar dat de subsidie ook geweigerd kan worden. Indien men geen (financiële) risico wil lopen zullen aanvragers moeten wachten met het starten van het project totdat ze een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Geadviseerd wordt om een subsidieaanvraag tijdig in te dienen, de behandeltijd van een volledig ingediende aanvraag beslaat maximaal 13 weken.]

  1. a. In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie worden ingediend vanaf 1 oktober 2006 en vervolgens gedurende het hele kalenderjaar 2007, tenzij elders anders is bepaald.
  2. b. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders anders is bepaald.

Artikel 7.4. Beslistermijn verlening prestatiesubsidies

In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen dertien weken nadat het advies is ontvangen.

Artikel 7.5. Verplichting subsidieontvanger

[Toelichting: Om tot een tijdige start van de uit te voeren activiteiten te komen is in dit artikel geregeld dat binnen 6 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie de gesubsidieerde activiteiten inderdaad moeten zijn gestart. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.]

Activiteiten moeten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.

Artikel 7.6. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

[Toelichting: Dit artikel geldt in aanvulling op de algemeen geldende regels voor per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie zijn onder meer ook te vinden in hoofdstuk 1 van het Uitvoeringsbesluit Overijssel 2005.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen een organisatie voor het boekjaar 2007 een prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in Sociale Actie en in de begroting geformuleerde provinciale doelen.
  2. 2. In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar 2007 uiterlijk 1 oktober 2006 worden ingediend.

Artikel 7.7. Indieningstermijn per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar 2007 uiterlijk 1 oktober 2006 worden ingediend.

Paragraaf 2. Culturele ontwikkeling

Artikel 7.8. Begripsbepaling

Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.
Amateurkunstenaars: kunstenaars die hun kunst beoefenen zonder daarmee primair in hun levensonderhoud te willen voorzien.
Artistieke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke waarde van een culturele activiteit gevormd door vakmanschap, authenticiteit, zeggingskracht, verbeelding, ideeënrijkom, overtuigingskracht, professionaliteit en ethetiek.
Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: nieuwe of andere invulling van ruimte binnen een gemeente (voorbeelden: nieuwe woonwijk, winkelcentrum, bedrijventerrein, park).

Artikel 7.9. Doelstelling van de subsidie

Het project of de activiteiten dienen bij te dragen aan de volgende doelstelling(en):

  1. 1. Versterken van de beoefening van de amateurkunsten door:
    1. • kwaliteitsverbetering danwel professionalisering binnen de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub a);
    2. • vergroten publieksbereik van de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub b);
    3. • verhoging van de samenhang en de spreiding van de amateurkunst en semiprofessionele kunst in alle cultuursectoren buiten de grote steden in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub b).
  2. 2. Vernieuwing in de cultuur in Overijssel stimuleren (artikel 7.10, eerste lid, sub c).
  3. 3. Bevorderen van de integratie van beeldende kunst in de ruimtelijke ontwikkelingsplannen van gemeenten (niet zijnde de 5 grote steden) in Overijssel (artikel 7.11, eerste lid, sub d).

Artikel 7.10. Criteria

[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.]

  1. 1. Subsidieaanvragen voor culturele ontwikkeling moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen:
    2. • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;
    3. • er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en);
    4. • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;
    5. • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.
    6. b. amateurkunst: vitaal platteland:
    7. • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;
    8. • in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen;
    9. • het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd en/of gedurende meerdere dagen;
    10. • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;
    11. • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon;
    12. c. jonge makers:
    13. • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;
    14. • er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet);
    15. • de aanvrager is een jonge maker;
    16. • de provinciale bijdrage is ten hoogste 50% van de begrote kosten met een maximum van € 15.000,--;
    17. d. beeldende kunst:
    18. • de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, met uitzondering van de 5 grote Overijsselse gemeenten (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle);
    19. • de aanvraag richt zich op het van de start af aan integreren van beeldende kunst in een gemeentelijk ruimtelijke ontwikkelingsplan;
    20. • de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie;
    21. • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;
    22. • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.
  2. 2. In aanvulling op het eerste lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.

Artikel 7.11. Subsidiabele kosten

[Toelichting: Alleen kosten die betrekking hebben op daadwerkelijk verrichte uitgaven (betalingen) kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Van de in de financiële verantwoording/afrekening opgenomen uitgaven dient te worden vastgesteld, dat dit door de subsidieontvanger uitgevoerde betalingen zijn, die blijken uit facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen of uit boekhoudbescheiden met vergelijkbare bewijskracht. Zelfwerkzaamheid en bijdragen in natura zijn daarom niet subsidiabele kosten, omdat dit geen werkelijk gedane uitgaven c.q. ontvangsten zijn.]

Alleen kosten die betrekking hebben op daadwerkelijk verrichte uitgaven (betalingen) zijn subsidiabel.

Artikel 7.12. Adviescommissie

[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen culturele ontwikkeling inwinnen bij de adviescommissie cultuur.]

  1. 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen culturele ontwikkeling kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.
  2. 2. De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.
  3. 3. Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.
  4. 4. De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.
  5. 5. In afwijking van het eerste lid wordt geen advies ingewonnen bij de commissie van deskundigen:
    1. a. voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, sub d;
    2. b. voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, waarbij de gevraagde subsidie minder dan € 10.000,-- bedraagt.

Paragraaf 3. Cultuurbereik

Artikel 7.13. Doelstelling van de subsidie

[Toelichting: De provincie wil activiteiten ondersteunen die op een bijzondere manier een breed of nieuw publiek bereiken. Van een nieuw publiek is sprake als het beoogde publiek nog niet of nauwelijks bekend is met de cultuuruitingen die worden aangeboden. Een breed publiek is een divers samengesteld publiek, waaronder zich ook nieuw publiek bevindt. Een breed publiek is dus méér dan een goot publiek. Het is belangrijk dat de aanvrager goed weet welke publieksgroepen hij/zij wil bereiken en welk deel daarvan nieuwe publiek is. De manier waarop het publiek wordt getrokken, moet ongebruikelijk en verrassend zijn en nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen cultuur en (potentieel) publiek.]

Het project of de activiteiten moet bijdragen aan één van de volgende doelstelling(en):

  1. 1. meer Overijsselaars nemen kennis van cultuur van goede kwaliteit en hebben de intentie om meer aan kunst en cultuur deel te nemen;
  2. 2. culturele instellingen werken doelgroepgericht;
  3. 3. de culturele projecten die worden gesubsidieerd vanuit cultuurbereik worden verankerd in het beleid van de instelling;
  4. 4. culturele instellingen professionaliseren en de projecten worden sterker;
  5. 5. onderwijsinstellingen hebben nagedacht over hoe ze hun leerlingen kennis willen laten maken met kunst en cultuur van goede kwaliteit en dit in hun leerplan verwoord;
  6. 6. leerlingen komen tijdens hun gehele schoolloopbaan meer in contact met kunst en cultuur van goede kwaliteit;
  7. 7. gemeenten zijn meer verantwoordelijk voor het cultuurbereik en cultuurbeleid binnen hun grenzen.

Artikel 7.14. Criteria

[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
Voor de steden Deventer, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. Echter de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.]

  1. 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie Cultuurbereik aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin
    voldaan wordt aan de volgende criteria:
    1. a. er is sprake van een bijzonder manier waarop een breed of nieuw publiek wordt bereikt;
    2. b. de methode van publieksbereik wordt beschreven;
    3. c. er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit.
  2. 2. Een subsidieaanvraag voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle moet in aanvulling op het eerste lid tevens voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering door de betrokken gemeente;
    2. b. de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente;
    3. c. De opzet/methodiek van de projecten is overdraagbaar naar accommodaties/initiatieven buiten de drie steden. De overdracht moet al in de projectaanvraag worden gegarandeerd óf de projecten vinden ook buiten de betreffende stad plaats.
  3. 3. Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het eerste en tweede lid genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling.
  4. 4. In aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.
  5. 5. De gevraagde subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--.

Artikel 7.15. Adviescommissie

[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.]

  1. 1. Over de artistiek-kwalitatieve en publieksbereikaspecten van subsidieaanvragen Cultuurbereik kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.
  2. 2. De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.
  3. 3. Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.
  4. 4. De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.
  5. 5. In afwijking van het eerste lid wordt geen advies ingewonnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.14, derde lid.

Paragraaf 4. Kunst- en erfgoededucatie

Artikel 7.16. Begripsbepaling

  1. a. Onder kunst- en erfgoededucatie wordt verstaan:
    1. • het aanleren van vaardigheden om kennis te kunnen nemen van en waardering te ontwikkelen voor kunst en erfgoed;
    2. • het actief deelnemen aan cultuur;
    3. • het ontwikkelen van talent.
  2. b. Kunsteducatie: alle vormen van educatie waarbij kunst als doel of als middel worden gebruikt.
  3. c. Erfgoededucatie: onderwijs dat erfgoed in de directe omgeving als onderwerp heeft.

Artikel 7.17. Doelstelling van de subsidie

[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het belangrijk dat er een ruim en evenwichtig aanbod is in kunst- en erfgoededucatieve projecten, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie. Omdat wij constateren dat het cultuureducatieve aanbod waar scholen nu uit kunnen kiezen niet evenwichtig is opgebouwd. Daarom moedigen wij aan projecten in te dienen die betrekking hebben op de volgende aandachtsvelden:
• projecten die door Overijsselse producenten zijn ontwikkeld;
• projecten die gericht zijn op film, media en literatuur;
• projecten die gericht zijn op het VMBO en speciaal onderwijs;
• projecten die doelgroepen in het landelijke gebied bereiken;
• projecten met een groot bereik of afzet.]

Het project of de activiteiten moet bijdragen aan een ruimer en meer evenwichtig aanbod in kunst- en erfgoededucatie, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie.

Artikel 7.18. Criteria

  1. 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsteducatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria:
    1. a. de aanvraag is gedaan door een culturele instelling en een school;
    2. b. er is sprake van voldoende inhoudelijke en artistieke kwaliteit;
    3. c. na afloop van de subsidieperiode dient het project opgenomen te zijn in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling;
    4. d. de resultaten zijn aantoonbaar overdraagbaar.
  2. 2. Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsterfgoededucatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria:
    1. a. de aanvraag is gedaan door een erfgoedinstelling en een school;
    2. b. het project maakt gebruik van het erfgoed in de eigen omgeving;
    3. c. er is in het format sprake van voldoende inhoudelijke en didactische kwaliteit;
    4. d. na afloop van de subsidieperiode dient het project opgenomen te zijn in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling;
    5. e. het format is aantoonbaar overdraagbaar.

Artikel 7.19. Grondslag subsidie.

  1. 1. De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, bedraagt maximaal 75% bij aanvragen met een totaalbegroting die kleiner of gelijk is dan € 10.000,--.
  2. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, bedraagt maximaal 50% bij aanvragen met een totaalbegroting die groter is dan € 10.000,--.

Paragraaf 5. Monumentenzorg

Artikel 7.20. Begripsbepalingen

  1. a. Herstelwerkzaamheden van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen en erven van bijvoorbeeld onderhoud aan (rieten) daken, herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel gepleitserde plint, herstel kozijnankers, herstel/vervanging luiken/kozijnen/ deuren, herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg.
  2. b. Integraal project: in het project dienen niet alleen de bebouwde elementen maar ook de landschappelijke elementen te worden meegenomen meegenomen (bijvoorbeeld erfinrichting);
  3. c. Vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.

Artikel 7.21. Criteria

[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen dienen zich te wenden tot de rechtspersonen die de zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag bij de provincie in te dienen, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen:
    1. a. de subsidie wordt beschikbaar gesteld voor de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project;
    2. b. de subsidie dient aangevraagd te worden door de trekker van het integrale project;
    3. c. de werkzaamheden zijn noodzakelijk voor het behoud van objecten;
    4. d. de objecten zijn meer dan 50 jaar oud en moeten bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied. E.e.a. ter beoordeling van een deskundig adviseur;
    5. e. er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie;
    6. f. de subsidie wordt alleen verstrekt wanneer het onderdeel bebouwde elementen uit het integrale project minimaal 20% betreft van de totaal aanwezige bebouwde elementen in het betreffende gebied.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van uit te voeren werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.
  3. 3. De voorbereidende werkzaamheden dienen door professionals met relevante expertise op gebied van monumentenzorg, landschaphistorie en cultuurhistorie uitgevoerd te worden.
  4. 4. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen als bijdrage in de kosten voor archeologisch vooronderzoek op locatie, indien dit wordt uitgevoerd door een erkende instantie.

Artikel 7.22. Grondslag subsidie.

  1. 1. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid bedraagt ten hoogste 20% van de totale kosten ten behoeve van de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project met een maximum van € 45.000,--. [Toelichting: Om een substantieel effect te bereiken dient 20% van de bebouwde elementen te worden aangepakt.]
  2. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, tweede lid bedraagt ten hoogste maximaal 10% van de verleende subsidie.
  3. 3. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per projectplan.

Artikel 7.23. Adviescommissie

Een subsidieaanvraag wordt, indien nodig, voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie Het Oversticht, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.

Paragraaf 6. Molens

Artikel 7.24. Criterium

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen met inachtneming van deze regeling een incidentele subsidie verlenen in de kosten van naar het oordeel van Gedeputeerde Staten sober en doelmatig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan molens.]

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van onderhoudswerkzaamheden in het jaar 2006 aan molens die uit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijn.

Artikel 7.25. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 100,-- en een maximum van € 1.000,-- per aanvraag.

Artikel 7.26. Vaststelling subsidie

[Toelichting: Uit een oogpunt van vereenvoudiging voor de aanvrager en efficiency voor de provincie blijft verlening van de subsidie achterwege. Gedeputeerde Staten beslissen na afloop van de onderhoudswerkzaamheden over de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt op basis van aantoonbaar gemaakte kosten in één keer verleend en vastgesteld.]

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7.24 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 7.27. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij Het Oversticht, nadat de onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, maar uiterlijk voor 1 april 2007.

Paragraaf 7. Zorg

Artikel 7.28. Begripsbepalingen

  1. a. Informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht: te onderscheiden in gebruikelijke zorg, mantelzorg, zelfhulp en vrijwillige zorg.
  2. b. Mantelzorg: zorg, die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is.
  3. c. Maatschappelijke opvang: opvang die gericht is op het bieden van tijdelijke huisvesting, zorgverlening, hulpverlening en begeleiding aan dak- en thuislozen. Centrumgemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het organiseren van deze opvang.
  4. d. Centrumgemeente: één van de volgende Overijsselse gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, en Zwolle. (Dit zijn de gemeenten die op grond van artikel 10a van de Welzijnswet van het Rijk een specifieke opdracht ontvangen ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid).
  5. e. ICT-voorzieningen: elektronische voorzieningen die informatie en communicatie bevorderen (bijvoorbeeld kringsysteem).
  6. f. Zorgpost-plus: een of meer Overijsselse huisartsenpraktijken, gekoppeld aan een andere zorgvoorziening (tandarts, apotheek, verloskundige, thuiszorg, fysiotherapie, polikliniek, zorgloket, enz.) of aan een andere welzijnsvoorziening (zoals bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte, peuteropvang, enz.).
  7. g. Woonzorgzone: een woonzorgzone is een (deel van een) wijk of dorp waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg.
  8. h. Zorgwoning: een woning in de sociale huursector die specifiek bedoeld is voor en individueel geïndiceerd/toegewezen wordt aan personen uit de volgende doelgroepen: ouderen (55+) met een zorgbehoefte, personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, personen met geestelijke gezondheidsproblematiek. Een zorgwoning is minimaal rolstoeltoegankelijk.
  9. i. Domotica: de integratie van ICT-technologie en diensten binnen de woning, met het doel betere kwaliteit van wonen van de bewoner te bevorderen door middel van meer en betere veiligheid, alarmering, comfort, en dergelijke waardoor wordt bevorderd dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen wonen.
  10. j. Woonzorgcomplex: een woonzorgcomplex is een complex zelfstandige woningen met een bouwwijze die gericht is op beschut wonen, met een complexgewijs overeengekomen zorg- en servicearrangement. De woningen voldoen aan eisen van Woonkeur.

Artikel 7.29. Subsidiabele activiteiten

[Toelichting: In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie.
Dit zijn:
• een goede sociale infrastructuur; voorbeelden hierbij zijn meer fysieke en organisatorische bundelingen van eerstelijnsvoorzieningen en technische innovatie; IZIT-programma;
• goede WMO-voorzieningen in de gemeenten in Overijssel, door bijvoorbeeld oondersteuning van gemeenten en het formuleren ondersteuningsaanbod;
• langer zelfstandig wonen voor ouderen, mensen met een handicap en GGZ-cliënten, door bijvoorbeeld meer aangepaste woningen met domotica;
• goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen, goede ketenvorming care en cure en verbetering aansluiting tussen de verschillende sectoren.]

  1. 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die bijdragen aan één van de volgende doelen:
    1. a. verbetering van de sociale infrastructuur;
    2. b. goede WMO-voorzieningen in de gemeenten in Overijssel;
    3. c. langer zelfstandig wonen voor ouderen, mensen met een handicap en GGZ-cliënten;
    4. d. goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen;
    5. e. goede ketenvorming care en cure.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van planontwikkeling, procesbegeleiden en het realiseren van ruimtelijke voorzieningen of ICT-voorzieningen ten behoeve van de multidisciplinaire samenwerking (de Zorgpost-plus).
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op:
    1. a. de belangenbehartiging van mantelzorgers;
    2. b. de realisatie van aanbod voor (jonge) mantelzorgers;
    3. c. de vernieuwing van het aanbod van de informele zorg gelet op de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.
  4. 4. Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op:
    1. a. de totstandkoming van woonzorgzones met aandacht voor de onderdelen wonen, zorg en welzijn;
    2. b. de totstandkoming, inrichting of verbreding van WMO-loketten.
  5. 5. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten, woningbouwcorporaties, zorgaanbieders, organisaties (met rechtspersoonlijkheid) van zorgvragers of hun belangenbehartigers (bijvoorbeeld ouders) voor de bekostiging van uitsluitend domotica-aanpassingen in zorgwoningen in woonzorgcomplexen of woonzorgzones die een bijdrage leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid waardoor mensen met een zorgbehoefte zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen.
  6. 6. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor het organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten, enz. zonder winstoogmerk gericht op activiteiten zoals benoemd in dit artikel.

Artikel 7.30. Criteria

[Toelichting: Het eerste lid van dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.
Artikel 7.30, lid 2, noemt de aanvullende criteria, hiervan moet aanvullend op het voorgaand lid aan minimaal 3 van de 5 genoemde criteria worden voldaan. Het artikel is niet van toepassing op de subsidiëring van de kosten voor het zonder winstoogmerk organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten, enz. gericht op activiteiten zoals benoemd in artikel 7.30, zesde lid.]

  1. 1. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vijfde lid, moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. er wordt een aantoonbare bijdrage geleverd aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel;
    2. b. er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering;
    3. c. het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.
  2. 2. In aanvulling op de criteria genoemd in het eerste lid moeten aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vierde lid, tevens voldoen aan minimaal drie van de hieronder genoemde vijf criteria:
    1. a. er wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel;
    2. b. de resultaten zijn overdraagbaar;
    3. c. het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente;
    4. d. er zijn ten minste twee partijen uit de betreffende sector betrokken;
    5. e. vernieuwende vormen van zorg.
  3. 3. Voor een aanvraag zoals bedoeld in artikel 7.29, vijfde lid, is het bepaalde in het eerste lid, sub c, niet van toepassing.

Artikel 7.31. Grondslag subsidie

  1. 1. De in artikel 7.29, tweede lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-- per project.
  2. 2. De in artikel 7.29, vierde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 50.000,-- per gemeente.
  3. 3. De in artikel 7.29, vijfde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal 50% van de totale kosten met een maximum van € 50.000,-- per domoticaproject.
  4. 4. De in artikel 7.29, zesde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 1.000,-- per activiteit.
  5. 5. Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten:
    1. a. die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van premiegefinancierde instellingen en organisaties;
    2. b. die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van door het Rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde instellingen en organisaties.

Paragraaf 8. Maatschappelijke ontwikkeling

[Toelichting: Wij streven naar een provincie waarin iedereen meedoet. Wij willen de randvoorwaarden creëren waardoor het voor iedereen mogelijk is om te (blijven) participeren. Leerbaarheid en modern burgerschap staan daarbij centraal.]

Artikel 7.32. Begripsbepalingen

  1. a. Leefbaarheid: de mate waarin de samenleving qua voorzieningen aansluit op de behoeften van de mensen die er in leven.
  2. b. Vrijwillige inzet: vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving.

Artikel 7.33. Criteria

  1. 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het bekostigen van activiteiten op het gebied van:
    1. a. activiteiten die bijdragen aan het versterken van leefbaarheid in wijk en dorp, door: [Toelichting: Deze regeling richt zich op de ‘menselijke’ kant van leefbaarheid: sociale cohesie, contacten, ontmoeting, burenhulp, enz. Samenwerken aan een goede leefomgeving en aan het behoud van voldoende diensten en voorzieningen.]
    2. • initiatieven die zich, anders dan door bouwactiviteiten, richten op het behoud van voorzieningen en diensten;
    3. • initiatieven die bijdragen aan meer ontmoeting van jong en/of oud;
    4. • initiatieven gericht op participatie en sociale cohesie binnen wijken, kernen en buurten;
    5. • initiatieven gericht op het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners bij het verbeteren van het woon- en leefklimaat in eigen kern of buurt;
    6. b. activiteiten die bijdragen aan het versterken en vernieuwen van de inzet door vrijwilligers in diverse sectoren: [Toelichting: Deze regeling richt zich op het versterken en professionaliseren van vrijwillige inzet in diverse sectoren, te denken valt aan vrijwilligerswerk in musea of zorg.]
    7. • jeugdzorg, mantelzorg, respijtzorg, kunst en cultuur, sport, multifunctionele accommodaties, integratie.
  2. 2. Een subsidieaanvraag moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: [Toelichting: Een subsidieaanvraag moet aan een aantal criteria voldoen.
    Een activiteit heeft een voorbeeldfunctie op regionaal niveau als het een, voor de regio of provincie, nieuwe activiteit betreft die ook elders kan worden uitgevoerd.
    De resultaten van een project zijn aantoonbaar overdraagbaar als deze zijn vastgelegd in bijvoorbeeld een draaiboek, voorlichtingsmateriaal. Van cofinanciering is sprake als ten minste één andere partij dan aanvrager en provincie bijdraagt in de kosten van de gesubsidieerde activiteit.
    Een project heeft bovengemeentelijke uitstraling indien ook inwoners van andere gemeenten kunnen deelnemen aan/belang hebben bij de activiteit.]
    1. a. de activiteit vervult een voorbeeldfunctie op regionaal niveau;
    2. b. de resultaten van de activiteit zijn aantoonbaar overdraagbaar;
    3. c. er is sprake van cofinanciering;
    4. d. er zijn ten minste twee relevante partijen betrokken;
    5. e. de doelgroepen participeren in de activiteit;
    6. f. project heeft een bovengemeentelijke uitstraling.

Artikel 7.34. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.31, eerste lid, sub a, ingediend voor 1 januari 2007 en subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, eerste lid, sub b, voor 1 juni 2007.

Artikel 7.35. Grondslag subsidie

[Toelichting: Omdat Gedeputeerde Staten streven naar grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000,-- niet in behandeling genomen. De projectsubsidie bedraagt maximaal € 75.000,-- per project.]

  1. 1. De subsidie bedraagt maximaal € 75.000,--.
  2. 2. Aanvragen voor subsidies beneden de € 10.000,-- worden niet in behandeling genomen.

Paragraaf 9. Vitaliteit kleine kernen en Kulturhusen

Artikel 7.36. Begripsbepalingen

[Toelichting: De kern van de regeling Vitaliteit kleine kernen is het begrip basisvoorziening.
Basisvoorzieningen zijn voorzieningen die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterken en/of meerdere doelgroepen bedienen en die openbaar toegankelijk zijn. Dus sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking.]

  1. a. Kulturhus: een project gericht op het investeren in een voorziening die direct verbonden is met de leefbaarheid en de sociale cohesie van een kern, dorp of stadswijk. Een kulturhus is een combinatie van non-profit en zakelijke dienstverlening op het terrein van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie vanuit één gebouw en aangestuurd door een gezamenlijk beheersmanagement. Minimaal drie van de vier genoemde terreinen, gezamenlijke programmering en gemeenschappelijk beheersmanagement zijn in het project opgenomen.
  2. b. Vitaliteit kleine kernen: projecten gericht op het handhaven en verbeteren van de leefbaarheid in kleine kernen, in de vorm van basisvoorzieningen, evenals van organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen voor kleine kernen.
  3. c. Basisvoorziening (als bedoeld in het voorgaande lid): een voorziening op het gebied van de economische, de fysieke en sociale infrastructuur die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterkt en/of meerdere doelgroepen bedient en die openbaar toegankelijk is.
  4. d. Inwoneraantal: aantal inwoners in kernen en steden (peildatum 01-01-2006).

Artikel 7.37. Criteria

[Toelichting: Gehuchten, buurtschappen, kernen die onderdeel uitmaken van het buitengebied van minder dan 4.000 inwoners vallen onder het onderdeel vitaliteit kleine kernen.
Ondersteuning bij het aanjagen/uitwerken van het Kulturhusenconcept wordt door het Projectbureau Kulturhusen beschikbaar gesteld. Dit geldt eveneens voor de ontwikkeling van Kulturhusen in kleine kernen.]

  1. 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen met minder dan 4.000 inwoners gericht op het handhaven en verbeteren van de vitaliteit en leefbaarheid van kernen en dorpen door middel van een financiële impuls aan basisvoorzieningen, dat wil zeggen voor de zogenaamde ‘stenen’/harde infrastructuur, en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan deze basisvoorzieningen (Vitaliteit kleine kernen) (bijvoorbeeld deskundigheidsbevordering, public relations en programmering).
  2. 2. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen, dorpen en/of steden gericht op het stimuleren tot bouw of verbouw van een kulturhus in het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen, dorpen of steden (kulturhusen) en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan het kulturhus (bijvoorbeeld deskundigheidsbevordering, public relations en programmering).
  3. 3. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente;
    2. b. indien de aanvraag betrekking heeft op de organisatorische capaciteit, die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen/kulturhus, dient de gemeente minimaal 50% van de kosten bij te dragen.
  4. 4. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het tweede lid moeten tevens voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. uit de aanvraag blijkt dat bij het initiatief tot oprichting/vestiging en functioneren van het kulturhus ten minste drie van de terreinen van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie betrokken zullen zijn en een aantoonbare plek krijgen in het op te richten kulturhus;
    2. b. er moet sprake zijn van gezamenlijke programmering tussen de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus. De organisatorische en inhoudelijke kwaliteit van de gemeenschappelijke programmering wordt verwoord in de aanvraag;
    3. c. er moet sprake zijn van een gezamenlijk beheersmanagement, dat in ieder geval verantwoordelijk is voor het beheer van de accommodatie. Uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een gezamenlijk beheersmanagement door de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus;
  5. 5. er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente;
  6. 6. indien de aanvraag betrekking heeft op de organisatorische capaciteit, die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen, dient de gemeente minimaal 50% van de kosten bij te dragen.

Artikel 7.38. Grondslag subsidie

  1. 1. De subsidie Vitaliteit kleine kernen bedraagt per project maximaal 50% voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten van de
    basisvoorziening.
  2. 2. De subsidie Kulturhusen bedraagt per project maximaal 50% voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten.
  3. 3. De aanvraag heeft geen betrekking op reguliere activiteiten en/of exploitatiekosten van de aanvragende instelling.
  4. 4. De aanvraag heeft betrekking op planvorming/haalbaarheidsstudies.

Paragraaf 10. Vrijwilligersorganisaties

Artikel 7.39. Begripsbepalingen

[Toelichting: Vanaf 2003 subsidiëren wij uitsluitend in Overijssel gevestigde vrijwilligersorganisaties. In dit artikel staat gedefinieerd wat wij hieronder verstaan. Als bewijs dat aan deze definitie wordt voldaan moet bij de aanvraag een aantal stukken worden meegestuurd.
Met op regionaal niveau werkzaam zijn, wordt bedoeld dat de organisaties ofwel leden hebben in minimaal drie gemeenten ofwel activiteiten ondernemen op regionaal niveau.]

Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die:

  1. a. op basis van de statuten een zetel heeft in Overijssel en
  2. b. op 31 december 2005: over ten hoogste een halve betaalde formatieplaats (20 werkuren per week) beschikt en
  3. c. die hoofdzakelijk in Overijssel op regionaal niveau werkzaam is.

Artikel 7.40 Subsidievorm

In afwijking van artikel 1.3, tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.

Artikel 7.41. Criteria

[Toelichting: Een subsdieaanvraag moet voldoen aan twee criteria.
In de eerste plaats dient de subsidieaanvrager van ons voor 2005 niet al een budgetsubsidie te ontvangen. Wij zijn van mening dat dergelijke budgetsubsidies voldoende zijn om daaruit de bestuurs- en activiteitenkosten en de kosten van kadertraining te dekken.
In de tweede plaats dient de subsidieaanvrager zelf onvoldoende in staat te zijn de zojuist genoemde kosten te betalen. Wij meten dit af aan de hoogte van de liquiditeitspositie. Hierin mogen reserveringen voor een specifiek eenmalig doel of een eenmalige gebeurtenis – over een periode van maximaal twee jaar – toegerekend worden aan de kortlopende schulden. Bedoeling hiervan is de vrijwilligersorganisaties in staat te stellen reserveringen te treffen voor bijvoorbeeld de viering van een jubileum, het organiseren van een symposium e.d.
Wanneer de liquiditeitspositie volgens de meegestuurde jaarrekening ten minste € 4.200,-- bedraagt, zal de subsidie worden geweigerd.]

Een aanvraag om stimuleringssubsidie van een vrijwilligersorganisatie moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:

  1. a. de organisatie ontvangt van de provincie Overijssel geen per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie;
  2. b. de organisatie is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in staat de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining uit eigen middelen te betalen.

Artikel 7.42. Grondslag subsidie

[Toelichting: Voor 2007 is bepaald dat het subsidiebedrag maximaal € 2.100,-- bedraagt.]

Gedeputeerde Staten kunnen een vrijwilligersorganisatie voor het jaar 2007 een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining.

Artikel 7.43. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.8 wordt een subsidieaanvraag voor het jaar 2007 uiterlijk op 1 november 2006 ingediend.

Artikel 7.44. Aanvullende stukken bij de aanvraag

[Toelichting: Bij het indienen van een aanvraag voor subsidie vrijwilligersorganisaties dienen de statuten en jaarrekening over 2005 meegestuurd te worden. De subsidie wordt in één keer verleend en vastgesteld. Er hoeft dus niet, zoals dat met andere subsidies wel het geval is, verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de subsidie.]

In aanvulling op artikel 1.9 dient de aanvraag van vaststelling van de subsidie vergezeld te gaan van de vastgestelde jaarrekening over het jaar 2005 en van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag.

Artikel 7.45. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie

In afwijking van artikel 1.11 beslissen Gedeputeerde Staten omtrent subsidievaststelling binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken.

Paragraaf 11. Integratie

Artikel 7.46. Begripsbepaling

Zelforganisatie: elke bovenlokale organisatie van minderheden in Overijssel waarvan de doelstelling is bij te dragen aan integratie en participatie van hun achterban in de samenleving.

Artikel 7.47. Doelstelling van de subsidie

Het project of de activiteiten moet een bijdrage leveren aan één van de volgende resultaten:

  1. a. professionaliseren van allochtone zelforganisaties;
  2. b. integratie van etnische doelgroepen in de samenleving;
  3. c. meer wederzijdse acceptatie, betrokkenheid en verbondenheid;
  4. d. positieverbetering van allochtone vrouwen;
  5. e. verbetering van de kennis in de samenleving over ontwikkelingen in het integratiebeleid en het integratieproces;
  6. f. het bestrijden van racisme en discriminatie;
  7. g. een betere toerusting en grotere toestroom van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt;
  8. h. mentoring van risicoleerlingen;
  9. i. verbeteren van de toegang voor allochtone jongeren tot activiteiten van jeugdbeleid en lichte vormen van jeugdzorg.

Artikel 7.48. Criteria voor subsidiëring

[Toelichting: In dit artikel is aangegeven aan welke criteria het project moet voldoen waar subsidie voor wordt aangevraagd. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen. Er moet aantoonbaar sprake zijn van samenwerking tussen meerdere partijen dit dient gedaan te worden door middel van het betrekken van partijen bij de organisatie en/of uitvoering van het project. Het doel hierbij is dat meerdere doelgroepen worden bediend.
Ook is cofinanciering verplicht gesteld en projecten dienen een bovenlokaal karakter te hebben tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.
Zelforganisaties hoeven niet aan het criterium van cofinanciering te voldoen.]

  1. 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor integratie. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:
    1. a. er is sprake van samenwerking tussen meerdere partijen;
    2. b. bij het project is sprake van cofinanciering;
    3. c. het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.
  2. 2. Indien de subsidieaanvraag is ingediend door een zelforganisatie is het bepaalde in het eerste lid, sub b, niet van toepassing.

Artikel 7.49. Grondslag subsidie

  1. 1. Aanvragen van subsidie van organisaties, niet zijnde een zelforganisatie waarvan de opgenomen subsidiabele kosten in de begroting kleiner zijn dan € 10.000,--, worden niet in behandeling genomen.
  2. 2. De subsidie bedraagt per project maximaal 75% van de totale kosten.
  3. 3. In aanvulling op artikel 7.2 worden de volgende kosten als niet subsidiabel aangemerkt:
    1. a. kosten met betrekking tot catering;
    2. b. post onvoorziene kosten;
    3. c. vervoerskosten.

Paragraaf 12. Jeugdzorg

[Toelichting: De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het subsidiëren van de activiteiten van Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJzO) en het zorgaanbod jeugdhulpverlening. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast. De voor de diverse organisaties maximaal beschikbare bedragen zijn opgenomen in het (ontwerp) Uitvoeringsprogramma jeugdzorg Overijssel 2007.
BJzO
De provincie ontvangt van het Rijk een Doeluitkering Bureau Jeugdzorg.
Voor de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de zogenaamde justitiële taken van Bureau Jeugdzorg in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering.
In de doeluitkering is hiervoor een bedrag opgenomen dat resulteert door vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde justitiële taken (Q) in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de doeluitkering betrekking heeft (de zogenaamde t-1 systematiek, gebaseerd op een 12-maandsgemiddelde).
Voor de overige niet-justitiële taken van BJzO is in de doeluitkering een bedrag begrepen dat is gebaseerd op de bedragen die hiervoor in 2004 beschikbaar waren op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Met ingang van 2008 wordt voor het bepalen van de doeluitkering voor deze overige taken een gelijke subsidiemethodiek gehanteerd als die voor de justitiële taken van Bureau Jeugdzorg. Dit betekent dat hiervoor ook landelijke normprijzen worden vastgesteld.
De provinciale subsidiesystematiek van BJzO is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerde P maal-Q-systematiek bij het vaststellen van de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg.
De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de vaststelling van de provinciale subsidie aan BJzO.
Echter, de provincie kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering bij het subsidiëren van taken van BJzO besluiten tot het vaststellen van een afwijkend tarief per taak. Daarbij wordt een marge aangehouden van maximaal 3%.
Gedurende de periode waarin nog geen sprake is van landelijk vastgestelde normprijzen voor de niet-justitiële taken van Bureau Jeugdzorg, stellen Gedeputeerde Staten de normprijzen en daarbij te hanteren eenheden vast. Deze overgangsregeling is opgenomen in artikel 7.61.
De taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, vormen een uitzondering op deze algemene subsidiesystematiek (zie hieronder).
In de subsidieaanvraag geeft BJzO onder meer aan voor welke omvang van de verschillende taken zij subsidie aanvraagt. Op basis van de subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de doeluitkering bepaalt de provincie voor welke omvang zij de taken van BJzO wil subsidiëren.
In de subsidiebeschikking stelt de provincie deze omvang en het daarbij te hanteren tarief per taak vast. Zoals eerder is aangegeven kan dit tarief maximaal 3% afwijken van het landelijke normtarief.
De op deze manier berekende maximale prestatiesubsidie wordt alleen verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaande aan de zorg duurzaam verbleven in Overijssel.
BJzO moet bij het uitvoeren van de taken zoveel mogelijk in staat worden gesteld aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte gedurende het jaar. Daarom moet de subsidieaanvraag gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de verschillende taken van het bureau.
Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke kwantitatieve inzet van taken hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de prestatiesubsidie gaat de provincie uit van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor bij de subsidieverlening gehanteerde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde taken, vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal verleende prestatiesubsidie. Alleen wanneer het langs deze weg becijferde totale bedrag lager is dan de maximaal verleende subsidie, kan een lagere prestatiesubsidie worden vastgesteld.
Met deze systematiek wordt een maximale flexibiliteit voor BJzO gerealiseerd, om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de verschillende taken.
BJzO wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de aan haar door de provincie maximaal verleende subsidie.
Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de bepaling van de doeluitkering door het Rijk wordt vanaf het moment dat hiervoor de landelijke normtarieven bekend zijn door de provincie voor deze taak een prestatiesubsidie berekend op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.
Zorgaanbod
Voor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een ‘doeluitkering zorgaanbod' van het Rijk. Het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg vormt hiervoor gedurende de eerste drie jaren na inwerkingtreding van de WJZ de basis. Tijdens deze overgangsperiode is nog sprake is van een vooraf vastgesteld budget voor de provinciale doeluitkeringen. Dit vloeit voort uit het Bestuursakkoord Financieel kader WJZ op de Jeugdzorg, zoals dit in 2003 tussen provincies, grootstedelijke regio's, de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie is overeengekomen. Gedurende deze overgangsperiode wordt geleidelijk een nieuwe bekostigingswijze voor de doeluitkering zorgaanbod geïmplementeerd op basis van het advies van Deloitte (‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod').
In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg zijn afspraken gemaakt over de invoering van deze landelijke bekostigingssystematiek voor het zorgaanbod, welke naar verwachting met ingang van 2008 wordt ingevoerd. Op hoofdlijnen is daarmee de toekomstige door het Rijk te hanteren bekostigingssystematiek gegeven. Voor de doeluitkering zorgaanbod betekent dit het volgende: deze uitkering wordt gebaseerd op de te verwachten aantallen geïndiceerde zorgeenheden, vermenigvuldigd met een landelijke normprijs voor die zorgeenheden/bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q). Deze zorgeenheden worden landelijk omschreven en vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de bij provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden.
Met de invoering van de WJZ is onder meer beoogd te komen tot meer marktwerking in het zorgaanbod, onder andere met als doel een zo efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod te bereiken. Daarom zijn de landelijke normprijzen voor de te leveren zorgeenheden niet bindend voor de te hanteren tarieven bij de subsidiëring van de zorgeenheden door de provincie. De uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder kunnen verschillen. Dit kan als prikkel worden gebruikt om een zo efficiënt mogelijke uitvoering van zorg te realiseren.
Wel vormt het - op basis van de landelijke normprijzen vastgestelde - provinciale totaalbudget voor het zorgaanbod het maximale financiële kader, waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie gesubsidieerd moet worden.
Binnen de doeluitkering zorgaanbod moet de provincie voldoende zorgaanbod ‘inkopen' bij zorgaanbieders, om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de door BJzO geïndiceerde zorgeenheden en over de ontwikkeling hiervan.
Bij het invoeren van de landelijke systematiek voor zorgeenheden wordt deze ook gebruikt voor de provinciale subsidiëring van het zorgaanbod. Deze nieuwe landelijke bekostigingssystematiek vormt daarom het vertrekpunt voor onderhavige regels.
Via pilots wordt tijdens het implementatietraject onderzocht hoe de uiteindelijke zorgeenheden het best kunnen worden toegepast. Er vindt een praktijktoets plaats op de geadviseerde normprijzen voor de verschillende zorgeenheden. Een en ander krijgt waarschijnlijk in 2006 zijn beslag, waarna in 2007 wordt schaduwgedraaid. Dit betekent dat in 2007 de landelijk te hanteren zorgeenheden nog niet de grondslag kunnen vormen voor de subsidiëring van het zorgaanbod. In verband hiermee is in artikel 7.50, onder d, opgenomen dat Gedeputeerde Staten vaststellen welke zorgeenheden als eenheid voor de subsidiëring van het zorgaanbod worden gehanteerd.
Tot het invoeren van de systematiek van zorgeenheden in het kader van de berekening door het Rijk van de doeluitkering zorgaanbod, kunnen Gedeputeerde Staten andere zorgeenheden als bekostigingseenheid vaststellen. Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om daarbij aan te sluiten op de bekostigingseenheden als gehanteerd in het jaar voorafgaand aan de invoering van de WJZ en de bekostigingseenheden zoals die gehanteerd zijn in de systematiek van de normharmonisatie. Omdat deze uitgaat van tarieven voor variabele kosten is in de overgangsregeling (artikel 7.63) in het 3e lid opgenomen dat Gedeputeerde Staten in de subsidie een bedrag voor accommodatiekosten bepalen.
Voor het overige wordt met deze regels aangesloten op de uitgangspunten van de WJZ en de daarop gebaseerde toekomstige landelijke bekostigingssystematiek.
In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan, voor welke zorgeenheden de subsidie wordt aangevraagd. Ook geeft de zorgaanbieder aan voor hoeveel en tegen welk tarief voor de verschillende zorgeenheden subsidie wordt aangevraagd. Daarmee heeft de aanvraag het karakter van een offerte.
Mede op basis van de subsidieaanvraag en het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke, hoeveel en tegen welk tarief zij zorgeenheden wenst in te kopen bij de zorgaanbieder. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de aanvraag/offerte heeft opgenomen. De zorgaanbieder en provincie kunnen hierover onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast waartegen zij de desbetreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren betrokken worden.
In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan welke, hoeveel en tegen welk tarief zorgeenheden worden gesubsidieerd. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor de verschillende zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de zorgeenheden kan afwijken van de landelijk vastgestelde eenheden.
Wel moeten de tarieven van de eenheden gedetailleerder zijn opgebouwd en op een transparante en controleerbare manier vertaald kunnen worden naar het niveau van de eenheid van het Rijk.
De op deze manier berekende maximale subsidie wordt in principe alleen verleend voor de taken, waarop de subsidie betrekking heeft, die worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de provincie Overijssel.
Uitgaande van een bepaling van de doeluitkering op basis van die hiervoor weergegeven P-maal-Q-systematiek, sluit de omvang van de doeluitkering zorgaanbod aan op de kwantiteit van de aanspraken van cliënten uit de eigen provincie op geïndiceerde zorg. Ook kan de provincie desgewenst zorg inkopen bij zorgaanbieders buiten haar grenzen. Daarmee ligt subsidiëring van zorg voor cliënten uit andere provincies niet langer in de rede.
Gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe financieringssystematiek wordt een overgangsregeling gehanteerd op grond waarvan in uitzonderingssituaties zorgaanbieders de verleende subsidie, onder bepaalde voorwaarden, ook kunnen aanwenden voor het verlenen van zorg voor cliënten die voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleven in een andere provincie (zie artikel 7.61).
De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder moet gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de verschillende zorgeenheden.
Om zorgaanbieders bij het uitvoeren van de zorg zoveel mogelijk in staat te stellen om gedurende het jaar aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de vraag, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden. Afhankelijk van de feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg hiervan afwijken.
Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van de werkelijk geleverde aantallen zorgeenheden en de daarvoor bij de verlening van subsidie vastgestelde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen eenheden, vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de maximaal verleende subsidie. Wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, wordt een lagere subsidie vastgesteld.
Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de door BJzO in de indicatie vastgestelde behoefte aan zorg.
Een zorgaanbieder wordt daarmee, binnen de grenzen van de hen door de provincie maximaal verleende subsidie, uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op haar zorgplicht, die zorg te bieden die gelet op de vraag nodig is.
Wel is het zo dat zorgaanbieders in beginsel slechts die zorgeenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidieverlening door de provincie zijn aangegeven. Met andere woorden indien bij een zorgaanbieder geen zorgeenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt het uitvoeren van dergelijke eenheden in beginsel niet voor subsidiëring door de provincie in aanmerking. Voor het uitvoeren van voor de zorgaanbieder nieuwe zorgvormen is vooraf toestemming van de provincie nodig, die zich hierbij laat adviseren door BJzO.
Ten slotte komen alleen zorgeenheden in aanmerking voor subsidie indien hieraan een geldige indicatie van BJzO aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bepaald in artikel 7.61.]

Artikel 7.50. Begripsbepalingen

[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald. Het onderdeel d heeft betrekking op het begrip zorgeenheid. In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg is op basis van het advies van Deloitte ‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod’, besloten tot invoering van een bekostigingsstelsel voor de provinciale doeluitkering zorgaanbod op basis van een systematiek van zorgeenheden.
Op grond van de WJZ zijn in het Besluit jeugdzorgaanspraken drie aanspraken op jeugdzorg vastgesteld: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.
Deze algemeen geformuleerde aanspraken worden door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg gevestigd. Het indicatiebesluit geeft daarbij een nadere concretisering van de aanspraken op basis van de eisen die daaraan in het Besluit indicatiestelling zijn gesteld. Dit kan leiden tot meerdere concrete pakketjes van zorg die door de zorgaanbieder dienen te worden geleverd en die tevens als eenheid dienen voor de subsidiëring van het zorgaanbod.
In 2008 de systematiek ingevoerd dat het Rijk de doeluitkering zorgaanbod berekent op basis van deze zorgeenheden. Tot dat moment stelt Gedeputeerde Staten andere eenheden vast. Zie verder de algemene toelichting.]

  1. a. WJZ: de Wet op de Jeugdzorg.
  2. b. Uitvoeringsprogramma: het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WJZ.
  3. c. Tarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de subsidiëring van een zorgeenheid.
  4. d. Zorgeenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op grond van de WJZ aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod zijn aangewezen.

Artikel 7.51. Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing

Artikel 7.1 is niet van toepassing op subsidies op grond van de WJZ en deze paragraaf.

Artikel 7.52. Criteria

[Toelichting: Dit artikel bevat de criteria voor het verlenen van prestatiesubsidies voor experimenten.]

Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.

Artikel 7.53. Grondslag subsidie

[Toelichting: Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening.
Voor subsidiëring van BJzO komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 (indicatiestelling e.d.) en 10 (justitiële taken) van de WJZ. De subsidiëring van de overige uit de WJZ voortvloeiende taken maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ.
Hierin wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verleend voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit Overijssel. De laatste zin van dit artikel maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een Bureau Jeugdzorg uitvoeren. Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking worden de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden vastgesteld.
Voor subsidiëring van het zorgaanbod komen in aanmerking de uitvoering van zorgeenheden c.q. bekostigingseenheden, die door de ministers worden gehanteerd voor het vaststellen van de landelijke normbedragen. Op basis van deze landelijke normbedragen wordt de provinciale doeluitkering zorgaanbod door het rijk berekend. Dit is opgenomen in het Besluit uitkeringen jeugdzorg. Deze zorgeenheden komen alleen dan voor subsidiëring in aanmerking indien deze worden uitgevoerd op basis van een daartoe strekkend indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg.
Het zesde lid leidt ertoe dat de subsidiëring slechts betrekking heeft op de uitvoering van zorgeenheden voor cliënten die voorafgaand aan het uitvoeren hiervan duurzaam verbleven in Overijssel. Dit betekent dat de zorgplicht van de zorgaanbieder op grond van de WJZ alleen betrekking heeft op cliënten uit een provincie waarvan Gedeputeerde Staten van die provincie de betreffende zorgaanbieder ook een subsidie hebben verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden. Omdat provincies bij het inkopen van jeugdzorg niet gehouden zijn deze in te kopen bij zorgaanbieders in de eigen provincie, kan een zorgaanbieder ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de provincie van vestiging van de zorgaanbieder, als de betreffende provincie ook bij deze zorgaanbieder zorg heeft ingekocht. Als dit niet het geval is dan kan deze zorgaanbieder geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren. De betreffende cliënt zal zijn aanspraak op zorg daarom slechts tot gelding kunnen brengen bij een zorgaanbieder, die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin hij of zij voorafgaand aan het tot stand komen van de aanspraak duurzaam verbleef.
Gedurende de overgangsperiode tot aan invoering van de P-maal-Q-systematiek, is echter een uitzonderingsbepaling (artikel 7.61) van kracht, die ertoe strekt het bieden van zorg aan cliënten uit een provincie die geen zorg heeft ingekocht bij de zorgaanbieder, onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. Dit kan noodzakelijk zijn als gevolg van een nadere uitwerking van de gemaakte landelijke afspraken over de overgangsperiode voor de decentralisatie van enkele voorheen landelijk werkende en landelijk gesubsidieerde zorgaanbieders. Uitgangspunt bij deze afspraken is dat één provincie gedurende deze overgangsperiode als inkoper en daarmee als subsidiënt van deze zorgaanbieders voor meerdere provincies optreedt. De voorwaarden waaronder een dergelijke uitzondering mogelijk is worden in de subsidiebeschikking opgenomen.]

De stichting

  1. 1. Het bedrag van de aan de stichting per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie wordt bepaald op basis van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven.
  2. 2. Gedeputeerde Staten stellen deze tarieven vast op basis van de door de minister vastgestelde normbedragen, met een afwijking tot ten hoogste drie procent.
  3. 3. De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend wanneer de taken en/of de functies waarop de subsidie betrekking heeft, worden uitgevoerd voor cliënten die bij aanvang van de bemoeienis van de stichting duurzaam verblijven in Overijssel. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.

Zorgaanbieder

  1. 4. Het bedrag van de aan de zorgaanbieder per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie voor het uitvoeren van zorgeenheden wordt bepaald op basis van het door
    Gedeputeerde Staten vastgesteld tarief per zorgeenheid, dat per zorgaanbieder verschillend kan zijn.
  2. 5. De subsidie als bedoeld in het vierde lid wordt alleen verleend wanneer Bureau Jeugdzorg Overijssel voor het uitvoeren van de zorgeenheid een indicatiebesluit heeft vastgesteld.
  3. 6. De op basis van een indicatiebesluit uit te voeren jeugdzorg komt alleen voor subsidie in aanmerking indien er een subsidierelatie bestaat tussen de zorgaanbieder en de provincie waarin de cliënt duurzaam verblijft. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.

Algemeen

  1. 7. De subsidie als bedoeld in het eerste en vierde lid bedraagt ten hoogste het bedrag dat Gedeputeerde Staten hiervoor hebben opgenomen in het Uitvoeringsprogramma van het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft. Dit bedrag kan worden aangepast op basis van de voor het jaar door de minister vastgestelde indexering.

Artikel 7.54. Indieningstermijn aanvraag

[Toelichting: Dit artikel regelt wanneer een aanvraag voor prestatiesubsidie voor experimenten kan worden ingediend.]

In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 7.52 gedurende het hele jaar, maar uiterlijk drie maanden voor aanvang van het experiment, bij Gedeputeerde Staten worden ingediend.

Artikel 7.55. Aanvullende stukken bij de aanvraag

[Toelichting: Hierin is bepaald welke gegevens in de aanvraag moeten zijn opgenomen en welke documenten moeten worden gevoegd bij de subsidieaanvraag.]

  1. 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de subsidieaanvraag tevens het vigerende meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.
  2. 2. In aanvullend op het eerste lid overlegt de stichting bij de subsidieaanvraag in ieder geval:
    1. a. het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw daarvan op basis van de tarieven in overeenstemming met artikel 7.53, tweede lid, voorzien van een gedetailleerde toelichting en de onderbouwing daarvan;
    2. b. de wettelijke taken en/of functies die de stichting zal uitvoeren;
    3. c. de geraamde aantallen cliënten voor het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft per taak en/of functie als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ;
    4. d. het aantal cliënten per taak en/of functie waarvoor de betreffende taak en/of functie is uitgevoerd in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;
    5. e. de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ;
    6. f. de adressen van de locaties waar de taken en/of functies worden uitgeoefend.
  3. 3. In aanvullend op het eerste lid overlegt de zorgaanbieder bij de subsidieaanvraag in ieder geval:
    1. a. de verschillende zorgeenheden waarop de aanvraag betrekking heeft;
    2. b. het bedrag waarvoor de zorgaanbieder de verschillende zorgeenheden wil uitvoeren;
    3. c. de verschillende aantallen zorgeenheden waarvoor de zorgaanbieder subsidie aanvraagt;
    4. d. de adressen van de locaties waar de zorgeenheden worden uitgevoerd.

Artikel 7.56. Verzekeringen en administratie

[Toelichting: In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over het afsluiten van bepaalde verzekeringen en het voeren van de (cliënten)administratie. Zo zal het boekjaar samen moeten vallen met het kalenderjaar en zal een betrouwbaar beeld moeten ontstaan over de gegevens van cliënten, de omvang van de uitgevoerde zorgeenheden en hieraan ten grondslag liggende indicatiebesluiten en financiële gegevens.]

  1. 1. De stichting/zorgaanbieder aan wie een subsidie is verleend, zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere vergelijkbare risico’s.
  2. 2. De administratie wordt op zodanig overzichtelijke en doelmatige wijze gevoerd dat op ieder moment een actueel en betrouwbaar beeld bestaat over het functioneren op de volgende punten:
    1. a. gegevens over de cliënten;
    2. b. financiële gegevens;
    3. c. aanvullend hierop:
    4. • voor de stichting gegevens over de omvang en individuele duur van de uitgeoefende taken en/of functies;
    5. • voor de zorgaanbieder per cliënt gegevens over aard en omvang van de verleende zorg, waarbij een relatie wordt gelegd met de zorg waarop een cliënt aanspraak heeft.

Artikel 7.57. Verslag van de prestaties

[Toelichting: Dit artikel regelt de inhoud waaraan het (inhoudelijke) verslag van de geleverde prestaties minimaal dient te voldoen.
Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende gegevens vragen over de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Deze vragen mogen geen wezenlijke verstoring van de dagelijkse werkzaamheden teweegbrengen.]

  1. 1. In afwijking van artikel 1.19, eerste lid, bevat het prestatieverslag van:
    1. a. de stichting ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan en over de uitvoering van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ;
    2. b. de zorgaanbieder ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan.
  2. 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording de stichting, in aanvulling op de gegevens die zijn opgenomen in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, nadere gegevens vragen over de taken en/of functies, als bedoeld in de artikelen 5 en 10 van de WJZ.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording van de zorgaanbieder nadere gegevens vragen.

Artikel 7.58. Verslag van de kosten

[Toelichting: Dit artikel regelt de voorwaarden waaraan de financiële verantwoording minimaal dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Ook wordt bepaald dat de verantwoording moet worden voorzien van een accountantsverklaring die wordt ingericht volgens het model uit de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg.
De jaarrekening van de subsidieontvanger moet voldoen aan de ministeriële richtlijnen.
In onderdeel e wordt bepaald dat BJzO ook informatie verschaft over het aantal gestelde indicaties die gedurende het verantwoordingsjaar zijn verzilverd bij een daartoe niet door de provincie Overijssel gesubsidieerde zorgaanbieder. Dit vloeit voort uit de overgangsregeling met betrekking tot de provinciale subsidiëring van zorgaanbieders, die provincies zijn overeengekomen gedurende de periode waarin nog geen sprake is van een vraaggestuurde berekening door het Rijk van de provinciale uitkering zorgaanbod op basis van de P-maal-Q-systematiek. Het invoeren hiervan is voorzien met ingang van 2008. Dit betekent dat gedurende deze periode vaak nog sprake is van een per provincie voor het zorgaanbod beschikbaar budget dat nog onvoldoende is afgestemd op de behoefte per provincie. Daarom is het gewenst dat cliënten in uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook te gelde moeten kunnen maken bij een zorgaanbieder, die daarvoor niet wordt gesubsidieerd door de provincie van herkomst. Dergelijke jeugdzorg is alleen mogelijk als:
• het Bureau Jeugdzorg van de provincie van herkomst hiertoe een indicatiebesluit heeft vastgesteld;
• het betreffende Bureau Jeugdzorg heeft vastgesteld dat de geïndiceerde jeugdzorg, en het vervangende jeugdzorgaanbod als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg, niet binnen dertien weken na vaststelling van het indicatiebesluit, gerealiseerd kan worden door een zorgaanbieder die daarvoor wordt gesubsidieerd door de provincie van herkomst van de cliënt en de zorgaanbieder deze vaststelling aan kan tonen;
• de zorgaanbieder wordt gesubsidieerd voor de zorgeenheid opgenomen in het betreffende indicatiebesluit;
• hiermee niet het maximum wordt overschreden van 10% van de subsidie die door de provincie Overijssel aan de zorgaanbieder is toegekend voor het bieden van zorgeenheden.
Deze overgangsregeling vervalt waarschijnlijk met ingang van 1 januari 2008, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de nieuwe landelijke subsidiesystematiek.
Uitgangspunt daarbij is dat vanaf dat moment sprake is van een vraaggestuurde subsidiëring door het Rijk van de provinciale jeugdzorg. Hierdoor zijn de afzonderlijke provincies in staat voldoende zorg in te kopen voor de aanspraken van de cliënten afkomstig uit de eigen provincie.
Tijdens de overgangsperiode moeten de provincies zicht krijgen op de zorg die aan ‘hun’ kinderen wordt verleend en die niet door hen wordt gesubsidieerd. Onderdeel f voorziet in de hiervoor noodzakelijke informatieverschaffing door Bureau Jeugdzorg.
Het eerste lid, onder g, geeft nadrukkelijk aan dat de te verstrekken informatie over de gerealiseerde zorgeenheden slechts betrekking heeft op die zorgeenheden waarvoor door Bureau Jeugdzorg een daartoe strekkend indicatiebesluit is vastgesteld. Uitgevoerde zorg waaraan geen geldig indicatiebesluit ten grondslag ligt, komt niet voor subsidiëring in aanmerking.
De tweede volzin geeft aan dat alleen die zorgeenheden in de verantwoording mogen worden opgenomen waarop de te verantwoorden subsidie betrekking heeft. Dit betekent onder meer dat alleen de zorgeenheden die zijn uitgevoerd voor Overijsselse cliënten en die op grond van de overgangsregeling van artikel 7.61 in de verantwoording worden opgenomen.
Onderdeel g geeft aan dat alle op basis van een indicatie uitgevoerde zorgeenheden worden opgenomen, gespecificeerd naar de in het kader van de subsidiëring verschillende eenheden.
Onderdeel h bepaalt dat de zorgeenheden die specifiek op grond van artikel 7.61 zijn uitgevoerd voor cliënten uit andere provincies, ook afzonderlijk zichtbaar in de verantwoording worden opgenomen. Dit uiteraard alleen ingeval deze zorgeenheden ten laste worden gebracht van het door de provincie Overijssel gesubsidieerde zorgaanbod. De desbetreffende zorgeenheden worden per soort gespecificeerd. Ook wordt het totale aantal cliënten aangegeven voor wie deze zorgeenheden zijn uitgevoerd.
In onderdeel i van het eerste lid is genoemd, dat in de verantwoording moet worden aangegeven welke kostprijs de zorgaanbieder in het betreffende jaar heeft gerealiseerd voor de verschillende zorgeenheden. Deze informatie is van belang voor het actualiseren van de landelijke normbedragen die door het Rijk worden gehanteerd bij het bepalen van de doeluitkering zorgaanbod aan provincies.
Ook biedt deze informatie de provincie inzicht in de feitelijke ontwikkeling van de kostprijzen van de zorgaanbieder. In het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt en effectief mogelijke besteding van de doeluitkering zorgaanbod, kan de provincie deze informatie betrekken bij de subsidiëring in volgende jaren.
Onderdeel j bepaalt dat het totale aantal cliënten wordt aangegeven waarvoor door de zorgaanbieder zorgeenheden zijn uitgevoerd. Uiteraard geldt ook hier dat het alleen de cliënten betreft voor zover de kosten van de daarvoor uitgevoerde zorgeenheden ten laste worden gebracht van de subsidie die de zorgaanbieder heeft ontvangen van de provincie Overijssel.
In het kader van de financiële verantwoording kan ook nadere informatie van belang zijn. In verband hiermee is bepaald dat Gedeputeerde Staten dergelijke informatie van de zorgaanbieder en de stichting kan vragen.]

  1. 1. In aanvulling op artikel 1.19, tweede lid, overlegt de aanvrager de jaarrekening, waarin zijn opgenomen:
    1. a. het financiële verslag van het bestuur van de stichting/zorgaanbieder;
    2. b. de balans met toelichting;
    3. c. de resultatenrekening met toelichting, waarin substantiële afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard;
    4. d. voor de stichting het totale aantal jeugdigen dat zich in het begrotingsjaar bij de stichting heeft gemeld en het aantal jeugdigen waarvoor de verschillende taken en/of functies als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ zijn uitgevoerd;
    5. e. voor de stichting het totale aantal van de verschillende zorgeenheden waarvoor door haar in het subsidiejaar een indicatiebesluit is afgegeven;
    6. f. voor de stichting het aantal van de onderscheiden zorgeenheden waarvoor door haar een indicatiebesluit is vastgesteld, voor zover deze in het desbetreffende jaar zijn uitgevoerd door een zorgaanbieder die daarvoor niet door Gedeputeerde Staten zijn gesubsidieerd en het totale aantal cliënten waarop dit betrekking heeft;
    7. g. voor de zorgaanbieder het totale aantal zorgeenheden dat op basis van een indicatiebesluit door de zorgaanbieder is uitgevoerd, gespecificeerd per zorgeenheid waarop de subsidie betrekking heeft;
    8. h. voor de zorgaanbieder het aantal van de onder lid g bedoelde zorgeenheden dat door de zorgaanbieder is uitgevoerd ten behoeve van cliënten die voorafgaand aan het bieden van zorg niet duurzaam verbleven in de provincie Overijssel en het totale aantal cliënten waarop deze zorgeenheden betrekking hebben;
    9. i. voor de zorgaanbieder de in het desbetreffende jaar feitelijk gerealiseerde kostprijs voor de verschillende zorgeenheden;
    10. j. voor de zorgaanbieder het totale aantal cliënten voor wie de onder lid g bedoelde zorgeenheden zijn uitgevoerd, gespecificeerd naar de verschillende zorgeenheden;
    11. k. de accountantsverklaring.
  2. 2. In aanvulling op artikel 1.20, derde lid, wordt in de accountantsverklaring tevens een oordeel gegeven over:
    1. a. de verantwoording van de stichting betreffende de onderdelen bedoeld in het eerste lid, onder d, e en f en het uitvoeren van artikel 12 van de WJZ (inning ouderbijdragen);
    2. b. de verantwoording van de zorgaanbieder van de onderdelen bedoeld in het eerste lid, onder g tot en met j.
  3. 3. Gedeputeerde Staten kunnen over de financiële verantwoording nadere informatie vragen.

Artikel 7.59. Reserveringen en vermogensvorming

[Toelichting: In dit artikel zijn bepalingen over het toestaan van reserveringen en het vormen van vermogen opgenomen.]

  1. 1. Reserveringen kunnen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering en kunnen plaatsvinden conform goed gebruik in het economische verkeer. Het in een jaar gerealiseerde exploitatietekort, dat resteert na verrekening van de provinciale subsidie, wordt gedekt uit de egalisatiereserve. Indien deze reserve niet toereikend is dan dient het resterende tekort in een termijn van maximaal 5 jaren ten laste van de exploitatierekening te worden afgeschreven, deze afschrijvingen leiden niet tot extra subsidiëring.
  2. 2. Reserves die met provinciale subsidie zijn opgebouwd mogen alleen worden besteed aan kosten die direct verband houden met het uitvoeren van de taken/functies/zorgeenheden van de stichting/zorgaanbieder, voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende subsidie. Wanneer de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd is de stichting/zorgaanbieder verplicht het met provinciale subsidie opgebouwde vermogen op eerste verzoek aan Gedeputeerde Staten te betalen.

Artikel 7.60. Lagere vaststelling

[Toelichting: Bureau Jeugdzorg
In het 1e lid is de manier van vaststelling van de subsidie aangegeven, zoals weergegeven in het algemene deel van deze toelichting.
Deze manier van vaststelling van de subsidie stimuleert BJzO om – binnen de kaders van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven en het maximaal toegekende subsidie – de subsidiemiddelen zodanig aan te wenden voor de verschillende taken, dat hiermee zo optimaal mogelijk wordt aangesloten op de behoefte daaraan. Dit met uitzondering van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, gericht op het versterken van de voorliggende voorzieningen.
Zorgaanbieder
In het 2e lid is aangegeven hoe de vast te stellen subsidie wordt berekend. Deze manier stimuleert de zorgaanbieder om – binnen de maximaal verleende subsidie – de subsidiemiddelen zodanig aan te wenden voor de verschillende zorgeenheden dat optimaal wordt aangesloten op de behoefte daaraan.
Gedurende het jaar kan blijken dat door cliënten vaker dan voorzien een beroep wordt gedaan op een bepaalde zorgeenheid. Dan kan deze zorg door de zorgaanbieder toch worden geboden. Voorwaarde daarbij is dat het beroep op andere zorgeenheden dan (budgettair neutraal) achterblijft bij de omvang die bij de subsidieverlening was voorzien.
Deze flexibiliteit biedt de zorgaanbieder, ter voldoening aan de wettelijke zorgplicht, de maximale mogelijkheid om gedurende het jaar maximaal te voorzien in de vraag naar zorg.
Bij de vaststelling van de subsidie worden de feitelijk gerealiseerde aantallen zorgeenheden vermenigvuldigd met het bij de subsidieverlening vastgestelde (maar naderhand geïndexeerde) tarief.
De som van deze bedragen vormt de basis voor de vaststelling van de totale subsidie voor de zorgeenheden.
Zorgeenheden waarvoor geen subsidie is verleend zullen hierbij niet worden betrokken.
In het volgende cijfervoorbeeld is uitgewerkt hoe een eventueel lagere vaststelling van subsidie plaatsvindt.
Gedeputeerde Staten hebben BJzO of een zorgaanbieder een prestatiesubsidie verleend van € 1.000.000,-- voor:

Rekenvoorbeeld
BJzO/zorgaanbieder aantal uit te voeren overeengekomen prijs in euro's bedrag in euro's
taak 1/zorgeenheid 1 4.000 100,-- 400.000,--
taak 2/zorgeenheid 2 6.000 100,-- 600.000,--

totaal verleende
subsidie

1.000.000,--
In het subsidiejaar wordt het
volgende gerealiseerd:
taak 1/zorgeenheid 1 4.300 90,-- 387.000,--
taak 2/zorgeenheid 2 5.500 110,-- 605.000,--
Totaal werkelijke exploitatie 992.000,--
De vaststelling van de subsidie
gaat als volgt:
- 98,5% van het verleende subsidiebedrag
ad € 1.000.000,-- is € 985.000,-- (= ondergrens)
- vermenigvuldiging van het werkelijk aantal
uitgevoerde taken/zorgeenheden met de
overeengekomen prijs per eenheid:
taak 1/zorgeenheid 1 4.300 100,-- 430.000,--
- idem taak 2/zorgeenheid 2 5.500 100,-- 550.000,--
totaal 980.000,--
berekende ondergrens 985.000,--
terug te vorderen 5.000,--

Volgens dit rekenvoorbeeld worden dus met een subsidie van € 995.000 (€ 1.000.000,-- minus € 5.000,--) zorgeenheden gerealiseerd met een werkelijke kostprijs van € 992.000,--. Het exploitatieoverschot bedraagt daarom € 3.000,--.]

  1. 1. In aanvulling op artikel 1.21 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast dan het aan de stichting verleende bedrag indien de maximaal verleende subsidie voor het uitoefenen van de taken en/of functies meer dan 5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door de som van het verschillende aantal jeugdigen per taak, als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste en derde lid van de WJZ, vermenigvuldigd met het voor die taak vastgestelde tarief.
  2. 2. In aanvulling op artikel 1.21 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast dan het aan de zorgaanbieder verleende bedrag indien de maximaal verleende subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden meer dan 5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door vermenigvuldiging van het totaal van de verschillende aantallen uitgevoerde subsidiabele zorgeenheden met de daarvoor vastgestelde tarieven.

Artikel 7.61. Overgangsregeling

[Toelichting: Bureau Jeugdzorg
Dit artikel regelt het overgangsrecht dat noodzakelijk is omdat er nog geen sprake is van door de minister vastgestelde normbedragen voor de niet-justitiële taken van BJzO. Het eerste lid bepaalt dat Gedeputeerde Staten in afwijking van het bepaalde in artikel 2, derde lid, tarieven kan vaststellen die aansluiten op de subsidiegrondslag zoals door haar is gehanteerd in het jaar voorafgaand aan het in werking treden van de WJZ. Dit betekent ook dat de afbakening van de te onderscheiden taken waarop deze tarieven betrekking hebben, moeten aansluiten bij deze subsidiegrondslag.
Natuurlijk geldt daarbij dat de in de WJZ voor BJzO genoemde taken het uitgangspunt vormen. Bij de nadere afbakening van taken door Gedeputeerde Staten kan bijvoorbeeld voor de toegangstaken van het bureau uitgegaan worden van de functies/taken en de tarieven welke worden gehanteerd in de zogenaamde KPMG-normering. Voor de taken van het AMK zijn sinds een aantal jaren voorlopige landelijke normen overeengekomen. Voor de taken van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering worden wel de daarvoor door de minister van Justitie vastgestelde normbedragen als basis genomen voor de door de provincie te hanteren tarieven. Voor de taken gericht op versterking van het lokale jeugdbeleid is geen sprake van een vorm van normering per taak. Gedeputeerde Staten kan bij het verlenen van de subsidie aansluiten op de werkwijze in het jaar voorafgaande aan de WJZ.
Het tweede lid bepaalt dat wanneer de subsidie als gevolg van de hantering van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven voor het eerste jaar substantieel hoger is dan de subsidie in het daarop volgende jaar op basis van de door de minister vastgestelde tarieven, Gedeputeerde Staten de mogelijkheid heeft om ter overbrugging hiervan gedurende maximaal één jaar een overbruggingssubsidie te verlenen. BJzO wordt zo in staat gesteld haar bedrijfsvoering in overeenstemming te brengen met de nieuwe tarieven. Dit is echter geen wettelijke verplichting. Gedeputeerde Staten maakt in dit verband, mede in relatie tot de hiervoor beschikbare middelen in de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg, een eigen afweging over de noodzakelijkheid hiervan.
Zorgaanbieders
Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de WJZ, wordt de doeluitkering zorgaanbod door het Rijk bepaald door de in de rijksbegroting beschikbare middelen voor de jeugdzorg. De verdeling tussen provincies is deels op historische basis gebaseerd.
In de rijksbegroting is wel een zekere groei van de middelen voorzien, maar gedurende deze periode is nog geen sprake van invoering van een vraaggestuurde financiering op basis van de benodigde hoeveelheid jeugdzorg (p maal q).
Dit betekent dat gedurende deze periode veelal nog sprake van een voor het zorgaanbod beschikbaar budget per provincie dat nog niet is afgestemd op de behoefte per provincie.
In verband hiermee is het wenselijk dat cliënten in uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook kunnen verzilveren bij een zorgaanbieder die daarvoor niet wordt gesubsidieerd door de provincie waaruit de cliënt afkomstig is. Dit artikel maakt het mogelijk tijdens de periode waarin de zogenaamde P-maal-Q-systematiek nog niet wordt gehanteerd voor de bepaling van de doeluitkering het zorgaanbod. Op grond van het Bestuursakkoord Financieel Kader WJZ op de Jeugdzorg wordt deze systematiek met ingang van 1 januari 2007 gehanteerd.
Binnen het door de provincie Overijssel gesubsidieerde volume aan jeugdzorg mag een zorgaanbieder tot de genoemde datum ook jeugdzorg bieden aan jeugdigen uit een andere provincie. Daarbij gelden vier beperkingen:
• in de eerste plaats moet Bureau Jeugdzorg van de provincie waaruit de jeugdige afkomstig is, hiertoe een indicatiebesluit hebben vastgesteld;
• in de tweede plaats moet het betreffende Bureau Jeugdzorg hebben vastgesteld dat de geïndiceerde jeugdzorg en het eventueel vervangende jeugdzorgaanbod, niet binnen dertien weken kan worden geleverd door een zorgaanbieder die door de provincie van herkomst van de cliënt daarvoor wordt gesubsidieerd. Een dergelijke vaststelling dient door de zorgaanbieder aantoonbaar te zijn;
• ten derde moet de betreffende zorgaanbieder door de provincie Overijssel gesubsidieerd worden voor de in het indicatiebesluit vastgestelde zorgeenheid. Wanneer bijvoorbeeld een cliënt uit een andere provincie is geïndiceerd voor pleegzorg, dan is deze zorg niet subsidiabel binnen de door de provincie Overijssel beschikbaar gestelde subsidie, indien de subsidie geen betrekking heeft op het bieden van pleegzorg;
• ten slotte is het verlenen van jeugdzorg aan cliënten afkomstig uit een andere provincie slechts subsidiabel op grond van deze regeling, voor zover daarmee niet meer dan tien procent is gemoeid van het totaal voor de uitvoering van zorgeenheden door de provincie Overijssel verleende subsidie.
Voor de goede orde wordt vermeld dat, met inachtneming van het hiervoor gestelde, aanspraken van cliënten afkomstig uit andere provincies, voor het overige op dezelfde wijze worden behandeld als aanspraken van cliënten uit de provincie Overijssel. Dit betekent dat op dergelijke aanspraken dezelfde prioritering van toepassing is in geval van bijvoorbeeld wachtlijsten, als voor aanspraken van cliënten afkomstig uit de provincie Overijssel. ]

  1. 1. In afwijking van artikel 7.53, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten voor de periode dat de minister de normbedragen nog niet heeft vastgesteld, de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van het Tijdelijk Besluit Uitkeringen jeugdzorg en de daarbij te hanteren tarieven vast, aansluitend op de taken en tarieven door haar gehanteerd voor de grondslag van de subsidie in het jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van de WJZ.
  2. 2. Indien in het eerste jaar van vaststelling door de minister van de normbedragen, de op basis van het eerste lid verleende maximale subsidie substantieel hoger is dan de maximale subsidie op basis van toepassing van artikel 7.53, eerste lid, dan kunnen Gedeputeerde Staten voor dat jaar een aanvullende prestatiesubsidie verlenen, om de stichting in staat te stellen haar bedrijfsvoering in overeenstemming te brengen met het subsidieniveau op basis van de tarieven.
  3. 3. In aanvulling op artikel 7.53, vierde lid, wordt tot 1 januari 2008 het subsidiebedrag ook bepaald door het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde bedrag van de vaste accommodatiekosten van de zorgaanbieder. De hierin begrepen afschrijvingslasten worden berekend op basis van goed gebruik in het economische verkeer. In het 3e lid is geregeld dat, zolang in afwachting van de invoering van de landelijke P-maal-Q-systematiek de systematiek van normharmonisatie wordt gehanteerd, in de prestatiesubsidie naast het berekende budget voor variabele kosten ook een (maximaal) bedrag voor accommodatiekosten wordt begrepen. Onder accommodatiekosten verstaan wij huur of hypothecaire rente en afschrijvingen, dotatie voorziening groot onderhoud en dergelijke, berekend op basis van goed gebruik in het economische verkeer. Ons accommodatiebeleid is nader verwoord in het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg 2006.
  4. 4. In afwijking van artikel 7.53, zesde lid, komt tot 1 januari 2008 de door de zorgaanbieders uitgevoerde jeugdzorg tevens voor subsidie in aanmerking, indien de cliënt voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg niet duurzaam verbleef in Overijssel, in geval:
    1. a. een hiertoe strekkend indicatiebesluit is vastgesteld door Bureau Jeugdzorg van de provincie, waarin de jeugdige voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleef;
    2. b. het onder a bedoelde Bureau Jeugdzorg heeft vastgesteld dat jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, alsmede een vervangend aanbod als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie Bureau Jeugdzorg, niet binnen dertien weken na vaststelling van het indicatiebesluit, gerealiseerd kan worden door een zorgaanbieder die daarvoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin de jeugdige duurzaam verbleef;
    3. c. de zorgaanbieder op grond van artikel 7.54, vierde lid, een subsidie van Gedeputeerde Staten ontvangt voor het bieden van de zorgeenheid waarop de aanspraak betrekking heeft;
    4. d. hiermee niet een maximum van tien procent wordt overschreden van de totale subsidie die op grond van deze regeling is verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden.

Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen Landelijk Gebied

Gereserveerd

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 9.1. Onvoorziene omstandigheden

Gedeputeerde Staten treffen de nodige voorzieningen of nemen de nodige besluiten in de gevallen waarin de verordening of dit besluit niet voorziet.

Artikel 9.2. Overgangsrecht

[Toelichting: Onmiddellijke of exclusieve werking is de hoofdregel van overgangsrecht. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Onder omstandigheden kunnen bezwaren kleven aan onmiddellijke werking. In dat geval kan gekozen worden voor een vorm van terugwerkende kracht of van eerbiedigende of uitgestelde werking. Volgens de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving moeten afwijkingen van de hoofdregel van onmiddellijke werking in de regeling zelf worden neergelegd. Dit artikel geeft hier uitvoering aan.]

  1. 1. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van dit besluit worden ontvangen en betrekking hebben op het jaar 2007 worden geacht te zijn ingediend op grond van dit besluit. [Toelichting: Artikel 1.13 van dit besluit bepaalt dat een aanvraag om prestatiesubsidie in principe dertien weken voor aanvang van een subsidietijdvak moet zijn ingediend. Dit betekent dat bepaalde subsidies, waarvoor het subsidietijdvak begint op 1 januari 2007, uiterlijk 1 oktober 2006 moeten zijn aangevraagd. Deze overgangsbepaling zorgt er voor dat aanvragen voor die subsidies die vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden ingestuurd conform dit besluit worden behandeld. In het geval wordt geconstateerd dat bij dergelijke aanvragen niet die gegevens zijn gevoegd die dit besluit vereist, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvrager op grond van artikel 4:5 Awb verzoeken binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende gegevens.]
  2. 2. Subsidies die zijn verleend onder de werking van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 worden vastgesteld op basis van dat ingetrokken besluit. [Toelichting: In verband met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel is voor de specifieke situatie dat de subsidie vóór het moment van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 is verleend, maar nog niet is vastgesteld, gekozen voor uitgestelde werking van dit besluit. Dit betekent dat in de genoemde situatie de subsidievaststelling plaatsvindt op grond van de regels zoals die golden ten tijde van de subsidieverlening.]
  3. 3. Paragraaf 3.3.4 ‘roetfilter in voertuig’ van dit besluit werkt terug tot 1 juli 2006. [Toelichting: De subsidie ‘roetfilter in voertuig’ (paragraaf 3.3.4) is aanvullend op de landelijke Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor. Deze landelijke subsidieregeling is in werking getreden op 1 juli 2006. Gedeputeerde Staten vinden dat personen- of bestelauto’s met een dieselmotor die tussen 1 juli 2006 en de de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn voorzien van een roetfilter ook in aanmerking moeten kunnen komen voor provinciale subsidie. Om die reden werkt deze paragraaf terug tot 1 juli 2006.]

Artikel 9.3. Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007’.


Extra

Inhoudsopgave

Versies regeling

download