(geconsolideerde versie, geldend vanaf 27-4-2010)
| Overheidsorganisatie | provincie Overijssel |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen |
| Citeertitel | Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel |
| Vastgesteld door | gedeputeerde staten |
| Onderwerp | milieu |
:
13-4-2010
:
Provinciaal Blad nr. 2010/0075261
Geen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
27-4-2010 | nieuwe regeling | 13-4-2010 Provinciaal Blad nr. 2010/0075261 | Besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 13 april 2010, kenmwerk 2010/0068754 |
1. Algemeen
Bij de huidige stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden in Overijssel kan niet worden gegarandeerd dat op lange termijn de instandhoudingsdoelstellingen niet verslechteren in omvang of kwaliteit. De depositieafname die nodig is om achteruitgang van de instandhoudingsdoelstellingen te voorkomen kan vanwege de omvang niet via individuele projecten worden bereikt. Bij vergunningverlening ex artikel 19d van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbwet) wordt beoordeeld of plannen en projecten het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000 gebieden kunnen verhinderen. Als hier sprake van is noemen we dat significant negatieve effecten. Omdat de stikstofdepositie nu te hoog is, is het zeer moeilijk om aan te tonen dat individuele projecten die de stikstofdepositie beïnvloeden niet leiden tot significant negatieve effecten op de N2000 doelen. Dit heeft geleid tot een impasse bij de vergunningverlening.
Deze impasse leidt er enerzijds toe dat Gedeputeerde Staten van Overijssel (GS) niet in staat zijn om op basis van een redelijke afweging van argumenten besluiten te nemen over het al dan niet verlenen van vergunningen op grond van de Nbwet alsmede over de handhaving van hetgeen in de Nbwet is voorgeschreven. Anderzijds leidt de impasse tot een stagnatie in de ontwikkeling van bedrijven in de agrarische sector. Die stagnatie is op haar beurt weer nadelig voor het behoud van een vitaal platteland in Overijssel. De Provincie Overijssel streeft met het provinciaal Meerjaren Programma Landelijk Gebied (provinciale uitwerking van het rijksbeleid zoals voorzien in het Investeringsbudget Landelijk Gebied en in de Wet inrichting landelijk gebied) juist naar versterking van de agrarische sector als drager van een vitaal platteland.
2. Beleidskader
Met het Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen (Beleidskader) streven GS ernaar om deze impasse te doorbreken. In het Beleidskader staat beschreven wat er nodig is om met recht en reden een vergunning te kunnen verlenen voor projecten en activiteiten die mogelijkerwijs waar het de stikstofdepositie betreft een nadelige invloed kunnen hebben op de instandhouding van natuurwaarden in beschermde natuurgebieden (natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden). Bovendien worden in het Beleidskader de maatregelen beschreven die zullen moeten worden getroffen om afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Overijssel te bewerkstelligen richting een ecologisch acceptabel niveau van stikstofdepositie. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de inhoud van het Beleidskader.
3. Wettelijk kader
De Nbwet vormt het nationale wettelijk kader voor de hier beschreven problematiek. Deze wet implementeert de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en geeft strikte regels voor de bescherming van natuurwaarden in daartoe aangewezen natuurgebieden. De toepassing van de Nbwet heeft in de praktijk sedert haar inwerkingtreding in 2005 veel problemen opgeleverd. De Raad van State geeft er in zijn bestuursrechtelijke jurisprudentie inzake de Nbwet blijk van, dat hij zo dicht mogelijk bij de tekst en de strekking van de Vogel- en Habitatrichtlijn wenst te blijven. Dit laat de bevoegde gezagen die Nbwet-vergunningen moeten verlenen weinig ruimte. De Crisis- en Herstelwet, die op vele fronten een uitweg beoogt te bieden uit de huidige economische crisis door middel van versoepeling van procedures en het scheppen van ruimte voor investeringen, heeft in de Nbwet een aantal ingrijpende wijzigingen aangebracht. Zo biedt de Nbwet nu de wettelijke basis voor het opstellen van de landelijke Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De in de PAS beschreven maatregelen moeten er toe leiden dat in heel Nederland de stikstofdepositie gaat dalen, zodat er wat meer ruimte komt voor individuele initiatieven waarbij de stikstofdepositie een rol speelt.
De Nbwet schrijft niet voor dat er op provinciaal niveau beleidskaders met betrekking tot stikstof worden ontwikkeld, maar staat een dergelijk provinciaal initiatief ook niet in de weg.
4. Beleidsregel
Het vertalen van een beleid(skader) in een beleidsregel is een facultatieve aangelegenheid. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) zegt daarover in titel 4.3. (Beleidsregels) het volgende: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid."
In casu gaat het om twee soorten bevoegdheden, te weten het verlenen van vergunningen (artikelen 16 en 19d, eerste lid Nbwet) en het treffen dan wel voorschrijven van passende maatregelen om verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in een N2000-gebied te voorkòmen en om de in het beheerplan voor het desbetreffende N2000-gebied t.a.v. die habitats beschreven resultaten te verwezenlijken (artikel 19 ke Nbwet).
Er is GS veel aan gelegen dat de criteria voor het al dan niet verlenen van vergunningen en het treffen van passende maatregelen zo helder en duidelijk mogelijk zijn. Daarom hebben zij besloten om het Beleidskader te vertalen in een aantal transparante regels, tesamen onder de titel Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen.
De juridische basis voor deze Beleidsregel is artikel 4:81 Awb. Verder vormen diverse artikelen van de Nbwet de juridische aangrijpingspunten voor de in de Beleidsregel vervatte bepalingen. In de Beleidsregel zijn geen bepalingen opgenomen waarvoor de Nbwet al een regeling geeft. Voorbeeld daarvan is het nieuwe artikel 19kd Nbwet, waarin wordt bepaald dat in enkele, strikt omschreven gevallen, de stikstofdepositie bij het nemen van besluiten over vergunningverlening en het treffen van passende maatregelen buiten beschouwing moet worden gelaten.
[Toelichting: In dit artikel worden begrippen gedefinieerd waarvan de Nbwet geen definitie geeft. Zo wordt voor het begrip ‘kritische depositiewaarde', dat veelvuldig voorkomt in het Beleidskader, een link gelegd met het Alterra-rapport 1654. Daarin worden per Natura 2000-gebied de waarden vastgelegd die aangeven wat de gevoeligheid van een in het betrokken gebied voorkomend habitattype is voor de invloed van stikstofdepositie.
Als referentiedatum voor de toepassing van een aantal in de Beleidsregel vervatte criteria is genomen 1 februari 2009, de datum waarop de ten opzichte van 2005 gewijzigde Nbwet in werking is getreden. Op die datum werd de Habitatrichtlijn in zijn volle omvang voor Lidstaat Nederland geïmplementeerd. De staat van het bedrijf op die datum is derhalve bepalend voor de wijze waarop de criteria van de Beleidsregel worden toegepast.
Een andere betekenis kan niet aan deze datum worden gehecht.
Zo is en blijft de peildatum voor het zogenoemde bestaand gebruik 1 oktober 2005 (artikel 1 sub m. Nbwet) en de referentiedatum voor het al dan niet bij de beoordeling van een vergunningaanvraag of een besluit tot het treffen van passende maatregelen buiten beschouwing laten van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een N2000-gebied 7 december 2004 (artikel 19kd Nbwet).
Om te bepalen of voor een project een vergunning moet worden aangevraagd moet worden nagegaan of er een wijziging optreedt ten opzichte van de situatie op 1 oktober 2005. Bij de beoordeling van een aanvraag zijn 7 december 2004 en 1 februari 2009 referentiedata. Als er een toename is van depositie ten opzichte van 7 december 2004 gelden nadere voorwaarden. Om te bepalen wat de voorwaarden zijn wordt de nieuwe situatie vergeleken met de situatie op 1 februari 2009.]
In dit besluit wordt verstaan onder:
[Toelichting: Ten behoeve van het voorschrijven van voorwaarden teneinde een vergunning te kunnen krijgen is een indeling in categorieën gemaakt die aansluit bij de benadering in het Beleidskader.]
Op basis van de door de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de eigenaar van het betrokken bedrijf, beoogde situatie worden bedrijven ingedeeld in de volgende categorieën, al naar gelang hun maximale N-depositie op een Natura2000-gebied, zoals bedoeld in artikel 7:
A bedrijven beneden de drempelwaarde;
B bedrijven boven de drempelwaarde en beneden de grenswaarde;
C bedrijven boven de grenswaarde.
[Toelichting: Alvorens met de uitvoering van plannen en projecten, die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van N2000-gebieden, wordt begonnen moet de initiatiefnemer bij Gedeputeerde Staten een vergunningaanvraag indienen.
Als een bedrijfslocatie wordt gewijzigd waardoor de depositie of de hieraan ten grondslag liggende factoren zoals stalsystemen veranderen, komt een bedrijf in de categorie ‘plannen en projecten' terecht. Dit is aan de orde wanneer een bedrijf wijzigt ten opzichte van de situatie 1 oktober 2005.
Een vergunningaanvrage moet vergezeld gaan van voldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen. De opsomming in dit artikel is datgene wat in ieder geval nodig is; het staat de vergunningaanvrager vrij om nog meer gegevens over te leggen.
Als de initiatiefnemer genoegzaam weet aan te tonen dat de door hem voorgenomen activiteit geen wijziging brengt in de situatie als bedoeld in artikel 19kd Nb-wet, dan laten GS de stikstofdepositie bij het beoordelen van de vergunningaanvraag buiten beschouwing.]
[Toelichting: In artikel 4 worden per categorie de eisen genoemd waaraan een verkrijger van een vergunning moet voldoen. Deze eisen worden in artikel 6 verder uitgewerkt.
Verder wordt in dit artikel de taakstelling op de lange termijn voor de vergunningverkrijger beschreven en wordt de instelling van een Commissie van deskundigen geregeld die adviseert over emissiearme technieken. Het advies van de Commissie aan GS is leidend voor de voorwaarden die aan een vergunning worden verbonden.
Voor de sanering van piekbelastingen wordt verwezen naar paragraaf 3.4. van het Beleidskader.]
[Toelichting: Dit artikel is de vertaling van paragraaf 3.3. van het Beleidskader. Salderen wordt mogelijk gemaakt door de gewijzigde Nbwet (artikel 19kf Nbwet) en kan een middel zijn om anders niet toelaatbare projecten toch uit te kunnen voeren.
Bij de inwerkingtreding van een door GS te ontwikkelen salderingssysteem is het niet meer mogelijk voor initiatiefnemers om onderlinge afspraken te maken, maar moeten alle rechten worden verkregen uit het salderingssysteem.]
[Toelichting: In artikel 4 worden per categorie de eisen genoemd waaraan een verkrijger van een vergunning moet voldoen. Deze eisen worden in artikel 6 verder uitgewerkt.
Verder wordt in dit artikel de taakstelling op de lange termijn voor de vergunningverkrijger beschreven en wordt de instelling van een Commissie van deskundigen geregeld die adviseert over emissiearme technieken. Het advies van de Commissie aan GS is leidend voor de voorwaarden die aan een vergunning worden verbonden.
Voor de sanering van piekbelastingen wordt verwezen naar paragraaf 3.4. van het Beleidskader.]
[Toelichting: In dit artikel wordt vastgelegd volgens welke methode de effecten op een stikstofgevoelige habitat worden berekend, een methode die ook een rol speelt bij de saldering. Gekozen is voor de meest actuele versie van een landelijk toegepaste rekenmethode, te weten AAgro-Stacks met aanvullingen daarop van het ministerie van LNV.
Ingevolge de gewijzigde Nbwet (artikel 19kb) kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of projecten, andere handelingen of plannen een verslechterend of significant verstorend effect kunnen hebben. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee effecten of gevolgen kunnen worden bepaald.
Wanneer een dergelijke ministeriële regeling daartoe aanleiding geeft kunnen GS de in artikel 7 van de Beleidsregel bedoelde methode aanpassen. ]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking ervan in het Provinciaal Blad.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel.
| RAV- code | Categorie | Emissiewaarde traditionele stallen | Emissiewaarden AmvB- huisvesting | Emissiewaarde aan einde derde beheerplanperiode | Gerealiseerde reductie per dierplaats aan einde derde beheerplanperiode |
|---|---|---|---|---|---|
| Varkens | |||||
| D11 | Biggenopfok | 0,75 | 0,23 | 0,21 | 72% |
| D12 | Kraamzeugen | 8,3 | 2,9 | 2,5 | 70% |
| D13 | Gutse/dragende zeugen | 4,2 | 2,6 | 2,3 | 45% |
| D3 | Vleesvarkens | 3,5 | 1,4 | 1,1 | 69% |
| Kippen | |||||
| E2 | Legkippen | 0,315 | 0,125 | 0,111 | 65% |
| E4 | Vleeskuiken ouderdieren | 0,580 | 0,435 | 0,250 | 57% |
| E5 | Vleeskuikens | 0,080 | 0,045 | 0,037 | 54% |
| Koeien | |||||
| A161 | Melkkoeien/ beweiding | 9,5 | 9,5 | 6,65 | 30% |
| A162 | Melkkoeien/ | 11,0 | 9,5 | 5,5 | 50% |
* NB: deze tabel zal in samenwerking met het bedrijfsleven, de andere provincies en de in te stellen Commissie van Deskundigen compleet gemaakt worden voor andere relevante diercategorieën. Richtlijnen hierbij zijn: